InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Invloed van de Almoraviden
Islam in West-AfrikaDe komst van Islam en vroege islamisering

Invloed van de Almoraviden

Om te begrijpen wat de Almoraviden waren, moeten wij ons een plek voorstellen die in de elfde-eeuwse wereld bijna niet op de kaart stond: ergens in de westelijke Sahara, op de zuidelijke grens tussen Marokko en het huidige Mauretanië, leefde een confederatie van Amazigh stammen. Het waren de Sanhaja, en specifieker de Gudala, de Lamtuna en de Massufa, en er wordt gezegd dat hun Islam niet zo sterk was, want zij baden niet altijd en wisten vaak niet hoe, en zij hadden weinig toegang tot geleerdheid. Een Gudala-leider, Yahya ibn Ibrahim, voelde zich daar ongemakkelijk bij. Hij maakte de hadj, en op zijn terugreis, rond 1040, stopte hij bij geleerden in Kairouan en in Dar al-Murabitun en vroeg of er iemand met hem mee terug wilde keren om zijn volk te onderwijzen. Hierop ging Abdallah ibn Yasin al-Jazuli ﵀, een Maliki, geschoold in de discipline van Dar al-Murabitun in het zuiden van Marokko. Hij vertrok naar de Sahara en probeerde met Yahya’s stam te werken, maar dat lukte niet, en na Yahya’s dood verdreven de Gudala hem, zodat hij zich terugtrok op een eiland in de Senegal-rivier, waar hij een ribat stichtte, een versterkt religieus centrum waar geloof en discipline samenvielen.

Uit die ribat groeide de naam die zijn beweging zou dragen. Al-Murabitun, zij van de ribat, gelatiniseerd tot Almoraviden.

Een Beweging met een Zwaard en een Boek

Wat Abdallah ibn Yasin ﵀ creëerde, was een hybride: strikte Maliki vorming aan de ene kant, met onderricht in fiqh, tajwied en de sunna van de Profeet ﷺ, en militaire discipline aan de andere, een broederschap van volgelingen die hem trouw zwoer op leven en dood. Dat was nieuw in de westelijke Sahara, want stammen waren er genoeg en geleerden slechts enkele, en een organisatie die beide combineerde was daarom uitzonderlijk. Vanaf circa 1056 begonnen de Murabitun met militaire expansie, eerst tegen dwalenden en ketters onder de eigen verwanten, omdat verwaarloosde moslims eerst de juiste praktijk moesten leren, en daarna tegen kleine koninkrijken die op de Saharische routes lagen. Awdaghust viel onder hun controle in 1054 of 1055, niet lang voor Abdallah ibn Yasin ﵀ in 1058 op het slagveld sneuvelde.

Zijn volgelingen, eerst onder Yahya ibn Umar ﵀ en later onder Abu Bakr ibn Umar ﵀, zetten de beweging voort, en onder de volgende generatie splitste de Murabitun expansie zich in twee richtingen. De noordelijke tak, onder Yusuf ibn Tashfin ﵀, veroverde Marokko en stichtte Marrakech in 1070, en in 1086 stak hij de Straat van Gibraltar over om de christelijke verovering in al-Andalus te keren, terwijl de zuidelijke tak, onder Abu Bakr ibn Umar ﵀, actief bleef in de Sahara en de Sahel. Het is deze zuidelijke tak die ons West-Afrikaanse verhaal bepaalt.

Wat Wel in 1074 Gebeurde

Tegen 1074, het jaar dat ons aangaat, was de Murabitun beweging in de Sahara volop actief, terwijl Abu Bakr ibn Umar ﵀ expedities voerde tegen stammen en kleine koninkrijken, Awdaghust al twintig jaar onder Almoravidische controle stond, en Takrur bondgenoot was, zodat een militair-religieus netwerk zich uitstrekte van de Sahara tot aan de Senegal en tot aan de noordelijke grens van Ghana. Was er een veldtocht tegen Kumbi zelf? Er zijn aanwijzingen voor militaire druk, voor schermutselingen in de grensstreek en voor handelsblokkades, maar geen plundering van de hoofdstad. Wat wel gebeurde, is dat de Almoraviden zoveel druk op het Ghana-rijk uitoefenden, militair, commercieel, diplomatiek en religieus, dat de koninklijke dynastie in Kumbi uiteindelijk ging onderhandelen, ging compromitteren en, volgens sommige latere bronnen, zich uiteindelijk bekeerde. Ibn Khaldun ﵀ bewaart een overlevering dat rond 1076 of iets later de heersende familie van Ghana de Islam aannam. Áls deze bekering plaatsvond, was zij geen gewelddadige onderwerping, maar een politieke aanpassing aan een verschoven machtsbalans, want het Ghana-rijk verloor zijn positie als middleman niet door een plundering, maar door een geleidelijke erosie van zijn autoriteit in de handelsnetwerken die door gewapende Almoravidische patrouilles werden beheerst.

De Echte Invloed

De werkelijke impact van de Murabitun op West-Afrika was geen militaire verovering, maar een religieuze transformatie, en om te begrijpen hoe fundamenteel die was, is het nodig te kijken naar het voor en het na. Voor de Almoraviden, zoals al-Bakri ﵀ in 1068 beschreef, leefde de Islam in West-Afrika in enclaves, een handelswijk in Kumbi, een moslimstad in Awdaghust, specifieke ambtenaren aan een hof, terwijl de Sahel daarbuiten grotendeels traditioneel bleef. Onder de Almoravidische invloed brak de Islam voor het eerst uit deze enclaves, en zij deed dat niet met het zwaard alleen, maar met leraren, want Abu Bakr ibn Umar ﵀ en zijn volgelingen stuurden geleerden naar steden, dorpen en hoven om te onderwijzen. Maliki fiqh, in de Maghreb al gevestigd, werd zo de dominante rechtsschool van West-Afrika, en tot op vandaag is zij dat gebleven, terwijl moskeeën werden gebouwd, koranscholen werden opgericht en geleerden naar Awdaghust werden gestuurd om er te doceren.

Daarnaast hervormden de Almoraviden de handelsnetwerken, die geleidelijk werden verdrongen ten gunste van Maliki handelaren. De grote Wangara-kooplieden die in latere eeuwen de Islam zuidwaarts in West-Afrika zouden dragen, waren Maliki in oriëntatie, een directe erfenis van deze Almoravidische verankering.

Een Verandering in Toon

Er was ook een verandering in toon, want de eerste fase van de Islam in West-Afrika, die in Kumbi en Awdaghust tot bloei kwam, was relatief tolerant, commercieel en geïntegreerd met niet-moslim buren, terwijl de Murabitun invloed een hogere mate van seriositeit met zich meebracht. Sharia-handhaving werd serieuzer genomen, alcohol werd bestreden, veel godenaanbidding werd actief weersproken en ketterij werd niet geduld, en voor sommige West-Afrikaanse moslims van de vorige generatie was dit een schok. Zij hadden geleefd in de geïntegreerde context van Kumbi, waar koningen niet-moslim waren maar moslims beschermden, en nu kwamen geleerden uit de woestijn die zeiden dat deze situatie theologisch problematisch was, dat een moslim niet zonder voorbehoud kon dienen aan het hof van een kafir-koning, en dat belastingen op moslims in een niet-moslim staat niet shar’i waren. Dit schiep spanning, want geïntegreerde moslimhovelingen werden uitgedaagd, en sommige Soninke heersers voelden druk om hun hof publiekelijk islamitisch te maken of moslims juist uit hun paleis te weren. De evenwichtige situatie die al-Bakri ﵀ in 1048 had beschreven, was tegen 1080 anders geladen.

Het Culturele Residu

Wat blijft er van de Almoraviden in West-Afrika? Meer dan men op het eerste oog zou denken. Ten eerste is er de dominantie van de Maliki madhhab, want zonder de Murabitun inspanning was het allerminst zeker dat Maliki de dominante rechtsschool in West-Afrika zou zijn geworden. Ten tweede is er de architectuur, want de typische West-Afrikaanse moskee, gebouwd in modder met platte daken en een kubieke minaret, heeft wortels die tot in de Murabitun tijd teruggaan, en de eerste grote moskeeën die onder Murabitun invloed in Sahel-steden werden opgericht, gaven het model dat later in Djenné, Timbuktu en elders in monumentale versie werd herhaald. Ten derde is er de geleerdentraditie, want de keten van moslimgeleerden die in West-Afrika onderwezen, die in de veertiende eeuw in Timbuktu tot bloei zou komen en de bibliotheken van Sankore zou vullen, begon in de Murabitun tijd, en zonder deze eerste generaties van leraren zou er geen latere bloei zijn geweest. Ten vierde is er het precedent van hervorming, want de Murabitun beweging was de eerste grote religieuze hervormingsbeweging van West-Afrika, en zeker niet de laatste, aangezien in de negentiende eeuw de Fulbe-jihads onder Usman dan Fodio ﵀, Seku Ahmadu en al-Hajj Umar Tall opnieuw dezelfde vorm zouden aannemen.

Een Beweging Breder dan West-Afrika

Het is goed te onthouden dat de Murabitun geen West-Afrikaans project waren, maar een continentaal project waarin West-Afrika één van de assen vormde, want in hun hoogtijdagen heersten zij van Senegal tot Barcelona. Hun goud kwam uit Wangara, hun leger bestond voor een groot deel uit zwarte Afrikaanse soldaten, en hun Arabische en Andalusische geleerden werden door West-Afrikaans goud gefinancierd, zodat al-Andalus in zekere zin gefinancierd was met Wangara-goud. De Alhambra zelf, hoewel later onder de Nasriden, had niet kunnen bestaan zonder de goudketting die eeuwen eerder door de Almoraviden was aangelegd, en wie vandaag in Córdoba de grote moskee bezoekt of in Sevilla naar de Giralda kijkt, kijkt indirect ook naar een erfenis die door West-Afrika mogelijk werd gemaakt. De architectuur van de islamitische beschaving, de moskeeën van Noord-Afrika en Spanje, de boeken en de bibliotheken, staat op een financieel fundament dat voor een groot deel uit West-Afrika kwam. Voorouders hebben niet alleen de Islam ontvangen, zij hebben haar mee gebouwd.

Een Netwerk van Ribats

Eén aspect van de Almoravidische erfenis verdient bijzondere aandacht, en dat is de ribat zelf, als institutionele vorm.

Ribat betekent “binding”, een toegewijde gemeenschap die door geloof en discipline bijeen wordt gehouden. In West-Afrika werd de ribat een nieuw type instituut, want zij was niet alleen moskee, niet alleen school en niet alleen fort, maar alle drie tegelijk.

Na de oorspronkelijke ribat aan de Senegal werden in de elfde en twaalfde eeuw op meerdere plekken in Sahel en Sahara vergelijkbare centra gesticht. Elk was een onderwijscentrum, een toevlucht voor pelgrims, een militaire voorpost in gevaarlijk terrein, en een levend voorbeeld van een bepaalde manier van moslim zijn: toegewijd, gedisciplineerd, naar buiten gericht.

Van deze ribat-cultuur stamt veel van de latere West-Afrikaanse soefi-traditie, want de Qadiriyya, de Tijaniyya en andere broederschappen die in latere eeuwen de praktijk van West-Afrika zouden vormgeven, hebben hun organisatorische vorm deels van de Murabitun ribat-model geërfd. Een sjeik met zijn volgelingen, gebonden door trouw en discipline, levend in een centrum dat zowel spiritueel als praktisch functioneert: dat is de ribat, hervormd voor een nieuwe tijd.

Een Corrigerend Woord over Geweld

Het Almoravidische optreden leidde onvermijdelijk tot geweld, en het type en het doel van dat geweld verdienen nuancering, omdat moderne lezers snel klaarstaan met oordelen in termen die niet op de elfde eeuw van toepassing zijn.

Het Murabitun geweld was niet eenzijdige moslim-agressie tegen onschuldige niet-moslims, want in de Sahel van die tijd bestond geweld al in overvloed, tussen Soninke koninkrijkjes onderling, tussen Amazigh stammen onderling, en tussen alle groepen en hun buren in slaaf-raids en rivaliteit om handelsroutes. De Almoraviden voegden een dimensie toe, een religieus-ideologisch frame, maar zij introduceerden niet het geweld zelf, zij veranderden het van karakter.

Bovendien is er een detail dat door oriëntalistische historici vaak is overdreven. Abdallah ibn Yasin ﵀ en Abu Bakr ibn Umar ﵀ waren strikt over de regels van Islamitische oorlogsvoering, want vrouwen en kinderen mochten niet gedood worden, niet-strijders moesten gespaard blijven, en fruitbomen en oogsten mochten niet vernietigd worden. Deze regels werden niet altijd nageleefd, omdat een leger nooit volledig te beheersen is, maar zij werden wel verkondigd en vaak afgedwongen, en dat is een ander ethisch register dan dat van de latere Atlantische slavenraids of van de Mongoolse veldslagen.

Dit zeggen is niet het geweld goedpraten, maar het geweld plaatsen in zijn eigen historische context. De Murabitun waren mannen van hun tijd, met de hardheid die hun tijd kenmerkte, maar ook met een ethisch kader dat hun geweld wilde begrenzen. Beide is waar.

Bronnen

  • Ibn Khaldun ﵀, Kitab al-ʿibar, over de gesluierde Sanhaja die hun heerschappij over de Soedan uitbreidden, tribuut en jizya oplegden en velen tot de Islam brachten, en over het tanende gezag van Ghana, zoals aangehaald in Gomez, pp. 41, 385.
  • Abu Ubayd al-Bakri ﵀, Kitab al-masalik wa-l-mamalik (460/1068), over de moslimstad van Ghana naast de koningsstad en de moslimfunctionarissen aan het hof, zoals aangehaald in Gomez, pp. 34–35; de datering van het werk in Hunwick, p. 273.
  • Michael A. Gomez, African Dominion: A New History of Empire in Early and Medieval West Africa, Princeton University Press, Princeton 2018, pp. 19, 30, 33–38, 40–42, 284, 385.
    • pp. 19, 30, 42: hervorming in de Sahel vanaf de 11e eeuw als precedent; de Almoravidische beweging die haar ideologische inspiratie ten zuiden van de Sahara kan hebben gevonden; modellen van samenleven die het aflegden tegen een minder verdraagzame Islam; de 18e en 19e eeuw als niet het enige hervormingstijdperk van West-Afrika.
    • pp. 33–35: Awdaghust als bedreiging in Almoravidische ogen; al-Bakri ﵀ over de moslimstad van Ghana met twaalf moskeeën naast de koningsstad; de wederzijdse verdraagzaamheid tot het midden van de 11e eeuw en de moslimfunctionarissen aan het hof: de enclave-situatie vóór de Almoraviden.
    • pp. 36–37: Yahya ibn Ibrahim van de Banu Gudala, wiens zoektocht naar Mekka en Qayrawan voerde, en zijn mentor Abdallah ibn Yasin ﵀; het begin van de prediking in 440/1048; de verovering van Awdaghust in 446/1054–1055; Yahya ibn Umar ﵀, belegerd en in 448/1056–1057 door de Banu Gudala gedood, met Takruri steun; al-Zuhri ﵀ over het land van de Janawa dat in 469/1076–1077 moslim werd, en de onenigheid onder historici over een militaire verovering.
    • p. 38: Ghana dat tegen 469/1076–1077 een moslimstaat was; de Bida-overlevering als klacht over een veel minder tolerante Islam; het vertrek van de Jula/Wangara.
    • pp. 40–41: Awdaghust dat wellicht nooit herstelde van de inval van 1054–1055; Ibn Khaldun ﵀ over tribuut, jizya en bekering en over het tanen van Ghana, een verhaal dat meerdere gebeurtenissen samenvouwt.
    • p. 284: de Maliki madhhab als rechtsschool van West- en Noord-Afrika.
    • p. 385 (noot): Conrad en Fisher over de verovering die er nooit was; Abu Bakr ibn Umar ﵀ als Lamtuna; Ibn Khaldun ﵀ die het dichtst bij een beschrijving van militaire verovering komt.
  • John O. Hunwick (ed./vert.), Shariʿa in Songhay: The Replies of al-Maghili to the Questions of Askia al-Hajj Muhammad, Oxford University Press for the British Academy, Oxford 1985, pp. 7, 14–15, 18.
    • pp. 7, 14–15: al-Zuhri ﵀ over de Sanhaja die een heterodoxe vorm van de Islam aannamen; de trage verspreiding van de Islam onder Goddala, Lamtuna en Masufa; de Masufa als oostelijkste van de drie grote Sanhaja-stammen van de beweging en hun jihad tegen de Soninke van het oude Ghana; Conrad en Fisher over de verovering van 1076 die er nooit was.
    • p. 18: de vroegste geleerdentraditie van Timbuktu, Soedanees en Soninke, in haar begin gebouwd op Sanhaja (Maliki, Almoravidische) tradities.
  • John O. Hunwick (vert.), Timbuktu and the Songhay Empire: al-Saʿdi’s Taʾrikh al-sudan down to 1613 and other contemporary documents, Brill, Leiden 2003 (2e druk; 1e druk 1999), pp. xxxv, 273–274.
    • p. xxxv (inleiding): de Almoraviden die in de tweede helft van de 11e eeuw Marokko en het grootste deel van al-Andalus veroverden en verenigden en het oude Ghana destabiliseerden; de Massufa die oostwaarts langs de Sahel trokken.
    • pp. 273–274 (Leo Africanus, noten): al-Bakri ﵀ die zijn werk in 460/1068 schreef; Abdallah ibn Yasin ﵀ als Malikitische prediker die Lamtuna en Massufa tot de verovering van Marokko bracht; Yusuf ibn Tashfin ﵀, eerste amir van de Almoraviden (453/1061–500/1106–1107), die Marrakesh in 1070 stichtte.