InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Islamitische invloed aan het hof van de koningen
Islam in West-AfrikaDe komst van Islam en vroege islamisering

Islamitische invloed aan het hof van de koningen

Twee steden, zes mijl van elkaar, waarvan de ene een moskee op elke hoek had en de andere een heilig woud rond de troon, vormden samen toch één rijk. Dit was Kumbi, hoofdstad van Ghana, rond 1048, en het is misschien wel het meest opmerkelijke politieke arrangement dat de vroege Islamitische geschiedenis in Afrika heeft voortgebracht. Wat wij over Kumbi weten, weten wij door Abu Ubayd Abdallah al-Bakri ﵀, een geograaf die elke koopman, elke gezant en elke pelgrim ondervroeg die de Sahara had overgestoken en de stad had bezocht, en die noteerde wat zij hem vertelden. Het werk dat daaruit groeide, Kitab al-Masalik wa al-Mamalik, voltooide hij in 1068, maar de informatie die hij verzamelde beschrijft Kumbi van rond 1048. Met hem hebben wij een van de levendigste vroege beschrijvingen van een Afrikaanse hoofdstad die er bestaat, want elk detail dat volgt, elke zin in dit artikel, hangt aan zijn pen.

De Tweelingstad

Het eerste wat al-Bakri ﵀ duidelijk maakt is dat Kumbi eigenlijk niet één stad is maar twee: op zes mijl van elkaar staan twee nederzettingen die samen één hoofdstad vormen. De ene heet El-Ghaba, “het woud”, en daar woont de koning van Ghana, met zijn ministers, zijn priesters en zijn ceremoniële wereld, terwijl aan de rand het heilige bos ligt waar de Soninke hun riten verrichten en waar geen vreemde mag komen. De koning gaat één keer per dag naar buiten om zijn volk te ontmoeten, gezeten onder een parasol, omringd door edelen met gouden sabels en wachters met gouden haartooien, met aan zijn voeten dieren die de symbolen van zijn gezag dragen. De andere stad is naamloos in al-Bakri’s tekst; wij noemen haar de moslimstad. Over deze stad zegt hij:

Er zijn twaalf moskeeën, waarvan er één voor het vrijdaggebed is. Elk heeft een imam, een muezzin en docenten. De moslims hebben hun eigen juristen en geleerden. Er is een plaats waar zij hun geld en goederen verhandelen.

De Vraag van de Koning

Waarom liet de koning dit toe? Waarom bouwde hij niet een moskee naast zijn paleis en dwong hij de moslims daar te bidden, of verjoeg hij hen helemaal? Het antwoord is dat hij hen nodig had voor zijn goud, want de moslimkooplieden waren de motor achter de trans-Saharaanse handel: zout uit het noorden, goud uit Bambuk en Bure in ruil, en daarnaast textiel, koper, paarden en luxegoederen. Zonder de Arabisch sprekende kooplieden droogden zijn karavaanroutes uit, en zonder zijn karavaanroutes was Kumbi geen rijke stad meer. Hij had ze ook nodig voor iets anders, namelijk zijn administratie, want het Ghana-rijk was een groot staatsverband geworden waarin belastingen moesten worden geheven, geschillen met buitenlandse kooplieden moesten worden beslecht, contracten moesten worden vastgelegd en diplomatieke correspondentie met de Almoraviden in het noorden moest worden gevoerd. De Soninke priesters konden dit niet, want hun traditie was mondeling; wat zij konden, konden zij voortreffelijk, zoals genealogieën over honderden jaren bewaren, epossen vasthouden en riten doorgeven, maar duizend contracten per jaar registreren zonder fouten of belastingregisters bijhouden die over tien jaar nog controleerbaar zijn, daarvoor had je een uniforme schrift nodig, en de moslims hadden Arabisch, papier en fiqh-tradities van handelsrecht. Dus deed de koning iets pragmatisch: hij hield zijn eigen rijk, zijn eigen geloof, zijn heilige woud, zijn priesters en zijn matrilineaire troonopvolging, maar hij delegeerde een groot deel van zijn administratie aan moslims en gaf hen een eigen stad.

De Ministers met een Qibla

Al-Bakri ﵀ schrijft:

De tolken van de koning, zijn schatmeester, en de meerderheid van zijn ministers zijn moslims.

In de hoogste administratieve kringen van het Ghana-rijk, rond 1048, waren de meeste ministers dus moslim: niet de koning zelf of het ceremoniële kader, maar het operationele kader, de mensen die de staat dagelijks lieten draaien. Zo kon het toegaan. De koning zit op zijn troon in El-Ghaba wanneer een Wangara-koopman binnenkomt met een klacht over een onrechtmatige tol; de koning spreekt Soninke, terwijl de koopman, een moslim Soninke met Arabisch onderwijs, beide talen spreekt. De tolk rechts van de troon is moslim, de schatmeester links is moslim, en die haalt een register uit een kist dat in Arabisch schrift is gesteld. De koning luistert, overlegt met zijn ministers, grotendeels moslims, en beslist, en zijn beslissing wordt genoteerd, opnieuw in Arabisch schrift, in een register dat hij zelf niet kan lezen. Een vreemd tafereel, maar het werkte, en het is in de Islamitische geschiedenis bijna uniek, want er zijn weinig periodes waarin moslims zulke hoge posities bekleedden onder een niet-moslim heerser zonder hun gemeenschap op te geven, zonder hun praktijk op te schorten en zonder vervolgd te worden.

Het Klappen van de Hand

Eén detail bewaart al-Bakri ﵀ dat veel verklaart. Wanneer Soninke hovelingen voor hun koning verschijnen, knielen zij neer en strooien zij as over hun hoofd, zoals men in de pre-islamitische Sahel een vorst eert, maar de moslims doen dit niet: zij klappen in hun handen als groet, en de koning aanvaardt dat. Hij aanvaardt dat deze specifieke groep een eigen etiquette volgt, geworteld in een theologie die tawhid vooropstelt, want een moslim werpt zich niet neer voor een mens, en de koning, niet zelf moslim, respecteert dit en dringt zijn eigen ceremonie niet aan hen op. Dit is geen klein detail, maar een fundamentele erkenning dat de moslimgemeenschap een eigen religieuze wet volgt die de staat niet zal schenden, een vroege voorvorm van een regeling die bijna doet denken al-dhimma.

Het Ritueel van het Geld

Eén passage bij al-Bakri ﵀ verdient apart te worden besproken, omdat zij het bestuurlijke vernuft van Kumbi blootlegt in de beschrijving van het economisch systeem. Elke karavaan die binnenkomt, betaalt belasting in zout: één dinar per lading die de stad binnenkomt, en twee dinars per lading die vertrekt, zodat goederen die het rijk verlaten dubbel zo zwaar worden belast als goederen die binnenkomen, wat precies de juiste prikkel is voor een rijk dat wil dat handelaren komen en blijven. Daarnaast bezit de koning een monopolie op goudklompen boven een bepaalde grootte, want goudstof mag iedereen verhandelen, maar elke nugget, elke samenhangende klomp, moet aan de koning worden overhandigd tegen compensatie. Al-Bakri ﵀ legt uit waarom: als dit niet zou gebeuren, zou de marktwaarde van goud dalen door overaanbod. Dit is geen primitief bestuur, maar economisch inzicht van hoog niveau.

Een Stad die Wij Niet Meer Zien

Staat Kumbi er nog? Ja en nee.

De archeologische site Koumbi Saleh in het zuidoosten van het huidige Mauretanië is bijna zeker de moslimstad, en vanaf de Franse koloniale periode is daar opgegraven: fundamenten van stenen huizen, opmerkelijk in een streek waar normaal in modder werd gebouwd, graven met Arabische inscripties, Abbasidische munten, gefragmenteerde Korankopieën en resten van meerdere moskeeën.

El-Ghaba, de koninklijke stad, is nooit met zekerheid gelokaliseerd. De bronnen zeggen dat zij van hout, stro en modder was, materialen die in het vochtige Sahelseizoen sneller verdwijnen dan steen, en al hebben generaties gezocht, niets eenduidigs is gevonden. Dat is misschien een symboolsterk detail, want de stad van de moslimambtenaren staat nog als steen in de grond, terwijl de stad van het heilige koningschap is opgegaan in de aarde. De Islam heeft, ongeacht de koning, een harder geheugen gehad in deze streek.

Een Constructie die Zou Breken

Het evenwicht dat al-Bakri ﵀ beschrijft, was kwetsbaar. Het hing ervan af dat Ghana rijk genoeg bleef om zijn moslimgasten te belonen, veilig genoeg om hen te beschermen en wijs genoeg om hen niet te vernietigen; het hing ervan af dat in het noorden geen agressieve hervormingsbeweging zou opkomen die deze ordening als te ketters zou ervaren, en het hing ervan af dat de goudvoorraden van Bambuk en Bure bleven stromen.

Binnen een kwart eeuw na de informatie die al-Bakri ﵀ verzamelde, kwamen verschillende van deze voorwaarden onder druk, want de Almoraviden zouden opstaan, de interne lijn van de Ghana-dynastie zou verzwakken, de relatie tussen Kumbi en Awdaghust zou verzuren, en een lang twaalfde-eeuws verval begon zich af te tekenen.

Maar in 1048 was dit alles nog niet zichtbaar. Wat zichtbaar was, was een bijzondere, functionele, beeldmerk-waardige constructie: een Afrikaans rijk dat zijn eigen geloof en soevereiniteit behield terwijl het moslims in zijn hoogste ambten liet dienen, een rijk dat niet koos tussen traditie en openheid maar beide combineerde in een gelaagde architectuur.

Wat Hierna Komt

Terwijl al-Bakri ﵀ in Córdoba zijn notities ordent over Kumbi, gebeurt aan de Senegal-rivier iets van een andere orde, want in een kleiner koninkrijk, Takrur, bekeert de koning zelf zich en verklaart de staat zich islamitisch, een stap die in Kumbi nog ondenkbaar is. Van twee steden in Kumbi gaan wij naar één staat in Takrur, van pragmatische co-existentie naar principiële transformatie, en de eerste volledig islamitische West-Afrikaanse staat staat op het punt op de kaart te verschijnen. En in het noorden, in een ribat aan de rand van de Sahara, vormt zich al iets anders, een beweging die de balans van Kumbi binnen één generatie zal verschuiven.

Bronnen

  • Abu Ubayd Abdallah al-Bakri ﵀, Kitab al-Masalik wa al-Mamalik, het hoofdstuk over Ghana, in de Corpus-vertaling van Levtzion en Hopkins: de twee steden, de twaalf moskeeën, de moslimtolken en de moslimschatmeester, het knielen met stof op het hoofd tegenover het handgeklap van de moslims, de erfopvolging via de zusterszoon, de zoutbelasting bij in- en uitvoer en het koninklijk voorrecht op de goudklompen, zoals aangehaald in Gomez, pp. 33–36.
  • Michael A. Gomez, African Dominion: A New History of Empire in Early and Medieval West Africa, Princeton University Press, Princeton 2018, pp. 32–38, 40, 383–384.
    • pp. 33–34: de stad Ghana bij al-Bakri ﵀ als twee steden op een vlakte, zes mijl uit elkaar; de moslimstad met haar twaalf moskeeën, bezoldigde imams en muezzins, juristen en geleerden; de koningsstad met de bosjes van de priesters, de idolen, de koningsgraven en de gevangenissen.
    • p. 35: het heilige woud als het bestaanscentrum van het koningschap; de tolken, de schatmeester en de meerderheid van de ministers als moslims; de koning in zijn koepelpaviljoen met de zonen van de vazalkoningen, hun haar met goud gevlochten; het knielen en het strooien van stof tegenover de moslims die slechts in de handen klappen; de matrilineaire opvolging.
    • p. 36: de zoutbelasting bij invoer en bij doorvoer; War Jabi ibn Rabis, de moslimkoning van Takrur, gestorven in 432/1040–1.
    • p. 37: het begin van de Almoravidische prediking in 440/1048 in het zuiden van de Sahara; de inname van Awdaghust op Ghana in 446/1054–5; de troonsbestijging van de nieuwe, niet-islamitische koning in 455/1063; het einde van het verslag van al-Bakri ﵀ in 460/1068; al-Zuhri ﵀ over de islamisering van Ghana in 469/1076–7.
    • p. 38: de vreedzame co-existentie van moslimkooplieden en geleerden met een niet-islamitische Soninke-elite als de kern van de oude ordening; de moskee van Kumbi Saleh, tussen de 10e en de 14e eeuw meermaals vergroot en in de 15e eeuw verlaten.
    • pp. 32, 33, 40, 383–384: zout uit Awlil via Awdaghust en goud uit Bambuk als de assen van de handel, met de Wangara als de Mande-sprekende handelsgemeenschappen; de opgravingen van Koumbi Saleh (Mauny en Thomassey 1951, Berthier) en de bevolkingsschatting van 15.000 tot 20.000; de groeiende twijfel onder archeologen of Kumbi Saleh de hoofdstad van de 11e eeuw was en of die hoofdstad tweedelig was; het herrezen islamitische Ghana van de 12e eeuw, waarvan de macht pas in het eerste derde van de 13e eeuw taant.
  • John O. Hunwick (vert.), Timbuktu and the Songhay Empire: al-Saʿdi’s Taʾrikh al-sudan down to 1613 and other contemporary documents, Brill, Leiden 2003 (2e druk; 1e druk 1999), p. 13 (TS hfst. 4, noot): al-Bakri ﵀ over de stad Ghana als twee steden, waarvan de koningsstad al-Ghaba heet, het struikgewas; Kumbi Saleh in het zuidoosten van Mauretanië als opgegraven moslimhandelsnederzetting die tot de 9e eeuw teruggaat.
  • John O. Hunwick (ed./vert.), Shariʿa in Songhay: The Replies of al-Maghili to the Questions of Askia al-Hajj Muhammad, Oxford University Press for the British Academy, Oxford 1985, p. 3: de Kitab al-Masalik wa al-Mamalik van al-Bakri ﵀, geschreven in 460/1068.