InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

De Arbitrage en de Eerste Fitna

De Arbitrage en de Eerste Fitna

Maanden na de slag van Siffin kwamen de twee arbiters samen in Dumat al-Jandal. Wat als een religieuze procedure begon volgens het Boek van Allah ﷻ, eindigde, in het verslag dat de latere geschiedschrijving het vaakst herhaalde, in een vernederende politieke truc waaraan de gehele moslimgemeenschap haar ondergang in eenheid kon aflezen.

De maanden tussen de slag en de arbitrage

Tussen het bestand dat op het slagveld van Siffin was getekend en de bijeenkomst van de twee arbiters in Dumat al-Jandal lagen ongeveer zes maanden. In deze maanden trokken beide legers zich terug in hun eigen provincies. Het Iraqse leger keerde naar Kufa terug, niet als overwinnaar en niet als verliezer, maar in een toestand van politieke verlamming. Het Shamse leger keerde naar Damascus terug, niet als verslagen partij maar als een militaire kracht die door een retorische zet een nederlaag in een onderhandeling had omgezet.

In deze maanden splitste de oppositie in het kamp van ʿAli ﵁ zich verder af. De mannen die zich na de aanvaarding van het bestand naar Harura hadden teruggetrokken, ontwikkelden in hun afzondering een politieke en theologische lezing van de gebeurtenissen die in haar consequenties de gehele kalifale eenheid uitsloot. Voor hen was de aanvaarding van de arbitrage door ʿAli ﵁ een uitlevering geweest van het oordeel van Allah ﷻ aan het oordeel van mensen. Voor hen was de slogan la hukma illa li-Llah (het oordeel is alleen aan Allah ﷻ) een uitsluitend principe, en wie het overtrad, was een grote zondaar die in de stand van een ongelovige terugviel. Onder deze redenering vervielen voor hen niet alleen Muʿawiya ﵁ en zijn arbiter ʿAmr ﵁, maar ook ʿAli ﵁ en zijn arbiter Abu Musa ﵁, in de stand van mannen die geen aanspraak op het kalifaat konden maken.

In dezelfde maanden trad ʿAli ﵁ persoonlijk in onderhandeling met deze afgesplitste groep. Hij stuurde Ibn ʿAbbas ﵁ naar Harura om met hen te debatteren. Ibn ʿAbbas ﵁ voerde met hen een lange disputatie over de aard van de arbitrage, over de scheidsrechters (hakam) die de Quran zelf voorschrijft, over de uitspraken in de Soera al-Hujurat over verzoening tussen strijdende partijen van gelovigen. Hij bracht een aanzienlijk aantal van hen terug tot het kamp van ʿAli ﵁; ongeveer tweeduizend keerden onder zijn invloed terug naar Kufa. Maar de kern van de afgesplitste groep bleef vast in hun positie. Zij vertrokken uit Harura, na enige tijd, naar Nahrawan, een dorp ten oosten van Kufa, en richtten daar hun eigen militaire kamp in.

Kaart laden...

De aankomst in Dumat al-Jandal

In Ramadan van het jaar 37, naar de meest aanvaarde tellingen, kwamen de twee arbiters in Dumat al-Jandal samen. Dumat al-Jandal was een oasis-stad ongeveer halfweg tussen Kufa en Damascus, in een gebied dat van oudsher als neutrale ontmoetingsplaats van Arabische stammen had gediend. Abu Musa al-Ashʿari ﵁ kwam onder begeleiding van een Iraqse delegatie. ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁ kwam onder begeleiding van een Shamse delegatie. Aan beide zijden waren getuigen aanwezig: Ibn ʿAbbas ﵁ voor Iraq, ʿAbdullah ibn Khalid ibn Asid ﵁ voor Sham.

De eerste dagen waren gevuld met formaliteiten. De twee arbiters bestudeerden samen het document van het bestand. Zij bespraken in onderlinge gesprekken de zaak die hen werd voorgelegd. Wat was, vroeg ʿAmr ﵁ aan Abu Musa ﵁, de zaak waarover zij moesten beslissen? Abu Musa ﵁ antwoordde: de zaak van de oplossing van de fitnah van de gemeenschap, en de aanstelling van een khalifah die door alle partijen kon worden aanvaard. ʿAmr ﵁ stemde toe.

Wat in latere bronnen werd verteld over de eerste week van overleg, is dat ʿAmr ﵁ een grote voorkomendheid jegens Abu Musa ﵁ aan de dag legde. Hij sprak hem aan met respect, hij liet hem in elke gemeenschappelijke handeling vóórgaan, hij bracht hem in elke maaltijd de eerste portie. Hij was, zo overlevert een fragment dat Suyuti ﵀ via een keten van overleveraars bewaart, een man die het overzicht over zijn tegenpartij had voordat hij zijn eigen voorstel deed.

Het voorstel

Wat volgt, is het verslag van Abu Mikhnaf, dat at-Tabari ﵀ heeft bewaard en dat de latere geschiedschrijving het vaakst heeft overgenomen, maar dat niet onbetwist is: Qadi Abu Bakr ibn al-ʿArabi ﵀ verwierp het in al-ʿAwasim min al-Qawasim als onbetrouwbaar. Ook in dit verslag zelf was het niet ʿAmr ﵁ maar Abu Musa ﵁ die voorstelde om beide aanvoerders af te zetten. Op een dag vroeg ʿAmr ﵁, die Abu Musa ﵁ als zijn senior aansprak, hem naar zijn oordeel.

ʿAmr ﵁: Wat is jouw oordeel, Abu Musa ﵁?

Abu Musa ﵁: Mijn oordeel is dat wij deze twee mannen allebei afzetten en de zaak als een Shura aan de moslims teruggeven, zodat zij voor zichzelf kiezen wie zij willen.

ʿAmr ﵁: Het juiste oordeel is het jouwe.

Abu Musa ﵁ zag in zijn eigen voorstel een rechtvaardige uitweg. Hij dacht aan ʿAbdullah ibn ʿUmar ﵁, een man die in geen van de twee kampen partij had gekozen, en die in een nieuwe Shura tot de aangewezen kandidaat zou kunnen worden. Hij dacht aan ʿAbdullah ibn az-Zubayr ﵁ als alternatief. Hij dacht aan Saʿd ibn Abi Waqqas ﵁. Hij meende, in deze fase, dat hij in een gemeenschap die door fitnah was geteisterd, met dit voorstel het beste pad zou kunnen openen. Zo kwam de afspraak tot stand. Het werd vastgelegd dat beide arbiters op de volgende dag in de openbare vergadering, in tegenwoordigheid van de delegaties, hun verklaringen zouden uitspreken.

De vergadering

Op de afgesproken dag kwamen de twee delegaties samen op het centrale plein van Dumat al-Jandal. ʿAmr ﵁ nodigde Abu Musa ﵁ uit om als eerste te spreken, met de gebruikelijke voorkomendheid die hij in de hele onderhandeling aan de dag had gelegd:

ʿAmr ﵁: Spreek jij eerst, Abu Musa ﵁. Jij bent ouder. Jij bent meer in eer.

Abu Musa ﵁: Welaan dan.

Abu Musa ﵁ trad voor de menigte en sprak de woorden zoals zij in de afspraak waren overeengekomen. Hij verklaarde dat hij in deze arbitrage tot het besluit was gekomen om ʿAli ﵁ en Muʿawiya ﵁ allebei af te zetten, dat hij hen uit hun aanspraak nam zoals een man een ring van zijn vinger neemt, en dat hij de zaak voor een nieuwe Shura openstelde. Hij sprak met de waardigheid en de oprechtheid van een man die meende dat hij de weg tot vrede had gebaand. Hij keerde naar zijn plaats terug.

ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁ trad voor de menigte. Hij begon met de prijzing van Allah ﷻ en met de tashahhud. Hij verklaarde vervolgens, met dezelfde formele waardigheid, dat hij in deze arbitrage tot het besluit was gekomen dat Abu Musa ﵁ ʿAli ﵁ uit het kalifaat had genomen, en dat hij, ʿAmr ﵁, in zijn arbitrage Muʿawiya ﵁ in het kalifaat handhaafde, omdat Muʿawiya ﵁ de wreker van ʿUthman ﵁ was, omdat hij door de bevolking van Sham was erkend, en omdat in de huidige stand van de gemeenschap geen andere kandidaat zich aandiende. Hij keerde naar zijn plaats terug.

Een stilte van enkele ogenblikken viel over de vergadering. Abu Musa ﵁ stond op, in een woede die hij in zijn lange leven niet eerder had geuit. Hij riep dat ʿAmr ﵁ de afspraak had verbroken, dat hij in de overeenkomst had bedrog gepleegd, dat zijn arbitrage in deze zaak ongeldig was. Hij riep, naar wat in latere bronnen is bewaard, een hele reeks epitheta over ʿAmr ﵁ waarin hij hem met dieren vergeleek die in hun gedragingen geen vertrouwen verdienden. ʿAmr ﵁ luisterde met de zwijgzame tevredenheid van een man wiens plan precies was uitgewerkt zoals hij het had bedacht. De Shamse delegatie pakte haar tenten op en vertrok naar Damascus. De Iraqse delegatie reed naar Kufa terug.

Wat de arbitrage had uitgesproken

In dit verslag was de arbitrage die in het Boek van Allah ﷻ haar grondslag zou hebben, omgedraaid tot een politieke truc waarin de ene arbiter de andere had bedrogen. Muʿawiya ﵁ keerde uit de arbitrage met een politieke positie die hij voor Siffin niet had: hij was, in de openbare verklaring van Sham, niet langer alleen de gouverneur van een opstandige provincie maar de door arbitrage erkende khalifah van de gemeenschap. Dat ʿAli ﵁ deze arbitrage niet aanvaardde en in eigen consciëntie nog steeds de wettige khalifah was, deed aan de Shamse positie niets af. Wat Muʿawiya ﵁ aan retorische munt had verworven, was niet meer terug te draaien.

Voor ʿAli ﵁ was de uitkomst van de arbitrage de zwaarste politieke nederlaag van zijn kalifaat. Hij had in Siffin op het punt van een militaire overwinning gestaan en haar verloren onder druk van zijn eigen mannen. Hij had nu in Dumat al-Jandal op een geldige uitkomst van de arbitrage moeten kunnen rekenen, en zag haar in een retorische truc omgekeerd. Hij verzocht in een verklaring in de moskee van Kufa dat de arbitrage door zijn eigen kamp niet werd erkend, en dat hij in eigen consciëntie en in de bayʿah van de gemeenschap nog steeds de wettige khalifah was. Hij riep zijn mannen op om zich opnieuw te mobiliseren voor een hervatte campagne tegen Sham. Maar zijn mannen waren moe. Zij waren in de campagne van Siffin uitgeput, zij waren in de fitnah onderling verdeeld, en zij waren in het bijzonder verzwakt door de afsplitsing van de Khawarij die nu in Nahrawan een rivaliserend leger vormde.

De Khawarij als probleem in eigen huis

Het werd ʿAli ﵁ duidelijk dat hij geen tweede campagne tegen Sham kon ondernemen zolang de Khawarij in zijn rug stonden. Hij had in Nahrawan een leger van ongeveer vierduizend mannen tegen zich, en dit leger werd niet door een gewone gouverneur aangestuurd maar door een man die in eigen consciëntie als kalifaat-rechter van zowel Sham als Iraq was opgetreden. ʿAbdullah ibn Wahb al-Rasibi was tot hun aanvoerder gekozen, en hij voerde hen met de strengheid van een man die in zijn eigen partij geen tegenspraak duldde. De Khawarij hadden een eigen theologische ontwikkeling doorgemaakt waarin zij niet alleen wie de arbitrage had aanvaard, maar ook wie deze in eigen consciëntie aanvaardde, in de stand van een ongelovige plaatsten. Zij verklaarden dat wie het kalifaat van ʿAli ﵁ erkende, in onbeschermd bloed verviel; zij verklaarden dat wie het kalifaat van Muʿawiya ﵁ erkende, hetzelfde.

In de praktijk leidde deze theologie tot daden die in de straten van Iraq de aandacht trokken. De Khawarij in Nahrawan begonnen reizigers op de weg aan te houden en hun te ondervragen over hun opinie inzake de arbitrage. Wie het kalifaat van ʿAli ﵁ verdedigde, werd ter plekke gedood. In de meest beruchte van deze episodes hielden zij ʿAbdullah ibn Khabbab ibn al-Aratt ﵁ aan, de zoon van een vroege Sahabi ﵁ uit Mekka, op een weg buiten Nahrawan. Zij ondervraagden hem over zijn opinie. Hij sprak met respect over ʿAli ﵁. Zij sneden hem en zijn zwangere vrouw met het zwaard af, en zij sneden de ongeboren foetus uit de buik van zijn vrouw zoals een slachter een dier ledigt. De daad werd in Kufa bekend en bracht de hele stad in beweging. Dit was de daad die ʿAli ﵁ noodzaakte om eerst tegen de Khawarij op te trekken, voordat hij verdere campagnes tegen Sham kon overwegen.

De vraag naar de leiding

In de maanden tussen de mislukte arbitrage en de mobilisatie tegen Nahrawan stond ʿAli ﵁ voor een vraag die hij nooit had voorzien. Hij was niet meer de onbetwiste khalifah van de gemeenschap. Hij was in Sham niet meer erkend. Hij was in Iraq verzwakt. Hij was in Egypte aangevallen door een nieuwe Shamse interventie die in voorbereiding was. Hij was in Yemen onder druk door de correspondentie van Muʿawiya ﵁. Hij was in zijn binnen-Iraq met een gewapende oppositie van de Khawarij geconfronteerd. Hij had in zijn eigen huishouden, in de gestalte van zijn zonen Hasan ﵁ en Husayn ﵁, mannen om zich heen die zich zorgen maakten over zijn veiligheid en over zijn rust.

Hij sprak, in deze maanden, in een van zijn khutbahs in de moskee van Kufa, een woord dat in latere bronnen vaak werd herhaald:

ʿAli ﵁: Wat hen aangaat, ik strijd hen niet omdat zij anderen aanvallen; ik strijd hen omdat zij in hun eigen verstand een zaak hebben aangenomen die in haar gevolgen het bloed van de moslims tot wettig verklaart. Het is mijn last, geen vreugde. Indien er een ander pad was, ik zou het hebben genomen.

Hij wist dat de fitnah die in zijn kalifaat was uitgebroken niet meer in zijn leven zou worden geheeld. Hij hoopte slechts dat hij in de tijd die hem nog werd gegeven, het bloed van de moslims kon beperken, de provincies in hun veiligheid kon herstellen, en het kalifaat als ambt kon overdragen aan wie na hem zou komen zonder dat het in de overdracht in nieuwe stukken viel.

De spanning binnen het Iraqse kamp

In de maanden tussen Siffin en de arbitrage van Dumat al-Jandal stond ʿAli ﵁ in Kufa tussen drie groepen die alle drie verschillende eisen aan hem stelden. De eerste groep waren zijn meest loyale veteranen, onder hen Malik al-Ashtar ﵀ en ʿAdiy ibn Hatim ﵁, die in eigen consciëntie meenden dat de aanvaarding van het bestand op het slagveld een politieke ramp was geweest en dat de hervatte campagne tegen Sham zo snel mogelijk moest worden ondernomen. De tweede groep waren de mannen die in de aanvaarding van de Mushaf-bladen op de speerpunten een religieuze oprechtheid hadden gezien, en die in de arbitrage een laatste kans voor een vreedzame oplossing zagen. Zij wensten geen militaire actie tot de arbitrage was uitgesproken. De derde groep waren de mannen die naar Harura waren vertrokken en die in hun afzondering de Khariji-theologie aan het ontwikkelen waren.

ʿAli ﵁ kon geen van de drie groepen volledig bevredigen. Tot de eerste groep zei hij dat hij in eigen consciëntie de aanvaarding van het bestand had betreurd maar dat hij de eed die zijn arbiter in Dumat al-Jandal zou afleggen, niet in eigen handen kon nemen voordat de procedure was uitgevoerd. Tot de tweede groep zei hij dat hij de arbitrage in eigen consciëntie zou aanvaarden indien zij volgens de afspraak werd uitgevoerd. Tot de derde groep zei hij, via de gezant Ibn ʿAbbas ﵁, dat de aanvaarding van een menselijke arbitrage in een politieke kwestie tussen moslims niet in zichzelf een ongelovigheid was en dat de uit het kamp van het kalifaat lopende handeling die zij hadden uitgevoerd, niet kon worden gewettigd op grond van de slogan die zij ter rechtvaardiging hadden aangevoerd.

Het verzet van Saʿsaʿah ibn Sawhan ﵀

Onder de Iraqi senior leden van de raad rondom ʿAli ﵁ in deze maanden onderscheidde zich Saʿsaʿah ibn Sawhan ﵀, een welsprekende man uit de stam ʿAbd al-Qays. Hij sprak in de moskee in een khutbah die in latere bronnen breed is bewaard, een waarschuwing tegen de Khariji-stroming uit. Hij voorspelde dat de aanvaarding van hun theologie in de gemeenschap, indien zij niet door wijsheid en geduldig dispuut werd weerlegd, in de eeuwen erna tot een blijvende bron van verdeeldheid zou groeien. Hij raadde ʿAli ﵁ aan om in zijn omgang met de Khawarij in Harura niet alleen Ibn ʿAbbas ﵁ in het dispuut te brengen maar ook andere geleerde Sahabah ﵃, om in een collectieve weerlegging een effect te bereiken dat een enkele dispuut niet kon bereiken.

ʿAli ﵁ luisterde, maar hij koos voor de inzet van Ibn ʿAbbas ﵁ alleen, in de overtuiging dat de juridische diepte van zijn neef voor het dispuut voldoende was. De inzet had, zoals reeds is vermeld, het effect dat ongeveer tweeduizend mannen uit Harura terugkwamen naar Kufa. Maar de kern van de Khariji-stroming bleef onaangetast, en zou in de jaren erna in Nahrawan opnieuw tot een gewapende oppositie uitgroeien.

De terugkerende vraag van de buit

Een van de drie kritieken die de Khawarij in Harura tegen ʿAli ﵁ inbrachten, ging over de Slag van de Kameel. ʿAli ﵁ had daar gestreden, maar hij had geen gevangenen genomen en geen buit laten verdelen. Hun redenering was dat, indien zijn tegenstanders ongelovigen waren geweest, hun gevangenen en hun goederen hem toekwamen, en dat hij hen, indien zij gelovigen waren geweest, niet had mogen bestrijden. Ibn ʿAbbas ﵁ antwoordde met een wedervraag: zouden zij dan hun moeder ʿAʾisha ﵂ als gevangene willen nemen, en van haar wettig verklaren wat zij van andere gevangenen wettig verklaarden? Wie dat bevestigde, verviel in ongeloof, en wie ontkende dat zij hun moeder was evenzeer, want de Quran noemt de vrouwen van de Boodschapper ﷺ de moeders van de gelovigen. De redenering werd door een deel van de Khawarij aanvaard en door een ander deel niet, en de tweedeling in hun reactie op de antwoorden van Ibn ʿAbbas ﵁ zou in de jaren erna in hun verdere theologische ontwikkeling worden meegedragen.

De waarschuwingen van wie zwegen in deze maanden

In de maanden tussen de mislukte arbitrage en de mobilisatie tegen Nahrawan was een aanzienlijk deel van de senior Sahabah ﵃ in Medina in een toestand van zwijgzaamheid die in latere bronnen breed werd beschreven. ʿAbdullah ibn ʿUmar ﵁, Saʿd ibn Abi Waqqas ﵁, Usama ibn Zayd ﵁, en een aantal anderen hadden zich vanaf het begin van de fitnah uit elke politieke handeling teruggetrokken en weigerden in welke kamp dan ook in militaire of administratieve zin deel te nemen. Zij hielden zich bij de moskee, bij de hajj, bij de juridische zaken die in hun nabijheid werden voorgelegd, en zij gaven aan wie hen om hun politieke positie vroeg, antwoorden waarin zij hun keuze voor neutraliteit als de enige verdedigbare ijtihad in een fitnah-tijd verdedigden. Zij baseerden hun positie op een aantal overleveringen van de Boodschapper ﷺ over de fitnah-tijd waarin hij had aangeraden tot het wegbergen van het zwaard en tot het terugtrekken in de moskee.

Voor ʿAli ﵁ was de zwijgzaamheid van deze mannen geen comfort. Hij had gehoopt dat zij in zijn kalifaat zouden bijdragen, ofwel in militaire functies ofwel in raadgevende functies. Hun zwijgen ontnam hem een laag van senior autoriteit die zijn ambt in de gemeenschap had kunnen versterken. Maar hij respecteerde hun keuze. Hij stuurde geen koeriers naar Medina om hen tot deelname te dwingen. Hij sprak in zijn khutbahs in Kufa niet ongunstig over hen. Hij liet hen in hun positie en hij hoopte dat in een latere fase zij zich wellicht alsnog bij hem zouden aansluiten. Die latere fase kwam, voor wat hen betreft, niet meer in zijn leven.

De fragmentarische staat van het kalifaat na de arbitrage

Na de arbitrage van Dumat al-Jandal was het kalifaat in een fragmentarische staat dat in de geschiedenis van de Islam tot dan toe geen voorganger had. Sham erkende Muʿawiya ﵁ als khalifah. Iraq erkende ʿAli ﵁ als khalifah. Yemen, Bahrain en Mekka erkenden ʿAli ﵁ als khalifah. Egypte was nog in een tussenpositie maar zou in het jaar 38 onder Muʿawiya ﵁ vallen. De Khawarij in Nahrawan erkenden geen van beide kalifahs en wachtten op een mogelijkheid om hun eigen Khariji-kalifaat te vestigen. Dit was geen staatsvorm in de zin waarin de eerste drie khalifahs het kalifaat hadden gevoerd. Het was een verdeelde gemeenschap waarin verschillende aanvoerders aanspraak maakten op het ambt, en waarin de gewone gelovige in zijn provincie de aanstelling van zijn lokale gouverneur volgde zonder een eenduidig centraal gezag te erkennen. In de werken van Ibn Khaldun ﵀ in een latere eeuw zou deze fragmentarische staat als de eerste verschijning van het patroon van politieke verdeling worden beschreven dat in de geschiedenis van de Islam later in elke generatie in andere vormen zou terugkeren.

Bronnen

  • Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk 1995), p. 190 (de arbitrage in Dumat al-Jandal), p. 190 (de truc van ʿAmr ﵁ tegen Abu Musa ﵁), p. 190 (afsplitsing van de Khawarij naar Harura en daarna Nahrawan), p. 191 (de moord op ʿAbdullah ibn Khabbab ﵁ door de Khawarij).
  • at-Tabari ﵀, Tarikh ar-Rusul wa al-Muluk, jaar 37 (het verslag van Abu Mikhnaf over Dumat al-Jandal).
  • Qadi Abu Bakr ibn al-ʿArabi ﵀, al-ʿAwasim min al-Qawasim (kritiek op dat verslag).
  • Het debat van Ibn ʿAbbas ﵁ met de Khawarij: an-Nasaʾi ﵀, al-Khasaʾis; al-Hakim ﵀, al-Mustadrak; ʿAbd ar-Razzaq ﵀, al-Musannaf.