InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

De Slag bij Kirina en Oprichting van het Mali Rijk
Islam in West-AfrikaDe komst van Islam en vroege islamisering

De Slag bij Kirina en Oprichting van het Mali Rijk

De Slag bij Kirina: Waar een Rijk uit de Aarde Opsteeg

Eén veld. Eén dag. Eén pijl. En de West-Afrikaanse kaart was voor de komende drie eeuwen opnieuw getekend.

Een Vlakte in het Droge Seizoen

Het was een vlakte in het droge seizoen van 1235, waar het gras kort stond, de bomen kaal waren, de rivieren laag en de lucht stoffig: heuvelachtig land in wat vandaag het zuiden van Mali en het noorden van Guinea is, ergens aan de bovenloop van de Niger. De plaats heet Kirina, of Krina, of Karina, afhankelijk van welke griot-familie de naam doorgeeft.

Op deze vlakte stonden twee legers tegenover elkaar. Aan de ene kant stond het leger van Sumaoro Kanté, de Sosso-koning, de smid die koning werd, de man wiens schaduw acht jaar lang over de Mandé-wereld had gehangen, en aan de andere kant het leger van Sundiata Keita, de Leeuw van Sogolon, de prins die in ballingschap was geweest en die teruggeroepen werd door twaalf clans die nergens anders heen konden.

Tussen de twee legers lag een paar honderd meter vlakte, en voor de avond zou vallen, zou een van beide zijden niet meer bestaan als politieke macht. Zo is oorlog.

Hoe We Weten Wat We Weten

Een eerlijk woord over de bronnen is hier op zijn plaats, want over de Slag bij Kirina hebben we drie soorten bewijs, en elke soort heeft zijn eigen licht en zijn eigen schaduw.

Eerst is er de mondelinge traditie, in het bijzonder de Sundiata Epic in zijn verschillende griot-versies. De bekendste gepubliceerde versie is die van Mamadou Kouyaté zoals opgetekend door Djibril Tamsir Niane in Soundjata ou l’épopée mandingue uit 1960, terwijl andere belangrijke versies zijn opgenomen door David Conrad in Sunjata: A West African Epic of the Mande Peoples uit 2004 en door John Johnson in The Epic of Son-Jara uit 1986. Elke versie heeft haar eigen accenten, en waar ze het op de hoofdlijnen eens zijn, ballingschap, coalitie, Kirina, overwinning, verschillen ze in de details, over wie welke rol speelde en welke magische instrumenten werden ingezet.

Ten tweede zijn er de Arabische kronieken, in het bijzonder Ibn Khaldun ﵀ in zijn Kitab al-'Ibar uit de veertiende eeuw, die Sundiata kort vermeldt als stichter van Mali en als moslim-vorst, maar die niet in detail op de veldslag ingaat.

Ten derde zijn er de West-Afrikaanse islamitische kronieken uit de zeventiende eeuw, de Tarikh al-Sudan van Abd al-Rahman al-Sa’di ﵀ en de Tarikh al-Fattash, meestal toegeschreven aan Mahmud Ka’ti ﵀ en zijn nakomelingen. Deze werken zijn primair gericht op de opvolger-rijken Songhai en het Timbuktu-milieu, maar ze bevatten retrospectieve verwijzingen naar de Mali-stichting.

Wat we dus hebben, is een breed overeengekomen basisverhaal met in de details grote variatie. Wat hieronder volgt, combineert de bronnen voorzichtig, en waar de tradities elkaar tegenspreken, noteer ik dat.

Sumaoro Kanté: De Man aan de Andere Kant

Een veldslag begrijp je niet zonder beide kanten te kennen, en de griot-traditie presenteert Sumaoro niet als een platte karikatuur, ondanks de negatieve gevoelens jegens hem.

Sumaoro was de mansa van Sosso, niet de rijkstitel maar de Mandé-titel voor koning, en hij kwam uit de Kanté-clan, die binnen de Mandé-sociale orde tot de smid-kaste behoorde. Dit was geen bescheiden status in spiritueel opzicht, want smeden hadden toegang tot nyama, de spirituele kracht van de metaaltransformatie, en werden gerespecteerd als bemiddelaars tussen de materiële en de bovennatuurlijke wereld. Maar ze waren geen koningen, en doordat Sumaoro deze rolscheiding had overtreden, bezwaarde dat zijn legitimiteit.

Hij was geen moslim. De traditie benadrukt zijn vasthouden aan de oudere Mandé-religieuze praktijken, en sommige passages beschrijven een kamer in zijn paleis te Sosso met trofeeën van verslagen vijanden, inclusief schedels. Of dit letterlijk zo was of een retorische uitvergroting is, laat zich niet vaststellen, maar het punt is duidelijk, want Sumaoro werd gezien als een religieus-politieke buitenstaander.

Militair was hij capabel, want hij had Ghana veroverd, Koumbi Saleh ingenomen en de Soninke tot afhankelijken gemaakt. Zijn leger was vertrouwd met oorlogvoering en beschikte over voldoende middelen, met cavalerie, infanterie, boogschutters en, volgens de traditie, de magisch-rituele instrumenten die bij zijn rol als smid-koning hoorden.

Zijn zwakte lag elders, want hij had overextended, te veel gebieden tegelijk proberen te beheersen en te veel lokale elites tegen zich gekeerd. En, cruciaal, hij had zijn neef Fakoli Koroma gekrenkt door diens echtgenote, een machtige nyamakala-vrouw genaamd Keleya Konkon, aan zijn harem toe te voegen, waarop Fakoli overliep en zijn eigen troepen, boogschutters uit specifieke regio’s, meenam en aan Sundiata aanbood.

Het Leger van Sundiata

De kracht van Sundiata’s leger lag niet in numeriek overwicht, waarschijnlijk was het kleiner dan dat van Sumaoro, maar in de coalitie-structuur, waarbij elke groep troepen onder zijn eigen clanleider kwam en vocht voor zijn eigen trots en zijn eigen beloning.

Tiramaghan Traoré leidde de Traoré-strijders en zou na Kirina de westelijke campagnes tot de Gambia voeren, terwijl zijn specialisme, volgens de traditie, de coördinatie van infanterie en cavalerie was. Fakoli Koroma leidde de overgelopen boogschutters uit de Sosso-kant, en deze waren goud waard, want ze kenden Sumaoro’s tactieken van binnenuit en ze waren technisch zeer geoefend. Fran Kamara, de jonge prins die Sundiata in ballingschap had leren kennen, kwam met zijn troepen uit Tabon, Manding Bory, Sundiata’s halfbroer, leidde een contingent, en Kamandjan Camara, een andere bondgenoot-koning, leidde zijn eigen troepen.

Sundiata zelf had zijn persoonlijke eenheid, de getrouwen die hem in ballingschap hadden gevolgd, uitgebreid met een nieuw geworven elite, en zijn griot Balla Fasséké Kouyaté was aanwezig, niet als strijder maar als strategisch-rituele aanwezigheid.

De totale troepengrootte is onbekend. Het epos geeft getallen die bijna zeker overdreven zijn, tienduizenden, terwijl moderne historici een totaal van enkele duizenden aan beide kanten waarschijnlijker achten, maar ook dit is niet meer dan schatting.

De Nacht Voor de Veldslag

De traditie legt veel nadruk op de rituele voorbereiding, want de nacht voor Kirina werd naar verluidt gevuld met offers, met gebeden, met de raadpleging van zieners, en met de specifieke handeling die de griots het meest benadrukken: het ontdekken van Sumaoro’s dalilu, zijn magische bescherming.

Volgens het epos had Sumaoro een geheim, want hij kon niet gedood worden door een gewone pijl, en zijn kwetsbaarheid lag in een zeer specifiek projectiel, volgens de bekendste versie een pijl wiens punt was gemaakt met de spoor van een witte haan, een haan die speciale rituele kracht had in de Mandé-traditie. Deze informatie zou Sundiata hebben gekregen van zijn halfzus Nana Triban, die door Sumaoro als vrouw was genomen en die terugvluchtte of teruggestuurd werd naar Sundiata, en aan hem vertelde zij het geheim dat Sumaoro 's nachts aan haar had onthuld.

Hier is voorzichtigheid geboden, want dit is epos, en de geheime kwetsbaarheid is een universeel motief dat in talloze epische tradities voorkomt, zoals Achilles’ hiel, Siegfrieds bladrug en Baldrs maretak. De historische kern onder deze verhalen is waarschijnlijk dat er interne informatielekken waren aan Sumaoro’s hof, dat Sundiata beschikking kreeg over tactische inlichtingen vanuit de Sosso-kant, en dat deze inlichtingen cruciaal waren voor zijn overwinning. De witte hanenpoot-pijl is een symbolische samenvatting van iets dat in werkelijkheid waarschijnlijk meer op spionage leek.

De Ochtend: Hoe Ze Opstelden

Bij dageraad stelden de twee legers zich op, en de klassieke Mandé-formatie, voor zover we die kunnen reconstrueren uit de tradities en uit latere parallelen, was een centrum van infanterie, flanken van cavalerie en vooruitgeschoven boogschutters.

Sumaoro had het voordeel van het centrum, waar hij zijn beste troepen had; zijn positie zou het aantrekkelijke doelwit zijn voor Sundiata’s aanval, en juist daarom plaatste Sundiata zijn boogschutters, onder Fakoli, om de Sosso-flanken onder vuur te nemen en om specifiek de positie van Sumaoro te kunnen bestoken wanneer die binnen bereik kwam. Er wordt gezegd dat Sundiata zelf op een wit paard zat, symbolisch belangrijk, en met een specifieke boog waarvan hij bekend stond een meesterlijk gebruik te maken, opnieuw een detail dat in meerdere epos-versies terugkomt.

De Aanval

De veldslag zelf wordt in het epos verteld in drie bewegingen.

Eerst kwam een charge van Sumaoro’s cavalerie op Sundiata’s linkerflank, maar de Mandé-troepen hielden stand, en hoewel er verliezen waren aan beide kanten, brak de linie niet. Dit was belangrijk, want als Sundiata hier had toegegeven, was de slag binnen een uur verloren geweest.

Ten tweede volgde de inzet van Sumaoro’s boogschutters en zijn rituele-magische kracht, en de traditie beschrijft dat Sumaoro zijn pijlen verrijkte met nyama, dat hij zelf als smid-koning wist op te roepen, waarop Sundiata’s voorste linies wankelden, soldaten vielen en de coalitie op het punt stond te breken.

En dan, op het kritieke moment, kwam de inzet van Fakoli’s boogschutters op een onverwacht punt, de rechterflank van Sumaoro, waar hij zelf aanwezig was, want dit waren strijders die de Sosso-tactieken kenden en die Sumaoro’s positie precies konden lokaliseren. Sundiata zelf, rijdend voor zijn troepen, schoot volgens de traditie de beslissende pijl, en die trof Sumaoro, niet dodelijk in sommige versies, waar Sumaoro vlucht en in de bergen verdwijnt, en wel dodelijk in andere versies. Beide versies stemmen overeen op het essentiële, want op dat moment verloor Sumaoro zijn aura van onoverwinnelijkheid, zijn troepen raakten in paniek, en de slag voor Sosso was verloren.

Wat volgde was geen geordende terugtocht, maar een uiteenvallen van Sumaoro’s leger, gevolgd door achtervolging door Sundiata’s cavalerie en plundering van het Sosso-kamp, en voor zover we kunnen reconstrueren, duurde de slag zelf niet langer dan een halve dag.

De Nacht Na de Veldslag

In de nacht na Kirina was de Mandé-wereld anders, want een nieuwe politieke realiteit was gevestigd, nog voor iemand wist wat ze zou worden.

Sundiata en zijn commandanten verzamelden zich in het Sosso-kamp of op het slagveld, waar gewonden werden verzorgd, doden geteld en buit verdeeld, terwijl de griots al begonnen aan hun eerste recitaties van wat er gebeurd was, want de overwinning was pas echt wanneer ze was vastgelegd in woord.

En Sundiata nam de eerste besluiten die van een oorlogsleider een staatsbouwer maakten, want er kwam geen plundering van de Mandé-bevolking, alleen van het Sosso-leger, geen wraak op de civiele bevolking die onder Sumaoro had gestaan, en geen vernietiging van de Sosso-stad tot later, toen besloten werd dat ze niet herbouwd mocht worden als rivaal. Dit zijn politieke besluiten, geen militaire, en ze markeren de overgang van generaal naar staatshoofd.

Kangaba en de Kouroukan Fouga

Niet lang na Kirina, hoewel de tradities in tijdsaanduiding variëren en sommige weken zeggen terwijl andere maanden of een jaar zeggen, verzamelden de clans zich in de vlakte bij Kangaba, onder een grote boom, en hier werd de Kouroukan Fouga, de Manden Charter, uitgesproken.

Dit is de politieke codificatie van wat bij Kirina militair was bereikt, en de charter bevatte bepalingen over oorlogvoering (alleen voor rechtvaardige zaken), over behandeling van vrouwen (deelname aan bestuur), over slaven (waardige behandeling), over vluchtelingen (gastvrijheid), over de natuur (bescherming voor volgende generaties), en over de griots (onschendbaarheid van hun woord).

De charter werd mondeling uitgesproken en zou mondeling worden doorgegeven, en in 2009 werd het door UNESCO opgenomen in de lijst van het immaterieel werelderfgoed, een late erkenning van het feit dat West-Afrika in de dertiende eeuw een grondwet voortbracht die in veel opzichten opmerkelijk modern is.

Wat bij Kirina begon met pijlen, werd bij Kangaba gecodificeerd in woorden, en de twee horen bij elkaar, want zonder Kirina geen Kangaba, en zonder Kangaba zou Kirina slechts een militaire overwinning zijn gebleven.

Wat Er Gebeurde met Sumaoro en Sosso

De traditie is gelaagd over Sumaoro’s lot, want sommige versies hebben hem aan het eind van de slag stervend, terwijl andere hem laten ontsnappen in de heuvels bij Kulikoro, waar hij volgens een specifieke variant steen werd, versteend in een grot die tot op de dag van vandaag als heilige plaats wordt bezocht. Deze verstening is weer epische taal, en wat we historisch waarschijnlijk kunnen aannemen, is dat Sumaoro zijn macht verloor en dat zijn persoonlijke lot onbekend is, maar waarschijnlijk inhield dat hij ofwel in de slag stierf, ofwel vluchtte en later in onbekendheid overleed.

De stad Sosso werd later door Sundiata’s troepen ingenomen en gedeeltelijk vernietigd, het Sosso-rijk hield op te bestaan als politieke eenheid, en de Sosso-bevolking werd opgenomen in het bredere Mali-verband, wat geen volledige vernietiging van een volk was maar een politieke absorptie. De Kanté-clan zelf bestaat nog, en in de gecodificeerde senankuya-relaties van de Kouroukan Fouga hebben de Kanté een specifieke gekscherende verwantschap met bepaalde andere clans, een ritueel overblijfsel van deze oude rivaliteit, nu omgezet in sociale humor.

De Tactische Lessen van Kirina

Wanneer we de epische taal even opzij leggen en de veldslag bekijken zoals een militaire historicus dat zou doen, blijkt dat Sundiata Kirina won om drie redenen die niets met magie te maken hebben.

Ten eerste waren er de inlichtingen, want via Nana Triban en via Fakoli’s overloop had Sundiata gedetailleerde kennis van Sumaoro’s commandostructuur, van zijn troepenposities en van zijn persoonlijke gewoontes op het slagveld, en in middeleeuwse oorlogvoering, waar de nevel van onbekendheid dik was, is dit een zeldzaam voordeel.

Ten tweede was er het troepenmoreel, gebaseerd op wederzijdse verplichting. Sundiata’s leger was geen huurlingenleger, maar een coalitieleger waarin elke commandant persoonlijk aan Sundiata gebonden was door eden die openbaar waren gesproken, door griots waren opgetekend, en die een politieke investering vertegenwoordigden, zodat vluchten van het veld niet alleen militaire schande was maar het breken van een openbaar-religieuze eed. Sumaoro’s troepen daarentegen waren gedeeltelijk onderworpen volkeren die geen persoonlijke loyaliteit aan hem voelden, en toen hij in paniek raakte, raakten zij in paniek.

Ten derde was er de tactische flexibiliteit, want Fakoli’s boogschutters waren niet op de hoofdlinie ingezet maar gereserveerd voor een beslissende flankactie. Dit is klassieke reserve-tactiek, een element dat Europese observatoren vaak als Napoleontisch omschrijven, maar dat in feite universeel is waar bevelhebbers intelligent genoeg zijn om een deel van hun kracht achter te houden tot het moment dat het de grootste impact heeft.

De Mandé militaire traditie was in geen enkel opzicht primitief, want ze was gedisciplineerd, gevarieerd in wapens, boog, speer, zwaard, cavalerie en infanterie, en capabel tot complexe coördinatie, en Kirina toont dit.

Kirina in de Afro-Caribische Herinnering

Waarom doet Kirina ertoe voor een Afro-Caribische moslim in Amsterdam of Rotterdam vandaag?

Omdat dit de veldslag is waarop het Mali-rijk werd gesticht, en het Mali-rijk was een van de bronregio’s voor de Atlantische slavenhandel, waaruit veel van onze voorouders kwamen, uit de Mandé-wereld: Malinké, Bambara, Soninke, Dyula. De taalkundige en culturele afdrukken van deze wereld reizen mee in de Afro-Surinaamse, Afro-Antilliaanse en Afro-Trinidadiaanse tradities, in de muzikale structuren, de verhaalpatronen en de sociale structuren van de kwarters en de plantages, en veel daarvan heeft wortels in Mandé-cultuurvormen. Wie een griot hoort, hoort een voorouder, en wie de Sundiata Epic leest, leest over de stichting van de wereld waaruit zijn overgrootouders werden weggenomen. Dit is geen abstracte geschiedenis, maar familie, eeuwenoud maar continu.

Veldslag laden...

Een Fundament, Geen Eindpunt

Kirina was niet het eind van iets, maar het begin van ongeveer drie eeuwen Mali-heerschappij, gevolgd door drie eeuwen Songhai, gevolgd door de Marokkaanse invasie van 1591 en de fragmentatie die daarop volgde, gevolgd door de koloniale periode en de slavenhandel en alle gebroken draden die ons tot vandaag brengen.

Maar Kirina was bovenal het moment waarop een coalitie van twaalf clans, onder een man die als kind niet kon lopen, een rijk stichtte dat een volledig continent aan handel zou herordenen, dat een grondwet zou voortbrengen die eeuwen later nog wordt gereciteerd, en dat de West-Afrikaanse plaats in de wereldgeschiedenis zou vastleggen.

Eén dag, één veld, één pijl, of meer, want we weten het niet precies, maar de implicaties reiken tot in de Caraïben en tot in Amsterdam. En dat is waarom we bij Kirina stilstaan, niet uit nostalgie en niet uit triomfalisme, maar omdat de geschiedenis daar begon die ons tot wie we zijn heeft gevormd.

Het veld zelf wacht, en wat erop gebeurde is geen samenvatting waard maar een wandeling, fase voor fase, langs de stellingen, door de aanvallen, tot het moment dat de pijl vloog.


Bronnen

  • Het epos van Sundiata in zijn gepubliceerde griot-versies: Mamadou Kouyaté bij Djibril Tamsir Niane (1960, Engelse vertaling G.D. Pickett), Fa-Digi Sisoko bij John William Johnson, The Epic of Son-Jara, en David C. Conrad, Sunjata: A West African Epic of the Mande Peoples (2004), zoals aangehaald in Gomez, pp. 383, 391, 393.
  • Ibn Khaldun ﵀, Kitab al-ʿIbar: de Susu die Ghana onderwerpen, Mari Jata (Sundiata) als de koning van Mali die de Susu overwon, en zijn vijfentwintig regeringsjaren, zoals aangehaald in Gomez, pp. 41, 69, 88.
  • Michael A. Gomez, African Dominion: A New History of Empire in Early and Medieval West Africa, Princeton University Press, Princeton 2018, pp. 41, 63, 68–69, 75, 78–79, 81–88, 90, 128, 383, 391, 393, 405, 407–408.
    • pp. 41, 63, 68–69: Ibn Khaldun ﵀ over Ghana dat door de Susu werd onderworpen en opgeslokt; Susu-overheersing, oorlog en de verovering onder Sundiata als door onafhankelijke bronnen bevestigd; Sumaoro of Sumanguru Kante als koning van Susu aan wie Mali onderworpen was; Mari Jata bij Ibn Khaldun ﵀ als dezelfde als Sundiata.
    • pp. 75, 78–79: het kind dat niet kon lopen; Manding Bory als halfbroer en Fran Kamara van Tabon en Kamanjan van Sibi als jeugdvrienden; de man wiens boog niemand anders kon spannen.
    • pp. 81–82: de kamer met mensenhoofden in Sosso; Sumaoro uit de smeden van de numu, die Ghana schatplichtig maakt; Fakoli Koroma als zijn neef en grootste bevelhebber; de generaals Kamanjan, Fran Kamara en Tiramakan; de coalitie met de helft van de cavalerie uit Mema en de helft uit Ghana, de infanterie van smeden en Djallonké uit Tabon en de vijftienhonderd boogschutters van de koning van de Bobo.
    • pp. 83–84: het overlopen van Fakoli nadat Sumaoro zijn vrouw heeft genomen; de slag bij Kankigne; de spoor van de witte haan als het geheim van Sumaoro; de Slag bij Krina/Kirina aan de Niger; de offers aan de Mande-godheden; de pijl die Sumaoro schampt en zijn krachten wegneemt; zijn verdwijning in de bergen van Kulikoro of zijn verstening; de verwoesting van Sosso en het koninkrijk Susu voor Fakoli.
    • pp. 85–88, 128: de westelijke veldtochten van Tiramakan naar Jolof en de Gambia; de vergadering bij Kangaba, bij het nabijgelegen Kurukan Fugan; de begroeting van Sundiata als koning der koningen en mansa; de twaalf koningen met hun twaalf speren; de datering van Kirina rond 630/1233 en van de dood van Sundiata rond 656/1258; de twaalf gebieden als kern van het rijk.
    • p. 90: het leger van Fakoli dat uit vrije smeden bestond; de Kante-smeden die aan de slachting ontsnappen.
    • pp. 383, 391, 393, 405: de opgetekende versies bij Niane, Johnson en Conrad; Nana Triban, dochter van Sassuma en zuster van Dankaran, als draagster van het geheim in de bekendste versie; het nachtgevecht dat bij Krina begon, het eerste van zijn soort voor Soedanese legers.
    • pp. 407–408: de notie van een grondwet of handvest bij Kangaba in de secundaire literatuur en late 20e-eeuwse tradities, als vooruitkijkend beoordeeld; de datering van Niane op 1230 zonder de door hem geclaimde steun in de Tarikh al-Fattash; de schertsverwantschappen tussen de clans.
  • John O. Hunwick (vert.), Timbuktu and the Songhay Empire: al-Saʿdi’s Taʾrikh al-sudan down to 1613 and other contemporary documents, Brill, Leiden 2003 (2e druk; 1e druk 1999), p. 14 (TS hfst. 4): de retrospectieve verwijzing van de Tarikh al-Sudan naar de Maliërs die op de dynastie van Ghana volgden.
  • Sylviane A. Diouf, Servants of Allah: African Muslims Enslaved in the Americas, 15th anniversary edition, New York University Press, New York 2013, pp. 58, 92, 106, 171: de Mande (Mandingo, Dyula, Malinke) als handelaren en als groep onder de tot slaaf gemaakte moslims; de saraka-offergave in Trinidad, Tobago, Curaçao, Grenada en Carriacou; de Vrije Mandingo van Trinidad onder imam John Mohamed Bath; Stedman in Suriname (1772–1777) over een Afrikaan die de Koran uit het hoofd reciteerde.