Hoe een Rijk Zichzelf Langzaam Verliest
Een dood is zelden genoeg om een rijk te doen vallen. Wat Mali nekte was geen klap, maar een langzame samenloop van binnen en buiten die een eeuw lang doorwerkte.
De Dag Dat Musa Stierf
Rond 1337, ergens in Niani, sterft Mansa Musa, en de bronnen zijn onverwacht vaag over de toedracht, want er is geen veldslag, geen paleiscoup en geen bekende ziekte om zijn heengaan aan op te hangen. Vermoedelijk was het ouderdom, want hij was dan rond de zestig, verzwaard door de vermoeidheid van vijfentwintig jaar heersen over een rijk dat zich uitstrekte van de Atlantische kust tot voorbij de Niger-bocht.
Wat volgt is niet wat men zou verwachten, want er komt geen chaos, geen splintering en geen onmiddellijke opstand: Mali gaat, tenminste aan de buitenkant, gewoon door. Zijn zoon Maghan I bestijgt de troon, de Gbara bevestigt, de Djinguereber blijft in gebruik en de handelsroutes blijven open, zodat wie alleen naar de eerste jaren kijkt zou denken dat Musa’s nalatenschap zichzelf bestuurde.
Maar onder de oppervlakte werkt iets anders, iets trager, iets taaier en iets onvermijdelijks. Ibn Khaldun ﵀, schrijvend in de late veertiende eeuw vanuit Tunis, had er een woord voor: Asabiyyah, de sociale cohesie die een dynastie bijeenhoudt. Asabiyyah is sterk in de eerste generatie, nog sterk in de tweede, verzwakt in de derde en loopt uit in de vierde, en hij noteerde het als een patroon, een ritme bijna, dat Mali onbedoeld zou bevestigen.
Maghan I en Het Eerste Gat
Maghan I regeerde kort, van 1337 tot ongeveer 1341, en de bronnen zijn niet vriendelijk voor hem. Ibn Khaldun ﵀ noemt hem zwak en genotzuchtig, en Ibn Battuta ﵀, die in 1352 Mali bezoekt, spreekt met oudere hovelingen die Maghan nog hebben gekend en die hun hoofd schudden bij zijn naam. Deze vier jaar waren, zo lijkt het, genoeg om Musa’s stevige opvolging om te zetten in een rekening die de volgende generaties zouden moeten betalen.
Wat gebeurde er concreet? Twee dingen, en beide zijn belangrijk.
Om te beginnen werd Timbuktu in 1339 of 1340 overvallen door de Mossi, wat niet eerder was gebeurd, want de Mossi, een volk uit het Voltagebied ten zuidoosten van de Niger-bocht, hadden onder Musa wel druk uitgeoefend maar waren altijd afgeslagen. Onder Maghan viel de stad korte tijd in Mossi-handen, en Tarikh al-Sudan beschrijft hoe delen van Timbuktu’s welvaart werden weggenomen, terwijl de moskeeën bleven staan maar werden ontwijd en de Sankoré-ulama enige tijd vluchtten. De stad werd heroverd, maar iets was onomkeerbaar gebroken: de mythe van de onaantastbaarheid.
Daarnaast verzwakten de noordelijke garnizoenen, want de Tuareg en Sanhaja-fracties die in Musa’s tijd loyaal waren geweest, voelden dat Niani’s greep verslapte, zodat kleine raids begonnen die eind van de jaren dertig of begin van de jaren veertig frequenter werden. Het eindigde nog niet met territoriaal verlies, dat kwam later, maar de veiligheidsgarantie die karavanen genoten werd duurder, en de handelaren begonnen dat door te rekenen in hun prijzen, zodat prijzen die in Cairo of Fez stegen betekenden dat Mali’s relatief verzwakte positie zichzelf ging waarmaken.
Sulayman en de Korte Restauratie
Maghan sterft rond 1341, en zijn oom Sulayman, broer van Musa, neemt over en regeert tot ongeveer 1360, en dit is een goede regering. Sulayman is ouderwetse kwaliteit, vroom, gematigd, voorzichtig met zijn schatkist en attent op Islamitische praktijk, en Ibn Battuta ﵀ beschrijft hem met respect, al met kritische kanttekeningen over zijn zuinigheid in vergelijking met Musa.
Onder Sulayman lijkt Mali te herstellen, want Timbuktu wordt versterkt, de Mossi worden teruggedreven, de garnizoenen in Taghaza en Walata functioneren weer, de ulama keren volledig terug naar Sankoré en de Djinguereber krijgt onderhoud, zodat Mali in 1352, het jaar waarin Ibn Battuta ﵀ het land bezoekt, van buitenaf gezien nog steeds een Islamitische grootmacht is.
Maar het loont om te zien wat Ibn Battuta ﵀ ook waarneemt, want hij ziet een heerser die minder geld uitgeeft aan wetenschap en meer aan hof-comfort, hij ziet hofdames die zonder sluier verschijnen, wat hij als Maliki-jurist problematisch vindt, en dichters die voor de Mansa optreden op een manier die hij pre-islamitisch noemt. Hij ziet een rijk dat ogenschijnlijk Islamitisch is maar waar de lokale Mandé-praktijk zich weer opdringt aan de rand van de Islamitische conventie: het is geen apostasie, maar het is wel drift.
De Rihla van Ibn Battuta ﵀ is voor deze periode onze voornaamste ooggetuigenbron, en hij is niet onpartijdig, want hij is een Marokkaanse Maliki-jurist met strenge opvattingen over Islamitische hofcultuur, maar zijn waarnemingen zijn concreet en niet gemakkelijk weg te wimpelen. Mali was in 1352 minder streng dan in 1324, en dat is geen kleine observatie.
Na Sulayman: De Spiraal
Sulayman sterft rond 1360, en dan begint de spiraal die we kennen, want zijn zoon Qasa regeert slechts enkele maanden voordat hij wordt afgezet door Mari Jata II, een kleinzoon van Musa. Mari Jata II is een rampzalige heerser, en Ibn Khaldun ﵀ beschrijft hem als een spilzuchtige losbol die de schatkist leegmaakt, die zelfs, volgens één overlevering, een grote klomp puur goud die Musa uit Mekka had meegebracht als geschenk van de Mamlukse sultan aan een Egyptische koopman verkoopt tegen spotprijs om feesten te kunnen bekostigen.
Dit zou nog vergeeflijk zijn als Mari Jata II daarna door een bekwame opvolger werd vervangen, maar dat gebeurde niet, want zijn zoon Musa II regeerde van 1374 tot 1387 en was feitelijk een marionet van een machtige farba, een hof-generaal genaamd Mari Diata. De echte macht zat niet meer op de troon, maar aan de linkerhand van de troon, en dat is, zoals Ibn Khaldun ﵀ had gewaarschuwd, het moment waarop asabiyyah begint te verkruimelen. De dynastie regeert niet meer, de dynastie wordt geregeerd.
De Tuareg, De Mossi, de Songhay
Terwijl binnen het hof de touwtjes verschoven, gebeurde buiten het hof iets wat veel zichtbaarder was, langs drie drukpunten.
Eerst de Tuareg, deze Berber-volkeren die de woestijnzones ten noorden van de Niger controleerden, en die in Musa’s tijd vazallen waren geweest, betalingen kregen voor het beschermen van karavanen en troepen leverden aan Mali’s leger. Naarmate Niani verzwakte werden ze onafhankelijker, zodat ze in 1433, bijna een eeuw na Musa’s dood, Timbuktu zelf veroveren: een stad die een eeuw eerder het kroonjuweel was geweest, valt in handen van Tuareg-leiders onder Akil Ag Malwal, en al onderhandelen de ulama van Sankoré met de veroveraars en houden ze de moskeeën open, de stad is niet meer van Mali.
Dan de Mossi, die al onder Maghan waren opgedoken en die bleven komen, want in de veertiende en vijftiende eeuw voerden ze regelmatig raids uit op Djenné, op Walata en op de zuidelijke flanken van Mali. Ze veroverden geen groot territorium, maar ze vermoeiden het rijk, omdat elke raid Niani een leger, een oogst of een karavaan kostte.
En dan, op lange termijn de belangrijkste, de Songhay: Gao, de stad die we in een veel eerder artikel hebben leren kennen als de eerste echte stadstaat van de regio, was in de dertiende en veertiende eeuw een Mali-vazal, en de Songhay accepteerden Malinese heerschappij zonder veel protest. Maar ook dit veranderde, want in de loop van de vijftiende eeuw begonnen lokale Songhay-leiders zichzelf als onafhankelijk te gedragen, en in 1464 zou Sunni Ali Ber op de troon komen van een Songhay dat zich formeel losmaakte van Mali en vervolgens zijn voormalige heer begon te verslinden. Maar die ontwikkeling begint eerder, onder heersers die al in de late veertiende eeuw de Malinese sofa-garnizoenen uit Gao wegjoegen.
De Economische Vermindering
Terwijl de randen afbrokkelden, gebeurde er iets op de markten dat Mali’s kern ondermijnde, want Portugezen verschijnen vanaf 1440 aan de West-Afrikaanse kust, en zij willen goud en bieden textiel, kralen, wapens en, nog voorzichtig, vraag naar slaven. Het goud dat tot dan toe noordwaarts door de Sahara trok naar Mali’s profijt, begint een alternatieve afvoerroute te vinden, westwaarts, via de kust, via Portugese schepen.
Dit is catastrofaal voor Mali, want het hele rijk was opgebouwd rond de trans-Saharaanse handelsas, met goud uit Bambuk en Bure noordwaarts, zout uit Taghaza zuidwaarts en tol geheven in Niani en Walata. Als het goud westwaarts naar de kust gaat in plaats van noordwaarts door de woestijn, verliest Niani zijn tolgelden, en zonder tolgelden is er geen leger, zonder leger geen garnizoenen en zonder garnizoenen geen rijk.
Dit proces verloopt traag, want de eerste Portugese schepen bij Elmina, dat verwijst naar het kasteel van de Portugezen dat in 1482 werd opgericht, zijn verder zuidelijk dan Mali’s kernzone. Maar vanaf de late vijftiende eeuw is het onmiskenbaar dat Mali’s economische logica niet meer werkt, want de wereld heeft een nieuwe handelsas gekregen, en Mali ligt er niet meer centraal in.
De Pest En De Sahel
Er is één factor die in de klassieke Mali-historiografie vaak wordt overgeslagen, en dat is de Zwarte Dood, de grote pestepidemie van 1347 tot 1351 die Europa en het Midden-Oosten verwoestte en die West-Afrika ook heeft getroffen, al zijn de bronnen hierover fragmentair.
Ibn Battuta ﵀, die in 1348 en 1349 dwars door het pestgebied reisde op weg naar Mali, beschrijft de dood van zijn moeder aan de pest in Tanger, en hij komt in een Mali aan dat al vermoedelijk door sporadische uitbraken getroffen was via de trans-Saharaanse handelsroutes. Tarikh al-Sudan en andere lokale bronnen zwijgen hierover grotendeels, wat kan betekenen dat de epidemie in West-Afrika minder hevig was dan elders, of simpelweg dat lokale kroniekschrijvers niet de infrastructuur hadden om zoiets te documenteren.
Wat we wel weten, is dat de handelspartners van Mali in Cairo en de Maghreb werden gedecimeerd, want Cairo verloor in 1348 en 1349 tussen de 30 en 50 procent van zijn bevolking en Fez werd zwaar getroffen. De vraag naar goud daalde niet, omdat goud relatief inflatievast is, maar de logistieke capaciteit van de trans-Saharaanse handel werd verminderd, met minder kooplieden, minder karavanen en minder tol voor Niani, en dit is een factor waarmee Maghan I en Sulayman te maken kregen die Musa nooit had ervaren.
De pest is ook een waarschuwende herinnering, want niet alles wat rijken doet wankelen is menselijk plan, en soms zijn het biologische processen die over heel Eurazië en Afrika tegelijk gebeuren en die elk bestuur dwingen om met minder middelen meer ruzies op te vangen. De timing van Mali’s eerste grote kraken, eind jaren dertig, jaren veertig van de veertiende eeuw, valt samen met deze globale catastrofe, en dat is niet toevallig.
Het Verhaal Van Binnen
Er is iets wat ik hier apart wil noemen, want het wordt in Europese geschiedschrijving vaak weggelaten: Mali viel niet alleen door externe druk, maar ook omdat de Islamitische consensus die Musa had gevestigd, onder zijn opvolgers niet volledig werd doorgezet.
Ibn Khaldun ﵀ beschrijft hoe in de tweede helft van de veertiende eeuw bepaalde Mansa’s weer terugkeerden naar pre-islamitische hofrituelen, hoe Bambara-jagersbroederschappen, die onder Sundiata een hoofdrol hadden gespeeld, opnieuw invloed herwonnen, hoe traditionele offers weer werden gebracht en hoe de ulama minder werden geconsulteerd. Dit is geen totale afvalligheid, want de moskeeën bleven staan, de gebeden werden verricht en de Qadi’s spraken recht, maar het is wel een verzwakking van het Islamitische kader als staatsraam.
Dit werkt op twee manieren tegen Mali. Ten eerste maakt het buitenlandse Islamitische handelaren voorzichtiger, want als Mali niet langer een onbetwist Islamitische partner is, waarom zou je je goud-contracten dan nog met Niani sluiten in plaats van met Gao of Djenné? Ten tweede maakt het de ulama zelf onrustig, en zij waren Musa’s grootste intellectuele kapitaal, zodat zij, als ze zich niet meer gekend voelen, minder schrijven en minder onderwijzen, of, en dit gebeurt vanaf de late vijftiende eeuw, verhuizen naar Gao waar Sunni Ali Ber en later Askia Mohammed hen weer wel serieus nemen.
Wat We Leren Van De Val
Mali viel niet aan één ding, geen Mongoolse horde zoals die Bagdad in 1258 had verwoest, geen kruistocht zoals die Akko in 1291 had ingenomen en geen natuurramp zoals die West-Europa’s veertiende-eeuwse bevolking had gehalveerd; Mali viel, traag, aan de samenloop van interne verzwakking en externe druk, aan de wisseling van handelsassen en aan het patroon dat Ibn Khaldun ﵀ als asabiyyah-verlies had benoemd.
Dit is belangrijk omdat het verhaal leert dat rijken niet in één klap vallen, maar wegzakken, dat ze terrein inruilen voor tijd en tijd voor nog meer terrein. De mensen die in Niani rond 1400 leefden, voelden niet dat ze in een stervend rijk woonden, en ze dachten, waarschijnlijk, dat dit een moeilijke fase was die wel zou overwaaien, terwijl hun kleinkinderen, in 1450, al beter wisten en hun achterkleinkinderen, in 1500, zich Mali herinnerden als iets dat was geweest, iets dat Gao en Timbuktu onder Songhay-heerschappij als erfenis doorgaven.
Djenné En De Alternatieve Centra
Terwijl Niani en Timbuktu in verschillende fasen hun invloed zagen tanen, gebeurde er iets dat in sommige opzichten zelfs belangrijker was, want andere steden namen delen van de economische en intellectuele rol over.
Djenné, aan de binnenste Niger-delta, was al onder Mali een welvarende handelsstad, en onder het verval van Mali’s centraal gezag kreeg Djenné meer autonomie, want de stad was rijk, relatief defensief gunstig gelegen achter de jaarlijkse overstromingen van de Niger, en had een eigen ulama-traditie die niet rechtstreeks afhankelijk was van Timbuktu’s Sankoré. De Grote Moskee van Djenné, hoewel het huidige gebouw uit de negentiende eeuw dateert, staat op fundamenten die teruggaan tot deze periode, en Tarikh al-Sudan wijdt hele hoofdstukken aan Djenné als een stad met eigen regeerders, eigen handelsbeslissingen en eigen religieuze geleerden.
Walata, in het noordwestelijke uiteinde van Mali’s oude territorium, volgde een vergelijkbaar traject, want Ibn Battuta ﵀ zou deze stad bezoeken en beschrijven als welvarend maar tegelijk als enigszins onzeker onder Mali’s gezag, terwijl de lokale Berberse en Mandé-elite voortdurend moest onderhandelen met nabijgelegen Tuareg-fracties, zodat Walata, toen Mali zich terugtrok, definitief Berber-dominant werd.
Gao werd, zoals we al aangaven, de hoofdstad van Songhay, maar ook binnen Mali’s oude territorium ontstonden kleinere centra die eigen madrasas, eigen Qadi’s en eigen handelsnetwerken ontwikkelden, zodat de ulama-klasse die Musa had opgeleid niet langer aan Niani gebonden was en zich bediende overal waar nog welvaart en bescherming waren.
Dit is een belangrijke correctie op het val van Mali-verhaal, want Mali viel, maar de Islamitische West-Afrikaanse beschaving viel niet: zij reorganiseerde zich, zij vond nieuwe centra en zij droeg zich over aan andere dragers. En dit is precies waarom Songhay, dat we in de volgende episode zullen behandelen, niet bij nul hoefde te beginnen, omdat het niet alleen territorium erfde maar ook een heel geletterd, Islamitisch geïnstitutionaliseerd landschap.
De Grens Tussen Toen en Nu
Het Mali-rijk verdwijnt niet helemaal, want in de zestiende en zeventiende eeuw blijft er een kleiner Mali-koninkrijk bestaan rond Niani, onder opvolgende Mansa’s die nog steeds de titel voeren maar nog slechts een fractie van het oude territorium beheersen. Tarikh al-Sudan noemt ze en Tarikh al-Fattash noemt ze, maar ze zijn geen factor meer in de grote West-Afrikaanse politiek, want ze zijn een herinnering aan wat was.
Het echte einde van Mali als politieke entiteit komt in de zeventiende eeuw, als de laatste Mansa’s hun hof moeten verplaatsen vanwege Fulani- en Bambara-druk, zodat er tegen 1670 geen herkenbare Mali-staat meer is en tegen 1700 de herinneringen verspreid zijn over verschillende lokale tradities die alle hun eigen stukje waarheid bewaren.
Maar dan, en dat is het fascinerende, overleven de nalatenschappen van Mali in structuren die Mali zelf overleefden: Timbuktu, de Djinguereber, Sankoré, de Maliki-school, de wangara-handelslijnen, de Mandé-sprekende gemeenschappen van Senegal tot Ghana, en de verhalen van Sundiata die rondom kampvuren werden verteld en uiteindelijk in de twintigste eeuw door Djibril Tamsir Niane werden opgetekend als het Epos van Sundiata. Al deze dingen zijn Mali’s nalatenschap, en ze hebben het rijk lang overleefd.
Dit is wat verval eigenlijk betekent, niet dat alles verdwijnt, maar dat de politieke structuur die alles droeg oplost, en dat wat blijft voortaan zonder staatkundige bescherming moet overleven.
De Opening Voor Wat Komt
Terwijl Niani in de veertiende en vijftiende eeuw langzaam wegzakt, gebeurt er iets in Gao, want de Songhay, eens vazal, worden onafhankelijk, worden zelfbewust en worden ambitieus, en in 1464 zal Sunni Ali Ber de troon bestijgen en de opstap vormen naar een nieuw West-Afrikaans imperium dat precies die ruimte in zal nemen die Mali aan het ontruimen is.
Dit is geen tragedie, maar geschiedenis, want rijken rijzen en vallen, en wat ertoe doet is wat ze in hun val doorgeven aan wat erna komt. Mali gaf aan Songhay door: Islamitische legitimiteit als bestuursraam, Maliki-recht als rechtssysteem, Timbuktu als intellectuele hoofdstad, Gao als commerciële hub en de trans-Saharaanse handelsroutes als economische aders, en Songhay zou dit alles opnieuw uitvinden, en meer.
Maar dat is het verhaal van een andere eeuw.
Bronnen
- Ibn Khaldun ﵀, Kitab al-ʿIbar: de opvolging van Musa door Magha en Sulayman, Qasa, Mari Jata ibn Mansa Magha die het rijk ruïneerde en de schatkist verkwistte, Musa II en de wazir die zijn gezag overnam, en de verkoop van het gouden rotsblok, zoals aangehaald in Gomez, pp. 145, 150–151, 419.
- Ibn Battuta ﵀, Rihla: het bezoek aan Walata en de hoofdstad van Mali in 1352–1353, de gierigheid van Mansa Sulayman, de volle vrijdagsmoskeeën, de kinderen die de Koran leren en de onbedekte vrouwen aan het hof, zoals aangehaald in Gomez, pp. 95, 125, 147–148, 158, 160.
- Tarikh al-Fattash, toegeschreven aan Mahmud Kaʿti ﵀, over de latere Mansa’s van Mali; het epos van Sundiata in de optekening van Djibril Tamsir Niane, zoals aangehaald in Gomez, p. 390.
- Michael A. Gomez, African Dominion: A New History of Empire in Early and Medieval West Africa, Princeton University Press, Princeton 2018, pp. 65, 95, 112, 125, 145, 147–148, 150–152, 158, 160, 169, 184, 186, 218, 390, 419.
- pp. 145, 150: de vijfentwintig regeringsjaren van Musa, 1312–1337; Magha die kort na zijn aantreden stierf, waarna de kroon aan Musa’s broer Sulayman viel, die vierentwintig jaar regeerde; de dood van Musa rond 737/1337 en van Sulayman rond 761/1360, met Magha’s regering die mogelijk vier maanden in plaats van vier jaar duurde.
- pp. 150–151: Qasa die negen maanden regeerde; Mari Jata ibn Mansa Magha, van circa 1360 tot 1373–1374, bij Ibn Khaldun ﵀ een zeer slechte heerser; de cyclische theorie van opkomst en verval van rijken; Musa II, gestorven in 789/1387, wiens gezag door zijn wazir, opnieuw een Mari Jata, werd overgenomen; Mali dat tot in de zeventiende eeuw voortbestond terwijl Songhay de Midden-Niger beheerste, en de expansie die het bestuursvermogen te boven ging.
- pp. 147–148, 158, 160: Sulayman als gierige koning, gemeten aan Musa’s vrijgevigheid, en de Sudan die hem daarom niet mocht; de mogelijke terugslag van Musa’s pro-Islamitische beleid onder Maghan de Tovenaar; de volle vrijdagsmoskee en de geketende kinderen; de afkeuring van de onbedekte vrouwen aan het hof.
- pp. 95, 125: Ibn Battuta ﵀ in Walata in 1352–1353, het eerste district van de Sudan met de farba Husayn als plaatsvervanger van de mansa, aan de rand van het Malinese gezag, met matrilineaire Soninke-gebruiken.
- pp. 184, 186: Sunni Ali die in 869/1464 aan de macht kwam; het tanende Malinese gezag over Timbuktu en de vestiging van de Maghsharan-Tuareg over de stad in 837/1433–1434 onder Akil.
- pp. 112, 152, 218: de opkomst van Atlantische markten die met de Sahel concurreerden; de Portugezen onder Hendrik de Zeevaarder aan de Mauritaanse kust in de jaren 1440, aangetrokken door berichten over goud in Timbuktu; Elmina bereikt tegen 875/1471, enkele jaren na de machtsovername van Sunni Ali.
- pp. 65, 145, 169: de Zwarte Dood die Egypte tegen het einde van de jaren 1340 bereikte, tijdens de regering van Sulayman; Mali dat in verkleinde vorm voortbestond tot diep in de zeventiende eeuw; Kangaba als laatste toevlucht van de Malinese vorsten, teruggebracht tot de kleine staat Minijan.
- pp. 390, 419: Djibril Tamsir Niane als optekenaar van de Mandé-traditie; Ibn Khaldun ﵀ over de verkoop van een gouden rotsblok van twintig qintar door Mari Jata, een topos dat al bij al-Bakri ﵀ voorkomt.
- John O. Hunwick (vert.), Timbuktu and the Songhay Empire: al-Saʿdi’s Taʾrikh al-sudan down to 1613 and other contemporary documents, Brill, Leiden 2003 (2e druk; 1e druk 1999), pp. xxxviii, 11–12, 17–19, 31.
- pp. 11–12 (TS hfst. 3): de sultan van Mossi die tijdens de Malinese heerschappij met een groot leger naar Timbuktu trok, de Maliërs die vluchtten, de plundering en verbranding van de stad en de honderd jaar Malinese heerschappij daarna, door Hunwick rond 1343 gedateerd; de Maghsharan-Tuareg onder Akil Ag-Amalwal, de Maliërs die Timbuktu verlieten en Akil die er veertig jaar heerste.
- pp. xxxviii, 31 (TS hfst. 7): de Tuareg-heerschappij over Timbuktu vanaf 837/1433–1434 en Sunni Ali vanaf 873/1468–1469; Akil die in de woestijnkampen bleef en de stad aan de Timbuktu-koi liet; Sunni Ali Ber (1464–1492) als de vorst die het oude Mali voor het grijpen vond.
- pp. 17–19 (TS hfst. 5): Djenné als een van de grote markten van de moslims, waar het zout van Taghaza en het goud van Bitu samenkomen; de stad die bij hoogwater van augustus tot februari een eiland wordt; de sultan die zijn paleis liet slopen voor de vrijdagsmoskee, en de huidige Grote Moskee van 1907.
