InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Mansa Musa komt aan de macht
Islam in West-AfrikaThe Mali Empire

Mansa Musa komt aan de macht

De Sublieme Koning: Hoe Musa Mansa Werd

Ibn Kathir noemt hem al-malik al-ashraf, de sublieme koning. Maar voor hij zichzelf die naam verdiende, moest iemand anders eerst naar de horizon varen en nooit meer terugkeren.

De Titel die Ibn Kathir Gaf

Alles begint bij de naam, want de naam verraadt de status. Ibn Kathir, de grote Damasceense historicus en mufassir, schrijver van al-Bidaya wan-Nihaya, noemt onze Mansa niet zomaar Musa van Mali, maar al-malik al-ashraf Musa bin Abi Bakr, de sublieme koning Musa zoon van Abu Bakr. In een wereld waarin Ibn Kathir ook over Ottomaanse sultans, Mamlukse emirs en Andalusische vorsten schreef, was dit geen beleefdheid maar erkenning. West-Afrika was, op het moment dat Ibn Kathir zijn pen oppakte, een plaats waar de Islamitische beschaving een koning had geproduceerd die de aandacht van Damascus verdiende.

Hoe is dat gebeurd? Hoe verandert een regio die in de Masalik al-absar van al-Umari ﵀ een generatie eerder nog beschreven werd als een verre, grotendeels onbekende uithoek van de moslim-oemma, ineens in een plaats die sublieme koningen oplevert?

Het antwoord ligt bij de man die regeerde vóór Musa. Zijn naam was Abu Bakr II, en zijn levensverhaal is zo merkwaardig dat je het bijna niet zou geloven als Musa het niet zelf had verteld.

Het Verhaal Dat Musa Vertelde aan de Gouverneur van Cairo

In de zomer van 1324 is Mansa Musa onderweg naar Mekka voor zijn Hajj, en in Cairo wordt hij ontvangen door de gouverneur, Amir Ibn Amir Hajib, een Mamluk van enige rang. Er worden koffie en dadels gedeeld en er wordt gesproken, en Ibn Amir Hajib, net zo nieuwsgierig naar deze West-Afrikaanse vorst als iedereen anders in Cairo, vraagt hoe hij aan zijn troon is gekomen. En Musa, zonder verlegenheid, zonder verzwijging, vertelt hem het volgende.

Zijn voorganger, zegt Musa, wilde weten of de Atlantische Oceaan een eind had, want de Mansa, Abu Bakr II, weigerde te geloven dat een zee onbegrensd kon zijn. Hij rustte tweehonderd schepen uit met mannen, en tweehonderd schepen met goud, water en voldoende proviand voor jaren, en hij gaf het bevel: vaar westwaarts, en keer niet terug voordat je het einde hebt bereikt of je proviand op is.

Eén schip keerde terug. De kapitein stond voor de Mansa en vertelde van een rivier midden in de oceaan, een machtige stroom binnen de zee, die de andere schepen had meegenomen en waaruit hij alleen was ontsnapt door tegen de stroom in te keren en weg te vluchten. De Mansa geloofde hem niet, of beter gezegd: de Mansa besloot het zelf te zien.

Hij rustte een tweede expeditie uit van tweeduizend schepen, benoemde zijn neef Musa tot regent en vertrouwde hem het staatsbestuur toe, en toen voer hij uit. Hij is nooit teruggekeerd.

Hij besluit zijn relaas tegen de gouverneur.

Mansa Musa: “En zo werd ik Mansa.”

Al-Umari ﵀ schrijft dit alles op in zijn Masalik al-absar fi mamalik al-amsar, op basis van de ooggetuigen-verslagen die hij zestien jaar later in Cairo verzamelde. Het is het meest directe citaat dat we van Mansa Musa zelf bezitten.

Wat Het Verhaal Werkelijk Betekende

Dit verhaal laat zich op drie manieren lezen, en alle drie zijn de moeite waard.

De eerste lezing is de letterlijke. Dan is dit het vroegste gedocumenteerde bewijs van een trans-Atlantische maritieme expeditie vanuit West-Afrika, bijna twee eeuwen vóór Columbus. Of Abu Bakr II de Nieuwe Wereld bereikte, valt niet uit te sluiten, en historici als Ivan Van Sertima hebben op deze lezing een hele onderzoeksagenda gebouwd, al blijft de bewijslast omstreden.

De tweede lezing is de politieke, en dan is dit een legitimiteitsverhaal. Musa was niet de directe zoon van Abu Bakr II maar een neef, en in een systeem dat zowel primogenituur als electieve bevestiging kende, had zijn aanspraak op de troon kwetsbare plekken. Door te vertellen dat zijn voorganger vertrokken was, niet afgezet, niet overleden, niet verdreven, vestigde Musa een narratief waarin hij rechtmatig regeerde: Hij ging vrijwillig. Hij heeft mij aangesteld. Ik ben geen usurpator. Dit is een krachtig verhaal om in Cairo te vertellen, waar de Mamlukken zelf voortdurend met usurpatie en staatsgrepen te maken hadden.

De derde lezing is de theologisch-filosofische, en dan is dit een verhaal over menselijke ambitie tegenover de onbekendheid van de schepping. Abu Bakr II wilde de aarde van Allah ﷻ tot aan haar grenzen aftasten, hij wilde weten waar de zee eindigt, en dat is een zeer Islamitische impuls, de oproep tot nazar, tot het overdenken van de tekenen in het universum. Dat deze zoektocht hem zijn troon kostte, is geen straf maar de prijs van nieuwsgierigheid.

Waarschijnlijk waren alle drie de lezingen tegelijk waar, zoals meestal het geval is met grote verhalen.

De Maritieme Cultuur Van Mali

Het is relevant voor hoe we Abu Bakr II’s expeditie moeten begrijpen dat Mali, anders dan veel mensen denken, wel degelijk een maritieme dimensie had. Niet via de Atlantische Oceaan, die voor de gemiddelde Mandé-samenleving letterlijk aan de uiterste rand van hun wereldbeeld lag, maar via de Niger.

De Niger is geen normale rivier, maar een binnenzee in langgerekte vorm, zoals sommige Arabische geografen hem beschrijven. Ibn Battuta ﵀ zou later noteren dat de Niger zo breed is dat een man aan één oever iemand op de andere oever niet kan zien op plekken waar het rivierbekken zich verbreedt. De Sorko, de Bozo en delen van de Sonrhaï-bevolking leefden van en op het water, en ze hadden pirogues van twintig tot dertig meter lang, gevoerd door tientallen roeiers, die goederen en troepen over lange afstanden konden verplaatsen. Dit was, in zijn eigen context, een hoogontwikkelde maritieme cultuur.

De stap van rivierschepen naar oceaanschepen is echter enorm, en er zijn geen archeologische of tekstuele bewijzen dat Mali zeewaardige schepen bezat op Abu Bakr II’s schaal. Dit is een van de redenen waarom historici sceptisch zijn over de letterlijke lezing van het verhaal, want tweehonderd zeewaardige schepen uitrusten vereist niet alleen houtreserves en scheepsbouwers, die Mali zou kunnen mobiliseren via de Wolof-kust of via Portugese-voorloper-contacten, maar ook navigatiekennis voor de open zee, zout-waterdichte voorraden en een begrip van oceanografische patronen. Dit alles is moeilijk voorstelbaar zonder een maritieme traditie die we niet kunnen documenteren.

Maar zoals we al aanstipten hoeft de expeditie niet in al haar details letterlijk waar te zijn geweest om iets waars over Abu Bakr II’s heerschappij te vertellen. De neiging om te verkennen, om grenzen af te tasten, om het onbekende te willen kennen, is een authentieke trek van het veertiende-eeuwse Mali, en Mansa Musa zou die neiging op een andere manier uiten, niet door de zee in te varen, maar door de Sahara over te steken naar Mekka. Beide waren manieren om Mali’s horizon op te rekken.

De Machtsovername in Niani

Wat er in de praktijk gebeurde in Niani, de hoofdstad van Mali, tussen het vertrek van Abu Bakr II en de officiële kroning van Musa, weten we niet in detail, maar wat we wél weten is dat het, in tegenstelling tot de eeuw daarvoor, soepel ging. De Gbara bevestigde Musa, en de clans die onder Sundiata de Kouroukan Fouga hadden opgesteld, keken nu naar een Mansa die niet vanuit spanning, niet vanuit compromis, maar vanuit volledige erkenning op de troon kwam.

Dit is belangrijk, want de periode van de moeizame opvolging, die bijna zestig jaar had geduurd, was voorbij, en met Musa kreeg Mali voor het eerst sinds Sundiata een heerser met onbetwiste legitimiteit én met volledige Islamitische identiteit.

De combinatie is zeldzaam. In de meeste vroege Islamitische beschavingen is er ofwel een legitiem tribale heerser die gematigd Islamiseerde, zoals de vroege Ghana-vorsten, of een Islamitische hervormer die met kracht regeerde tegen tribale weerstand in, zoals War Jabi in Takrur. Musa was beide, clan-legitiem en Islamitisch doordrenkt, en daarmee de eerste Mansa die niet hoefde te kiezen.

De Toestand van Mali in 1312

Het loont om stil te staan bij wat Musa erfde, want hij erfde iets ongelofelijks.

Hij erfde een rijk dat zich uitstrekte van de Atlantische kust bij het huidige Senegal tot voorbij de Niger-bocht bij Gao, met controle over de goudvelden van Bambuk en Bure, de rijkste goudafzettingen van de toenmalige wereld. Hij erfde de tariq al-dhahab, de goudweg, die via Walata, Taghaza, Sijilmasa naar Fez liep en vandaar naar Cairo en Damascus. Hij erfde een leger dat getest was tegen de Sosso, tegen de Tuareg, tegen de Wolof-koninkrijken in het westen, en een hofcultuur waarin Arabische secretarissen naast Mandé-griots werkten en waarin Qadi’s naast traditionele Bambara-raadgevers adviseerden.

En hij erfde iets dat geen van zijn voorgangers had gehad: een stabiele Islamitische consensus aan het hof. De Donson Ton, de jagersbroederschap die onder Sundiata een kernrol speelde, was niet verdwenen, dat zou te ver gaan, maar was wél gemarginaliseerd, want het zwaartepunt van religieuze autoriteit lag nu bij de ulama. En dat betekent dat Musa kon regeren vanuit een Islamitisch raamwerk zonder voortdurend te moeten balanceren met een concurrerende religieuze elite.

Men moet zich voorstellen wat dit betekende voor een ambitieuze jonge heerser: hij had goud zonder precedent, een rijk zonder machtsvacuüm, en een religie die hem verbond met een oemma van Cordoba tot Samarkand. En hij had ruim de tijd om te plannen wat hij ermee ging doen.

De Twaalf Jaar Van Voorbereiding

Tussen 1312 en 1324 liggen twaalf jaar, en die verdienen het niet om voorbijgelopen te worden alsof het een lege periode was, want het was de langste strategische voorbereiding voor een staatsceremonie die West-Afrika tot dan toe had gekend.

Wat wordt er gedaan in die twaalf jaar? Drie dingen, op hoofdlijnen.

Ten eerste wordt er goud verzameld en naar de schatkist gebracht, niet op de normale manier als reguliere tolinkomsten, maar als specifieke reserve. Musa heeft zijn farbas, de provinciale gouverneurs, opdracht gegeven om meer dan gebruikelijk aan de staat af te dragen, niet in de vorm van belastingdruk die de bevolking voelde, maar in de vorm van een verhoogd aandeel uit de Wangara goudkaravanen en de Bambuk-afdrachten. De goudreserve die hij in 1324 zou meevoeren, was niet één oogst, maar twaalf oogsten gespaard en geselecteerd.

Ten tweede worden de ulama geraadpleegd. Musa laat een stoet rechtsgeleerden en Qur’an-kenners bij zich komen, sommigen uit Timbuktu, sommigen uit Walata, sommigen uit Djenné, en met hen bespreekt hij de technische voorschriften van de Hajj: wanneer de ihram aan te doen, welke dag hij bij de Zamzam moet staan, hoe hij als soeverein hoofd van een collectief de tawaf moet verrichten. Dit is niet alleen persoonlijke voorbereiding, maar de vorming van een fiqh-commissie die het hele hof gedurende de reis kan adviseren.

Ten derde wordt de diplomatie vooruitgestuurd. Er worden afgezanten naar Cairo gezonden, niet om te vragen om toestemming, want Mali vroeg toestemming van niemand, maar om de Mamlukse hofhouding te laten weten wat er zou komen. De logistiek alleen voor een karavaan van tienduizenden mensen vereiste jaren van voorbereiding: waar zou gekampeerd worden, welke oases moesten extra water hebben, welke tolkenwisselingen waren nodig, wie zou de officiële ontvangst in Cairo coördineren? Al deze details werden vooruit besproken.

Voor een hof dat drie generaties eerder amper wist om te gaan met een opvolging, was dit een organisatorische sprong van enorm formaat. Musa regeerde niet alleen, hij moderniseerde het Mandé-staatsbestuur tot iets dat een internationale operatie kon uitvoeren.

Wat Betekent “Al-Malik al-Ashraf”?

Zo keren we terug naar de titel waarmee we begonnen: al-malik al-ashraf, de sublieme koning.

In de Mamlukse traditie was al-ashraf een eretitel voor sultans van wie men aannam dat ze de Islamitische idealen van rechtvaardig bestuur, vroomheid en vrijgevigheid uitzonderlijk goed belichaamden. Sultan Al-Ashraf Khalil, die in 1291 Akko had heroverd op de Kruisvaarders, droeg deze titel, evenals Sultan Al-Ashraf Sha’ban, en nu werd Musa vanuit Damascus in dezelfde categorie geplaatst.

Waarom? Omdat Ibn Kathir geïnformeerd was, want nieuws uit Cairo reisde naar Damascus, en Cairo wist zestien jaar na de Hajj nog steeds welke indruk Musa had achtergelaten. Die indruk was niet vluchtig, geen kortstondige fascinatie voor een exotische vorst, maar de diepe overtuiging dat Mali, onder deze Mansa, een serieuze islamitische macht was geworden, een macht met vroomheid, rechtvaardigheid en vrijgevigheid in overvloed.

Dit was geen flattering, maar geopolitieke feiten.

De Intellectuele Wereld Die Musa Binnenstapte

Om te begrijpen wat het betekende voor een West-Afrikaanse Mansa om in 1312 de troon te bestijgen, moeten we ons ook de bredere Islamitische wereld van dat moment voorstellen, want Musa erfde niet alleen Mali, hij stapte binnen in een netwerk van beschaving dat op dat moment bezig was met een van zijn hoogtepunten.

Cairo, onder Al-Nasir Muhammad ibn Qalawun ﵀, was waarschijnlijk de grootste stad van de Islamitische wereld, met een half miljoen inwoners, met Al-Azhar als intellectueel middelpunt en met de Mamlukse architectuur op haar mooist. Damascus bloeide ondanks de Mongoolse schaduw die nog niet volledig was verdwenen, Tunis onder de Hafsiden was een centrum van ulama, en Fez onder de Meriniden was intellectueel in opmars met de nieuwe madaris die sultan Abu al-Hasan ﵀ financierde. Cordoba was weliswaar sinds 1236 onder christelijke heerschappij, maar Granada bloeide nog onder de Nasriden en het Alhambra werd in deze jaren grotendeels voltooid.

In het oosten regeerden de Ilkhanaten vanuit Perzië, en hun bekering tot Islam onder Ghazan ﵀ in 1295 had de Mongoolse erfenis geïslamiseerd, terwijl de Golden Horde onder Özbeg Khan ﵀ kort voor Musa’s aantreden officieel moslim was geworden en Delhi onder het sultanaat van Ala ud-Din Khalji de Islam in Zuid-Azië had geconsolideerd. De Sahel-moslimwereld die Musa binnenstapte, was geen geïsoleerde regio, maar een knooppunt in een Euraziatisch netwerk dat van Cordoba tot Beijing liep.

En Musa wist dit. Ibn Kathir’s latere titel al-malik al-ashraf was niet een verrassing voor de Mansa, maar precies de positie die hij voor zichzelf zocht, want hij wilde, naast heerser van Mali, erkend worden als lid van de club van Islamitische vorsten die in Cairo, Damascus, Granada en Delhi zaten. Hij wilde dat Mali niet als frontier werd behandeld maar als kerngebied, en voor die erkenning was meer nodig dan goud, namelijk een publieke, grandioze, theologisch correcte, diplomatieke acte die geen misverstand liet bestaan.

Dat was precies wat de Hajj van 1324 zou worden.

De Donson Ton en Wat Werd Afgelegd

We moeten ook een blik werpen op wat er wegviel toen Musa aantrad, want nieuwe orde ontstaat altijd ten koste van oude orde, en onder Musa verloor de Donson Ton, de Mandé jagersbroederschap die onder Sundiata een hoofdrol had gespeeld, definitief haar centrale positie.

De Donson Ton was geen bijkomstig clubje, want onder Sundiata was zij de basis van de militaire organisatie: jagers kenden het bos, konden langer zonder voorraad reizen en waren getraind in hinderlagen en individueel gevecht, en zij leverden de officieren, de scouts, de elite-troepen. De bijbehorende religieuze wereld, met rituelen rond Kondolon Ni Sané, de tweelingbeschermers van jagers, met initiatiegeheimen en met dalilu, krachtige amuletten, vormde een belangrijke laag van de Mandé-identiteit.

Onder Musa werd dit alles naar de rand geduwd, niet verboden, want Mali was geen rigide staat die tradities bij decreet kon uitwissen, maar systematisch afgezwakt. Officiersposten die voorheen automatisch naar Donson Ton-leden gingen, werden nu ook aan Islamitisch getrainde cavaleristen uit de Mandinka-handelsgezinnen gegeven, en hofrituelen waarin jagersrituelen voorheen een rol hadden gehad, werden teruggedrongen ten faveure van Islamitische protocollen. Dit was een stille revolutie, maar een revolutie.

Dit had gevolgen die pas onder Musa’s opvolgers zichtbaar werden, want de Donson Ton voelde zich gemarginaliseerd en herwon, onder zwakkere Mansa’s, deels haar invloed, wat een bron van spanning binnen het hof werd. Maar onder Musa zelf was er geen ruimte voor, want hij regeerde met een heldere visie van Islam, goud, diplomatie en bouw, en wat niet in die lijn paste, werd geduld maar niet gevierd.

Wat Komen Gaat

In 1312 bestijgt Musa de troon, en in 1324 vertrekt hij richting Mekka, en tussen die twee data liggen twaalf jaar van voorbereiding, van diplomatiek handwerk, van het bijeenbrengen van een karavaan die niemand ooit eerder had durven samenstellen.

Mansa Musa was niet het type dat spontaan naar Mekka vertrok, want elke kameel, elke muilezel, elke baal goud, elke slaaf, elke vlag en elke gast werd jaren van tevoren gepland. De Hajj die hij in 1324 zou ondernemen was geen persoonlijke pelgrimage, maar een staatsdiplomatiek evenement zonder weerga in de geschiedenis van Islamitisch West-Afrika.

En de reden dat Ibn Kathir hem al-malik al-ashraf noemde, lag nog in de toekomst toen Musa in 1312 zijn eerste bevelen uitvaardigde vanuit Niani. Die reden zou zich ontvouwen in Cairo, in Medina, in Mekka, en op de terugweg in Timbuktu, en zij zou niet alleen Musa’s naam door de Islamitische wereld laten klinken, maar de naam Mali zelf.


Bronnen

  • Ibn Kathir ﵀, al-Bidaya wan-Nihaya: de titel al-Malik al-Ashraf Musa ibn Abi Bakr en de aankomst in Cairo op 25 Rajab 724, 18 juli 1324, zoals aangehaald in Gomez, pp. 100, 104.
  • Shihab ad-Din al-Umari ﵀, Masalik al-absar fi mamalik al-amsar: het relaas van Musa aan de gouverneur van Oud-Cairo, Abu 'l-Hasan Ali ibn Amir Hajib, over de Atlantische expeditie van zijn voorganger en zijn eigen aanstelling als plaatsvervanger, zoals aangehaald in Gomez, pp. 100–101.
  • Ibn Khaldun ﵀, Kitab al-ʿIbar: de vijfentwintig regeringsjaren van Musa en zijn troonsbestijging rond 712/1312, zoals aangehaald in Gomez, p. 104.
  • Michael A. Gomez, African Dominion: A New History of Empire in Early and Medieval West Africa, Princeton University Press, Princeton 2018, pp. 70, 84, 100–105, 107–109, 111–113, 125–126, 141, 145, 410.
    • pp. 100–101: Ibn Kathir ﵀ over al-Malik al-Ashraf Musa ibn Abi Bakr; Musa die zich in Cairo voorstelde als zoon van Manden Bukari, de jongere broer van Sunjata; de vraag van Ibn Amir Hajib en het antwoord: de driehonderd schepen met mannen en evenveel met goud, water en proviand, het ene schip dat terugkeerde, de rivier met krachtige stroom in de open zee, de tweede vloot van tweeduizend schepen, de aanstelling van Musa als plaatsvervanger en zijn koningschap toen de vorst niet terugkwam; al-Umari ﵀ als optekenaar; de voorganger bij Gomez als Muhammad ibn Qu.
    • pp. 101–103: het ontbreken van het verhaal in alle andere bronnen; de rivier in de zee als de Canarische Stroom; de pirogues uit uitgeholde stammen, ongeschikt voor de oceaan, als grond voor scepsis over de letterlijke lezing.
    • pp. 104–105, 107: de aankomst in Cairo in de zomer van 1324; de troonsbestijging rond 1312; de twaalf jaar tussen kroning en Cairo, grotendeels besteed aan voorbereiding; Musa als kandidaat van een aan de Islam gebonden internationalisme; de jaren van planning, het verzamelen van goud en het vorderen van kamelen en lastdieren.
    • pp. 107–109: Mali dat de goudvelden niet zelf beheerste maar het goud als schatting ontving; de Tarikh al-Fattash over het raadplegen van de ulama en het verzamelen van rijkdom en voorraden uit alle delen van het rijk; de erkenning van Mali als transregionale macht als motief van de Hajj.
    • pp. 111–113: het verlangen om als gelijke van de andere Islamitische vorsten te gelden en Europa dat kennisnam van een machtig rijk ten zuiden van de Sahara; de Meriniden van Fez en de Nasriden van Granada; de datering van de Hajj in 724/1324 door alle externe bronnen.
    • pp. 70, 84, 100, 111: Kondolon Ni Sané, de tweelinggoden van de jacht, en de donson ton als jagersgilde; de Mandé-legers die aanvankelijk uit de donson ton bestonden; de afnemende invloed van de jagers tegenover kooplieden en religieuze elites, en de aspiraties van de donson ton die al vóór Musa met de moord op Khalifa waren gestorven.
    • pp. 125–126, 141: Walata als noordgrens van Mali en de route naar Taghaza en Sijilmasa; Mali’s gezag dat tot bij de Atlantische Oceaan en het lage Senegaldal reikte; de Grote Raad uit de tijd van Sunjata en de scribenten die de correspondentie met Noord-Afrika en Egypte schreven.
    • pp. 145, 410: Abu 'l-Hasan van de Meriniden (1331–1351) als tijdgenoot van Musa; Ivan Van Sertima’s They Came Before Columbus (1976) als de bekendste speculatie over pre-Columbiaanse West-Afrikaanse reizen.
  • John O. Hunwick (vert.), Timbuktu and the Songhay Empire: al-Saʿdi’s Taʾrikh al-sudan down to 1613 and other contemporary documents, Brill, Leiden 2003 (2e druk; 1e druk 1999), p. 13 (TS hfst. 4): Mali als zeer groot gebied in het verre westen, reikend naar de Atlantische Oceaan.