Een Hajj is een moment, maar een nalatenschap is een generatie, en tussen 1325 en zijn dood rond 1337 bouwde Mansa Musa een infrastructuur waarvan West-Afrika nog eeuwen zou teren. Wij mogen het ons voorstellen als een karavaan die Mali opnieuw binnentrekt, eind 1325 of begin 1326, veel zwaarder dan bij vertrek, al was zij niet zwaarder in goud, want het meeste goud was achtergebleven in Cairo, Medina en Mekka. Zij was zwaarder in boeken, in ulama en in een kleine groep Egyptische en Andalusische vakmannen, en zwaarder in één man in het bijzonder: Abu Ishaq as-Sahili ﵀, dichter, architect en vermoedelijk ook jurist, geboren in Granada, ontmoet in Mekka en gekocht tegen een fortuin aan mithqal goud.
Op dit moment houdt de Hajj op een gebeurtenis te zijn en wordt zij een investering. Musa had Mali elf jaar geregeerd voordat hij vertrok, en hij regeerde nog tien tot twaalf jaar na zijn terugkeer, afhankelijk van waar zijn dood geplaatst wordt, want de bronnen geven 1332 tot 1337. In die jaren liet hij, op een wijze die men zelden bij vorsten ziet, het ene grote moment uitmonden in een lange, geduldige bouwkundige transformatie van zijn rijk.
Wat dit voor een stad als Timbuktu betekende, laat zich in enkele zinnen vatten. Vóór de Hajj was Timbuktu een handelsstop, een tussenstation tussen de Niger-haven bij Kabara en de woestijnroutes naar Taghaza, een plaats van kooplieden, van zoutmarkten en van Tuareg-karavanen die kwamen en gingen, niet onbelangrijk maar ook niet het centrum van iets. Na Musa’s terugkeer is Timbuktu een stad in wording, met een Vrijdagsmoskee, een paleis, een madrasa, een bibliotheek en een scholarium, de kiem van wat binnen een eeuw de Islamitische intellectuele hoofdstad van West-Afrika zou worden.
De Djinguereber
De Djinguereber is het iconische gebouw, en zij verdient dat men bij haar stilstaat. Toen as-Sahili ﵀ met Musa in Timbuktu aankwam, was er al een kleine Vrijdagsmoskee, eenvoudig, van lokale klei en met palmhout-dragers, maar Musa gaf opdracht tot iets anders: niet eenvoudig en niet lokaal in de zin van geïmproviseerd, maar iets dat de traditie van West-Afrikaanse modder-architectuur zou huwen aan de raffinement die as-Sahili ﵀ uit Granada en Cairo kende.
De Djinguereber, een Sonrhaï-woord dat ongeveer de grote moskee betekent, werd gebouwd uit leem en houten dragers, volgens een ontwerp dat de vierkante sahn met een verhoogde mihrab-toren combineerde. De minaret kreeg de karakteristieke pyramidale vorm met uitstekende houten balken die as-Sahili ﵀ uit de Berberse bouwkunde van Zuid-Marokko haalde, en die balken dienen niet alleen als versiering, want het zijn permanente steigers waarop restaurateurs de modderlaag jaarlijks kunnen bijwerken. Het was slimme architectuur, een gebouw ontworpen om onderhoudbaar te zijn in een klimaat waarin regen, stof en termieten elke bouwsubstantie aanvreten.
Tarikh as-Sudan, geschreven door Abderrahman as-Sa’di ﵀ in 1655, beschrijft de bouw en wijst haar expliciet toe aan as-Sahili ﵀ en aan Musa’s opdracht, en de Tarikh al-Fattash, een andere zestiende- tot zeventiende-eeuwse kroniek, bevestigt dit. Beide bronnen stammen uit Timbuktu zelf en hadden toegang tot hofregisters die inmiddels verloren zijn gegaan, zodat zij voor ons vandaag de meest directe ingang tot deze bouwperiode vormen.
De Djinguereber staat er nog steeds, is UNESCO-werelderfgoed en is, na bijna zeven eeuwen, nog altijd in gebruik als Vrijdagsmoskee. Elk jaar, na het regenseizoen, komt de gemeenschap van Timbuktu samen om de modderlagen bij te werken op precies die houten balken die as-Sahili ﵀ ooit in het ontwerp had ingebouwd. Geen museum, maar een levend gebouw.
De Stad Achter de Moskee
De moskee alleen was niet genoeg, en daarom liet Musa dichtbij de Djinguereber een paleis bouwen dat madugu werd genoemd, een Mandé-term voor het residentiegebouw van een belangrijke figuur. Het paleis was niet zijn primaire residentie, want Niani bleef de politieke hoofdstad en Mali’s hartland lag in het zuiden; het was zijn uitvalsbasis in het noorden, de plek van waaruit hij kon regeren wanneer de trans-Saharaanse zaken zijn aandacht vroegen.
Deze constellatie, met Niani als politiek centrum en Timbuktu als cultureel-handelscentrum, was geen toeval maar een bewuste taakverdeling. Niani bleef Mandé, bleef clan-gebonden en bleef de plek waar de Gbara bijeenkwam, terwijl Timbuktu iets nieuws werd, een Islamitische kosmopolitische stad, open voor kooplieden uit Fez en Cairo, voor ulama uit Tlemcen en Tunis en voor Tuareg-handelaren uit Taghaza, zodat de twee steden elkaar aanvulden in plaats van met elkaar te concurreren.
Rondom de Djinguereber en het paleis groeide de stad organisch uit, waarbij de zuidelijke wijken zich vulden met Berberse kooplieden en de noordelijke wijken met Sonrhaï-vissers die vanuit de rivier leefden, terwijl een afzonderlijke Wangara-wijk ontstond voor de Soninke-handelaren die de goudlijnen naar Bambuk en Bure beheersten. Ten oosten verrees later de Sankoré-wijk, en die voert ons naar het belangrijkste deel van de nalatenschap.
De Sankoré
Sankoré was oorspronkelijk een Vrijdagsmoskee, gesticht door een rijke Mandinka-vrouw, mogelijk al vóór Musa’s Hajj, maar onder Musa en vooral onder zijn opvolgers werd zij iets meer, een jami’a, een universiteit in de klassieke Islamitische zin van het woord. Het was geen universiteit met gebouwen en faculteiten zoals wij het ons vandaag voorstellen, maar een netwerk van geleerden die rond de moskee woonden, halqa’s hielden in de schaduw van haar muren, manuscripten produceerden in eigen bibliotheken en studenten van Fez tot Kano aantrokken.
In de zestiende eeuw, onder Askia Mohammed, zou de Sankoré op haar hoogtepunt volgens sommige schattingen tot 25.000 studenten onderhouden, terwijl de totale bevolking van Timbuktu rond de 100.000 lag. Deze cijfers zijn discutabel, want de bevolkingsomvang van premoderne Afrikaanse steden is moeilijk te schatten, maar de orde van grootte spreekt voor zich: geen provincieuniversiteit, maar een instelling die zich kon meten met al-Qarawiyin in Fez, met al-Azhar in Cairo en met al-Zaytuna in Tunis.
De basis werd gelegd onder Mansa Musa, die beurzen financierde voor lokale studenten die naar Fez en Cairo reisden om daar te studeren en terug te keren, en die bibliotheken bouwde om hun boeken te huisvesten en salarissen betaalde aan de eerste ulama die vanuit Egypte in zijn gevolg naar Timbuktu waren afgereisd. Bovenal stelde hij de madhhab Maliki definitief vast als de dominante rechtsschool van Mali, waardoor West-Afrika intellectueel aansloot op het hele Maghribijnse en Andalusische juridisch-theologische ecosysteem.
De Maliki Keuze
Deze keuze verdient eigen aandacht, want Mali had voor een andere madhhab kunnen kiezen. De Hanafi-school was dominant in het Mamlukse sultanaat dat Musa had bezocht, en de Shafi’i-school was sterk in delen van Arabië en Oost-Afrika. Waarom dan Maliki?
De eerste reden was praktisch, want de trans-Saharaanse handelsnetwerken waarlangs Islam West-Afrika had bereikt, liepen via Berberse kooplieden die bijna zonder uitzondering Maliki waren, en het Marokkaanse en Andalusische gebied was Maliki-land, zodat een Mansa die zijn staat Maliki maakte zijn rechtssysteem synchroniseerde met zijn belangrijkste handelspartners.
De tweede reden was intellectueel, want de Maliki-school, opgericht door Imam Malik ibn Anas ﵀ in Medina, hechtte bijzonder belang aan amal ahl al-Madina, de praktijk van de bewoners van Medina, als rechtsbron, en dat gaf de school een geworteldheid in gemeenschapsconventie die goed aansloot bij de Mandé-traditie van de Kouroukan Fouga. Recht kwam niet uit het niets, maar uit hoe een gemeenschap leefde, en Musa zag deze overeenkomst en bouwde erop voort.
De derde reden was beschikbaarheid, want as-Sahili ﵀ was Maliki, de ulama die Musa uit Cairo en de Maghreb aantrok waren Maliki, en de boeken die hij liet kopiëren en in Timbuktu liet bewaren, al-Muwatta, al-Mudawwana al-Kubra van Sahnun ibn Said ﵀ en de commentaren van Ibn Abi Zayd al-Qayrawani ﵀, waren eveneens Maliki. Het ecosysteem dat Musa importeerde was Maliki, en de staat werd daardoor, logisch en onvermijdelijk, ook Maliki.
Deze keuze is tot op vandaag zichtbaar, want Mali, Senegal, Mauritanië, Guinea en het overgrote deel van Islamitisch West-Afrika zijn Maliki, de directe nalatenschap van wat Musa na zijn Hajj besloot.
De Goudeconomie Na de Hajj
Er bestaat een misverstand dat Musa’s vrijgevigheid in Cairo Mali aan lager wal zou hebben gebracht, maar dat is niet gebeurd, integendeel. Mali’s goudproductie in Bambuk en Bure was zo overvloedig dat zelfs een uitgave als de Hajj slechts een fractie was van de jaarlijkse opbrengst. Bronnen als Al-Umari ﵀ en later Ibn Battuta ﵀ geven getallen die moeilijk te interpreteren zijn maar consistent hoog blijven, en de moderne historicus Nehemia Levtzion schat dat Mali in de vroege veertiende eeuw tussen één en drie ton goud per jaar produceerde, goed voor minstens de helft van de wereldproductie van dat moment.
Musa’s vrijgevigheid vernietigde geen welvaart, maar communiceerde welvaart, en die communicatie had een omgekeerd effect dat hij waarschijnlijk al had voorzien. Na zijn Hajj stroomden handelaren uit Egypte, de Maghreb en Andalusië naar Mali, want zij wilden het goud aan de bron kopen en zij brachten textiel, boeken, wapens, luxegoederen en paarden, zodat de handelsbalans alleen maar gunstiger werd. Het goud dat hij in Cairo had achtergelaten, keerde in de vorm van investeringen, vakmensen en intellectueel kapitaal terug: macro-economie avant la lettre.
Wat Ibn Battuta Zag
Zo’n dertig jaar na Musa’s dood, in 1352, bezocht Ibn Battuta ﵀ Mali, waar toen Mansa Sulayman, broer en opvolger van Musa, regeerde. Wat Ibn Battuta ﵀ in zijn Rihla beschrijft is een bestuurde, geletterde en veilige samenleving, en hij prijst de gebedsroutine in Niani, de volle Vrijdagsmoskeeën, de kinderen die de Qur’an uit het hoofd leren en niet mogen eten totdat zij hun portie gememoriseerd hebben, de Qadi’s die Maliki-recht toepassen en de gastvrijheid voor reizigers.
Hij is ook kritisch, want Mansa Sulayman is zuinig waar Musa gul was, en sommige hofrituelen vindt hij onzeker Islamitisch, terwijl vrouwen zonder sluier aan het hof verschijnen en poëtische dansers voor de Mansa optreden, zodat hij zich over een aantal gebruiken de ogen uitwrijft. Maar de grondstructuur staat niet ter discussie, want dit is een Islamitisch rijk, met ulama, met een rechtsorde en met vrijdagsgebeden die verricht worden, en dat is Musa’s nalatenschap, zichtbaar voor de ogen van een reiziger die van Marokko tot China had gereisd en dus goed kon vergelijken.
De Rihla is overigens een tweevoudige bron, want wat Ibn Battuta ﵀ persoonlijk zag is de eerste laag en wat hij later via reizigers toevoegde is de tweede, en voor Mali was hij ooggetuige, wat zijn verslag zwaarder maakt.
De Diaspora-Draad
Timbuktu’s Sankoré-bibliotheken bevatten tegen de achttiende eeuw honderdduizenden manuscripten, die nu deels in de Ahmed Baba-bibliotheek staan, deels in familiecollecties en deels, helaas, verbrand zijn door Ansar Dine in 2013 tijdens de jihadistische bezetting van Noord-Mali, al is een deel gered en was een deel al eerder naar Bamako in veiligheid gebracht.
Deze manuscripten zijn niet enkel Arabisch, want er zijn teksten in Ajami, Arabisch schrift voor Mandé, Fulfulde, Hausa en Sonrhaï, en er bestaat een schriftelijke traditie in West-Afrika die direct teruggaat op wat Musa heeft mogelijk gemaakt. Voor wie Afro-Caribische wortels heeft, is dit van belang, want de voorouders die via de Middenvaart naar het Caribisch gebied werden gebracht, kwamen deels uit regio’s die geletterd waren, die Qur’an-scholen kenden en die een ulama hadden. Dat Suriname een grote marroon-bevolking heeft met eilanden van Islamitisch gebruik, dat Trinidadse moslims met West-Afrikaanse wortels terug kunnen gaan tot wangara-handelslijnen, en dat sommige van onze grootouders namen dragen die regelrecht uit Mandé-komend-met-Islam afstammen, dat alles is geen afgebroken draad, maar een onderbroken draad die met geduld en onderzoek opnieuw opgepakt kan worden.
Mansa Musa’s nalatenschap is, in die zin, ook onze nalatenschap, niet in directe bloedlijn en niet met pretentie van eigendom, maar als onderdeel van het weefsel waaruit een deel van onze familie is voortgekomen.
De Ulama-Infrastructuur
Een nalatenschap in stenen is zichtbaar, terwijl een nalatenschap in mensen onzichtbaar blijft tot de generatie waarin zij vrucht draagt, en Musa investeerde in beide. Wat ulama-infrastructuur in de veertiende eeuw betekent, laat zich opsommen: Qadis aangesteld in steden, met salarissen uit de staatskas en juridische jurisdictie over Islamitische aangelegenheden, Muftis die fatwa’s uitgeven in schriftelijke vorm die door Mali-handelaren in verre regio’s als juridisch geldig werden erkend, Khatibs die de vrijdagspreek leveren, Muezzins die de adhan oproepen en Imams die het gebed leiden. Elke rol vereist opleiding, en opleiding vereist scholen, en scholen vereisen salarissen, boeken en gebouwen.
Musa financierde dit niet als filantropie maar als staatsbeleid, zodat de ulama onderdeel werden van de bestuurlijke structuur van Mali, geen aparte geestelijke klasse die af en toe geconsulteerd werd, maar vaste functionarissen van de staat. Iets wat in Europa pas in de zeventiende eeuw en in andere Islamitische rijken al eerder werd geïnstitutionaliseerd, deed Mali reeds in de veertiende.
Een concreet voorbeeld daarvan geeft Tarikh as-Sudan, dat vertelt van een familie genaamd Aqit, afkomstig uit Marokko, die onder Musa of kort daarna naar Timbuktu migreerde en daar generatie op generatie Qadis en hoofdscholaren leverde. De bekendste telg is Ahmad Baba ﵀, geboren in 1556, die in de zestiende eeuw tot een van de grootste Islamitische geleerden van zijn tijd uitgroeide en ruim zeventig werken schreef, waaronder Nayl al-ibtihaj, een biografische verzameling van Maliki-geleerden. De familie Aqit is, zonder Musa’s oorspronkelijke beleid, ondenkbaar.
Dit is de werkelijke nalatenschap, niet het goud en niet de moskee op zich, maar het ecosysteem dat werkgelegenheid, status en middelen gaf aan een klasse geleerden die West-Afrika’s Islamitische identiteit voor eeuwen zou verankeren.
De Wangara
Voordat Musa’s einde aan bod komt, verdient de Wangara aandacht. De Wangara, een term die afwisselend wordt gebruikt voor de Soninke, voor de Mandinka-handelskaste of voor een specifieke beroepsgroep van moslim-kooplieden, vormden in de veertiende en vijftiende eeuw het logistieke skelet van Mali’s economie, want zij organiseerden de goudkaravanen, verleenden krediet en voerden Arabische correspondentie met collega-kooplieden in Fez en Cairo.
Onder Musa kregen de Wangara iets wat zij daarvoor niet op dezelfde schaal hadden, namelijk statelijke bescherming voor hun handelsactiviteiten tot aan de randen van Mali’s invloedssfeer, want de Mansa investeerde in karavaan-veiligheid, onderhandelde met Tuareg-stammen over tollen en stichtte regionale garnizoenen nabij handelsknooppunten, zodat het Wangara-netwerk kon functioneren zonder dat elke karavaan een risico op totale verdwijning liep.
Het gevolg was dat de Wangara zich in de eeuwen na Musa verspreidden, naar de Hausa-steden Kano, Katsina en Zaria, waar zij als Dyula-handelaren bekend zouden worden, naar het bos-grensgebied in het zuiden, waar zij kola-noten gingen verhandelen tegen goud, en naar het latere Ashanti-gebied, waar hun aanwezigheid bijdroeg aan de Islamisering van delen van wat nu Ghana heet. Deze diaspora, vreedzaam en handelsgedreven, was een direct gevolg van de stabiele infrastructuur die Musa had geschapen.
Deze diaspora liep uiteindelijk door in de Atlantische wereld, met moslim-Afrikanen die als slaaf werden verkocht: Ayuba Suleiman Diallo, bekend onder de naam Job ben Solomon, uit een Fulani-familie uit Bundu, de talrijke Fulani- en Mandinka-slaven die op Jamaicaanse, Trinidadse en Surinaamse plantages hun gebed verrichtten, en bekende historische figuren zoals Omar ibn Said, die in North Carolina een autobiografie in het Arabisch zou schrijven. Zij kwamen uit netwerken waarvan de wortels zijn terug te voeren tot het Wangara-systeem dat onder Musa bloeide, een draad die doorloopt tot onze eigen geschiedenis, niet direct en niet klagerig, maar feitelijk.
Hoe Het Eindigde Met de Man Zelf
Musa sterft rond 1337, al verschillen de bronnen over het jaar, want sommigen geven 1332 en sommigen 1337, terwijl de meest gangbare reconstructie zijn dood in 1337 plaatst. Hij was dan ongeveer twintig tot vijfentwintig jaar Mansa geweest, en hij werd opgevolgd door zijn zoon Maghan I en daarna door zijn broer Sulayman.
De bouw van de Djinguereber is waarschijnlijk al tijdens zijn leven voltooid, de madrasa’s die hij stichtte functioneren, de Maliki-school is vastgesteld en de boeken zijn gekopieerd, terwijl Timbuktu een stad is geworden, Gao een Vrijdagsmoskee rijker is en Niani nog steeds het centrum van de macht vormt. Dan sterft hij, en dan begint de vraag die elk rijk na zijn grootste bouwer moet beantwoorden. Kan dit alles overeind blijven zonder hem?
Wat Een Nalatenschap Waard Is
Hij was geen koning die op zijn troon goud telde, maar een bouwer. Hij bouwde moskeeën die zeven eeuwen later nog staan, hij bouwde een rechtssysteem dat tot vandaag in West-Afrika dominant is, hij bouwde een stad die zo beroemd werd dat Europeanen haar gebruikten als metafoor voor het onbereikbare, verder dan Timbuktu, hij bouwde een intellectuele traditie waarvan de manuscripten nog steeds bestudeerd worden, en hij bouwde een beeld van West-Afrika in de Islamitische wereldverbeelding dat niet meer zou verdwijnen.
Het was geen primitief bestaan maar een doordachte beschaving, en Mansa Musa was, in Ibn Kathir’s woorden, al-malik al-ashraf, de sublieme koning, niet omdat hij goud had, maar omdat hij wist wat hij ermee moest doen.
Geen rijk is eeuwig. De nalatenschap van Musa zou zichzelf, onder zijn opvolgers, niet zonder schade weten te verdedigen.
Bronnen
- Shihab ad-Din al-Umari ﵀, Masalik al-absar fi mamalik al-amsar: de Malikitische juristen die Musa naar zijn land bracht, onder wie de Granadese dichter Abu Ishaq Ibrahim as-Sahili ﵀, zoals aangehaald in Gomez, p. 121.
- Ibn Khaldun ﵀, Kitab al-ʿIbar: de vijfentwintig regeringsjaren van Musa, de opvolging door zijn zoon Magha en zijn broer Sulayman, en het gepleisterde gebouw met koepel dat as-Sahili ﵀ voor hem bouwde, zoals aangehaald in Gomez, pp. 138, 145.
- Ibn Battuta ﵀, Rihla: het bezoek aan Mali in 1352–1353 onder Mansa Sulayman, de volle vrijdagsmoskeeën, de kinderen die de Koran uit het hoofd leren, de gierigheid van Sulayman en de onbedekte vrouwen aan het hof, zoals aangehaald in Gomez, pp. 141, 147, 158, 160, en in Hunwick, p. 11.
- Tarikh al-Fattash, toegeschreven aan Mahmud Kaʿti ﵀: de moskeeën die Musa op de terugweg van de Hajj liet bouwen, zoals aangehaald in Hunwick, p. 10.
- Ahmad Baba ﵀, Nayl al-ibtihaj bi-tatriz al-dibaj, voltooid in 1004/1596 in ballingschap in Marrakesh, zoals aangehaald in Gomez, p. 175.
- Michael A. Gomez, African Dominion: A New History of Empire in Early and Medieval West Africa, Princeton University Press, Princeton 2018, pp. 32, 100, 104, 106, 121–122, 124–125, 138, 141, 145, 147, 150, 154, 156, 158, 160, 175, 284.
- pp. 121–122, 125: de boeken over Malikitisch recht en de Malikitische juristen die Musa meenam, onder wie as-Sahili ﵀, ook at-Tuwaijin genoemd; de terugkerende karavaan als gemengd gezelschap van Ethiopiërs, Arabieren, Andalusiërs en Turken; de Hajj als vormende periode van de politieke en culturele omvorming van West-Afrika; de terugkeer in Mali rond 726/1326.
- pp. 124, 138: de bouw van de Djinguereber, de Grote Moskee van Timbuktu, met haar minaret; de Islam als het voornaamste instrument van heerschappij; Ibn Khaldun ﵀ over de opdracht aan as-Sahili ﵀ voor een gepleisterd vierkant gebouw met koepel.
- pp. 156, 158: de Soedanese geleerden die op bevel van al-hajj Musa in Fez gingen studeren, als begin van zijn programma; de opdracht tot de Djinguereber ten dienste van Islam én staat; Ibn Battuta ﵀ over de volle vrijdagsmoskee en de kinderen die geketend bleven tot zij de Koran uit het hoofd kenden.
- pp. 141, 147, 160: het verblijf van Ibn Battuta ﵀ in Mali van juli 1352 tot februari 1353; Sulayman als gierige koning, gemeten aan wat Musa aan vreemdelingen had geschonken; de afkeuring van vrouwen die onbedekt voor de sultan verschijnen.
- pp. 145, 150: de vijfentwintig regeringsjaren, 1312–1337, volgens Ibn Hajar ﵀ en Ibn Khaldun ﵀; de opvolging door Magha en daarna door Musa’s broer Sulayman; de dood van Musa rond 737/1337 en van Sulayman rond 761/1360.
- pp. 100, 104, 106: Ibn Kathir ﵀ over al-Malik al-Ashraf Musa; de twaalf jaar tussen troonsbestijging en Cairo; de schatting van vier ton goud per jaar uit Bure en een halve ton uit Bambuk.
- pp. 32, 154: Wangara, Wankara en Wanqara als namen van de Jula-kooplieden; Fernandes over de Jula aan wie de welvaart van Djenné wordt toegeschreven.
- pp. 175, 284: de Nayl al-ibtihaj van Ahmad Baba ﵀; de Maliki-canon van het onderwijs, de Muwatta van Malik ibn Anas ﵀, de Mudawwana van Sahnun ﵀ en de Risala van Ibn Abi Zayd al-Qayrawani ﵀.
- John O. Hunwick (vert.), Timbuktu and the Songhay Empire: al-Saʿdi’s Taʾrikh al-sudan down to 1613 and other contemporary documents, Brill, Leiden 2003 (2e druk; 1e druk 1999), pp. lviii, lx, 10–11, 30–31, 49–50, 88, 390.
- pp. 10–11 (TS hfst. 3): de twintigduizend mithqal aan aalmoezen in de twee heilige steden; de moskee met mihrab buiten Gao; het paleis in Timbuktu dat madugu heette; de minaret van de Grote Moskee die aan Kankan Musa wordt toegeschreven; het graf van Abu Ishaq as-Sahili ﵀ in Timbuktu.
- pp. 30–31 (TS hfst. 7): Jingere-ber als Songhay-naam van de Grote Moskee; de groei van Timbuktu tot de bouw van de Grote Moskee en de Sankore-moskee; de kroniek geschreven tussen 1064/1653 en 1066/1656.
- pp. lviii, lx, 49–50, 390: de familie Aqit die in de tijd van de Tuareg-sultan Akil (1434–1468) uit Masina naar Timbuktu kwam en de qadi’s van de zestiende eeuw leverde; de Universiteit van Sankore als geïndividualiseerde leertraditie, niet als instelling; de Muwatta, de Mudawwana en de Risala als grondwerken; Ahmad Baba ﵀ (1556–1627), uniek in zijn tijd, beroemd om zijn fatwa’s.
- p. 88 (TS hfst. 11): de Sankore-moskee, gebouwd door een zeer rijke vrouw van de Aghlal, op een onbekende datum.
- Sylviane A. Diouf, Servants of Allah: African Muslims Enslaved in the Americas, 15th anniversary edition, New York University Press, New York 2013, p. 41: Ayuba Suleyman Diallo uit Bundu, als Job ben Solomon tot slaaf gemaakt op een tabaksplantage in Maryland.
- Omar ibn Said ﵀, A Muslim American Slave: The Life of Omar Ibn Said, ed. en vert. Ala Alryyes, University of Wisconsin Press, Madison 2011, p. 3: de Life, in 1831 in North Carolina geschreven, als enige bewaarde Arabische autobiografie van een slaaf in de Verenigde Staten.
