InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

De opkomst van de Khawarij

De opkomst van de Khawarij

Uit het kamp van ʿAli ﵁ stapte na Siffin een groep weg die in haar afwijzing van de arbitrage een eigen theologie opbouwde. Wat als een politiek protest begon, werd in enkele maanden een gewapende sekte die het bloed van elke moslim die de arbitrage aanvaardde voor wettig verklaarde.

De afsplitsing

De groep die in de namiddag na de aanvaarding van het bestand uit het kamp van ʿAli ﵁ wegliep, was niet samenhangend in haar samenstelling. Onder hen waren senior Iraqse stamhoofden uit Tamim en Bakr en andere stammen. Onder hen waren reciteurs van de Quran van Kufa die in hun jeugd het Boek hadden gememoriseerd en die nu het oordeel ervan in de zaak van de fitnah in eigen handen wensten te dragen. Onder hen waren jonge krijgers die in Siffin hadden gestreden en die zich na de Mushaf-list bedrogen voelden. Onder hen waren ouderen van de eerste generatie van Bedoeïenen die zich tot de Islam hadden bekeerd en die in de stadse politiek van Kufa nooit een eigen plaats hadden gevonden. Zij hadden, voor zover er onder hen een gemeenschappelijke noemer was, één gedeeld principe: de aanvaarding van de arbitrage was een zonde die geen moslim mocht plegen.

In het kamp van Harura, waar zij zich het eerst vestigden, ontwikkelden zij dit principe tot een politieke en theologische lezing. Zij stelden de leuze la hukma illa li-Llah voorop, ontleend aan een aantal verzen van de Quran waarin Allah ﷻ in een uitspraak verklaart dat het oordeel aan Hem toekomt. Zij maakten van deze uitspraak een uitsluitend principe: wie het oordeel aan menselijke arbiters delegeerde, had het oordeel aan de mens overgedragen en derhalve de stand van een ongelovige aangenomen. Onder deze lezing vervielen ʿAli ﵁, Muʿawiya ﵁, Abu Musa ﵁ en ʿAmr ﵁ allen in de stand van mannen die geen aanspraak op het kalifaat hadden, en wier bloed in de strenge bewoording die zij ontwikkelden, voor wie hun overtuiging deelde, niet meer beschermd was.

Kaart laden...

De onderhandelingen van Ibn ʿAbbas ﵁

Toen ʿAli ﵁ uit Siffin in Kufa terugkeerde, zond hij Ibn ʿAbbas ﵁, de meest geleerde jurist van zijn jonge generatie, naar Harura met de opdracht om met de afgesplitste groep in dispuut te treden. Ibn ʿAbbas ﵁ kwam in het kamp, droeg de mantel die hij in Mekka had verworven, en sprak met hen in een toon die hen niet als opponenten maar als verloren broeders aansprak. Hij vroeg hen waarover zij ʿAli ﵁ verweten. Zij antwoordden in drie punten: hij had de arbitrage aanvaard waar het oordeel alleen aan Allah ﷻ toekwam; hij had bij de Slag van de Kameel gestreden zonder gevangenen te nemen of buit te verdelen, terwijl beide hem toekwamen als zijn tegenstanders ongelovigen waren, en hij hen niet had mogen bestrijden als zij gelovigen waren; hij had zijn eigen titel als Amir al-Muʾminin in het document van de arbitrage laten schrappen op verzoek van ʿAmr ﵁, en daarmee zichzelf in het document tot een gewone partij gemaakt.

Ibn ʿAbbas ﵁ antwoordde op alle drie de punten. Op het eerste antwoordde hij dat de Quran zelf in Soera an-Nisaʾ de aanwijzing van twee arbiters voor huwelijksgeschillen vermeldt, en in Soera al-Maʾidah de aanwijzing van twee gerechtelijke mannen voor de bepaling van compensatie voor doodgejaagde wild op het Hajj-terrein. Indien voor zulke zaken arbitrage door menselijke arbiters in het Boek van Allah ﷻ was geregeld, zo redeneerde hij, dan kon zij a fortiori voor een politiek-juridisch geschil tussen twee groepen van gelovigen niet als zonde worden geduid. Op het tweede antwoordde hij met een wedervraag: zouden zij hun moeder ʿAʾisha ﵂ als gevangene willen nemen, en van haar wettig verklaren wat zij van andere gevangenen wettig verklaarden? Wie dat bevestigde, verviel in ongeloof, en wie ontkende dat zij hun moeder was evenzeer, want de Quran noemt de vrouwen van de Boodschapper ﷺ de moeders van de gelovigen. Op het derde antwoordde hij dat het schrappen van de titel een procedureel detail was waarin ʿAli ﵁ zelf wenste tegemoet te komen aan de Shamse zijde om de procedure niet te laten kantelen op een woordkeuze, en dat de titel in zijn werkelijke ambt onaangetast bleef.

Ongeveer tweeduizend mannen uit Harura aanvaardden deze antwoorden en keerden met Ibn ʿAbbas ﵁ naar Kufa terug. De anderen, en zij waren de meerderheid en de leiding van de groep, hielden voet bij stuk. Onder hun aanvoerder ʿAbdullah ibn Wahb al-Rasibi vertrokken zij uit Harura naar een nieuw kamp in Nahrawan, een dorp in de buurt van een kanaal ten oosten van de Tigris, en bouwden daar een militaire infrastructuur op die zij voor een lange afzondering bestemden.

De theologie van Nahrawan

In de maanden in Nahrawan ontwikkelden de Khawarij hun lezing van de Islam in een aantal richtingen die in latere generaties als de kenmerken van hun sekte zouden worden vastgelegd. Zij verwierpen de bestuurlijke kalifaat-vorm zoals die in Medina was uitgewerkt en stelden dat het kalifaat aan elke vrome moslim toekwam, ongeacht stam of clan, zolang hij door de gemeenschap was aangewezen en zolang hij in zijn ambt bleef binnen de strikte grenzen van wat zij voor de wet hielden. Zij namen aan dat een aanvoerder die een grote zonde beging, automatisch uit zijn ambt viel en dat het wettig was om hem ten oorlog te maken. Zij namen aan dat elke moslim die hun lezing van de zaak verwierp, in de stand van een ongelovige terugviel en dat zijn bloed niet meer beschermd was. Zij namen aan, in de uiterste vorm van deze redenering, dat het in oorlog tegen zulke moslims wettig was om hun vrouwen, kinderen en bezittingen te nemen.

Deze theologie was, in de woorden van wie haar in latere bronnen analyseerde, een opmerkelijke combinatie van strikte vroomheid in persoonlijke praktijk met een grote losheid in de bescherming van het bloed van anderen. De Khawarij hielden in eigen kamp de nachtgebeden langer dan in elke moskee van Kufa werd gehouden. Zij reciteerden de Quran met een devotie die in latere bronnen niet zonder eerbied wordt vermeld. Zij hielden zich strikt af van wijn, van overspel, van diefstal. Maar wanneer een vreemde reiziger hun kamp passeerde en zijn opinie over de arbitrage niet als de hunne verklaarde, sneden zij hem af zonder gerechtelijke procedure.

De waarschuwingen

De Boodschapper ﷺ had volgens overleveringen die in de Sunan-bronnen breed zijn bewaard, in zijn leven uitspraken gedaan over een groep mannen die in de gemeenschap na hem zouden opkomen en die in vroomheid in hun uiterlijke handelingen zouden uitblinken, maar wier theologie hen tot een ramp voor de gemeenschap zou maken. Hij had gezegd, in de overlevering die ook door Suyuti ﵀ wordt aangehaald, dat er in de gemeenschap mannen zouden komen wier gebed het gebed van wie tegenover hen stond gering zou doen voorkomen, en wier vasten het vasten van wie tegenover hen stond gering zou doen voorkomen, maar wier reciteren van de Quran niet beneden hun keelgaten zou komen, en die uit de Islam zouden uitschieten zoals de pijl uit de boog van de jager.

In deze overlevering, en in een aantal verdere overleveringen die in de Sahih-bronnen werden bewaard, had de Boodschapper ﷺ ook een specifiek teken genoemd: dat onder de aanvoerders van deze groep een man zou zijn met een misvormde arm die in de stand van een vrouwelijke borst hing. Dit teken, zo zou later blijken bij de slag van Nahrawan, was niet metaforisch.

De aanleiding tot de mobilisatie

De directe aanleiding tot de militaire mobilisatie tegen Nahrawan, zoals in het vorige artikel reeds is aangewezen, was de moord op ʿAbdullah ibn Khabbab ﵁ en zijn zwangere vrouw. Toen het bericht in Kufa bekend werd, riep ʿAli ﵁ zijn raad bijeen. Hij sprak een woord uit dat in latere bronnen is bewaard:

ʿAli ﵁: Indien zij een enkele dhimmi hadden gedood, zou ik nog langer hebben getracht hen tot rede te brengen. Maar zij hebben een Sahabi-zoon ﵁ gedood, en zij hebben de foetus uit zijn vrouw gesneden. Voor deze daad is er geen woord meer, alleen het zwaard.

Een delegatie werd niettemin nog gestuurd om hun uitlevering van de daders te vragen. De Khawarij weigerden en antwoordden, in de overlevering die in latere bronnen is bewaard, dat zij allen verantwoordelijk waren voor de daad, want zij hadden haar in gemeenschappelijke beslissing genomen. Wie de daad wilde wreken, zou hen allen moeten aanvallen. Met dit antwoord was de juridische grond voor de militaire actie verschaft.

Het leger van ʿAli ﵁ marcheert oostwaarts

In Safar van het jaar 38, naar de meest aanvaarde tellingen, mobiliseerde ʿAli ﵁ zijn leger in Kufa voor de tocht naar Nahrawan. Het was niet het volle leger dat hij naar Siffin had genomen; het was een geselecteerde colonne van veteranen, ongeveer veertienduizend mannen, voor het overige van het garnizoen van Kufa in stand-by gehouden voor de mogelijkheid dat Muʿawiya ﵁ van de gelegenheid gebruik zou maken om aanvalsmaneuvers tegen Iraq uit te voeren.

Het leger marcheerde in twee dagen tot aan de buurt van Nahrawan. Op de dag van aankomst zond ʿAli ﵁ een laatste gezant naar het kamp van de Khawarij. De gezant droeg de boodschap dat de daders van de moord op Ibn Khabbab ﵁ moesten worden uitgeleverd. De Khawarij antwoordden, opnieuw, dat zij allen verantwoordelijk waren. De gezant vertrok. ʿAli ﵁ stelde zijn slagorde op. Hij stelde Malik al-Ashtar ﵀ aan tot rechterflank, ʿAdiy ibn Hatim ﵁ tot linkerflank, en zichzelf met de centrale colonne. Hij plante zijn vlag op een heuvel met goed uitzicht over het slagveld en wachtte.

De laatste oproep voor de slag

Voor het begin van de gevechten reed ʿAli ﵁ persoonlijk naar de voorste linies van zijn leger en sprak naar het kamp van de Khawarij. Hij riep dat hij hen voor de laatste maal opriep om zich over te geven en om zich aan de gerechtelijke beslissing van het kalifaat te onderwerpen. Hij beloofde, naar wat in latere bronnen is bewaard, dat wie zich aan zijn vlag onderwierp, vrijgesteld zou zijn van vervolging behalve in de zaak van de specifieke daders van de moord op Ibn Khabbab ﵁. Hij beloofde, voor wie van het slagveld wegliep en niet aan de gevechten meedeed, een vrijwaring.

Een aantal Khawarij, naar de overlevering tussen de vijfhonderd en de duizend, scheidde zich onder deze oproep van de hoofdmacht af en liep naar het kamp van ʿAli ﵁ over. Anderen, in een kleinere groep, gingen heen en weg zonder zich aan een van beide kampen te onderwerpen. Wat overbleef, was een hoofdmacht van ongeveer tweeduizend tot drieduizend mannen die in vaste gelederen tegenover ʿAli ﵁ bleven staan. Hun aanvoerder ʿAbdullah ibn Wahb al-Rasibi reed langs de gelederen en sprak hen toe in een laatste oproep waarvan de overleveraars de bewoording als die van een aanvoerder hebben opgetekend die wist dat hij zijn mannen voor het laatst in deze wereld zou aanspreken:

Ibn Wahb: Verlies vandaag de wereld, verkrijg morgen de Tuin. Strijd, en strijd zoals mannen strijden die niet meer terugkeren naar hun vrouwen en hun kinderen. Het oordeel is alleen aan Allah ﷻ.

Hij riep, in een fragment dat in latere bronnen is bewaard, ook een hadith aan die hijzelf op verwrongen wijze interpreteerde. Met deze toespraak in de oren marcheerden zijn mannen onder geheven slagordening tegen het kamp van ʿAli ﵁ op. Wat in de uren erna gebeurde, was geen veldslag in de zin van Siffin, maar een afslachting in de zin van een eenzijdige militaire confrontatie waarin de ene partij in staal en discipline ver superieur was aan de andere. Met dit slagveld komt het volgende artikel.

De brief van ʿAbdullah ibn Wahb aan zijn aanhangers

In de weken in Nahrawan na de vestiging van het Khariji-kamp schreef ʿAbdullah ibn Wahb een brief aan zijn aanhangers die in andere delen van Iraq waren achtergebleven. In de brief, waarvan een gedeelte in latere bronnen is bewaard, riep hij hen op om zich bij hem in Nahrawan te voegen voor wat hij beschreef als een onderneming die de zuivere Islam tegen de afdwalingen van ʿAli ﵁ en Muʿawiya ﵁ zou verdedigen. Hij beriep zich op een aantal Quran-verzen waarin hij in zijn eigen uitleg een rechtvaardiging voor zijn afsplitsing meende te vinden. Hij beloofde aan wie zich aanmeldde, een aandeel in wat hij voorzag als de uiteindelijke overwinning van zijn beweging. Hij waarschuwde, in een zin die in latere bronnen breed is bewaard, dat wie tegen zijn beweging in handeling kwam, in stand van een ongelovige verviel en dat zijn bloed niet meer beschermd was.

De brief had effect. Honderden mannen uit Tamim, uit Bakr, uit andere stammen van het oosten van Iraq, voegden zich in de maanden voor de slag van Nahrawan bij zijn kamp. Het Khariji-leger bereikte zijn piek-omvang van ongeveer vierduizend mannen, voordat de slag van Nahrawan het tot ongeveer een derde van deze omvang zou terugbrengen.

De verdeling onder de Khawarij over de oorlogvoering

Onder de Khawarij in Nahrawan was geen eensluidende lijn over de wijze waarop zij hun oorlog tegen ʿAli ﵁ en Muʿawiya ﵁ moesten voeren. Een deel, onder Ibn Wahb, was voor een directe veldslag tegen wie van de twee kalifahs hen het eerst zou benaderen. Een deel, onder Hurqus ibn Zuhayr, was voor een guerrillaoorlog met aanvallen op koeriers en kleine garnizoenen. Een deel, onder een derde groep die in de overleveringen minder uitvoerig wordt beschreven, was voor een afzondering in de woestijn waarin zij in eigen gemeenschap zouden leven zonder met de twee kalifahs in directe confrontatie te treden. De drie lijnen werden in onderlinge debatten gevoerd, en de uitkomst was een compromis waarin Ibn Wahb’s lijn van een directe veldslag de overhand kreeg, met dien verstande dat zij eerst in Nahrawan zelf op de aanval van ʿAli ﵁ zouden wachten en hem in een verdedigende slagopstelling tegemoet zouden treden. Het was deze keuze die in de slag van Nahrawan haar gevolgen zou tonen, want de Iraqse cavalerie kon de Khariji-stelling in een omsingelingsbeweging overweldigen die in een actieve guerrillaoorlog niet mogelijk zou zijn geweest.

De stamhoofden die zich niet bij de Khawarij aansloten

In de stamgebieden van Iraq waren in deze jaren een aantal stamhoofden actief die in hun politieke ligging tussen ʿAli ﵁ en de Khawarij stonden, en die ondanks de Khariji-werving voor hun stamgenoten zelf niet tot de afsplitsing toetraden. Onder hen waren al-Ahnaf ibn Qays ﵀ in Basra, die in zijn politieke wijsheid in elke fase van de fitnah aan ʿAli ﵁ trouw bleef zonder zich op de eerste linie in militaire confrontaties te bewegen; en ʿAdiy ibn Hatim ﵁ in Kufa, die in zijn rang als oudere Sahabi ﵁ en in zijn militaire ervaring een vaste steunpilaar van het leger van ʿAli ﵁ was. Deze stamhoofden trokken in hun stamgebieden de jongere generatie weg van de Khariji-werving en bewerkten dat het Khariji-leger in Nahrawan niet de omvang bereikte die het in een aanlokkelijker situatie had kunnen bereiken.

De terugkeer naar Kufa van Ibn ʿAbbas ﵁ na het dispuut

Na zijn dispuut in Harura met de afgesplitste groep keerde Ibn ʿAbbas ﵁ naar Kufa terug met de tweeduizend mannen die hij had overtuigd om hun afsplitsing op te geven. Hij bracht hen in een georganiseerde colonne naar de stad, en hij stelde hen voor aan ʿAli ﵁ in een audiëntie in de moskee. ʿAli ﵁ ontving elk van hen met een persoonlijk woord en aanvaardde hun hernieuwde bayʿah zonder voorbehoud. Hij gaf hen geen verwijt over hun eerdere afsplitsing, en hij waarschuwde hen niet voor verdere afsplitsingen. Hij behandelde hen als broeders die in een ijtihad-fout waren gevallen en die nu in een ijtihad-correctie waren teruggekeerd. Het was een omgang die in latere bronnen breed werd bewaard als bewijs van zijn fijngevoeligheid in de behandeling van wie van hun positie waren teruggekeerd, en zij stond in scherpe tegenstelling tot de wijze waarop de overgebleven Khawarij in Nahrawan in eigen consciëntie elke aansluiting bij ʿAli ﵁ als ongelovigheid behandelden.

De latere ontwikkeling van de Khariji-stroming

In de eeuwen na Nahrawan zou de Khariji-stroming zich in vele takken splitsen. De Azariqah onder Nafi ibn al-Azraq zouden in de jaren onder de Umayyaden tot een gewapende beweging worden die in Basra en in Ahwaz tot grote militaire conflicten zou leiden. De Ibadiyyah, een meer gematigde tak die zich aan het eind van de eerste eeuw na de hijra van de Azariqah zou afsplitsen, zou in Oman en in delen van Noord-Afrika tot een blijvende vorm van Islamitische beoefening uitgroeien die tot vandaag in haar oorspronkelijke kring voortleeft. De Sufriyyah, een derde tak, zou in de jaren onder de Umayyaden en de vroege Abbasiden in Iraq en in Iran tot een aantal opstanden leiden. Wat in al deze takken werd voortgezet, was de oorspronkelijke Khariji-overtuiging dat het kalifaat aan elke vrome moslim toekwam zonder onderscheid van stam, dat een aanvoerder die in een grote zonde verviel automatisch uit zijn ambt viel, en dat in een fitnah-tijd het wapen tegen wie van de aangewezen tegenstander was, gerechtvaardigd was. De Soenni-hoofdstroom heeft in elke generatie deze overtuigingen in haar leer weerlegd, en de Ibadiyyah-tak heeft in haar eigen ontwikkeling deze overtuigingen in een meer gematigde vorm voortgezet zonder de extreme uitwerkingen van de Azariqah en de Sufriyyah.

Bronnen

  • Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk 1995), p. 190 (afsplitsing en theologie van de Khawarij), p. 191 (debat van Ibn ʿAbbas ﵁ in Harura en terugkeer van tweeduizend), p. 191 (moord op ʿAbdullah ibn Khabbab ﵁ en zijn vrouw door de Khawarij), p. 191 (mobilisatie van ʿAli ﵁ voor Nahrawan en zijn laatste oproep voor de slag).
  • Het debat van Ibn ʿAbbas ﵁ met de Khawarij in Harura: an-Nasaʾi ﵀, al-Khasaʾis; al-Hakim ﵀, al-Mustadrak; ʿAbd ar-Razzaq ﵀, al-Musannaf.