InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Periode van Moeizame Opvolging
Islam in West-AfrikaThe Mali Empire

Periode van Moeizame Opvolging

Sundiata Keita stierf rond 1255, en wat hij naliet stond rechtop, maar of het ook overeind zou blijven zonder hem was de vraag waarmee Mali de volgende zestig jaar zou worstelen. Dit is geen periode van ineenstorting, maar een periode van een rijk dat onder de oppervlakte zijn aard herdefinieerde.

Wat de Stichter Achterliet

Sundiata had in vijfentwintig jaar drie structuren neergezet die nooit zonder hem getest waren.

De eerste was de Kouroukan Fouga, het charter dat tijdens een grote bijeenkomst van de Gbara in de open vlakte bij Ka-ba was uitgesproken. Het was geen geschreven grondwet in moderne zin, maar een mondeling raamwerk, gedragen door de griot-traditie, dat regelde welke clans welke rollen vervulden, hoe opvolging zou verlopen, hoe vreemdelingen en slaven behandeld moesten worden, en welke gronden aan welke familielijnen toebehoorden. Youssouf Tata Cissé heeft in de twintigste eeuw delen ervan uit mondelinge overlevering laten reconstrueren, en UNESCO erkende het volledige document in 2009 als immaterieel werelderfgoed.

De tweede was de sofa, een staand leger van cavalerie, boogschutters en speerdragers, deels betaald uit tolinkomsten en deels uit leengoed dat krijgsheren beheerden. Voor een West-Afrikaans rijk van de dertiende eeuw was dit ongekend professioneel, want de sofa was niet alleen een instrument voor verovering, maar ook het mechanisme waarmee opstandige provincies werden teruggebracht tot gehoorzaamheid zonder dat dat elke keer een oorlog vereiste. Dreiging alleen was vaak genoeg.

De derde was de herconfiguratie van de trans-Saharaanse handelsroutes, want na Kirina had Sundiata de goudvelden van Bambuk onder Malinese controle gebracht en de oude Ghana-routes richting Walata opnieuw geactiveerd. Hij had de Fulani- en Soninke-handelsnetwerken niet vervangen maar geïntegreerd, zodat Mali onder hem rijker was dan Ghana ooit was geweest, en het controleerde niet alleen de goudbron maar ook de zoutroutes die ervoor noodzakelijk waren. Geld is wat rijken lopend houdt.

Al deze structuren stonden rechtop bij zijn dood, en toch was geen ervan op stresstest-niveau getest zonder zijn persoonlijke autoriteit.

De Gbara en de Twee Logica’s

Voordat de opvolgers in beeld komen, moeten wij eerst bij de Gbara zelf stilstaan, want zonder de Gbara is de moeizame opvolging niet te begrijpen.

De Gbara was de grote raad van Mali, opgericht onder Sundiata als onderdeel van de Kouroukan Fouga, en telde tweeëndertig afgevaardigden, de meesten uit clans die hadden meegevochten bij Kirina. Zij adviseerden, bevestigden, en beslisten soms over wie op de troon mocht zitten, want dit was geen sierraad maar een echt constitutioneel orgaan, en de Mansa regeerde niet absoluut maar in samenspraak.

In de praktijk werkten twee logica’s tegelijk, want enerzijds was er de primogenituur, de bloedlijn die automatisch verder tikt van vader op zoon, en anderzijds het electief principe, de clans die een kandidaat erkennen voordat hij echt Mansa is. Die twee logica’s hoefden elkaar niet tegen te spreken zolang er een duidelijke, competente, door iedereen erkende kroonprins was, maar zodra dat ontbrak, botsten ze hard.

Dat is het drama van 1255 tot ongeveer 1312, en het was geen oorlog, geen invasie en geen economische ineenstorting, maar een reeks korte regeringen, erkenningsgevechten binnen de Gbara, en een Mansa die soms een jaar zat en soms tien voordat de volgende hem alweer afloste. Ibn Khaldun ﵀, schrijvend in de veertiende eeuw vanuit Cairo en Tunis, had moeite om de volgorde sluitend te krijgen, en wat voor hem ontoegankelijk was, is voor ons vandaag des te meer verloren.

Het Probleem van de Eerste Opvolger

Elke beschaving kent dit moment: de stichter sterft, en dan? Rome had het na Augustus, en het Rashidun-kalifaat had het na de Profeet ﷺ en opnieuw na elk van de vier rechtgeleide kaliefen ﵃, en Mali, nog jong en nauwelijks een generatie oud als geconsolideerd rijk, kreeg er rond 1255 mee te maken.

Sundiata Keita, de krijger die Soumaoro Kanté had verslagen bij Kirina, de man die de Gbara had bijeengeroepen en de Kouroukan Fouga had laten opstellen, was gestorven, maar de bronnen zijn vaag over hoe precies. De een spreekt van verdrinking in de Sankarani-rivier, de ander van een pijl tijdens een ceremoniële dans, en een derde van een natuurlijke dood in zijn paleis te Niani. Wat zeker is, is dat hij een rijk naliet dat nog geen institutionele routine had voor zijn eigen voortbestaan.

Een rijk is niet een land, maar een samenwerkingsverband tussen clans, koninkrijken, handelsnetwerken en religieuze autoriteiten die allemaal een reden moeten hebben om te blijven samenwerken nadat de man die hen bij elkaar heeft gebracht er niet meer is. Mali had die reden nog niet gevonden, niet in de vorm van een heldere opvolgingslijn, niet in de vorm van één gedeelde staatsreligie, en niet in de vorm van een bureaucratie die dwars door persoonlijke loyaliteiten heen functioneerde.

De decennia tussen Sundiata en Mansa Musa zijn daarom, voor de historicus, een soort grijze mist, en precies in die mist gebeurde iets cruciaals, want de Islam begon, stukje bij beetje, het zwaartepunt van de macht te verschuiven.

Mansa Wali en de Eerste Hajj

De eerste opvolger over wie iets zinnigs te zeggen valt, is Mansa Wali, ook geschreven als Uli, zoon van Sundiata, die grofweg van 1255 tot 1270 regeerde.

Wali deed iets wat tot dan toe geen enkele Mansa had gedaan: hij verrichtte de Hajj, en dat is niet klein, want dit is de eerste gedocumenteerde bedevaart van een heerser van Mali naar Mekka, ergens tussen 1260 en 1263. Ibn Khaldun ﵀ registreert het, en het detail is belangrijk omdat het de prelude vormt van wat Mansa Musa zestig jaar later op veel grotere schaal zou doen.

De Tarikh as-Sudan en de latere West-Afrikaanse kronieken zwijgen over dit bezoek in detail, want hoe Wali werd ontvangen, hoe groot zijn karavaan was, en of hij net als zijn latere nazaat gul uitdeelde, blijft onbekend. Wat zeker is, is dat hij terugkeerde, en wel met het prestige van een pelgrim, wat binnen de groeiende Islamitische invloed in Mali een enorme politieke munt was.

Wali regeerde verder goed, en de bronnen noemen hem een voortzetter van Sundiata’s stabiliteit, maar dan sterft hij, en het begint.

Sakura, de Slaaf op de Troon

Sakura verdient een eigen plek in dit verhaal, want volgens de meest gangbare overlevering was hij een vrijgelaten slaaf in dienst van het paleis te Niani, geen generaal van geboorte-elite en geen verre neef van het koninklijk huis, maar een man uit de jonya-klasse, de dienstbare klasse, die zich door militaire capaciteiten had opgewerkt tot een positie van waaruit hij, bij gebrek aan een duidelijke erfgenaam, de troon simpelweg durfde te grijpen.

Dat gebeurde rond 1285, volgens Ibn Khaldun ﵀.

En het vertelt iets belangrijks, namelijk dat de Gbara het accepteerde, niet van harte misschien, maar wel. Sakura was een bekwame bestuurder, want hij heroverde gebieden die in de voorafgaande troonwisselingen waren verloren, hij herorganiseerde de noordelijke garnizoenen, en hij verrichtte zelfs de Hajj. Op de terugweg werd hij, volgens Ibn Khaldun ﵀, bij Tajura aan de Libische kust nabij Tripoli gedood en van zijn goud beroofd, en zijn lichaam werd, volgens de overlevering, in een gemummificeerde staat naar Niani teruggebracht en daar met staatseer begraven.

Dat een ex-slaaf de troon kon bestijgen, regeren, de Hajj verrichten en als Mansa begraven worden, was iets wat in Mamlukse Cairo volstrekt mogelijk was, want de hele Mamlukken-dynastie was daar gebaseerd op het verheffen van slavensoldaten tot heersers. In traditionele West-Afrikaanse samenlevingen, met hun rigide clan-hierarchieën, was dit een uitzondering, en het laat zien hoezeer de Kouroukan Fouga en de Islamitische invloed samen een Mali hadden gecreëerd waarin functionele competentie zwaarder woog dan geboortelijn. Niet volledig, maar meer dan elders.

De Korte Regeringen

Na Wali komt Mansa Ouati, dan Mansa Khalifa, dan, volgens sommige lijsten, een Mansa die alleen onder zijn bijnaam bekend is, dan Abu Bakr I, een kleinzoon van Sundiata via zijn dochter omdat de Mandé-traditie ook matrilineaire opvolgingsopties kende, dan Sakura, dan Qu, dan Muhammad ibn Qu, en dan, eindelijk, Abu Bakr II.

Het is een lijst die indrukwekkend is in hoeveelheid en deprimerend in helderheid, want Ibn Khaldun ﵀ zelf aarzelt, en de volgorde hierboven is de gebruikelijke academische reconstructie waarin elke naam met een voetnoot komt en elke voetnoot met een vraagteken.

Wat wel opvalt, is dat deze Mansa’s stap voor stap Islamitischer worden, want Wali verricht de Hajj, Sakura verricht de Hajj, en Abu Bakr II zal beslissingen nemen die alleen passen in een hof waar Islam inmiddels de dominante religieuze referentie is. De Donson Ton, de traditionele jagersbroederschappen die onder Sundiata een hoofdrol speelden in het maatschappelijk leven, beginnen terrein te verliezen aan de ulama, aan de Islamitische rechtsgeleerden, en aan de Arabische schrift-geletterden aan het hof.

De Spanningen Onder de Oppervlakte

Sommige historici, onder wie Nehemia Levtzion in zijn studies naar West-Afrikaanse Islam, veronderstellen dat de moeizame opvolging niet toevallig samenviel met de Islamisering, en volgens hen was het juist de Islamisering die de opvolging zo moeizaam maakte.

De Gbara was geworteld in een Mandé-wereldbeeld waarin jagersmagie, voorouderverering en clan-aristocratie het raamwerk vormden, zodat een Mansa die steeds duidelijker koos voor Islamitisch recht, voor Qadi’s in plaats van traditionele raadgevers, en voor de Vrijdagsmoskee in plaats van het offer aan de ancestrale bosgeesten, niet alleen zijn eigen identiteit veranderde maar de legitimiteitsbasis van de hele staat, en een deel van de Gbara liet dat niet zomaar gebeuren.

De bronnen bevestigen dit niet expliciet, en de these blijft speculatief, maar zij verklaart de versnipperde opvolging, de korte regeerperioden, en het feit dat generaals en niet-directe bloedverwanten soms de troon wisten te bestijgen. Het was geen anarchie, maar een trage, taaie onderhandeling tussen twee manieren om Mali te zijn.

En het was ook geen vijandige onderhandeling, want de Islamisering van Mali is nooit een bloedige revolutie geworden zoals de Almoraviden-campagnes in de westelijke Sahara een eeuw eerder waren geweest. Zij verliep via handel, via huwelijken, via hofadviseurs, en via de praktische vaststelling dat een Islamitische Mansa toegang had tot een handelsnetwerk dat van Cairo tot Cordoba reikte, en dat een niet-Islamitische Mansa simpelweg niet had. Pragmatiek werd langzaam overtuiging.

De Griot Als Tweede Bevestigingskanaal

Er is een bron waar te weinig aandacht naar gaat als de moeizame opvolging ter sprake komt, en dat is de griot-traditie, want terwijl Arabische kronieken zwegen of aarzelden, en terwijl Mandé-hofregisters, voor zover die bestonden, niet zijn overgeleverd, bleef één archief functioneren: het geheugen van de jeli, de griot, de beroepsverteller die generaties lang de genealogieën en gebeurtenissen in verzen opsloeg en doorgaf.

De huidige overleveringen over Sundiata, in de twintigste eeuw opgetekend door Djibril Tamsir Niane uit de mond van griot Mamadou Kouyaté en later door anderen, bevatten ook verwijzingen naar deze tussenperiode, maar op een fascinerende manier, want deze herinneringen zijn vervlakt, samengevat en samengetrokken tot enkele emblematische verhalen. Het is alsof de griots zelf hadden besloten dat tussen Sundiata en Musa het detail er niet toe deed, en dat wat overgeleverd moest worden kleinere, thematische vignetten waren.

Dit is een vreemde houding tegenover het verleden, maar geen onredelijke, want voor de griot is het verleden geen kroniek van data maar een bron van lering en legitimiteit, zodat wie drie jaar regeerde en weinig betekenisvols deed geen eigen epos verdient. Hij wordt genoemd in een opsomming en de volgende belangrijke heerser krijgt de aandacht. Functionele geschiedschrijving, niet chronologische.

Voor de historicus is dit frustrerend, maar voor wie wil begrijpen hoe West-Afrikaanse samenlevingen zichzelf herinneren, is het veelzeggend, want Mali’s opvolging was voor Mali zelf niet zozeer moeizaam als wel onbelangrijk gedurende die zestig jaar. De echte continuïteit zat niet in de lijst van Mansa’s maar in de structuren, in de Gbara, de sofa en de handelsroutes, en die bleven werken.

Sakura, de voormalige paleisslaaf, kon alleen Mansa worden omdat de griot-traditie hem opnam in het pantheon van erkende heersers, en dat was geen kleine prestatie voor iemand van buiten de clan-aristocratie. Het betekent dat de Mandé-samenleving in deze jaren een tweede bevestigingskanaal ontwikkelde dat parallel liep aan de Gbara, want naast de raad van afgevaardigden die de Mansa erkende, was er het collectief van jeli’s dat hem in de herinnering verankerde. Beide bevestigingskanalen waren nodig, en beide konden een Mansa maken of breken.

Abu Bakr II en de Wending Naar de Atlantische Oceaan

De laatste van de moeizame opvolgers is Abu Bakr II, en over hem is iets bekend wat van zijn voorgangers niet bekend is, want hij keerde de Sahara de rug toe en keek naar de Atlantische Oceaan.

Volgens het verhaal dat zijn neef Musa later in Cairo aan de Mamlukse hofhouding zou vertellen, rustte Abu Bakr II een grootscheepse vloot uit om te ontdekken waar de oceaan eindigde, waarna hij het bestuur overdroeg aan Musa en westwaarts voer, en hij keerde nooit terug. De volledige toedracht, het aantal schepen, het verhaal van de ene kapitein die wel terugkeerde, en de drie lezingen van wat dit eigenlijk betekent, horen thuis bij het volgende event, waar Musa het zelf vertelt aan de bron van al-Umari ﵀ in Cairo, want voor dit verhaal volstaat de gebeurtenis als scharnierpunt.

Met Abu Bakr II’s vertrek, hoe ook geïnterpreteerd, eindigt de periode van de moeizame opvolging, en Mali krijgt een Mansa die de troon aanvaardt met volledige rugdekking, die Islamitisch is geschoold, die de Gbara aan zijn kant heeft weten te krijgen, en die klaar is om Mali op de wereldkaart te zetten. Zijn naam is Musa.

Wat de Stilte Beschermde

Er is iets ironisch aan deze halve eeuw, want juist omdat geen van de Mansa’s na Wali en Sakura tot de eersten van de wereldgeschiedenis behoort, kreeg het bestuurlijke skelet van Mali de tijd om uit te harden zonder dat één persoonlijkheid de structuren weer naar zich toetrok.

Bij Sundiata stond alles op zijn naam, want de Gbara erkende hem omdat hij Sundiata was, de sofa volgde hem omdat hij hen bij Kirina had aangevoerd, en de handelsnetwerken accepteerden hem omdat zijn coalitie hen bescherming bood. Iedere instelling was een persoonlijke uitbreiding van zijn autoriteit.

Onder de moeizame opvolgers werd dat anders, want de Gbara erkende een Mansa die zij voor het eerst zagen, de sofa volgde een bevelhebber die zij niet bij Kirina hadden meegemaakt, en de handelsnetwerken berekenden hun belang opnieuw bij iedere troonswisseling en kwamen iedere keer tot dezelfde conclusie: Mali was meer waard dan een specifieke Mansa, en stabiliteit van de routes was meer waard dan loyaliteit aan één persoon.

Dat is institutionalisering, niet uit ontwerp maar uit herhaling, want iedere troonswisseling die niet uitliep op burgeroorlog, leerde de raad, het leger en de kooplieden dat zij de wisseling konden overleven, en iedere Mansa die kwam en ging zonder dat de schatkist leegliep, bewees dat de fiscale orde groter was dan de figuur die haar formeel beheerde.

In andere rijken zou die les pas met bloed worden geleerd, want de Ottomanen kenden hun broedermoorden, de Abbasiden hun paleis-coups en de Mongolen hun versnipperingen, terwijl Mali’s les werd betaald in iets goedkopers, in tijd, en in een bepaalde anonimiteit van zijn opvolgers, die in de griot-traditie bijna geen afzonderlijke gezichten kregen.

Wat Overbleef Uit de Mist

Terugkijkend op deze halve eeuw is er geen ineenstorting en geen glorie, maar een rijk dat rustig, bijna ongemerkt, zijn eigen aard herdefinieerde.

De Islam schoof op van hofreligie naar staatsideologie, de Gbara leerde leven met meerdere opvolgers en ontwikkelde protocollen om ze te kiezen en te bevestigen, en de handelsroutes bleven open, want die waren niet afhankelijk van wie precies op de troon zat maar van het feit dat er een troon was. Toen de mist optrok, stond er een rijk klaar dat groter, rijker, zelfverzekerder en Islamitischer was dan ooit tevoren.

Dit was geen chaos, maar consolidatie onder de radar, en de bronnen noemen het moeizaam omdat zij van buitenaf schreven en de drama’s aan het hof niet konden ontcijferen. Van binnenuit was het waarschijnlijk wat elke beschaving doormaakt in haar tweede generatie, namelijk de vraag wie wij eigenlijk zijn nu de stichter er niet meer is, en Mali beantwoordde die vraag traag, maar beantwoordde hem wel. Het antwoord luidde: een Islamitisch rijk, met Mandé-wortels, op onze eigen manier.

Dat antwoord zou zijn belichaming krijgen in een man die in 1312 aan de macht kwam, en die de wereld zou laten zien wat West-Afrika kon zijn.

Bronnen

  • Ibn Khaldun ﵀, Kitab al-ʿIbar, de opvolging van Mali na Mari Jata: Wali als een van de grootste koningen en zijn hajj onder Baybars, Abu Bakr als kleinzoon via een dochter, de mawla Sakura die het koningschap usurpeerde, Gao veroverde en op de terugweg van de hajj bij Tajura werd gedood, en daarna Qu en Muhammad ibn Qu, zoals aangehaald in Gomez, pp. 94, 96–100.
  • Ibn Fadl Allah al-ʿUmari ﵀, Masalik al-Absar, het relaas van Mansa Musa aan Ibn Amir Hajib over zijn voorganger die de Atlantische Oceaan opvoer en niet terugkeerde, zoals aangehaald in Gomez, pp. 101–102.
  • ʿAbd ar-Rahman as-Saʿdi ﵀, Tarikh as-Sudan, die over de bedevaart van Wali zwijgt; het epos van Sundiata in de versie van Mamadou Kouyaté, opgetekend door Djibril Tamsir Niane (1960), zoals aangehaald in Gomez, p. 383.
  • Nehemia Levtzion, Ancient Ghana and Mali, Africana Publishing, New York en Londen 1973, en Youssouf Tata Cissé, La charte du Mandé et autres traditions du Mali, Albin Michel, Parijs 2003, zoals aangehaald in Gomez, p. 408.
  • C. F. Beckingham, “The Pilgrimage and Death of Sakura, King of Mali”, Bulletin of the School of Oriental and African Studies 15/2 (1953): Tajura als de plaats bij Tripoli, niet in Djibouti.
  • Michael A. Gomez, African Dominion: A New History of Empire in Early and Medieval West Africa, Princeton University Press, Princeton 2018, pp. 82, 84, 86–89, 92–102, 107, 125, 155, 383, 407–408.
    • pp. 82, 84, 86–87: de sofa’s als infanterie en later als servile soldaten; de bijeenkomst bij Kurukan Fugan; de Grote Raad van generaals, lineagehoofden en dertig mansa’s, met schatting aan het centrum.
    • pp. 88–89: de dood van Sundiata rond 656/1258, aan de oever van de Sankarani of door verdrinking; de opkomst van Mali gedragen door de Sahelische handel en de goudbron van Bure.
    • pp. 92–93: de jeliw die over het Mali na Sundiata weinig te zeggen hebben en de verschuiving naar externe bronnen; de opvolging als verre van eenvoudig, met een oraal corpus dat verdeeld is en Ibn Khaldun ﵀ tegenspreekt.
    • pp. 94–95: de drieëndertig clanhoofden als leiding van Mali; matrilineaire opvolging bij Ibn Khaldun ﵀ tegenover de vader-op-zoonlijn in de secundaire literatuur, met de Grote Raad die een verwant kiest; geen aangewezen opvolger, de jomba die zonder beperking regeren en een opvolgingsoorlog.
    • pp. 96–97, 155: Wali als een van Mali’s grootste koningen en pelgrim tussen 658/1260 en 676/1277, het begin van Islam in de staatszaken; zijn broers Wati en Khalifa, die met pijlen op zijn volk schoot en werd gedood; de hajj en de Arabische naam als islamisering van het koningschap.
    • pp. 98–99: Abu Bakr als kleinzoon via een dochter en de terugkeer naar de moederlijn; Sakura als usurperende mawla, in de orale bronnen Jonnin Sekure, de kleine slaaf; zijn hajj onder al-Malik al-Nasir, zijn dood bij Tajura, mogelijk nabij Tripoli, en de verovering van Gao; de datering van zijn bewind in 1294–95 of 1299–1309.
    • pp. 100–102: Qu en Muhammad ibn Qu als opvolgers en Musa aan de macht in 712/1312; de afnemende invloed van de jagers tegenover kooplieden en religieuze elites; de tweeduizend schepen van de voorganger, bij Gomez Muhammad ibn Qu, en de Canarische Stroom achter het verhaal van de ene kapitein.
    • pp. 107, 125, 407–408: de goudvelden buiten de directe greep van Mali; de routes via Walata naar Taghaza; de notie van een grondwet in de late twintigste-eeuwse traditie en Cissé’s La charte du Mandé.