De Sosso Periode
Niet elke pagina in de geschiedenis van de Islam is een opbloei. Soms komt er een tegenslag. En in de 12e eeuw, op de puinhopen van Ghana, verscheen een koning die weigerde te knielen.
Een Leegte die Gevuld Moest Worden
In de 12e eeuw was het Ghana-rijk, ooit de grootmacht van West-Afrika, nog slechts een schaduw van zichzelf: Awdaghust was verloren aan de Almoraviden, de handelsroutes waren omgelegd, en de koninklijke familie, volgens sommige bronnen rond 1076 bekeerd tot de Islam, had haar oude legitimiteit ondermijnd zonder een nieuwe volledig te verwerven. De priesters van Bida, de heilige slang, waren verdreven of geïsoleerd. Het rijk was nog niet dood, maar zijn hart klopte onregelmatig.
In zulke periodes, en hier laten de klassieke auteurs ons niet in de steek, ontstaan machtsvacuüms, en machtsvacuüms worden altijd opgevuld. De vraag is alleen: door wat, door wie, met welke agenda?
Rond het midden van de 12e eeuw begon een antwoord te worden geschreven, in een regio die Kaniaga heet, ten zuiden van Kumbi, niet ver van de huidige grens tussen Mali en Guinea. Daar woonde een volk dat de Sosso wordt genoemd, een tak van de bredere Soninke-cultuur, maar met eigen karakter, eigen godenverering en eigen militaire traditie.
Uit dat volk zou zich een koning verheffen die in de geschiedenis van de Islam in West-Afrika een bijzondere rol zou spelen, niet als geloofsbrenger en niet als vroegmoeder van een Islamitisch rijk, maar juist integendeel: als tegenwicht, als weerstand, als de laatste grote pre-Islamitische macht die het oude orde verdedigde tegen wat zich aandiende.
Zijn naam was Sumaoro Kanté, soms geschreven als Soumaoro, Sumanguru of Sumaoro Kantè. Volgens de latere Mandé-epische traditie was hij een duister-magisch krijger-koning, terwijl hij volgens de historische bronnen een reële politieke figuur was in wiens schaduw een hele generatie West-Afrikaanse geschiedenis zich afspeelde.
Wie Waren de Sosso?
Het volk waarover wij spreken was historisch gezien niet een ras van anderen: de Sosso waren Soninke, wat wil zeggen dat zij de taal, de cultuur en de genealogie deelden met het volk dat ook het Ghana-rijk had opgebouwd. Maar zij bewoonden een bepaalde streek, Kaniaga, aan de rand van de Sahel, en hadden daar een specifieke militaire en religieuze traditie ontwikkeld.
De Sosso waren vooral bekend als smeden, en ijzerbewerking was hun handwerk, want in de Afrikaanse conceptuele wereld is smeden niet zomaar een beroep maar een spiritueel geladen activiteit. Een smid beheerst het vuur, hij verandert de vorm van de materie, hij maakt wapens en werktuigen die leven kunnen behouden of vernietigen, en in veel West-Afrikaanse samenlevingen vormden smeden daarom een aparte sociale categorie, deels gevreesd, deels gerespecteerd, vaak verbonden met mystieke krachten.
De Sosso-koninklijke familie, de Kanté, waren zulke smeden, en in de latere Mandé-traditie wordt hun macht in magische termen uitgedrukt. Zo zou Sumaoro Kanté ijzeren wapenrusting hebben gedragen die geen pijl kon doordringen, zou hij in staat zijn geweest zichzelf op verschillende plekken tegelijk te manifesteren, en zou hij heilige slangen en geesten in zijn paleis hebben gehouden. Zijn hele figuur wordt in het epos van Sundiata, zoals gezongen door de jeli’s, de griots, tot een figuur van bovenmenselijke demonie opgeklopt.
Dit hoeven wij niet allemaal letterlijk te nemen, maar wij moeten het ook niet te snel afwijzen, want de epische traditie vertaalt politieke realiteiten in spirituele beelden. Dat Sumaoro beschreven wordt als spiritueel formidabel, vertelt ons dat hij in werkelijkheid politiek formidabel was, en dat zijn macht in magische termen wordt gevangen, vertelt ons dat zijn macht in de politieke werkelijkheid groot en beklemmend was.
De Pagane Reactie
Hier ligt het hart van deze periode. De Sosso-opkomst wordt in latere islamitische kronieken vaak geframed als de “pagane reactie” op de islamisering van West-Afrika, en er zit waarheid in dat frame, maar ook een vereenvoudiging die moet worden gecorrigeerd.
De waarheid is dat Sumaoro Kanté inderdaad geen moslim was: hij was een aanhanger van de traditionele Mandé-religie met haar voorouderverering, haar geesten (jinn in Islamitische terminologie, nyama in Mandé), haar heilige objecten en plaatsen, en hij claimde legitimiteit uit een oud, pre-Islamitisch Afrikaans wereldbeeld. In die zin was zijn regime een tegenwicht tegen de Islamitische invloed die via handelaars, Almoraviden en hoven was binnengedrongen.
De vereenvoudiging is dat het niet zo was dat Sumaoro een programmatische anti-Islamitische oorlogvoerder was die moslims systematisch vervolgde, want de historische werkelijkheid is genuanceerder. De Sosso-staat omvatte moslimhandelaren in zijn steden en een grondige vervolging was er niet; wat er wel was, was een weigering om de Islam tot staatsreligie te maken, een handhaving van de oude rituelen, en een expansiepolitiek die moslim-rivalen militair uitdaagde.
De Tarikh al-Fattash bewaart een interessant detail over deze periode, want het vertelt dat Sumaoro Kanté een bijzondere relatie had met de smidskaste en dat hij bepaalde Islamitische symbolen actief verwierp. Toen een moslim-gezant hem vroeg om de Islam aan te nemen, wees hij dit af, zo vertelt de kroniek, met de woorden dat zijn goden hem rijk hadden gemaakt en dat hij hen niet wilde verlaten.
Een Imperium op het Aanbeeld
Vanaf ongeveer 1150 begon Sumaoro, of zijn voorgangers, want de exacte datering is onzeker, zijn invloedssfeer uit te breiden: hij annexeerde voormalige Ghana-territoria, onderwierp de twaalf kleine Mandinka-koninkrijkjes van Manden, de regio waaruit later Mali zou opstaan, en vestigde een tributair systeem waarin overwonnen koningen jaarlijks schatting betaalden. Zijn hoofdstad, waarschijnlijk Soso of Sosso, waarbij de naam van het volk en de plaats zich vermengen, werd een centrum van macht.
In de verhalen wordt dit imperium in donkere termen geschilderd, waarbij koningen in kelders zouden zijn opgesloten, dochters van onderworpen heersers in zijn harem zouden zijn gedwongen en dorpen zouden zijn leeggeplunderd. Dat is epische overdrijving, maar het bevat een kern van politieke werkelijkheid: Sumaoro regeerde hard, rekende af met weerstand, en genereerde een hekelbare reputatie bij zijn buren.
Een van de Mandinka-koninkrijken die hij onderwierp was Niani, de stad die thuisbasis was van de Keita-clan, en de heersende prins van de Keita’s op dat moment was zwak en ziekelijk. Sumaoro schoof een vazal op de troon en liet de Keita-familie met rust, op voorwaarde dat zij geen politieke pretenties meer zouden tonen. Onder die familie groeide een jongen op met verlamde benen, een kind van een minder populaire bijvrouw, die in de familie als twijfelachtig erfgenaam werd beschouwd, en zijn naam was Sundiata.
Dat is echter het vervolg, waar wij pas later aan toekomen.
Wat Islam Wél Deed in Deze Tijd
Was er in de Sosso-periode dan geen Islamitische ontwikkeling? Jawel, maar zij gebeurde niet in de staat; zij gebeurde eromheen.
De Wangara-handelaren, de moslim-kooplieden-klasse die wij eerder hebben leren kennen, bleven in deze periode actief: zij handelden dwars door de Sosso-gebieden heen, betaalden tol en onderhielden hun moskeeën in de grote handelssteden, Djenné, Kabara en Walata, zonder door de koninklijke macht gesanctioneerd te zijn. Zij werden geen onderdeel van het Sosso-hof, maar zij werden ook niet systematisch verdreven; zij wachtten.
Moslim-geleerden bleven onderwijzen in privé-kringen, en de Tarikh al-Sudan vermeldt enkele families van 12e-eeuwse geleerden die in deze periode hun kennisoverdracht in stand hielden, soms in discrete kringen, soms in volledige openheid, afhankelijk van de lokale houding van een Sosso-goeverneur.
De Islam in West-Afrika ging dus niet in winterslaap tijdens de Sosso-periode, maar in een ondergrondser register: zij werd onderhouden door gemeenschappen, handelaren en leraren, maar zonder koninklijk patronaat. Dat is een toestand die de Islam eeuwenlang wereldwijd in verschillende contexten heeft gekend, en zij overleeft er goed in; wat zij echter niet kan, is in zo’n toestand groei doorzetten op een schaal die structurele verandering brengt.
Voor die structurele verandering is een Islamitische koning nodig, en die zou komen.
Een Geruststelling en een Waarschuwing
Voor een West-Afrikaanse moslim in 1155 zou deze periode een teleurstelling zijn geweest, want de beloften van de Almoravidische tijd, de mogelijkheid dat de hele Sahel onder een Islamitisch vaandel zou komen, waren niet uitgekomen. In plaats daarvan was er een heidense koning die grote delen van de voormalige Ghana-streek domineerde, die actief de oude religie bevoordeelde en die moslim-staten geen ruimte gaf om zich volledig te ontwikkelen.
Maar in die teleurstelling zit een les, want de voortgang van de Islam in een regio gaat niet in een rechte lijn, maar kent plateaus, terugvallen en ondergrondse perioden. Dat de 11e eeuw vooruitgang bracht betekende niet dat de 12e dat zou voortzetten, en dat Takrur de stichting was van een vroege Islamitische staat betekende niet dat heel West-Afrika zou volgen.
De Profeet ﷺ heeft voorspeld dat elke eeuw een mujaddid zal brengen, een vernieuwer die de Islam opnieuw zal doen opleven, en deze voorspelling werkt ook in West-Afrika. De Sosso-periode was een stilte, maar een stilte die voorafging aan een opstand die onder de vlag van Islam zou komen, onder een prins die als kreupele jongen aan Sumaoro’s hof zou opgroeien en vervolgens zijn hele orde omver zou werpen.
De Clash op de Horizon
De spanning die zich tussen Sumaoro en de ondergrondse Islamitische lijn opbouwde zou zich concentreren in één persoon: Sundiata Keita. Hij zou uit ballingschap terugkeren, hij zou een coalitie smeden van Mandinka-koninkrijken die onder Sumaoro’s juk zaten, en hij zou op het slagveld bij Kirina in 1235, bijna een eeuw na het begin van onze Sosso-periode, de Sosso-koning verslaan. Uit die overwinning zou het Mali-rijk groeien, de grootste Islamitische staat die West-Afrika tot dan toe had gekend.
Maar dat is toekomst. In 1155 was Sumaoro Kanté de meester van een groot deel van West-Afrika, waarbij zijn smederij rookte, zijn ijzer hard was en zijn goden oud waren, en hij had geen idee dat ergens, in een hoekje van zijn imperium, een kind aan het opgroeien was dat zijn hele bouwsel ongedaan zou maken.
De Epische Vertaling
Het is belangrijk te benoemen dat onze kennis van de Sosso-periode voor een groot deel afhankelijk is van mondelinge traditie die door de jeli’s, de griots van de Mandé, is doorgegeven. Het epos van Sundiata is onze voornaamste bron, en het is niet objectief, want het is geschreven door de winnaars; Sumaoro wordt in dit epos zo zwart mogelijk geschilderd, zodat de Mali-stichter Sundiata Keita des te helderder oplicht.
Wij moeten dit op de juiste manier lezen, niet als de nauwkeurige beschrijving van Sumaoro’s karakter, maar als de Mandé-gemeenschappelijke herinnering aan wat hij politiek vertegenwoordigde. Hij was de vervanger van het oude Ghana-systeem, hij was de laatste grote pagane vorst, en hij was de man die de Islam de toegang tot politieke macht ontzegde; in de herinnering van een gemeenschap die later Islamitisch werd, kon hij dus niet anders dan als schaduw verschijnen.
Voor historische eerlijkheid moeten wij echter erkennen dat Sumaoro ook een bestuurder was met gevestigde institutionele patronen, want hij handhaafde wegenbouw, belastingheffing en militaire organisatie. Hij was geen pure tyran, maar een koning van zijn tijd en plaats, die zijn eigen religieuze traditie wilde handhaven in een wereld die aan het veranderen was.
Het Einde van een Tijdperk
Wat eindigt er met de Sosso-periode? Niet alleen Sumaoro als persoon, want er eindigt een hele manier van politieke legitimatie: na hem zou geen enkele grote West-Afrikaanse koning meer expliciet niet-moslim zijn. Sundiata zou zich, hoewel zelf nog niet volledig Islamitisch, niet publiek tegen de Islam keren, en zijn opvolgers zouden steeds Islamitischer zijn, uitmondend in Mansa Musa die in 1324 de hajj maakte en met zoveel goud door Caïro trok dat de goudmarkt daar een decennium lang gedeprecieerd bleef.
Sumaoro Kanté is in zekere zin de laatste, het laatste beeld van een West-Afrika dat vóór zichzelf kon blijven op de eigen, pre-Islamitische voorwaarden, want alles daarna zou in de politieke sfeer onder het teken van de Islam staan. Hij is daarom tragisch, niet omdat hij een slecht mens was, dat weten wij niet met zekerheid, maar omdat hij de laatste vertegenwoordiger was van een wereld die zijn tijd had gehad.
Voor een moslim die naar deze geschiedenis kijkt, is er ook respect aangewezen, want Sumaoro vocht voor wat hij geloofde. Hij verloor, maar hij verloor eerlijk, op een slagveld, tegen een vijand die groter bleek dan hij, en dat is het lot van veel heersers, in elke religie en cultuur.
De Economische Schaduw
Naast de religieuze en politieke dimensies heeft de Sosso-periode ook een economische dimensie die vaak over het hoofd gezien wordt, want onder Sumaoro Kanté stokte de dynamiek van de trans-Saharaanse handel niet, maar veranderde van karakter. De oude Ghana-routes, waarlangs goud uit Bambuk via Kumbi naar Awdaghust en verder reisde, lagen onder Sosso-controle, zodat Sumaoro tol kon heffen, handelaren kon begunstigen of benadelen en routes kon afsluiten.
De effecten waren gemengd. Aan de ene kant bleven goederen stromen, want Sumaoro was niet zo dwaas om zijn eigen inkomstenbron te verwoesten, maar aan de andere kant voelden moslim-kooplieden zich minder welkom, en sommigen begonnen alternatieve routes te zoeken. Een route via het oosten, via Gao en langs de Niger, won aan belang, terwijl een andere, zuidelijker route, langs de grens tussen Sahel en bos, nieuwe goudvelden ontsloot, die van Bure, die later een belangrijke rol in Mali’s economie zouden spelen.
Deze verschuivingen waren stil, want zij werden niet in één jaar gedecreteerd maar gebeurden over decennia, karavaan na karavaan, koopman na koopman. Hun cumulatieve effect was echter dat tegen het einde van de Sosso-periode het oude Ghana-Awdaghust-Sijilmasa-assenstelsel niet meer dominant was, en dat een nieuw, Niger-georiënteerd netwerk de toekomst werd, met zijn centrum in Djenné, in Timbuktu en in Gao. Niet toevallig zouden dit de steden zijn die onder Mali en Songhay hun glorie zouden beleven.
De Sosso-periode heeft, zonder het te bedoelen, de economische geografie van Islamitisch West-Afrika opnieuw getekend.
De Stem van het Epos
Voordat wij deze periode sluiten, past het te luisteren naar de stem waarmee zij voortleeft. Het epos van Sundiata, zoals het door eeuwen van jeli-zangers is doorgegeven en in de 20e eeuw door onderzoekers als Djibril Tamsir Niane en Bamba Suso werd opgetekend, bewaart hele passages waarin Sumaoro spreekt. Hij is geen platte schurk, maar trots, godsdienstig op zijn eigen manier en overtuigd van de rechtmatigheid van zijn heerschappij, en in één beroemde passage verklaart hij aan zijn griot Balla Fasseke:
Sumaoro Kanté: “Ik ben de koning omdat mijn goden het willen. Ik draag hun kleur, ik draag hun tekens. Wie mij verslaat, moet eerst mijn goden verslaan.”
Zo spreekt een man die niet begrijpt dat zijn tijd voorbijgaat, want hij denkt dat zijn macht van zijn goden komt, terwijl zijn tegenstanders zullen ontdekken dat zijn macht van zijn ijzer komt, en dat ijzer kan worden geneutraliseerd als je weet hoe. In het epos is het Sundiata’s griot, overgelopen uit Sumaoro’s hof, die de zwakke plek van de tyran onthult: een bepaalde soort pijlpunt, gemaakt van een bepaalde steen, die zijn magische bescherming kan doorbreken.
Dit is folklore, maar het is folklore die een waarheid verpakt: imperiums vallen niet omdat hun goden hen in de steek laten, zij vallen omdat hun interne legitimiteit gebarsten is. Sumaoro’s val, als zij komt, is niet de val van een man maar van een heel systeem, want het oude orde, dat zonder Islam kon, kan niet meer zonder. De wereld was veranderd terwijl hij zijn smederij stookte.
Wat Hierna Komt
Wij staan op de drempel van iets groots, want aan de Mandé-horizon tekent zich een nieuw tijdperk af. Een jonge prins, door Sumaoro’s vertegenwoordigers vernederd en door zijn familie aanvankelijk afgeschreven, zou terugkeren uit ballingschap, een coalitie smeden van onderdrukte koninkrijken, en de Sosso op een slagveld ontmoeten en verslaan; uit zijn overwinning zou een rijk ontstaan dat niet alleen Sumaoro maar ook Ghana’s oude heerlijkheid zou overtreffen.
Het Mali-rijk stond op het punt om de geschiedenis binnen te stappen, en daarmee veranderde alles wat wij tot nu toe hebben besproken, van eerste kennismaking in 750 tot Sosso-weerstand in 1155, in de voorbereidingen, de achtergronden, de onvermijdelijke schakels in een ketting die zou eindigen bij de schouders van een Mansa die in Caïro staat en goud uitdeelt aan elke voorbijganger.
Alles wat wij hebben verteld, heeft zijn betekenis, maar die betekenis wordt pas volledig zichtbaar in wat nu komen gaat.
Bronnen
- Het epos van Sundiata, de mondelinge overlevering van de jeli’s van de Mandé: de versie van Mamadou Kouyaté, opgetekend door Djibril Tamsir Niane (1960, Engelse vertaling G.D. Pickett), en de Mandinka-versies, waaronder die van Bamba Suso, opgetekend door Gordon Innes (1974), zoals aangehaald in Gomez, pp. 383, 391.
- Ibn Khaldun ﵀, Kitab al-ʿIbar, het bericht van Shaykh Uthman ﵀ uit Ghana (796/1394): de onderwerping en opslokking van Ghana door de Susu, Mari Jata als de grootste koning van Mali die de Susu overwon, en zijn vijfentwintig regeringsjaren, zoals aangehaald in Gomez, pp. 41, 69, 88.
- Tarikh al-Fattash, toegeschreven aan Mahmud Kaʿti ﵀: het uitsterven van het bewind van Kayamagha en de laagsten die de macht over de grootsten namen, gelezen als de Susu, zoals aangehaald in Gomez, p. 41.
- Michael A. Gomez, African Dominion: A New History of Empire in Early and Medieval West Africa, Princeton University Press, Princeton 2018, pp. 32, 37–38, 40–41, 63, 67–69, 75–77, 80–84, 87–90, 104, 107, 383, 391, 395, 402, 409.
- pp. 37–38, 41: het verlies van Awdaghust aan de Almoraviden in 446/1054–5 en al-Zuhri ﵀ over de islamisering van Ghana in 469/1076–7; het hoofd van de gedode slang Bida dat in Bure landt, de nieuwe goudbron, en de Soninke-diaspora; Ibn Khaldun ﵀ over Ghana dat door de Susu, een naburig volk, werd onderworpen en opgeslokt.
- pp. 63, 67–68: de Susu-overheersing gevolgd door oorlog als historisch zeer waarschijnlijk; het kerngebied van de Susu in de huidige regio Koulikoro, door sommigen met Kaniaga verbonden, als oostelijke buren van Ghana; Sumaoro of Sumanguru Kante als koning van Susu aan wie Mali onderworpen was en zelfs Ghana schatting betaalde; zijn naam als Sumaoro de Wrede die kooplieden beroofde en meisjes ontvoerde; de opkomst van de Susu als keerpunt.
- pp. 81, 89–90: zijn machtige leger van smeden en Susu dat van onbeduidend dorp de meester van Ghana wordt; de drie muren, de zevenverdiepingentoren en de kamer met mensenhoofden van het Donkere Woud; zijn negenenzestig gedaanten; zijn afkomst uit de smeden van de Jarisu, numu die de heersers van Ghana hadden gediend, en zijn naam als slaaf van Da uit de dienstbare stand van Wagadu; de Kante-smeden die aan de slachting ontsnappen; het conflict als allegorie van de spanning tussen smeden en een opkomende handelsklasse, en de goudvelden van Bure als grondslag van Mali.
- pp. 75–77, 80, 82: Sundiata als kind dat niet kon lopen en Sogolon als de verstoten bijvrouw; het hof van Niani waar hij opgroeit met Fran Kamara en Kamanjan; Sumaoro die de broers van Sundiata doodt en Niani verovert op Mansa Kara Kamara, de koning van ijzer.
- pp. 83–84, 87–88: de spoor van de witte haan als het geheim van Sumaoro; de slagen bij Kankigne en Krina/Kirina aan de Niger; zijn verdwijning in de bergen van Kulikoro of zijn verstening; de verwoesting van Sosso; de twaalf koningen met hun twaalf speren die Sundiata tot mansa uitroepen; de datering van Kirina rond 630/1233 uit de regeringsjaren bij Ibn Khaldun ﵀.
- pp. 32, 40: Bida, de heilige slang van Wagadu, aan wie jaarlijks een maagd werd geofferd voor regen en goud; de opkomst van Walata als nieuw eindpunt van de karavanen tegen het begin van de 13e eeuw.
- pp. 69, 104, 107: Mari Jata bij Ibn Khaldun ﵀ als dezelfde als Sundiata; Mansa Musa in Cairo op 18 juli 1324 en de goudprijs die na zijn bezoek nooit meer boven 22 dirham kwam.
- pp. 383, 391, 395, 402, 409: de opgetekende versies van het epos bij Niane en Innes; Johnson over Sumaoro die in Mali niet wordt veracht, in een strijd die geen kwestie van goed tegen kwaad was; Balla Faseke Kuyate, de griot van Sundiata die Sumaoro om zijn balafonspel vasthield; de waarschuwing dat de lezing van het conflict als voorouderreligie tegen Islam weinig vruchtbaar is, met Niane’s bolwerk van het fetisjisme als voorbeeld.
- John O. Hunwick (vert.), Timbuktu and the Songhay Empire: al-Saʿdi’s Taʾrikh al-sudan down to 1613 and other contemporary documents, Brill, Leiden 2003 (2e druk; 1e druk 1999), pp. 14, 18 (TS hfst. 4 en 5): de Maliërs die op de dynastie van Ghana volgden; Djenné dat aan het einde van de 6e eeuw AH, rond 1200, moslim werd toen sultan Kunburu zich bekeerde en de moslimgeleerden van de stad bijeenriep.
- John O. Hunwick (ed./vert.), Shariʿa in Songhay: The Replies of al-Maghili to the Questions of Askia al-Hajj Muhammad, Oxford University Press for the British Academy, Oxford 1985, p. 14: de west-oostroute van het oude Ghana langs de Nigerbocht naar Gao en Tadmakka tot de opkomst van Walata in de 12e eeuw; Timbuktu dat volgens as-Saʿdi ﵀ aan het einde van de 5e eeuw AH als nomadenkamp ontstaat.
- Het Profetisch ﷺ woord over de vernieuwer die Allah ﷻ aan het begin van elke eeuw voor deze gemeenschap zendt (Sunan Abi Dawud, Kitab al-Malahim), zoals aangehaald door de Shehu ﵀ bij Sulaiman, The African Caliphate, p. 21.
