InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

De Vorming van het Mali Rijk
Islam in West-AfrikaThe Mali Empire

De Vorming van het Mali Rijk

De Vorming van het Mali Rijk

Mali importeerde Islam niet maar weefde het in wat er al stond, en groeide uit tot een beschaving die drie rivieren, twaalf provincies en een continent aan handel omspande; maar voordat dat rijk kon bestaan moest het eerst gevormd worden, clan voor clan en eed voor eed.

Een Rijk Dat Je Niet Op Één Kaart Kunt Vangen

Wie vandaag de grenzen van het Mali Rijk probeert te tekenen, loopt vast, want het ging niet alleen over het land dat nu Mali heet, maar strekte zich uit over wat vandaag Guinea, Senegal, Gambia, delen van Burkina Faso, Mauritanië, Ivoorkust en zelfs stukken van Niger zijn, een oppervlakte groter dan West-Europa, reikend van de Atlantische kust tot aan de grote bocht van de Niger en van de Sahara-rand tot aan de savanne waar het bos begint.

En toch is de kaart niet het belangrijkste, want het Mali Rijk was geen territorium met strakke lijnen, maar een web van steden, provincies, vazalstaten, handelsposten en pelgrimsroutes, bij elkaar gehouden door een enkele figuur aan de top, de Mansa, de koning der koningen, en door een charter, een grondwet, die eeuwen voor de Magna Carta werd uitgesproken onder een boom in een plaats die Kangaba heette.

Dit was niet zomaar een staat, maar een beschaving die haar eigen vorm vond, niet geïmporteerd uit Bagdad, niet gekopieerd uit Caïro, maar gebouwd op een Mandé-fundament waar Islam later overheen gevlochten werd, zoals kleur in een kleed wordt geweven zonder dat het patroon eronder verdwijnt.

Van Ghana, via Sosso, naar Mali

Het Mali Rijk moet niet als een startpunt worden gezien, maar als een schakel, een zware en lange schakel in een ketting van West-Afrikaanse staten die al eeuwen voor de geboorte van de Profeet ﷺ begon.

Eerst was er Wagadu, het rijk dat de Arabieren Ghana noemden, waar de Soninke-sprekenden een staatsvorm hadden opgebouwd rond goud, zout en de transsaharahandel. Al-Bakri ﵀ beschrijft in zijn Kitab al-Masalik wa’l-Mamalik (1068 C.E.) een hof waar een koning zat met gouden sieraden, honden met gouden halsbanden en een leger dat tweehonderdduizend man sterk werd opgegeven; misschien overdreven, maar de cijfers zijn minder belangrijk dan het feit dat Ghana een plaats had op de mentale kaart van de moslimwereld.

Toen Ghana wankelde, uitgeput door interne conflicten, door klimaatdruk en door de Almoravidische verstoring in het noorden, kwam er een tussenperiode waarin de Sosso, onder hun smid-koning Sumaoro Kanté, probeerden te heersen. De Sosso waren geen moslims, en Sumaoro werd in de mondelinge traditie herinnerd als een sorcier-roi, een tovenaar-koning die zich vastklampte aan de oude religieuze orde van de Mandé en wreed was tegen de handelsposten die inmiddels islamitische gemeenschappen bevatten.

En toen kwam Mali, onder Sundiata Keita, een prins uit de Keita-clan die volgens de mondelinge traditie in ballingschap leefde en werd teruggeroepen door de twaalf Mandinka-clans. In 1235 C.E., bij Kirina, viel Sosso, en in de jaren en decennia daarna bouwden Sundiata en zijn opvolgers de derde grote West-Afrikaanse beschaving.

Dit was geen breuk met het verleden maar continuïteit, want de steden die Ghana had gevoed, Awdaghust en Walata, bleven bestaan, en de handelsnetwerken die de Soninke hadden uitgetekend bleven intact, vaak gedragen door dezelfde handelaarsfamilies, nu bekend als de Wangara. De Imazighen in het noorden bleven het zout vanuit Taghaza naar beneden sturen, maar het politieke zwaartepunt verschoof, en Mali werd het nieuwe hart.

De Mansa en de Twaalf Provincies

Hoe hield men een rijk zo groot bij elkaar, in een tijd zonder telegraaf, zonder wegen in Romeinse zin, zonder schrift in de meeste streken?

Het antwoord heeft een naam, Mansa, het Mandé-woord voor koning, al ligt het letterlijk dichter bij “heerser van heersers”, want de Mansa stond niet alleen aan het hoofd van een enkel volk, maar boven twaalf provincies, elk geleid door een farin of farba, een onderkoning die de lokale zaken bestuurde maar belasting afdroeg, troepen leverde en loyaliteit zwoer aan de centrale troon in Niani.

Die twaalf provincies waren geen willekeurige bestuurlijke indeling, maar weerspiegelden de twaalf Mandinka-clans die bij de stichting samen waren gekomen: de Keita als koninklijke clan, en daarnaast de Traoré, de Condé, de Camara, de Kamissoko, de Diawara en anderen, elk met hun eigen rol, hun eigen specialisme en hun eigen territorium. Wat hier opvalt is de politieke fijngevoeligheid, want het rijk werd niet van bovenaf opgelegd op een bestaande sociale orde, maar uit die orde geweven.

Onder de farin zaten de dorpshoofden, de dugutigi, en onder hen de gezinnen, terwijl boven de Mansa niemand stond behalve Allah ﷻ, in het officiële vertoog van de islamitische elite.

En dan was er nog de parallelle hiërarchie van de djeli, de griots, de erfelijke verhalenvertellers, genealogen, muzikanten en diplomaten, die naast de macht stonden en niet eronder. Een Mansa zonder griot was een lichaam zonder geheugen, want het was de griot die iemands afkomst reciteerde, die iemands daden vastlegde en die na de dood besliste hoe iemand herinnerd zou worden, en in een cultuur waar geschreven bronnen schaars waren was dat geen ceremonieel detail maar staatsmacht.

De Kouroukan Fouga: Een Grondwet Onder Een Boom

Rond 1235 C.E., ergens in de vlakte bij Kangaba, kwamen de overlevers van de oorlog tegen Sosso samen onder een grote boom, en volgens de mondelinge traditie, zoals overgeleverd door de griots van de Mandé-wereld en in de twintigste eeuw onder andere opgetekend door Djibril Tamsir Niane, werd daar de Kouroukan Fouga uitgesproken, de Manden Charter.

Dit document, mondeling en niet geschreven maar eeuwenlang doorgegeven, bevat bepalingen die, wanneer men ze vandaag leest, adembenemend zijn voor een staat uit de dertiende eeuw. De charter regelt dat oorlog alleen gevoerd mag worden voor rechtvaardige zaken, dat vrouwen aan het bestuur moeten kunnen deelnemen, dat slaven met waardigheid behandeld moeten worden en niet mishandeld, dat vluchtelingen gastvrijheid verdienen, dat de natuur van bossen, rivieren en wilde dieren beschermd moet worden voor de generaties die nog moeten komen, en dat het woord van de griot onaantastbaar is en hij nooit mag worden aangeraakt uit wrok om wat hij zegt.

Bij dit laatste punt loont het de moeite even stil te staan, want een koning kon een generaal laten executeren en een Mansa kon een provincie laten herordenen, maar de griot had een wettelijk beschermde vrije spraak, vastgelegd in de grondwet van het rijk, zeven eeuwen voor het eerste Amerikaanse amendement.

Dit is geen Europese projectie terug in de tijd, maar West-Afrikaanse politieke filosofie, gegroeid uit de eigen Mandé-traditie en gecodificeerd op het moment dat Mali van stam tot staat overging. In 2009 werd de Kouroukan Fouga opgenomen in UNESCO’s lijst van het immaterieel werelderfgoed, niet omdat het pittoresk is, maar omdat het een van de vroegste grondwetten ter wereld is.

En hier komt Islam in beeld, want de Kouroukan Fouga is geen islamitische grondwet in de zin dat het een kopie is van de Shari’a, maar een Mandé-charter waarin islamitische principes als rechtvaardigheid, bescherming van de zwakken en verantwoording tegenover een hogere orde samenklinken met de inheemse politieke ethiek. Dit is geen schijntegenstelling die opgelost hoeft te worden, maar precies het punt, want de genialiteit van Mali was dat de heersers niet kozen tussen Mandé en Islam, maar ze in elkaar weefden.

Islam in Mali: Laag op Laag, Niet Vervanging

Hier moeten we eerlijk zijn, want dit is waar veel geschiedschrijving struikelt, zowel de romantiserende als de afwijzende.

Sundiata Keita zelf was, volgens de beste bronnen, nominaal moslim maar in zijn praktijk diep verbonden met de oude Mandé-religie, want hij droeg de titel van Mansa en niet die van Amir al-Mu’minin, hij regeerde met griots aan zijn zijde en niet met qadi’s als eerste adviseurs, en de mondelinge traditie beschrijft hem in termen die dichter bij een Mandé-held staan dan bij een islamitische soeverein.

Pas onder zijn latere opvolgers, vooral Mansa Musa, die in 1324-1325 C.E. zijn wereldberoemde hadj ondernam, werd Islam de openlijk geadopteerde staatsreligie op het hoogste niveau, maar zelfs toen bleef het grootste deel van de bevolking trouw aan een gelaagde praktijk waarin islamitische gebeden, Mandé-rituelen en voorouderverering naast elkaar bestonden.

Ibn Battuta ﵀, die Mali in 1352 C.E. bezocht en zijn ervaringen opschreef in zijn Rihla, prees de Mali-moslims voor hun vroomheid, hun stipte gebed, hun kleding en hun liefde voor de Qur’an, maar hij kloeg over praktijken die hij als on-islamitisch zag, zoals het feit dat vrouwen aan het hof zich vrij bewogen zonder zich volledig te bedekken, dat er voor-islamitische rituelen werden gevierd, en dat mensen tijdens officiële audiënties stof over hun hoofd gooiden als teken van onderwerping aan de Mansa, wat hij als een vorm van afgoderij zag.

Wat Ibn Battuta ﵀ beschrijft is geen falen van Islam in Mali, maar een andere vorm van Islam in Mali, een vorm die rekening hield met de sociale werkelijkheid, die niet opgelegd werd maar insijpelde, en die zich vermengde met wat al bestond. Dezelfde dynamiek zien we later in Indonesië, in de Balkan en in delen van Centraal-Azië, waar Islam regionaal werd zonder op te houden Islam te zijn.

Ibn Khaldun ﵀, schrijvend in de veertiende eeuw in zijn Kitab al-'Ibar, documenteert de opeenvolging van de Mansa’s en noemt Mali uitdrukkelijk als een moslimrijk. Voor de geleerden in Caïro was Mali een broederstaat, want de Mansa’s correspondeerden met de Mamlukken, stuurden delegaties en ontvingen geleerden uit Fes en uit Medina, en de integratie was diep genoeg om Mali te laten gelden als deel van de Dar al-Islam, en tegelijk open genoeg om Mali zichzelf te laten blijven.

De Steden Die Het Rijk Lieten Ademen

Een rijk zonder steden is een vlag zonder wind, en Mali had steden, elk met een eigen functie.

Niani, de hoofdstad, lag aan de oevers van de Sankarani, een zijrivier van de Niger, in wat vandaag Guinea is. Hier zat de Mansa op zijn audiëntieplatform, omringd door zijn raadgevers, zijn lansdragers en zijn griots, en archeologisch onderzoek in de late twintigste eeuw heeft de exacte locatie bevestigd, een stad die groter was dan menig Europees centrum uit dezelfde periode, met wijken voor ambachtslui, voor handelaren, voor geleerden en voor buitenlandse gasten.

Timbuktu, aan de bocht van de Niger, was het geleerdheidshart, en hoewel de stad al bestond als Imazighen-handelspost voordat Mali arriveerde, groeide ze onder Mali-bescherming uit tot een centrum waar de Sankoré-moskee later een leeromgeving zou worden waarin duizenden studenten islamitisch recht, theologie, astronomie en geneeskunde bestudeerden. De stad blijft centraal in alle drie de grote rijken die elkaar zouden opvolgen: Mali, Songhai en, in de vroegmoderne periode, de Marokkaanse bezetting.

Djenné, opgekomen naast Djenné-Djenno, dat tot de oudst bekende stedelijke nederzettingen in sub-Sahara Afrika behoort, werd in de tijd van Mali een belangrijk handels- en geleerdheidscentrum, en hier werd, volgens de Tarikh al-Sudan van Abd al-Rahman al-Sa’di (zeventiende eeuw), de grote Djenné-moskee gebouwd die tot op de dag van vandaag als architecturaal symbool geldt; de huidige structuur dateert weliswaar uit de vroege twintigste eeuw, maar het patroon is middeleeuws.

Gao, aan de Niger, was de oostelijke poort, terwijl Walata de noordelijke handelspoort naar de Sahara was, en Kangaba bleef de ceremoniële plaats, het hart van de Mandé-identiteit, waar de Kamabolon, het heilige hut-schrijn, elke zeven jaar opnieuw wordt herzegend in een ritueel dat tot vandaag doorgaat.

Tussen deze steden bewogen karavanen, en de Tarikh al-Fattash, een andere zeventiende-eeuwse kroniek uit Timbuktu die meestal wordt toegeschreven aan Mahmud Ka’ti en zijn nakomelingen, beschrijft tochten van duizenden kamelen tegelijk die goud naar het noorden brachten en zout, boeken, koper en koffie naar het zuiden. Dit was geen economie van overleven maar van overvloed.

Goud, Zout, en het Geheim van de Rijkdom

Het Mali Rijk laat zich niet begrijpen zonder goud, maar goud alleen verklaart ook niet alles, want men moet begrijpen hoe de Mansa het goud beheerde.

De goudmijnen lagen in het zuiden, in Bambuk en Bure, in gebieden die formeel buiten de directe controle van de Mansa vielen, en de mijnwerkers, voornamelijk Malinké en verwante groepen, werkten onder hun eigen traditionele systemen. Volgens een bekende overlevering, onder andere opgetekend door al-Umari ﵀ in zijn Masalik al-Absar (veertiende eeuw), had de Mansa besloten de mijnwerkers niet te bekeren en niet direct te besturen, want toen hij dat eerder had geprobeerd hield het goud op te stromen en werkten de mensen niet meer, en dus liet hij ze in hun eigen systeem en nam enkel belasting.

Dit is een les in pragmatisch bestuur die vandaag nog modern leest, want niet elke bron hoeft gecentraliseerd te worden en niet elke ziel hoeft bekeerd te worden om economisch voordeel te genieten, en Mali begreep dat.

Het zout kwam uit Taghaza, diep in de Sahara, waar Imazighen-arbeiders blokken zout uit oude zoutvlakten hakten die per kameel naar het zuiden werden vervoerd, en op sommige plaatsen werd zout tegen goud geruild in gelijke gewichten. Dit klinkt ongelofelijk tot men bedenkt dat in de hitte van West-Afrika zout het lichaam letterlijk in leven hield, zodat het geen luxe was maar medicijn, conserveermiddel en levensbehoefte.

Tussen deze twee grondstoffen, goud uit het zuiden en zout uit het noorden, stond Mali, en de Mansa nam over elke transactie zijn deel, niet door greep maar door orde, want de routes werden beveiligd, geschillen werden beslecht en karavanen werden tegen rovers beschermd, en dat is wat een staat doet, en omdat Mali het deed stroomde de rijkdom.

Toen Mansa Musa in 1324 C.E. naar Mekka trok, met een gevolg dat Arabische kroniekschrijvers op tienduizenden schatten, met naar verluidt twaalfhonderd slaven die elk een goudstaaf droegen, en met zoveel goud dat hij in Caïro de goudprijs voor een decennium omlaag bracht, was dat geen excentrieke uitschieter maar de zichtbare bovenkant van een systeem dat al bijna een eeuw functioneerde.

De Griot en het Geheugen van een Rijk

Terug naar de djeli, omdat ze voor de Mandé-diaspora, voor ons en voor onze voorouders die via de slavenhandel naar de Cariben werden gesleept, van bijzonder belang zijn.

De griot is geen entertainer maar een instituut, een erfelijke klasse die genealogieën bewaart, geschiedenis memoriseert, wetten reciteert, diplomatieke boodschappen overbrengt en koningen prijst én bekritiseert, en de Kouroukan Fouga gaf hen een bijzondere status, namelijk onschendbaarheid voor wat ze zeiden.

De Sundiata Epic, het grote mondelinge gedicht dat de stichting van Mali vertelt, wordt tot op de dag van vandaag gereciteerd door djeli-families in Mali, Guinea en Senegal. De versie die in het Westen het meest bekend is, is die van Mamadou Kouyaté zoals opgetekend door Djibril Tamsir Niane in Soundjata ou l’épopée mandingue (1960), maar dit is slechts één versie van vele, want elke grote griot-familie heeft haar eigen variant, met haar eigen accenten en haar eigen genealogische uitweidingen.

Waarom dit belangrijk is voor de diaspora, laat zich zo verklaren: veel van wat tot ons kwam via de slavenhandel, de muziek, de verhalen en de vertelstructuren, loopt via de griot-traditie, en de blues, de spoken word, het verhaal-als-identiteit en het lied-als-geschiedenis zijn geen toevallige overeenkomsten maar overblijfselen van een mondelinge beschaving die vanaf de westkust van Afrika de Atlantische Oceaan overstak in menselijke kettingen. Wanneer een Surinaamse of Trinidadiaanse Afro-Caribische moslim vandaag de griot-traditie herontdekt, is dat geen nieuwe kennis maar een thuiskomst.

Mali en de Islamitische Wereld: Twee Richtingen

Het is makkelijk om de relatie tussen Mali en de islamitische wereld als eenrichtingsverkeer voor te stellen, alsof Arabische geleerden kwamen en Mali enkel leerde, maar zo is het niet gegaan.

Mali stuurde zelf geleerden, pelgrims, boeken en kennis terug. De bibliotheken van Timbuktu, waarvan naar schatting nog 700.000 manuscripten bewaard zijn, deels gered tijdens de onrust van 2012, bevatten werken die in West-Afrika geschreven zijn, in het Arabisch en in de Ajami-varianten van West-Afrikaanse talen, dat wil zeggen Arabisch schrift voor Fulfulde, Songhai en de Mandé-talen. Er zijn originele West-Afrikaanse verhandelingen over astronomie, over recht, over taalkunde en over geneeskunde, en dat is productie, geen consumptie.

Toen Mansa Musa terugkeerde van zijn hadj, bracht hij de architect Abu Ishaq al-Sahili mee, die in Timbuktu en Gao moskeeën ontwierp die de kenmerkende sudanese stijl zouden inspireren, maar de lokale bouwmeesters namen die impulsen en vertaalden ze in de lemen architectuur die tot op de dag van vandaag het beeld van Djenné en Timbuktu bepaalt, en dat was geen kopie maar synthese.

Geleerden uit Mali reisden naar Fes, Tunis, Caïro, Damascus en Medina, waar ze werden ontvangen als gelijken en soms als gerespecteerden, en Leo Africanus, de zestiende-eeuwse reiziger van Marokkaanse afkomst, schreef dat in Timbuktu meer geld werd verdiend met boekhandel dan met welk ander product ook. Dat is het beeld waarmee we moeten afrekenen, want Mali was geen rand van de moslimwereld, maar een pool.

Wat Overbleef en Wat Wegspoelde

Het Mali Rijk hield stand tot grofweg de zeventiende eeuw, al was het de laatste twee eeuwen een schaduw van zijn hoogtijdagen. Songhai, onder leiding van de Askia-dynastie vanuit Gao, nam in de vijftiende eeuw veel van de Mali-territoria over, en in 1591 C.E. brak een Marokkaanse expeditie met vuurwapens door bij Tondibi en eindigde de Songhai-dominantie, waarna het hele politieke systeem van West-Afrika fragmenteerde.

Maar wat overbleef, bleef diep.

De Kouroukan Fouga wordt nog gereciteerd, de Sundiata Epic wordt nog doorgegeven, en de Keita-familie bestaat nog, met presidenten, zangers en voetballers die deze achternaam dragen en die weten van wie ze afstammen, met namen die doorlopen tot 1235 C.E. en verder; de bibliotheken van Timbuktu staan nog, verzwakt maar niet vernietigd, en de moskeeën van Djenné en Timbuktu worden elk jaar opnieuw bepleisterd door de gemeenschappen die ze bezitten.

Voor de Afro-Caribische diaspora, en voor Nederlands-Afro-Caribische moslims in het bijzonder, is Mali geen curiositeit maar voorouderland, want veel van de Wangara-handelaren, de Malinké-boeren en de Soninke-geleerden werden in de eeuwen na Mali’s piek meegenomen in de slavenroutes die uiteindelijk in Paramaribo, Port of Spain en Willemstad eindigden, en hoewel de Islam die in Suriname via Javaanse en Indiase migratie arriveerde bekend is, loopt de oudere Islam die via Afrikaanse voorouders mee overstak, soms verloren, soms onderdrukt, soms ondergronds bewaard, voor een groot deel terug op Mali en haar opvolgers.

Dit is geen romantisering, maar gewoon kennis van wie we zijn.

Een Fundament, Geen Standbeeld

Het is verleidelijk om Mali te zien als een gouden tijd, een verloren paradijs, maar dat zou een vergissing zijn.

Mali was een staat zoals andere staten, want er was slavernij in Mali, intern en niet alleen transsaharisch, er was oorlog, er was belasting, er was klassenverschil en er waren hongersnoden, en de Mansa’s waren niet allemaal rechtvaardig, sommigen waren hebzuchtig, sommigen zwak en sommigen werden afgezet, terwijl een burgeroorlog in de late veertiende eeuw het rijk onomkeerbaar verzwakte.

Maar juist het feit dat Mali een gewone staat was, menselijk en dus feilbaar, maakt het serieuzer te nemen, want we hoeven Mali niet te romantiseren om het te respecteren, en we hoeven niet te doen alsof de Mansa’s heiligen waren om de kracht van wat ze bouwden te erkennen.

Wat Mali bouwde was de laatste grote synthese van de Mandé-wereld en de islamitische beschaving, gedragen door een generatie die Sundiata Keita als stichter kende en opgevolgd door een reeks heersers die begrepen dat macht pas duurzaam is als ze ingeweven wordt in wat er al is, en dat is, denk ik, de diepste les.

Wat Mali begon bij Kirina, wat het codificeerde in de Kouroukan Fouga en wat het tot wereldwijde bekendheid bracht onder Mansa Musa, was een fundament en geen eindpunt, want de geschiedenis ging door: Songhai volgde, daarna de kleinere staten, daarna de koloniale breuk, daarna de slavenhandel die zovelen van onze voorouders wegrukte. Maar het fundament bleef, en daarop kan, vandaag nog, gebouwd worden.


De Vorming: Hoe Twaalf Clans Eén Rijk Werden

Een rijk wordt niet uitgeroepen, het wordt onderhandeld, clan voor clan, eed voor eed, boom voor boom, tot het plots bestaat.

Voordat Er een Rijk Was, Was Er Een Ruzie

Er is een neiging in de geschiedschrijving om de stichting van een rijk te beschrijven alsof ze onvermijdelijk was, alsof Mali er moest komen en alsof Sundiata Keita geboren werd om Mansa te zijn, maar de waarheid is ruwer, want voordat Mali een rijk was, was de Mandé-wereld een verzameling ruzies: twisten over landbouwgrond, over zoutroutes, over wie welk dorp mocht beheersen en over wie welke bruid mocht nemen, een lappendeken van kleine chefferieën, rivaliserende clans en verschuivende loyaliteiten.

En tussen deze fragmenten duwde één figuur door, Sumaoro Kanté, de smid-koning van Sosso, en het is zijn verhaal dat de eerste helft van de stichtingsgeschiedenis vult, want Mali werd niet in een vacuüm gevormd maar tegen iets, tegen Sosso.

Dit artikel gaat niet primair over Sundiata, al speelt hij zijn rol, maar over de politiek-antropologische vraag hoe een verzameling Mandé-clans, elk met eigen afstamming en eigen troon, één politieke eenheid werd, en hoe dat precies ging in de jaren voor en rondom 1235 C.E.

De Mandé-Wereld: Wat Was Er Eigenlijk?

Laten we eerst bepalen waar we het over hebben, want de term “Mandé” verwijst naar een taalkundige en culturele familie en niet naar één volk. Binnen de Mandé-groep vallen de Malinké (ook Mandinka), de Bambara, de Soninke, de Dyula, de Khassonké, de Susu en anderen, die verwante talen delen, allemaal op de Mandé-tak van de Niger-Congo-taalstam, naast een gedeeld sociaal systeem.

Dit sociale systeem is belangrijk om te begrijpen, want zonder dat verdwijnt de logica van wat er in 1235 gebeurde.

De Mandé-maatschappij was verdeeld in drie grote lagen. De horon waren de vrijen, de boeren, de krijgers en de edelen; de nyamakala waren de ambachtskasten van smeden, leerwerkers, griots en schrijnwerkers, erfelijk en endogaam, met specifieke rituele en sociale functies; en de jon waren de slaven, die op hun beurt onderverdeeld waren in huisslaven, agrarische slaven en kasteslaven met verschillende rechten.

Binnen deze drie lagen bewogen de clans. De Keita waren horon en koninklijk, de Traoré waren horon en strijders, de Kouyaté waren nyamakala en griots, en de Camara waren horon en landbouwers, terwijl de Kanté, en dat is van belang, nyamakala en smeden waren. Dat is cruciaal voor het verhaal van Sumaoro, want hij was een smid die koning werd, en in de Mandé-logica was dat een breuk met de orde.

Sumaoro Kanté: De Koning Die Geen Koning Hoorde Te Zijn

Sumaoro Kanté was geen wreedheid omwille van de wreedheid, al schildert de griot-traditie hem zo, maar een politieke figuur met een reëel project. Na de val van het Ghana-rijk, ergens in de vroege dertiende eeuw, vulde Sumaoro het machtsvacuüm dat Wagadu achterliet, veroverde hij Koumbi Saleh, de oude hoofdstad, onderwierp hij de Soninke en breidde hij zijn invloed uit over het kerngebied van de Mandé.

Maar Sumaoro stootte op twee muren. De eerste was religieus, want hij was geen moslim en klampte zich vast aan de oude Mandé-religie, de cultus van de jinn en de voorouders, met specifieke offerpraktijken die de groeiende islamitische handelsklasse, de Dyula en de Soninke-kooplieden in de steden, als unheimisch ervoer. De tweede muur was sociaal, want hij was een Kanté en dus nyamakala, en binnen de Mandé-orde hoorde hij geen koning te zijn, zodat zijn macht altijd gekleurd bleef door die onregelmatigheid, wat hem kwetsbaar maakte voor de propagandistische aanval van degenen die wel van koninklijke afkomst waren.

De mondelinge traditie, met name zoals bewaard in de Sundiata Epic en opgetekend door Djibril Tamsir Niane en anderen, beschrijft Sumaoro als een tovenaar met een kamer vol menselijke schedels en een vlieg-totem dat hem onsterfelijk maakte. Dit is epische taal en geen historische rapportage, maar onder die epische taal zit een politieke boodschap, namelijk dat Sumaoro anders was, buitenstaand, iemand die buiten de orde stond terwijl die orde hersteld moest worden.

De Diaspora van de Keita: Ballingschap als Politieke School

Terwijl Sumaoro zijn rijk uitbreidde, liep de Keita-lijn bijna uit, want volgens de traditie doodde Sumaoro de mannelijke erfgenamen van het Mali-chefdom, dat toen nog een kleine chefferie rond Niani was en geen rijk, op één na. Sundiata, de zoon van koning Naré Maghan Konaté en van een lelijke, gebochelde vrouw uit het Do-land genaamd Sogolon Condé, ontsnapte aan de moordpartij, en hij was, volgens de meeste varianten van het epos, een jongen met fysieke beperkingen die niet op zijn voeten kon staan tot een leeftijd waarop andere kinderen al rennen, een onwaarschijnlijke kandidaat voor welke troon dan ook.

Sundiata en zijn moeder Sogolon werden in ballingschap gedwongen en reisden jarenlang door de Mandé-wereld, langs Tabon, Ghana en Mema, en vonden uiteindelijk onderdak aan het hof van de farba van Mema, waar Sundiata opgroeide als gast-prins en leerde vechten, leerde besturen en de lokale politieke geografie van de buurlanden leerde kennen.

Dit is belangrijk, want de ballingschap was geen verloren tijd maar een politieke opleiding, waarin Sundiata leerde hoe andere hoven werkten, welke coalities mogelijk waren en hoe men contacten legt, en waarin hij de Mandé-wereld niet vanuit één clan-perspectief leerde zien maar van buitenaf.

En toen kwam de uitnodiging, want de Mandé-clans, onder de druk van Sumaoro, stuurden griot-boodschappers die hem overal zochten, en volgens het epos was het de griot Balla Fasséké Kouyaté, die tijdelijk als gevangene aan Sumaoro’s hof diende, die de tekenen uitlegde: de erfgenaam van Mali moest terugkeren, of Sosso zou alles opvreten.

Sundiata keerde terug, niet als een eenzame held maar als hoofd van een coalitie in wording.

De Twaalf Clans: Hoe Een Alliantie Wordt Gesmeed

Hier ligt het hart van dit verhaal, niet in Sundiata’s persoonlijke moed maar in de alliantie.

De mondelinge traditie noemt twaalf clans die zich rond Sundiata verzamelden, en al varieert de exacte samenstelling tussen griot-families, de kern is stabiel. Daar waren de Keita zelf als koninklijke clan; de Traoré, onder leiding van Tiramaghan Traoré, die zich als generaal aan Sundiata bond en later zou doorstoten tot aan de Atlantische kust; de Condé, de clan van Sundiata’s moeder, uit het Do-land; de Camara, sterk in de boerengemeenschappen ten westen van Niani; de Kouyaté, de griot-familie die Balla Fasséké leverde; en verder de Kamissoko, de Diawara, de Koroma, de Cissé (ironisch genoeg oorspronkelijk een Soninke-naam), de Sissoko, de Diabaté en anderen.

Elk van deze clans had een eigen territoriaal zwaartepunt, een eigen militaire traditie, eigen grieven tegen Sumaoro of eigen belangen bij zijn val, en elk had zijn bedingen, wat men in onderhandelingstaal vandaag conditions zou noemen.

De onderhandelingen vonden plaats in verschillende rondes en bij verschillende bijeenkomsten, en een beslissend moment was de samenkomst in Sibi, waar de clans volgens de traditie een bloedverbond sloten, letterlijk het mengen van een druppel bloed van elke leider, symbolisch opgevat als broederschap over clanlijnen heen.

Dit is een antropologisch rijk moment, want in een samenleving waar afstamming alles is, is het kruisen van afstamming door bloedverbond een radicale handeling die een fictieve verwantschap creëert die tegelijk politiek bindend is, en zo veranderen twaalf concurrenten in één coalitie.

De Kouroukan Fouga, later gecodificeerd, zou deze relaties vastleggen, maar het begon hier, in het veld, bij een boom, met een kleine druppel bloed en een eed die elke griot voor de eeuwen zou herhalen.

Het Leger: Wie Kwam Met Wie Mee

Een coalitie is pas werkelijk wanneer ze troepen op het veld heeft, en hier wordt de Mandé-samenleving concreet.

De horon-krijgers vormden de infanterie, Malinké en verwante groepen, gewapend met speren, bogen en schilden van leer, die met hun clan-eenheden kwamen onder hun eigen onderbevelhebbers en loyaal bleven aan hun eigen farin, een structuur die men vandaag nog in de West-Afrikaanse militaire traditie terugziet.

De cavalerie was een ander verhaal, want de paarden kwamen uit het noorden via Soninke- en Imazighen-handelsroutes en waren duur, zodat alleen de rijkere clans, vaak die met directe toegang tot de transsaharahandel, ruiters op het veld konden brengen, en Sundiata bond hen aan zich met beloftes van handelsprivileges en territoriale rechten na de overwinning.

De boogschutters, en dit wordt cruciaal bij Kirina, kwamen uit specifieke regio’s, en de Sundiata Epic noemt met name de boogschutters uit Wagadu en uit het noorden, die onder Fakoli Koroma streden. Fakoli, een neef van Sumaoro zelf, was volgens het epos naar Sundiata overgelopen toen Sumaoro zijn echtgenote had weggenomen, een krenking die het dynastieke patroon van Sumaoro’s zwakte blootlegde.

Bovendien waren er de smeden zelf, niet de Kanté die bij Sumaoro stonden, maar andere smid-lijnen die aan Sundiata’s kant hun kennis van metaal, van speerpunten, pijlkoppen en hoefijzers, ter beschikking stelden, want in een oorlog waar wapens handgemaakt waren, was elke smid een munitiefabriek.

De Rol van Islam in de Vorming

Hier moeten we precies zijn, want dit wordt vaak verwarrend gepresenteerd.

Sundiata zelf was nominaal moslim, en zijn vader Naré Maghan had zich volgens sommige tradities al in zekere mate tot Islam bekeerd, niet ongebruikelijk in de Mandé-elite van die tijd, die al generaties in contact stond met Dyula-handelaren en Soninke-geleerden, maar Sundiata’s Islam was licht en zijn praktijk gelaagd, en hij was, om een term uit de moderne antropologie te gebruiken, een syncretist.

Wat wel gebeurde in de vormingsfase is dat Islam als politieke factor meetelde, want de islamitische handelsgemeenschappen in de Mandé-steden, klein maar invloedrijk, zagen in Sundiata een bondgenoot tegen Sumaoro, die hun karavanen bedreigde en hun praktijken beperkte, en zij stelden kennis, geld en diplomatieke contacten ter beschikking, terwijl de Wangara-handelaren, die al een transsaharisch netwerk bestuurden, zich met de Sundiata-coalitie verbonden.

Dit is waarom Mali vanaf zijn stichting een specifiek karakter had, geen moslim-rijk dat islamitische wet oplegde en geen heidens rijk dat Islam afwees, maar een rijk waarin islamitische handelsgemeenschappen konden bloeien, waarin islamitische geleerden welkom waren, en waarin de Mansa zelf op sommige momenten de shahada uitsprak zonder zijn Mandé-identiteit te verliezen.

Ibn Khaldun ﵀, schrijvend in zijn Kitab al-'Ibar, noemt Sundiata uitdrukkelijk als een moslimvorst in de opsomming van de Mali-heersers, en zo zag de veertiende-eeuwse geleerde geschiedenis hem, terwijl de mondelinge traditie van de griots genuanceerder is. Waarschijnlijk zijn beide waar, want hij was moslim in de zin dat hij de aanspraak deed en de geloofsbelijdenis uitsprak, en hij was Mandé in de zin dat de rituelen van zijn jeugd nooit volledig verdwenen.

Van Sibi naar Kirina: De Laatste Onderhandelingen

Tussen de coalitievorming bij Sibi en de beslissende veldslag bij Kirina lagen nog maanden, misschien jaren van schermutselingen, en Sundiata’s leger groeide door kleine overwinningen, bij Tabon, waar een jonge prins Fran Kamara zich bij hem aansloot met zijn eigen troepen, en in verschillende andere provincies waar lokale chefs besloten op welk paard ze wilden wedden.

Sumaoro begreep wat er gebeurde en probeerde de coalitie te breken door afzonderlijke clans te kopen of te bedreigen, hij stuurde versterkingen vanuit zijn kernland, en hij deed een beroep op zijn rituele macht, op de schedels, de totems en de eden, om psychologische druk uit te oefenen.

De griot-traditie vertelt dat het keerpunt een magisch duel was tussen Sumaoro en Sundiata, waarin Sundiata uiteindelijk Sumaoro’s geheim ontdekte via de list van zijn halfzus Nana Triban, die door Sumaoro als concubine was genomen en van daaruit terugkeerde met de kennis dat alleen een pijl met een wit hanenpootje Sumaoro kon raken. Dit is epische taal, maar het historische kerngegeven, dat spionage, interne informatielekken en psychologische oorlogvoering een rol speelden, is plausibel en vindt parallel in veel middeleeuwse oorlogvoering.

Op een dag in 1235 C.E., bij de vlakte van Kirina, stonden de twee legers tegenover elkaar, en dat verhaal komt in detail aan bod in een ander artikel; hier volstaat het dat de coalitie die hier op de been stond, nog een paar maanden tevoren niet had bestaan, maar onderhandeld en gevormd was.

De Ethnogenese: Van Mandé-clans naar “Malinese”

Wat hier gebeurde, is wat antropologen een ethnogenese noemen, waarbij een nieuwe politieke identiteit voortkomt uit het samenbrengen van bestaande etnische componenten die hun deelidentiteit behouden maar er een overkoepelende naam en loyaliteit bij krijgen.

Voor de stichting van Mali waren er Malinké, Bambara, Soninke, Susu, Khassonké en Dyula, en na de stichting bleef elk van deze groepen bestaan, zoals ze dat vandaag nog doen, maar ze verwierven een gedeelde identiteit als onderdanen van het Mali-rijk, zodat een Malinké-boer in Niani en een Soninke-handelaar in Walata beiden “Mandé” waren in de etnische zin en beiden “van Mali” in de politieke zin, en dit dubbele niveau van identiteit werd de norm.

De Kouroukan Fouga bekrachtigde dit, want ze gaf de twaalf clans elk hun erkende rol, koninklijke, religieuze, ambachtelijke en militaire, en verplichtte hen tot wederzijdse eerbied, en zelfs een grap tussen de Keita en de Traoré, de zogenaamde senankuya of “gekscherende verwantschap”, werd gecodificeerd, zodat een Keita en een Traoré elkaar tot op de dag van vandaag begroeten met rituele beledigingen die teruggaan op deze charter, wat politieke antropologie in levende vorm is.

Wat Er in 1233 Begon

De eventdatum, 1233 C.E., verwijst waarschijnlijk niet naar de veldslag zelf (1235), maar naar de voorafgaande periode van coalitievorming, precies de fase die dit artikel belicht. In 1233 was Sundiata waarschijnlijk terug op Mandé-bodem, waren de onderhandelingen in volle gang, en had nog niemand het over een rijk, en toch was een rijk zich aan het vormen onder de ogen van de deelnemers, die op dat moment alleen maar probeerden te overleven.

Dit is een belangrijke nuance, want mensen maken geschiedenis maar weten niet altijd dat ze ze maken, en de twaalf clans die bij Sibi hun bloedverbond sloten dachten dat ze een oorlog voerden, terwijl ze achteraf gezien een beschaving hadden gesticht.

Dit is ook een les voor vandaag over hoe grote veranderingen tot stand komen, niet door één grootse ideeënverklaring, maar door een reeks onderhandelingen tussen actoren die allemaal hun eigen belangen hebben, die elkaar in sommige opzichten wantrouwen, maar die een gemeenschappelijke vijand of een gemeenschappelijk doel belangrijk genoeg vinden om hun verschillen tijdelijk op te schorten, tot dat, soms, in iets nieuws stolt.

Vrouwen in de Vormingsfase: Sogolon, Nana Triban, Keleya Konkon

Het is gebruikelijk om de stichting van Mali te vertellen als een mannelijk verhaal, met clanhoofden die met elkaar onderhandelen, generaals die veldtochten plannen en een prins die terugkeert uit ballingschap, maar de mondelinge traditie laat, wanneer men ze zorgvuldig leest, een dieper patroon zien, want de politieke vorming van Mali liep voor een groot deel via vrouwen.

Sogolon Condé, Sundiata’s moeder, was de as van zijn legitimiteit, want zonder haar afstamming uit het Do-land, zonder de profetie die aan haar persoon verbonden was en zonder haar bescherming in de ballingschapsjaren was er geen Sundiata geweest. De traditie beschrijft haar als fysiek onaantrekkelijk naar Mandé-norm maar spiritueel uitzonderlijk krachtig, een nyamakala in eigen recht met toegang tot de oude kennis van het Do-land, die haar zoon letterlijk jarenlang droeg en hem bewaarde toen anderen hem hadden laten sterven.

Nana Triban, Sundiata’s halfzus, was het scharnierpunt van de inlichtingen die tot de overwinning leidden, want in gevangenschap aan het hof van Sumaoro, waar ze als vrouw was genomen, leerde ze details over zijn rituele praktijken die later bij Kirina beslissend zouden blijken, en haar vlucht, of terugkeer, met deze informatie is politiek inlichtingenwerk in een samenleving waar geschreven documenten zeldzaam waren, in moderne termen een agent in het veld.

Keleya Konkon, de vrouw van Fakoli Koroma, was de aanleiding voor een van de beslissende overlopingen, want toen Sumaoro haar van Fakoli afnam, in een daad die de Mandé-sociale normen zwaar schond, verloor hij zijn neef en een van zijn beste commandanten, en dat is geen bijzaak maar het moment waarop één politieke krenking de militaire balans kantelt.

En dan zijn er nog de naamloze vrouwen, de griotinnen die de verhalen mee droegen, de vrouwelijke jagers-bondgenoten uit het Do-land, en de moeders en zussen die in ballingschap meereisden en beslissingen namen waar de overlevering vaak geen ruimte voor geeft, want hun aanwezigheid is overal, ook waar hun namen niet zijn vastgelegd.

De Kouroukan Fouga zou later expliciet bepalen dat vrouwen aan het bestuur moesten kunnen deelnemen, en dat is geen toevallige clausule maar erkenning van wat er in de vormingsfase daadwerkelijk was gebeurd.

Het Moment Voor Kirina

En zo stonden ze, in de laatste dagen voor de veldslag, in een vlakte ten noordwesten van wat later Niani zou worden: een prins die als gebochelde kind niet had kunnen lopen, twaalf clanhoofden die eeuwenlang elkaars rivalen waren geweest, een griot-familie die de verhalen zou dragen, een islamitische handelsklasse die financiering en kennis leverde, en een leger van boeren, ruiters en boogschutters die elkaars taal in verschillende accenten spraken.

Op papier waren ze geen rijk maar een losse alliantie met een magere kans op overwinning, en toch bestond wat op papier niet bestond wel degelijk in de eed die ze hadden gezworen, en die eed zou de steen worden waarop de rest gebouwd werd.

Wat er daarna bij Kirina gebeurde, is een ander verhaal, maar de vorming, het weven van het weefsel, gebeurde voordat de pijlen vlogen, en de rest was voltrekking.

Bronnen

  • Abu ʿUbayd al-Bakri ﵀, Kitab al-Masalik wa-l-Mamalik (460/1068), het hof van Ghana met het koepelpaviljoen, de begroeting met stof op het hoofd en het leger van tweehonderdduizend man, zoals aangehaald in Gomez, p. 35.
  • Ibn Battuta ﵀, Rihla, het verblijf in Mali van juli 1352 tot februari 1353: de stiptheid in het gebed, het uit het hoofd leren van de Koran, de onbedekte vrouwen aan het hof en het stof op het hoofd bij de audiëntie, zoals aangehaald in Gomez, pp. 140–141, 158, 160.
  • Ibn Khaldun ﵀, Kitab al-ʿIbar, het bericht van Shaykh Uthman ﵀ (796/1394) over Mari Jata die de Susu overwon, zijn vijfentwintig regeringsjaren en het rijk dat van de Oceaan en Ghana tot Takrur reikte, zoals aangehaald in Gomez, pp. 69, 77, 88.
  • Ibn Fadl Allah al-ʿUmari ﵀, Masalik al-Absar, de koningen van Mali die de goudlanden niet veroveren omdat het goud verdwijnt zodra Islam er wordt verspreid, en de goudprijs in Cairo na het bezoek van Mansa Musa, zoals aangehaald in Gomez, pp. 107–108.
  • ʿAbd ar-Rahman as-Saʿdi ﵀, Tarikh as-Sudan, en Tarikh al-Fattash, toegeschreven aan Mahmud Kaʿti ﵀: de bekering van Djenné en de bouw van haar moskee, zoals vertaald door Hunwick, pp. 18–19, en de karavaan van Mansa Musa, zoals aangehaald in Gomez, p. 106.
  • Het epos van Sundiata, de versie van Mamadou Kouyaté opgetekend door Djibril Tamsir Niane, Soundjata ou l’épopée mandingue (1960), zoals aangehaald in Gomez, p. 383; Leo Africanus over de boekhandel van Timbuktu, zoals vertaald door Hunwick, p. 281.
  • Michael A. Gomez, African Dominion: A New History of Empire in Early and Medieval West Africa, Princeton University Press, Princeton 2018, pp. 15, 35, 37, 41, 64–65, 68–69, 72, 75, 77, 79–89, 91, 104, 106–108, 113, 121, 124–125, 128, 135, 140–141, 151, 155, 158, 160, 279, 281, 363, 383, 402, 405, 407–408.
    • pp. 37, 41, 68, 81, 89: de val van Awdaghust in 446/1054–5 en Ghana dat door de Susu wordt onderworpen; Sumaoro Kanté als koning van Sosso, plunderaar van kooplieden en smid-koning met zijn leger van smeden en zijn kamer vol mensenhoofden; het conflict als spanning tussen smeden en een opkomende handelsklasse, met de goudvelden van Bure als grondslag van Mali.
    • pp. 72, 75, 77, 79–80: Sogolon als de gebochelde vrouw uit Do en Sundiata als het kind dat niet kon lopen; het hof van Niani met Fran Kamara en Kamanjan; de ballingschap via Tabon, Ghana en Mema; Sumaoro die de broers van Sundiata doodt en de delegatie die hem terugroept.
    • pp. 82–88, 402, 405: de generaals Kamanjan, Fran Kamara en Tiramaghan, de cavalerie uit Mema en Ghana en de boogschutters; Fakoli Koroma die overloopt nadat Sumaoro zijn vrouw afneemt; Balla Fasséké Kouyaté aan het hof van Sumaoro en Nana Triban met het geheim van de witte haan; Kankigne en Kirina, de tocht van Tiramaghan tot in de Gambia, de vergadering bij Kurukan Fugan en de twaalf koningen die Sundiata tot mansa uitroepen; de datering van Kirina rond 630/1233.
    • pp. 88, 91, 155, 407–408: de driedeling in horon, nyamakala en jon; de beperkte rol van Islam onder Sundiata, hoogstens nominaal moslim; de notie van een grondwet in de late twintigste-eeuwse traditie en bij Youssouf Tata Cissé; de schertsverwantschappen, de dugu-tigi als dorpshoofd en de datering van Sundiata’s dood door Niane in 1255.
    • pp. 64–65, 125, 128, 135: de griot als geheugen van de staat bij Ibn Battuta ﵀; de Kamabolon van Kangaba die elke zeven jaar wordt herdekt en Kangaba als laatste toevlucht van de Mali-vorsten; Walata als noordgrens onder een farba; de twaalf oorspronkelijke gebieden tegenover de veertien provincies bij al-ʿUmari ﵀; Niani aan de Sankarani als omstreden hoofdstad.
    • pp. 104, 106–108, 113, 121, 124: de aankomst van Mansa Musa in Cairo op 18 juli 1324, de vijfhonderd slaven met gouden staven en de goudprijs die niet meer boven 22 dirham kwam; de goudvelden buiten de directe greep van de mansa; Taghaza en de zoutwinning; as-Sahili en de moskeeën van Timbuktu en Gao.
    • pp. 15, 279, 281: Djenné-Djenno, gesticht rond 250 v.Chr., als een van de oudste steden van de Middenniger; de Sankore-moskee als kern van de geleerdheid van Timbuktu; Leo Africanus over de winstgevende boekhandel.
    • pp. 151, 363: het verval na 1360 en Mali dat tot in de zeventiende eeuw voortbestaat naast een oppermachtig Songhay; de Marokkaanse invasie van 999/1591 met musketiers.
  • John O. Hunwick (vert.), Timbuktu and the Songhay Empire: al-Saʿdi’s Taʾrikh al-sudan down to 1613 and other contemporary documents, Brill, Leiden 2003 (2e druk; 1e druk 1999), pp. 18–19, 189–190, 281.
    • pp. 18–19 (TS hfst. 5): Djenné dat aan het einde van de zesde eeuw AH moslim werd toen sultan Kunburu zijn paleis liet afbreken en er de moskee bouwde; de huidige Grote Moskee dateert van 1907.
    • pp. 189–190 (TS hfst. 21): de slag bij Tondibi op 13 maart 1591, waarin de troepen van Jawdar het leger van de askia in een oogwenk braken.
    • p. 281: Leo Africanus over Timbuktu, waar de verkoop van manuscripten uit Barbarije winstgevender was dan enige andere handel.
  • John O. Hunwick (ed./vert.), Shariʿa in Songhay: The Replies of al-Maghili to the Questions of Askia al-Hajj Muhammad, Oxford University Press for the British Academy, Oxford 1985, pp. 4, 16: de goudvelden van Bambuk en Bure in het zuiden en de ruil van zout tegen goud in Timbuktu.