InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Intensivering van Transsahara handelsroutes
Islam in West-AfrikaDe komst van Islam en vroege islamisering

Intensivering van Transsahara handelsroutes

Intensivering van de Transsahara Handelsroutes

Wat eeuwenlang een paadje was, werd een snelweg. En over deze snelweg reisden niet alleen goud en zout, maar ook ideeën, letters en gebeden.

De Woestijn als Oceaan

Men vergelijkt de Sahara vaak met een barrière, een muur tussen Noord en Zuid, en dat beeld klopt niet. De Sahara is geen muur maar een oceaan, en zoals elke oceaan heeft zij havens, winden en schepen, en bovenal heeft zij verbinding.

Wie de middeleeuwse wereldkaart van de moslims bekijkt, zoals die van al-Idrisi een paar eeuwen later, ziet dat de cartograaf de Sahara niet als een leegte tekent maar als een zee met eilanden. Awdaghust, Sijilmasa, Ghadames, Zawila, Tadmekka en Timbuktu zijn geen oases in een dode streek maar havensteden in een stofoceaan, en tussen die havens bewegen de kamelen zoals galjoenen tussen Venetië en Alexandrië.

In de 8e eeuw is dit netwerk nog bescheiden: er reizen karavanen, er worden goederen uitgewisseld en er sijpelt Islam binnen. Maar in de 9e eeuw gebeurt iets dat het hele systeem op een andere schaal brengt.

Waarom Juist Nu

De intensivering van de trans-Saharaanse handel in de 9e eeuw heeft niet één oorzaak, maar is een samenloop, en de factoren moeten samen worden gezien om te begrijpen waarom de schaal plotseling groeit.

Ten eerste: de Abbasiden. Sinds 750 C.E. regeert een nieuwe dynastie de islamitische wereld vanuit Bagdad, en zij bouwen een economie die geld nodig heeft, waarin zilver schaars wordt terwijl goud aan strategisch belang wint. In de wereld die de Abbasiden kennen is er één streek waar goud in overvloed schijnt te zijn: de zuidrand van de Sahara, het land dat de Arabieren bilad al-sudan noemen, het land van de zwarten. Dat is geen pejoratief maar een geografische aanduiding, en het is waar het goud vandaan komt.

Ten tweede: de kameel. De introductie van de eenhumpige dromedaris als volwassen handelsdier is tegen deze tijd helemaal geconsolideerd, zodat een dier dat aan het begin van onze jaartelling nog maar beperkt in Noord-Afrika voorkwam nu dominant is. En dit is beslissend, want een kameel kan zeven tot tien dagen zonder water, draagt tot 200 kilo en overleeft temperaturen die een muilezel doden. Zonder de kameel is de trans-Saharaanse handel op deze schaal fysiek onmogelijk, terwijl zij met de kameel winstgevend wordt.

Ten derde: stabilisatie aan beide uiteinden. In het noorden vestigen zich dynastieën die voor veiligheid zorgen, de Aghlabiden in Ifriqiya, de Rustumiden in Tahert en de Idrisiden in het westelijke Maghreb, terwijl in het zuiden Wagadou, het Ghana-rijk van de Soninke, uitgroeit tot een georganiseerde staat met koninklijke controle over de goudhandel. Beide uiteinden beginnen als betrouwbare partners te functioneren, niet langer als chaotische grensgebieden.

De Schepen van de Woestijn

Een serieuze karavaan is geen enkele kameel en ook geen tien, maar telt honderden dieren en soms meer dan duizend.

Zij vertrekken uit Sijilmasa of Tahert wanneer het seizoen het toelaat, meestal in de herfst of winter, wanneer de zon minder moordend is. Zij reizen in konvooi, met gids en bewaking, met cargaderia en met een voorraad water die op specifieke putpunten moet worden aangevuld.

Een oversteek van Sijilmasa naar Awdaghust duurt volgens een latere waarneming van al-Bakri ﵀ zo’n 60 tot 70 dagen: twee maanden in de woestijn, twee maanden waarin elk glas water berekend is en elke dag een fractie dichter bij de zuidelijke rand ligt. De kameelleiders zijn bijna altijd Sanhaja Imazighen, de stam die deze noordwest-Saharaanse route beheerst, en zij kennen de putten en de sterren en weten wanneer een zandstorm gaat komen.

Op weg naar het zuiden zit er in de zadeltassen allereerst zout: grote platen zout uit de mijnen van Taghaza en later Tadmekka, gesneden in blokken zo groot als een deur, vastgebonden op de flanken van de kamelen. Daarnaast reizen er koper, gedroogde dadels, textiel uit Noord-Afrika en soms uit nog verder weg, boeken en manuscripten mee, en bovenal geld: dinars en dirhams, die in de Sahel circuleren om goud te kopen.

Op weg naar het noorden zit er boven alles goud in de zadeltassen: goudstof in kleine zakken, goudklompen voor de welgestelden en goudstaven voor wie het voorrecht had. Maar ook slaven, pijnlijk en massaal vervoerd, en ivoor, struisvogelveren, leer en geneeskrachtige planten, en soms mensen met kennis, zoals een Soninke die Arabisch wilde leren of een jonge Sahel-moslim die op weg was naar Kairouan om te studeren.

De Economie Die Volgt

Deze intensivering maakt van de Sahel iets wat zij nooit eerder was: een essentiële schakel in een wereldeconomie.

Rond 815 beweegt een groeiend percentage van het goud dat in Bagdad, Caïro en Córdoba wordt gemunt uit deze streek, en moderne schattingen suggereren dat op het hoogtepunt, in de 13e en 14e eeuw, tot tweederde van al het goud dat in de Middellandse Zee circuleerde uit West-Afrika kwam. In 815 staat dit proces nog in de kinderschoenen, maar het begint al op te vallen.

De economische gevolgen voor West-Afrika zelf zijn samengesteld. Aan de ene kant brengt de intensivering welvaart, urbanisatie en monetarisering, zodat de Soninke koning, de Ghana zoals zijn titel luidt, rijk genoeg wordt om een immense hofhouding te onderhouden en om als makelaar tussen de goudproducerende Wangara in het zuiden en de handelaren uit het noorden te fungeren. Kumbi groeit, Awdaghust bloeit, en Gao aan de Niger wordt een centrum van eigen formaat.

Aan de andere kant is er de prijs die nooit volledig in een Arabische kroniek staat, want de slavenhandel groeit mee met de rest en mensen worden goederen onder de goederen. Dat is een gewone realiteit in de middeleeuwse wereld, die geldt voor het christelijke Byzantium, voor de moslimwereld en voor Europa lang erna. Maar het heeft specifieke gevolgen voor de Sahel, waar complete populaties worden gedeporteerd, gezinnen uiteengerukt en hele dorpen ontvolkt.

De ethische restricties die de Islam oplegt aan slavernij, geen verkoop van vrijgeboren moslims, bescherming van gezinsbanden, aanmoediging tot vrijlating, worden lang niet altijd nageleefd.

De Cultuur Die Meereist

Handel vervoert niet alleen goederen maar ook ideeën, zodat elke karavaan een klein transportmiddel voor cultuur wordt. Met de zoutplaten reizen verhalen mee, met de dadels recepten, met de dinars een idee van contract, en met de mensen reist altijd taal, gebruiken en religie.

De Tarikh as-Sudan vertelt meerdere malen dat de vroegste moskeeën in de Sahel-steden niet ontstonden als stichtingen van een koning maar als bedehuizen van handelaren, en dat is een belangrijk onderscheid, want een koningsmoskee is een staatsinstitutie terwijl een handelsmoskee een dienst aan een gemeenschap is. De eerste moskeeën in Awdaghust en Tadmekka, later in Gao en Kumbi, zijn van dat tweede type, gebouwd om de bezoekende karavaan een plek te geven om zijn salat te doen en vrijdag samen te komen.

Al-Umari ﵀, de Egyptische geleerde uit de 14e eeuw, kijkt terug op deze ontwikkeling in zijn Masalik al-Absar fi Mamalik al-Amsar en beschrijft hoe ministeries van administratie in West-Afrikaanse rijken in zijn tijd in het Arabisch functioneren. Die Arabisering begint niet bij de generatie van al-Umari ﵀, maar hier, in de 9e eeuw, in de handelsboekhouding van Sanhaja kooplieden.

Tadmekka en de Opkomst van een Nieuwe Knoop

Eén ontwikkeling in deze periode verdient bijzondere aandacht, namelijk de opkomst van Tadmekka, een stad in het huidige noordoost-Mali, niet ver van de grens met Algerije. Tadmekka, wiens naam letterlijk “die op Mekka lijkt” betekent, groeit in de 9e eeuw uit tot een van de voornaamste tussenstations van de centrale trans-Saharaanse route.

Dat de stad zichzelf vernoemt naar Mekka is veelzeggend, want dit is geen heidense naam die later geïslamiseerd wordt maar de zelfidentificatie van een plek die zichzelf vanaf het begin als moslim begrijpt. Archeologisch onderzoek in de laatste decennia heeft hier vondsten gedaan, moskeefunderingen, Arabische grafstenen en overblijfselen van huizen gebouwd in een stijl die het Maghrebijnse spiegelt, die deze identiteit bevestigen.

Tadmekka, Awdaghust en Sijilmasa zijn de knooppunten waar de handel materieel verdicht wordt, waar karavanen halt houden, hersteld worden en opnieuw uitgeladen en geladen. En op elk van deze knooppunten blijft een moslimgemeenschap achter die niet meer weg gaat.

Een Klasse van Bemiddelaars

Wat deze 9e-eeuwse intensivering ook voortbrengt is een nieuwe sociale klasse: de bemiddelaar. Het is de handelaar die tussen twee werelden staat, tussen noordelijk en zuidelijk, moslim en niet-moslim, Arabisch en Soninke of Songhay, en hij is meertalig, gelovig en pragmatisch, onderhoudt in beide werelden een familie, soms letterlijk, en organiseert krediet over afstanden die bijna onbegrijpelijk zijn.

Deze klasse krijgt een naam die pas in latere eeuwen breed gebruikt wordt: de Wangara. Wangara staat niet voor een volk in etnische zin maar voor een beroepsgemeenschap van moslimkooplieden die de handelsroutes tussen de goudvelden en de Sahel beheersen, en hun oorsprong ligt bij de Soninke, maar zij zijn meertalig en mobiel, transreligieus in hun omgang maar standvastig in hun eigen geloof.

De 9e eeuw is de periode waarin deze klasse nog jong is en nog dun, maar zij is aan het ontstaan, en zij zal in de eeuwen die volgen veel meer doen dan goud vervoeren: zij zal Islam zuidwaarts dragen naar Djenné, naar de bossen, uiteindelijk tot aan de huidige kusten van Ghana en Ivoorkust.

De Schaduw van het Atlantische Vervolg

Er is hier iets dat voor het Afro-Caribische publiek pijnlijk relevant is. De trans-Saharaanse handel die in deze periode intensiveert is niet dezelfde als de Atlantische slavenhandel, want zij is eeuwen eerder, kleiner in schaal, en zij vervoert vooral goud en goederen, terwijl slavernij een onderdeel is maar niet de kern. De Atlantische handel, vanaf de 15e eeuw onder Portugezen en later Nederlanders, Britten en Fransen, heeft een radicaal ander karakter: industrieel, racistisch in categorie, genocidaal in intensiteit.

Maar de twee zijn niet volledig los van elkaar. De trans-Saharaanse routes legden commerciële structuren aan die later, toen de Europese handel opkwam, als aansluitpunten konden worden gebruikt, en netwerken die goud uit de Wangara-streek naar het noorden brachten konden door Portugezen worden afgetapt om slaven naar de kust te leiden. Dat is een bittere, pijnlijke continuïteit.

Voor moslims met Afro-Caribische voorouders is dit relevant. Onze voorouders hebben misschien eeuwen geleden een volksgenoot gekend die werd weggevoerd over de Sahara, en eeuwen later werd die lijn voortgezet door een ander systeem dat uiteindelijk in een schip naar Suriname, Trinidad of Curaçao eindigde. De geschiedenis is één doek, en de draden verschuiven van kleur, maar lopen door.

Dit benoemen is geen aanklacht tegen de 9e-eeuwse moslims, maar een eerlijke blik op een gecompliceerde erfenis, want de Islam die via deze routes kwam was groter dan de praktijk van haar dragers. Dat blijft de taak: de Islam scheiden van wat mensen ermee deden.

Een Netwerk dat Staat

Rond 815 C.E. staat er dus een netwerk, niet volmaakt, niet volledig Islamitisch en niet zonder schaduw, maar het staat, en het is infrastructuur.

De kamelen bewegen, het goud loopt door, de dinars circuleren en de geleerden beginnen te reizen. Over een paar generaties zullen Soninke koningen in hun hof Arabische brieven laten lezen door moslim-secretarissen, weer een paar generaties later zal een Soninke prins zelf moslim zijn, en nog een generatie verder zal de eerste volledig Islamitische West-Afrikaanse staat, Takrur, op de kaart verschijnen.

Maar dat alles hangt van dit netwerk af, want zonder netwerk is er geen volgende stap. En dat netwerk wordt in deze periode gezet.

De Geldgrondslag van een Wereld

Iets dat vaak vergeten wordt is het geld zelf. In de 9e eeuw is de gouddinar de voornaamste valuta van de Abbasidische wereld, een dinar weegt ongeveer 4,25 gram zuiver goud, en de Abbasidische munthuizen in Damascus, Basra en later in Samarra slaan er jaarlijks grote hoeveelheden van, terwijl een groeiend percentage van het goud dat in deze dinars wordt gesmolten uit de Sahel komt.

Hoe dit geweten wordt, is door metallurgisch onderzoek op bewaarde dinars uit deze periode. Spectrografische analyses van Abbasidische en Fatimidische munten tonen karakteristieke sporen-elementen, kleine percentages zilver, koper en platina, die overeenkomen met de vingerafdruk van Bambuk-goud, niet met die van Egyptisch of Siberisch of Andalusisch goud. Deze studies, gedaan door hedendaagse onderzoekers en de École Française de Rome, bevestigen wat de middeleeuwse Arabische geografen al hadden aangevoeld: de West-Afrikaanse goudvelden waren niet een ver randelement, maar een structurele voedingsbron van de hele moslim-economie.

Voor de Afro-Caribische lezer is dit punt waardig van contemplatie. Toen onze voorouders in de 9e eeuw goud delfden in Bambuk, zonder precies te weten waar het heen ging, droegen zij bij aan de financiering van paleizen in Caïro, van bibliotheken in Bagdad en van moskeeën in Córdoba, zodat onze historische voetafdruk groter is dan gedacht. De moslim-beschaving die in de geschiedenisboeken vaak als “Arabisch” wordt afgeschilderd was in haar materiële basis deels zwart Afrikaans.

De Aghlabidische Factor

Eén dynastie verdient in dit verband specifieke vermelding: de Aghlabiden. Vanuit Kairouan regeerden zij in de 9e eeuw Ifriqiya, het huidige Tunesië, als vazallen van de Abbasiden maar met feitelijke autonomie, en hun welvaart was grotendeels gebaseerd op twee bronnen, de Middellandse Zee-handel met christelijk Europa en de trans-Saharaanse handel met de Sahel.

De Aghlabiden investeerden in infrastructuur op de noordelijke uitgangspunten van de zuidelijke routes, en zij bouwden ribats, versterkte grensposten, die niet alleen militair functioneerden maar ook als pleisterplaatsen voor handelsmissies. Zij investeerden in Kairouan zelf, dat een van de grote steden van de moslim-wereld werd en een centrum van Maliki geleerdheid, en vanuit Kairouan gingen geleerden en pelgrims mee met karavanen zuidwaarts, of ontvingen zij moslimse bezoekers uit de Sahel.

Een belangrijk gegeven is dat in deze periode de Maliki madhhab in Kairouan vorm begint te krijgen onder geleerden als Sahnun ﵀, auteur van de Mudawwana. Deze rechtsschool, met haar nadruk op de praktijk van Medina en haar relatief praktische benadering van handelsrecht, was bijzonder geschikt voor de handelscontext van de trans-Saharaanse routes. Het is geen toeval dat de Islam die uiteindelijk West-Afrika islamiseerde overwegend Maliki was, want die keuze werd in deze periode, in deze karavanen, op praktische gronden gemaakt voordat Ibadi werd verdrongen.

De Pelgrim als Pionier

Er is één type reiziger dat nog niet is genoemd en dat belangrijk is, en dat is de pelgrim. Vanaf de 9e eeuw beginnen de eerste West-Afrikaanse moslims de hajj te ondernemen, niet als groep en niet als koninklijke delegatie, maar als individuen.

Zij reizen mee met handelskaravanen noordwaarts, doorkruisen de Sahara en lopen via Kairouan en Caïro door naar de heilige steden, en als zij de terugreis overleven keren zij terug naar hun dorpen. Zulke pelgrims veranderen hun omgeving onherkenbaar, want zij hebben Mekka gezien, zij hebben Masjid al-Nabawi gezien en zij hebben de tawaf gemaakt rond de Ka’bah, en zij brengen niet alleen herinneringen terug maar ook kennis: nieuwe soera’s die zij ter plaatse hebben geleerd, rechtsoordelen die zij bij geleerden hebben opgehaald, en verhalen van de Profeet ﷺ die zij in de halaqa in Medina hebben gehoord.

Een teruggekeerde hajji is in zijn dorp een levende vertegenwoordiging van de oemma. De schaal van deze vroege hajj-reizen is klein, misschien een paar dozijn reizigers per jaar uit heel West-Afrika, maar hun impact is disproportioneel, want zij bouwen de eerste grote moskee van hun dorp, zij worden de imam, en zij geven hun zonen Arabische namen en sturen ze naar verre medressen.

De golf die in de 14e eeuw zal culmineren in Mansa Musa’s legendarische hajj begint hier, in de 9e eeuw, met anonieme enkelingen die tweeëneenhalfduizend kilometer liepen om een gebouw te zien dat zij alleen uit de beschrijvingen van hun leraren kenden.

Wat Hierna Komt

De 9e eeuw van intensivering loopt door in de 10e en 11e, en aan het einde van deze eeuwen treffen we situaties aan die in 815 nog ondenkbaar waren: moslim functionarissen in het hof van Ghana, Arabisch als administratieve taal in Kumbi, en een volledige Islamitische wijk die zich uitstrekt naast de koninklijke residentie.

Wij lopen naar 1048, naar de tijd van al-Bakri ﵀, naar een moment waarop de verbinding tussen Sahara en Sahel zo volgroeid is dat de mediterrane wereld West-Afrika voor het eerst echt herkent als een van haar partners.

Maar voor het zover is moeten de handelaren gewoon blijven rijden, seizoen na seizoen, karavaan na karavaan, geduldig, zonder dat zij weten wat zij aan het opbouwen zijn.

Bronnen

  • Abu Ubayd al-Bakri ﵀, Kitab al-masalik wa-l-mamalik (460/1068), over de oversteek van twee maanden tussen Sijilmasa en Awdaghust, de moskeeën van Awdaghust en de moslimstad van Ghana, zoals aangehaald in Gomez, pp. 33–35, 383.
  • Shihab ad-Din al-Umari ﵀, Masalik al-absar fi mamalik al-amsar, het hoofdstuk over Mali als terugblik op de Arabisering van de West-Afrikaanse rijken, als bron genoemd in Hunwick, p. 9.
  • John O. Hunwick (ed./vert.), Shariʿa in Songhay: The Replies of al-Maghili to the Questions of Askia al-Hajj Muhammad, Oxford University Press for the British Academy, Oxford 1985, pp. 3–7, 9–10, 14–17.
    • pp. 3–4: de Rustamiden van Tahert, gesticht in 144/761, de opening van de routes naar bilad as-sudan en de missie van Imam Aflah naar een Soedanese vorst; al-Khwarizmi ﵀, werkzaam in Bagdad tussen 813 en 842, die Kawkaw al kent; de goudgebieden Bambuk, tussen Faleme en Bafing, en Bure aan de Boven-Niger.
    • pp. 5–7: zout als valuta in de Sahel, harde platen steenzout die in steeds kleinere stukken worden gebroken, en het zout van Tadmakka naar Gao; Ibrahim I (800–812) als eerste Aghlabidische heerser van Ifriqiya; de naam Tadmakka als dit is Mekka; de kooplieden die door nomaden uit het zuiden werden gegidst, die in de noordelijke oasen dadels en stof kochten; het winterse karavaanseizoen en Gao als kruispunt van de noordelijke route en de west-oostroute vanuit Ghana.
    • pp. 9–10: de mogelijke overgang van Ibadisme naar Soennitisch Malikisme onder Almoravidische invloed; al-Muhallabi ﵀ over de gemeenschappelijke gebedsplaats tussen de koopliedenwijk Sane en de koningsstad van Gao, geleid door een imam uit de Noord-Afrikaanse gemeenschap.
    • pp. 14–17: de route van Sijilmasa via de Mauretaanse Adrar naar Awdaghust en van Warghla via Tadmakka; de Masufa Sanhaja, vermaard om hun kennis van de routes door het lege kwartier; Taghaza, bij al-Bakri ﵀ Tatantal, twintig dagreizen ten zuiden van Sijilmasa; de Dyula-kooplieden die de route van Jenne naar de rand van de Akan-bossen openden.
  • Michael A. Gomez, African Dominion: A New History of Empire in Early and Medieval West Africa, Princeton University Press, Princeton 2018, pp. 17, 23–26, 28–29, 31–36, 43, 284, 304, 383.
    • p. 17: de introductie van de kameel in de Maghreb tussen 100 v.Chr. en 100 n.Chr., waarmee regelmatige handel tussen Noord- en West-Afrika mogelijk werd.
    • pp. 23–24: Gao als knooppunt van politieke en commerciële activiteit in de 9e eeuw; de uitvoer van ivoor, met een vondst van vijftig nijlpaardtanden; al-Muhallabi ﵀ over de schatkamers van de koning, voornamelijk gevuld met zout; Ibn Hawqal ﵀ (988) over de route van Egypte naar Ghana.
    • pp. 25–26: Arabische inscripties op stèles en grafstenen als de vroegste geschriften van de regio, met dateringen vanaf de 11e eeuw; Tadmekka (Es-Souk), de verschijning van Mekka, 390 kilometer ten noordoosten van Gao, als entrepot voor zout en halfedelstenen, met een grafschriftentraditie die naar Qayrawan en Tripoli wijst.
    • pp. 28–29, 43: Zawila als verzamelplaats van de slavenexport uit bilad as-sudan bij al-Ya’qubi ﵀ en al-Istakhri ﵀; al-Bakri ﵀ over slaven die voor korte stukken rode stof worden gekocht; de slavenhandel die in de 9e eeuw gevestigd is en met de hervormingsislam van de 11e eeuw intensiveert.
    • pp. 31–33: de zout-voor-goud ruil die zich in de 9e eeuw ontwikkelt en Ghana dat vanaf de vroegste bronnen met goud wordt vereenzelvigd, met al-Hamdani ﵀ over de rijkste goudmijn op aarde; de Wangara als Mande-sprekende handelsgemeenschappen; Awdaghust en Ghana als wederzijds afhankelijke partners; al-Bakri ﵀ over de hoofdmoskee en de vele kleinere moskeeën van Awdaghust; Sijilmasa met bewoners uit Basra, Kufa en Bagdad.
    • pp. 34–36: de moslimstad van Ghana met twaalf moskeeën, bezoldigde imams en muezzins, juristen en geleerden, zes mijl van de koningsstad; de tolken van de koning, zijn schatbewaarder en de meeste ministers als moslims; de belasting op ingevoerd en doorgevoerd zout.
    • pp. 284, 304: de Maliki madhhab van West- en Noord-Afrika met de Mudawwana van Sahnun ﵀ (overleden 240/854–855) als kernwerk; Makhluf al-Balbali ﵀ over het tot slaaf maken van vrije moslims als een wijdverbreide calamiteit.
    • p. 383 (noot): al-Bakri ﵀ over de reis van twee maanden tussen Sijilmasa en Awdaghust en de vijftien dagen van Awdaghust naar Ghana.
  • John O. Hunwick (vert.), Timbuktu and the Songhay Empire: al-Saʿdi’s Taʾrikh al-sudan down to 1613 and other contemporary documents, Brill, Leiden 2003 (2e druk; 1e druk 1999), pp. 9, 18–19, 29–30, 53, 273.
    • p. 9 (TS hfst. 3): de hajj van Mansa Musa in 724/1324 als hoogtepunt van de West-Afrikaanse pelgrimstraditie; de mithqal, het goudgewicht van de dinar, van ongeveer 4,25 gram.
    • pp. 18–19 (TS hfst. 5): Bitu (Begho) als zuidelijk eindpunt van de route vanuit Jenne, waarheen het goud uit de bosgebieden werd gebracht; de moskee van Jenne, gesticht door sultan Kunburu, die zijn paleis liet afbreken.
    • pp. 29–30 (TS hfst. 7): Timbuktu, ontstaan als seizoenskamp van Sanhaja-nomaden, als depot en kruispunt van karavanen; de vroege bewoners die zelf naar vermogen de Grote Moskee en de Sankore-moskee bouwden.
    • p. 53 (TS hfst. 10, noot): Sahnun ﵀ (overleden 240/854), qadi van Qayrawan, die de Mudawwana samenstelde op grond van vragen aan Ibn al-Qasim ﵀, de leerling van Malik ﵀.
    • p. 273 (Leo Africanus, noot): al-Bakri ﵀ die zijn Kitab al-masalik wa-l-mamalik in 460/1068 schreef.