InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

De Legendarische Hajj van Mansa Musa
Islam in West-AfrikaThe Mali Empire

De Legendarische Hajj van Mansa Musa

Het Jaar Dat Cairo Zijn Goud Verloor

Juli 1324. Een karavaan betreedt Cairo. Twaalf jaar later klagen Egyptische kooplieden nog steeds over de inflatie. Dit is hoe West-Afrika zichzelf aan de wereld liet zien.

Een Woestijn Vol Goud

In de heuvels buiten Cairo was het in juli 1324 heet, hing het stof boven de karavaanroute vanuit het zuiden, en merkte iemand aan de stadsmuren als eerste op dat de horizon bewoog. Het trilde niet van de hitte, het bewoog werkelijk, want wat daar naar de stad toe kwam was zo groot dat het als een aparte stad oogde.

Zestigduizend mensen: dat is het getal dat al-Umari ﵀ opgeeft. Tachtig tot honderd kamelen, ieder beladen met driehonderd pond tibr, goudstof, en twaalfduizend slaven, elk met een staaf van ongeveer vier pond massief goud in de hand, terwijl vijfhonderd bedienden vooruit liepen met stokken van goud. Daarbij ambtenaren, ulama, griots, artsen, koks, vrouwen en kinderen, een hele natie op reis, geleid door één man in een eenvoudige witte ihram.

Dit is geen mythe, maar de Masalik al-absar fi mamalik al-amsar van al-Umari ﵀, boek vier, over Mali, geschreven zestien jaar later op basis van interviews met meer dan een dozijn ooggetuigen in Cairo. Al-Umari ﵀ was zelf geen ooggetuige, en dat hoefde hij ook niet te zijn: zestien jaar na dato kon hij nog mensen vinden die Mansa Musa de hand hadden geschud, die zijn goud in handen hadden gehad, die erbij waren toen de koers in Cairo ineenstortte. Dit is wat er toen gebeurde.

De Route die Niet Rechttoe Was

Het loont om even stil te staan bij de route, want de route zegt veel. Mansa Musa vertrok eind 1323 of begin 1324 uit Niani en trok noordoostwaarts door het Niger-dal, langs Timbuktu, naar Walata, vandaar naar Taghaza, de grote zoutmijn in het hart van de Sahara, en van Taghaza oost-noordoost naar Ghadames, naar de Fezzan, naar Zawila, naar Cairo. Van daar reisde hij naar Medina en Mekka, en terug via dezelfde route, met één historisch belangrijke omweg die we verderop bespreken.

Dit is geen directe route, want de directe route zou zijn geweest: Niger-bocht, Ghadames, Mizda, Cairo. Musa koos de zuidelijker, langzamere, bewuster route omdat hij onderweg wilde geschouwd worden, omdat hij wilde dat Taghaza en Walata en elke oasis tussen zijn vertrek en Cairo zou weten dat de Mansa van Mali op Hajj ging. Dit was geen toerisme, maar staatscommunicatie.

En het werkte, want voordat Musa Cairo bereikte, wist Cairo al dat hij kwam. De gouverneur, Amir Ibn Amir Hajib, had zijn mannen vooruitgestuurd met de boodschap dat de Mansa op komst was, de sultan, Al-Nasir Muhammad ibn Qalawun ﵀, had de hofprotocollen klaarliggen, en de Mamlukse hoofdstad, die in 1324 op zijn rijkste en verfijnste was, stond gereed om een gast te ontvangen.

De Ontmoeting met Al-Nasir Muhammad

Dan komt het moment dat al-Umari ﵀ met precisie beschrijft en dat Ibn Battuta ﵀ een halve eeuw later nog steeds in Cairo hoorde vertellen. Mansa Musa arriveert en wordt verzocht om voor Al-Nasir Muhammad ibn Qalawun ﵀ te prostreren. Dit was hofprotocol, dat iedere buitenlandse vorst die Cairo bezocht moest volbrengen, een teken van onderwerping aan de beschermer van de twee heilige steden. En Musa weigert.

Wat dit betekende laat zich moeilijk overschatten. De hele Mamlukse hofhouding stond te kijken: generaals die Kruisvaarders hadden verslagen, emirs die Mongolen hadden teruggedreven, Qadi’s en secretarissen, en te midden van hen weigerde een West-Afrikaanse vorst, over wie tot gisteren niemand in Cairo veel meer wist dan dat hij uit een ver land kwam, het protocol.

Al-Nasir is verbaasd, Amir Ibn Amir Hajib dringt aan, en de vertaler spreekt Musa streng toe. En Musa antwoordt, volgens de bron van al-Umari ﵀, met de zin die hem zou maken:

Mansa Musa: “Ik buig alleen voor Allah ﷻ die mij heeft geschapen.”

En dan, ongemerkt door de omstanders maar bewust door Musa zelf, voegt hij eraan toe: een prostratie in de richting van de qibla. Hij doet sadjda, alsof hij aan het bidden is, en hij staat op, zodat het protocol technisch vervuld is, want er is geprostreerd, maar niet voor de sultan; voor Allah ﷻ.

Al-Nasir Muhammad ﵀, zelf een man van Islamitische vroomheid, begrijpt de subtiliteit, neemt geen aanstoot, en ontvangt Musa als gelijke. De twee vorsten wisselen geschenken uit en spreken uren over theologie, over de madhhab Maliki die Musa in Mali wil vestigen, over de bouw van moskeeën, over de staat van de hajj-routes en over handel. Het is een ontmoeting tussen twee Islamitische wereldgenoten die elkaar voor het eerst zien en elkaar respecteren.

Dit detail, de weigering en de elegante oplossing, is niet cosmetisch, want het is het moment waarop de Islamitische wereld begreep dat Mali geen vazalstaat was, geen exotische buitenstaander, maar een volwaardige soeverein. Musa had dat gevestigd met één gebaar.

Het Goud Dat Een Markt Brak

Er is een reden waarom iedereen in Cairo zich Musa zestien jaar later nog herinnerde, en die reden is het goud. Mansa Musa deelde uit, niet zuinig en niet berekenend, niet zoals een vorst goud zou uitdelen om zijn eigen eer te vergroten, maar zoals iemand wiens welvaart werkelijk onbegrensd leek. Aan elke emir die hem ontmoette een zak goud, aan elke Qadi bij wie hij raad zocht een zak goud, aan de imam van de moskee waar hij bad meerdere zakken goud, aan de bedienden van zijn logement goud, en aan de marktkoopman die hem een gunst bewees goud.

Al-Umari ﵀ merkt in zijn Masalik al-absar op: “Hij overlaadde Cairo met zijn gunsten. Hij liet niets van zijn gouden gaven na zonder daarvan iets te schenken.” Ibn Battuta ﵀, die Mali dertig jaar later bezoekt, noteert dat de Mansa van zijn tijd, Sulayman, zuinig is, en dat Egyptenaren hem onvoordelig vergelijken met Musa.

Het economische effect was catastrofaal voor Cairo, want de prijs van goud, gemeten in dirham en dinar, stortte in. Dit is geen overdrijving, want Egyptische kronieken registreren het, Cairese kooplieden spraken er decennia over, en al-Umari ﵀ schrijft expliciet dat de markt zich pas na meer dan tien jaar herstelde. Sommige moderne economen, waaronder de historicus James Harris, hebben berekend dat de devaluatie van het goud zo’n 12 tot 25% bedroeg in het Mediterraans gebied, en dat het marktherstel zelfs duurde tot omstreeks 1340. Eén man, met één karavaan, heeft de goudmarkt van de hele Middellandse Zee tijdelijk ontwricht.

Dit was geen verspilling, maar uit Musa’s perspectief rationeel, want hij toonde aan dat Mali zo rijk was dat het zijn goud kon weggeven, dat de Mansa een vorst van karam, van vrijgevigheid was, een kernwaarde binnen Islamitische ethiek en binnen Mandé-traditie, en dat West-Afrika niet een periferie was die schattingen betaalde aan het hart van de Islamitische wereld, maar zelf een bron, een fontein van welvaart.

En het goud dat hij in Cairo achterliet, keerde later ten dele naar hem terug, want op de terugweg leende hij zelfs geld van Cairese kooplieden tegen woekerrente, niet omdat zijn eigen reserves op waren, maar omdat hij van Cairo naar Mali geen goud meer hoefde te dragen dat hem vooruit al was afgetroggeld door zijn eigen vrijgevigheid. Het praktische Musa onder de legendarische Musa.

Mekka, Medina, en de Man uit Andalusië

Wat er in Mekka en Medina gebeurde is minder uitvoerig beschreven dan wat in Cairo gebeurde, maar twee details zijn essentieel. Het eerste is dat Musa de Hajj verrichtte met dezelfde nederigheid en precisie waarmee elke moslim het verricht, want hij wierp de stenen bij Mina, deed tawaf rond de Ka’aba, stond op Arafat en dronk van het Zamzam-water. Er zijn geen verhalen over bijzondere ceremonies die voor hem werden gehouden, want hij was een pelgrim onder de pelgrims, en wat bijzonder was, was zijn aanwezigheid, niet zijn gedrag.

Het tweede detail is het moment waarop de geschiedenis kantelt, want in Mekka of Medina, de bronnen verschillen, ontmoet Musa een Andalusische dichter en architect genaamd Abu Ishaq as-Sahili ﵀, ook wel es-Saheli of at-Tuwaijin genoemd. Deze man komt uit Granada, is misschien in de veertig, en heeft een scherp oog voor bouwkunst en een pen voor poëzie, zodat Musa onder de indruk raakt en hem aanbiedt mee terug te komen naar Mali. As-Sahili ﵀ accepteert, tegen een vergoeding van, afhankelijk van de bron, tweehonderd tot vierhonderd mithqal goud, een bedrag waarvoor je in 1324 een klein koninkrijk kon kopen.

Deze ontmoeting zou, achteraf bezien, het belangrijkste resultaat van de Hajj blijken te zijn, niet het goud, niet de diplomatieke erkenning en niet de devaluatie in Cairo, maar deze ene architect, die mee terug zou reizen en Timbuktu zou omvormen tot de stad die we kennen.

De Terugreis en Wat Onderweg Werd Gebouwd

Op de terugweg neemt Musa de tijd, want hij heeft in Cairo geleend, hij heeft in Mekka geleerd, en hij heeft as-Sahili ﵀ en een aantal andere ulama uit Egypte en de Maghreb in zijn gevolg opgenomen. Hij kan niet meer zo snel reizen, omdat zijn karavaan zwaarder is aan boeken, aan mensen en aan plannen dan op de heenweg.

En onderweg bouwt hij, want in Gao laat hij een Vrijdagsmoskee oprichten, in Timbuktu laat hij, onder leiding van as-Sahili ﵀, de eerste fundamenten leggen voor wat later de Djinguereber Moskee zal heten, en in kleinere plaatsen sticht hij madrasas, betaalt hij salarissen van imams en koopt hij grond waarop Qur’an-scholen kunnen verrijzen.

Dit is het moment waarop de Islam in West-Afrika van een handelsreligie een staatsreligie wordt, niet bij decreet en niet met geweld, maar doordat een Mansa bij zijn terugkeer een infrastructuur installeert die zichzelf zal voeden. Elke moskee trekt immers een imam, elke imam trekt studenten, en elke madrasa produceert een nieuwe generatie die Arabisch kan lezen, die fiqh Maliki kent en die Adhan kan oproepen. Het was, met terugwerkende kracht, een van de belangrijkste culturele investeringen die een Afrikaanse vorst ooit heeft gedaan.

Wat Cairo Onthield

Zestien jaar later, als al-Umari ﵀ zijn interviews doet in Cairo, zijn de Egyptenaren nog steeds niet uitgepraat over Musa, en ze herinneren zich hem niet alleen als de man die goud weggaf, maar ook als de man die, toen men hem vertelde dat een bepaalde zaak in Mali slecht was geregeld, rustig zei:

Mansa Musa: “Dan zal ik het herzien zodra ik thuis ben, inshaAllah.”

Ze herinneren zich de rust van zijn spreken, de grondigheid van zijn vragen aan de ulama, en de bescheidenheid waarmee hij zijn eigen kennis afzette tegen die van de Cairese geleerden. Dit is het beeld dat in de Islamitische wereld van West-Afrika zou ontstaan vanaf 1324: een land van goud, zeker, maar ook van vroomheid, van geleerdheid, van vorsten die niet buigen voor sterfelijke koningen maar wél voor Allah ﷻ.

Een halve eeuw later zou Musa verschijnen op de Catalaanse Atlas van Abraham Cresques, getekend in 1375 op Mallorca voor Karel V van Frankrijk: een gouden koning, zittend op zijn troon in het zuiden van de Sahara, met een gouden scepter in de ene hand en een gouden klomp in de andere. Het onderschrift, in Catalaans, luidt: “Deze heer Nègre heet Musse Melly, heerser van de Negers van Gineua. Deze koning is de rijkste en meest nobele heer in dit hele deel van de wereld vanwege de grote hoeveelheid goud die in zijn land wordt gevonden.”

Een Mallorquiaanse cartograaf, die Mali nooit heeft gezien, tekent een West-Afrikaanse vorst in het middelpunt van zijn wereldkaart, en dat is wat de Hajj van 1324 heeft gedaan; zo hertekende Mali het wereldbeeld van de veertiende eeuw.

Het Verhaal Van De Slaven

We moeten eerlijk zijn over iets wat de meeste hagiografieën van Mansa Musa overslaan of mooipraten, want die karavaan van zestigduizend mensen bevatte tussen de twaalfduizend en veertienduizend slaven, elk van hen dragend een staaf goud van ongeveer vier pond. Al-Umari noemt ze khadam, bedienden, wat in het Arabisch zowel vrije bedienden als slaven kan betekenen, terwijl Ibn Battuta ﵀, die een generatie later vrouwelijke slaven in het hof van Mansa Sulayman zag, expliciet het woord jariya, slavin, gebruikt.

Waar deze mensen vandaan kwamen, was grotendeels van de zuidelijke en oostelijke randen van Mali’s territorium. De Mossi-strijd die we in een ander artikel bespreken leverde oorlogsgevangenen op, en ook de raids tegen niet-islamitische zuidelijke buren, wat de ulama van Mali, conform Maliki-recht, als rechtmatige jihad beschouwden tegen dar al-harb, leverden slaven op. Sommigen werden binnen Mali gehouden, terwijl anderen trans-Saharisch werden verhandeld naar de Maghreb, naar Cairo, tot zover als Baghdad.

Dit is niet comfortabel, en het is ook niet te vermijden als we eerlijk over deze periode schrijven, want West-Afrikaanse Islamitische rijken participeerden in slavernij volgens de voorschriften van hun tijd. De Maliki-school legde wel restricties op, zodat moslims niet tot slaaf mochten worden gemaakt, mishandeling verboden was en vrijlating werd aangemoedigd als daad van vroomheid, maar de instelling als zodanig werd geaccepteerd.

Voor ons, Nederlandse Afro-Caribische moslims, is dit een dubbele erfenis, want onze voorouders waren deels het doel van deze slavernij, de West-Afrikaanse bronbevolkingen die later ook naar het Atlantische systeem zouden worden gevoerd, terwijl we tegelijk erfgenamen zijn van de Islamitische beschaving die deze slavernij praktiseerde. Dit moet niet gladgestreken worden, maar gezien worden zoals het was, met de erkenning dat elke beschaving, Romeins, Arabisch, Europees, West-Afrikaans, morele compromissen heeft gesloten die pas in retrospectief als afschuwelijk erkend werden.

Wat Mansa Musa’s Hajj bijzonder maakt, is niet dat hij los stond van die realiteiten, maar dat hij, binnen die realiteiten, iets deed wat West-Afrika op de kaart zette als een beschaafd, vroom en waardig lid van de Islamitische wereld. Dat was, op dat moment, een prestatie.

De Diaspora-Draad

Voor we afsluiten, loont het om een draad te trekken die voor ons vandaag, voor ons in Nederland, voor ons met Afro-Caribische wortels, direct relevant is. Mansa Musa’s Hajj maakt West-Afrika zichtbaar, en die zichtbaarheid heeft twee gezichten. Het eerste gezicht is eer, want Mali wordt erkend als Islamitische macht, Timbuktu wordt een pelgrimsbestemming voor studenten, en de ulama van West-Afrika krijgen een plaats aan de tafel van de oemma. Het tweede gezicht, veel later, is catastrofaal, want diezelfde zichtbaarheid zou West-Afrika kwetsbaar maken voor Europese handelaren, voor Portugezen aan de kust, voor de Atlantische slavenhandel die vanaf de vijftiende eeuw zou beginnen en miljoenen Afrikanen, ook onze voorouders, over de oceaan zou voeren naar Suriname, Curaçao, Trinidad, Haïti.

Dit is geen lineair verhaal van val, want Musa is niet verantwoordelijk voor wat eeuwen later gebeurt. Maar het is wel een waarheid die we niet moeten gladstrijken: de welvaart die zich in 1324 zo spectaculair toonde, was tegelijk het licht dat later roofvogels zou aantrekken. West-Afrika was rijk, West-Afrika was geletterd, West-Afrika was Islamitisch, en West-Afrika was, voor wie het wist te pakken, begeerlijk.

Wat Blijft

De Hajj van Mansa Musa is geen losse anekdote, maar het moment waarop een reeks ontwikkelingen, de intensivering van de trans-Saharaanse handel, de opkomst van Islamitische hoven, de bouw van steden langs de Niger en de verfijning van Mandé-staatkunde, samenkomt in één gebeurtenis die het verder vertellen waard is.

Dit was geen primitieve vorst die zich liet verbluffen door Cairo, maar een Islamitische keizer die Cairo gebruikte als podium; dit was geen overdaad uit naïviteit, maar staatscommunicatie van het hoogste gehalte, West-Afrika dat de wereld liet weten dat het er was, dat het ertoe deed, en dat het op eigen voorwaarden deelnam aan de Islamitische beschaving.

En de man die dit orkestreerde, keerde terug naar Mali met architecten, boeken, ulama en plannen. Hij was nog niet klaar, want hij had net Cairo achter zich gelaten. Nu kwam het werk aan Timbuktu.


Bronnen

  • Shihab ad-Din al-Umari ﵀, Masalik al-absar fi mamalik al-amsar, het hoofdstuk over Mali, in Cairo opgetekend uit de mond van getuigen van het bezoek van 1324, onder wie de gouverneur van Oud-Cairo Abu 'l-Hasan Ali ibn Amir Hajib en de mihmandar Abu 'l-Abbas Ahmad ibn al-Hak: de honderd ladingen goud, de prostratie voor Allah ﷻ alleen, de goudprijs die na het bezoek nooit meer boven 22 dirham kwam en de woekerleningen van de Cairese kooplieden, zoals aangehaald in Gomez, pp. 106–107, 116, 118–121.
  • Ibn Battuta ﵀, Rihla, het verslag van zijn reis naar Mali in 1352–1353: de gierigheid van Mansa Sulayman tegenover de vrijgevigheid van Musa, de slavinnen aan het hof van Sulayman, het logies bij Siraj al-Din ibn al-Kuwayk bij Cairo en het graf van as-Sahili ﵀ in Timbuktu, zoals aangehaald in Gomez, pp. 105, 147, 160, en in de Tarikh es-Soudan, pp. 15–16.
  • De Catalaanse Atlas (Mallorca, 1375), toegeschreven aan Abraham Cresques: de gouden koning van Mali met het onderschrift over Musse Melly; het blad als spiegel van de Hajj bij Gomez, p. 159.
  • Michael A. Gomez, African Dominion: A New History of Empire in Early and Medieval West Africa, Princeton University Press, Princeton 2018, pp. 104–124, 138, 147, 158–160.
    • pp. 104, 113–114, 123: de aankomst van Mansa Musa in Cairo op 25 Rajab 724, 18 juli 1324, volgens Ibn Kathir ﵀, en de datering van de Hajj in 724/1324 door alle externe bronnen; de heenroute via Walata en waarschijnlijk Taghaza naar Tuwat en via Ghat in de Fezzan naar Egypte; de terugreis via Ghadames en de afslag zuidwaarts naar Gao, gevolgd door de onderwerping van de Songhay.
    • pp. 105–107, 124: de getallen van de karavaan: zestigduizend man en vijfhonderd slaven met gouden staven uit de Tarikh as-Sudan, tachtig ladingen goudstof bij Ibn Khaldun ﵀ en honderd bij al-Umari ﵀, veertienduizend slavinnen bij al-Maqrizi ﵀ en twaalfduizend bij het vertrek uit Cairo; de heilige oorlog tegen de heidense buren en de vierentwintig veroverde steden als herkomst van de slaven.
    • pp. 107, 119–120: de goudprijs die vóór het bezoek zelden onder 25 dirham per mithqal zakte en erna nooit meer boven 22 dirham kwam; de leningen van Egyptische kooplieden die zevenhonderd dinar terugvroegen voor elke driehonderd, de vijftigduizend dinar van de familie van Siraj al-Din ibn al-Kuwayk en de kooplieden die vijf dinar rekenden voor een kledingstuk dat er geen waard was.
    • pp. 109, 111, 122: de Hajj als staatscommunicatie en als erkenning van Mali als transregionale macht; de twee gezichten van de zichtbaarheid die zij de Islamitische kernlanden en Europa bracht; de reis als vormend keerpunt van de politieke en culturele omvorming van West-Afrika.
    • pp. 115–118: de audiëntie in de Citadel: het hofprotocol, de weigering om de grond te kussen, de woorden ik buig alleen voor Allah ﷻ die mij heeft geschapen gevolgd door een prostratie, de Malikitische madhhab als grond van de weigering, de sultan die hem naast zich zette en Ibn Khaldun ﵀ over de vijftigduizend dinar aan geschenken; het vertrek naar Mekka op 28 Shawwal 724, de Hajj en het bezoek aan het graf van de Profeet ﷺ in Medina, en de terugkeer naar Cairo met te weinig middelen voor de thuisreis.
    • pp. 121, 138: de boeken over Malikitisch recht en de Malikitische juristen die Musa meenam, onder wie de Granadese dichter Abu Ishaq Ibrahim as-Sahili ﵀, ook at-Tuwaijin genoemd; Ibn Khaldun ﵀ over het gepleisterde gebouw met koepel dat as-Sahili ﵀ voor Musa bouwde.
    • pp. 124, 158: de moskee met mihrab buiten Gao en het vrijdagsgebed; de bouw van de Djinguereber, de Grote Moskee van Timbuktu, met haar minaret; de investering in geleerdheid, met Soedanese geleerden opgeleid in Fez en de komst van ulama naar Timbuktu; de Islam als het voornaamste instrument van heerschappij.
    • pp. 147, 159–160: Ibn Battuta ﵀ die Mansa Sulayman een gierige koning noemt, gemeten aan de vrijgevigheid van Musa, en de slavinnen aan het hof van Sulayman; het verbod op het tot slaaf maken van vrije moslims en de terechtwijzing van Ibn Amir Hajib over vrije dochters als bijvrouw; de Catalaanse Atlas van 1375 als beeld van Mali als land van goud.
  • ʿAbd ar-Rahman as-Saʿdi ﵀, Tarikh es-Soudan, vert. Octave Houdas, Ernest Leroux, Parijs 1900 (Arabisch en Frans), pp. 13–16.
    • pp. 13–14: Kankan Musa als vrome en rechtvaardige vorst; het gevolg van zestigduizend man en de vijfhonderd slaven met gouden staven van vijfhonderd mithqal; de route via Walata naar Tuwat; de moskee met mihrab buiten Gao en het vrijdagsgebed; Musa als eerste vorst die Timbuktu in bezit nam.
    • pp. 15–16: Ibn Battuta ﵀ over het logies in de villa van Siraj al-Din ibn al-Kuwayk bij Cairo en de leningen die Musa en zijn emirs daar aangingen; het graf van Abu Ishaq as-Sahili ﵀, de dichter uit Granada, bijgenaamd at-Tuwaijin, in Timbuktu en de minaret van de grote moskee die Kankan Musa liet bouwen.