Conflict met Talha ﵁, Zubayr ﵁ en Aisha ﵂
Twee maanden na de bayʿah verzochten Talha ﵁ en Zubayr ﵁ ʿAli ﵁ om verlof naar Mekka voor de ʿumrah. Wat als een pelgrimage begon, werd in de woestijn tussen Mekka en Basra een leger van zeshonderd ruiters, met de Moeder van de Gelovigen als hun symbool.
De vraag om verlof
Talha ibn ʿUbaydillah ﵁ en az-Zubayr ibn al-ʿAwwam ﵁ waren in de eerste weken na de bayʿah niet zwijgzaam geweest. Beiden hadden hun hand op die van ʿAli ﵁ gelegd op de vrijdag in de moskee. Beiden hadden zich verwacht dat ʿAli ﵁ hen na zijn aanstelling met bestuurlijke verantwoordelijkheid zou bekleden; Talha ﵁ had op het gouverneurschap van Basra, en Zubayr ﵁ op dat van Kufa, of, in een andere lezing, beiden op een van die provincies, gehoopt. ʿAli ﵁ had hen die hoop niet vervuld. Hij had Basra aan ʿUthman ibn Hunayf ﵁ gegeven en Kufa aan ʿUmarah ﵁. Hij had Talha ﵁ en Zubayr ﵁ in Medina gehouden, in zijn nabijheid, in een positie van overleg zonder eigen ambt.
Een tweede grief had zich daar bij hen al spoedig aan toegevoegd. Beiden eisten, met aandrang, dat ʿAli ﵁ de mannen die ʿUthman ﵁ hadden gedood zou aangrijpen en de hadd over hen zou voltrekken. ʿAli ﵁ antwoordde dat hij dat in de huidige toestand niet kon doen, omdat het leger waarover hij beschikte voor een aanzienlijk deel uit diezelfde mannen bestond, en dat een poging om hen onmiddellijk te grijpen onvermijdelijk tot bloedige scènes in de straten van Medina zou leiden zonder dat zij door een bevoegd gerecht zouden zijn berecht. Hij wilde, zei hij, eerst de bayʿah in alle provincies vastleggen en pas daarna de zaak rondom de moordenaars op een rustig moment voor een gerechtelijke beslissing brengen. Talha ﵁ en Zubayr ﵁ aanvaardden deze uitleg niet. Voor hen was de eis tot bloedwraak voor de derde khalifah een verplichting die geen uitstel duldde.
In deze toestand kwamen beiden in de tweede maand van de khilafat van ʿAli ﵁ tot hem met een verzoek dat in de woorden onschuldig klonk:
Talha ﵁ en Zubayr ﵁: O Amir al-Muʾminin, sta ons toe om naar Mekka te reizen voor de ʿumrah. Wij hebben het gelofte op ons gelegd toen de fitnah zich aankondigde.
ʿAli ﵁ luisterde, en hij begreep wat er werd uitgesproken en wat er werd verzwegen. Hij wist dat in Mekka de Moeder van de Gelovigen verbleef, dat zij van de moord op ʿUthman ﵁ had vernomen tijdens haar hajj, dat zij in het eerste bericht onbegrip en in het tweede bericht woede had geuit, en dat zij in haar woede luid had verklaard te willen dat de moordenaars werden bestraft. Hij wist dat het samengaan van Talha ﵁, Zubayr ﵁ en de Moeder van de Gelovigen in Mekka een politieke samenwerking zou kunnen worden die niet meer in Medina onder zijn gezag terug te brengen was. Maar hij wist ook dat hij geen rechtmatige grond had om de twee Sahabah ﵃ binnen Medina te houden tegen hun wil. Hij liet hen gaan. De overlevering die Suyuti ﵀ in samenvatting bewaart, voegt eraan toe dat hij hen daarbij vroeg of zij van plan waren tegen hem in opstand te komen, en dat zij beiden bij Allah ﷻ zwoeren dat zij niets dergelijks beraamden.
Kaart laden...
Mekka als verzamelpunt
Toen Talha ﵁ en Zubayr ﵁ Mekka bereikten, vonden zij de Moeder van de Gelovigen daar in een toestand waarin de eerste woede was overgegaan in een vast voornemen. ʿAʾisha bint Abi Bakr ﵂ had in de weken voor hun aankomst overlegd met wie van haar verwanten van Banu Taym en met wie van de Mekkaanse notabelen die de bayʿah aan ʿAli ﵁ niet hadden gegeven. Zij had besloten dat de gemeenschap niet zou rusten zolang de moordenaars van ʿUthman ﵁ niet waren gestraft. Zij had bovendien een politieke lezing van de gebeurtenissen die in haar persoonlijke aanvoelen wortelde, en die in de overlevering die Suyuti ﵀ via Ibn ʿAsakir ﵀ bewaart, in een enkele scène samengevat lag. Toen aan haar werd bericht dat ʿAli ﵁ de bayʿah had aanvaard, sprak zij:
ʿAʾisha ﵂: Zijn schurken zijn vrij van de straf voor wat zij ʿUthman ﵁ hebben aangedaan. Bij Allah ﷻ, deze toestand zal niet voortduren tot wij zijn rechtmatige bloed hebben opgeëist.
Met de komst van Talha ﵁ en Zubayr ﵁ kreeg de Mekkaanse partij wat zij tot dan toe niet bezat: twee senior Sahabah ﵃ die in Medina bayʿah hadden gegeven en die nu, op de grond van de eis tot bloedwraak, in hun eigen consciëntie meenden dat de bayʿah onder de huidige omstandigheden niet bindend was. De drie zaten in overleg, en zij besloten tot een politiek-militaire onderneming die in de geschiedenis van de Islam geen voorbeeld kende. Zij zouden een gezamenlijke colonne uitrusten en oprukken naar Basra. Daar zouden zij de gouverneur van ʿAli ﵁, ʿUthman ibn Hunayf ﵁, vervangen door een eigen aanstelling. Vandaar zouden zij oproepen tot een algemene bestraffing van wie ʿUthman ﵁ hadden gedood, en zij zouden van Basra uit een leger formeren dat ʿAli ﵁ tot een eensluidende handeling zou dwingen.
Onderweg naar Basra
Zeshonderd ruiters trokken in Jumada al-Akhirah van het jaar 36 uit Mekka. De ruwheid van het project was niet aan ieder van hen gelijk. Talha ﵁ en Zubayr ﵁ rationaliseerden hun deelname als een herstel van de orde; ʿAʾisha ﵂ als de eis van een Moeder van de Gelovigen die de moord op haar verwant in clan en geloof niet onbestraft kon laten. Er waren mannen onder de ruiters die ronduit de macht zochten. Er waren ook mannen die in de stille hoop reden dat in de woestijn een onderhandelaar van ʿAli ﵁ hen zou treffen en het hele plan in een vredesregeling zou kunnen ombuigen.
Op een halte aan een waterput, in het gebied van Banu ʿAmir, hoorde de colonne het blaffen van honden. Het was nacht. ʿAʾisha ﵂ riep naar de wegwijzer hoe de waterput heette. De wegwijzer antwoordde: het is de waterput van al-Hawʾab. Bij het horen van die naam huiverde zij. Zij riep dat de colonne moest stoppen. Zij wilde terug naar Mekka. Zij vroeg om water en zat tot in het ochtendgrauwen op haar kameel.
Wat ʿAʾisha ﵂ in dit moment terugriep, was een woord dat de Boodschapper ﷺ jaren eerder tot zijn vrouwen had gesproken. Hij had gezegd, in een hadith dat in latere bronnen op verschillende keten is bewaard, dat één van zijn vrouwen door de honden van al-Hawʾab zou worden geblaft, en dat zij in een toestand van openbare twist zou zijn. Wie de hadith kende, kon onmogelijk de naam al-Hawʾab horen zonder eraan te denken. ʿAʾisha ﵂ was geen vrouw die zulke aanwijzingen lichtvaardig opnam. Zij zat in haar tent en zij snikte. Zij wilde terug. Talha ﵁ en Zubayr ﵁ kwamen tot haar, en met hen kwamen vele anderen, en zij brachten haar getuigen die, uit eigen bereidwilligheid of onder druk, zwoeren dat de waterput niet al-Hawʾab was maar een andere die zoiets klonk. Een van de senior overleveraars, ʿAbdullah ibn az-Zubayr ﵁ haar neef, bracht een man na een man tot het wilde zweren over deze naam. Het werd, naar wat de geschiedschrijvers later optekenden, de eerste collectieve eed in de Islam die als vals werd beoordeeld door wie de aangezichten kende.
ʿAʾisha ﵂ liet zich, na vele uren, overhalen om verder te gaan. Maar de aarzeling die zij op die nacht had geuit, zou haar tot aan haar laatste dag bijblijven, en zij zou er later, in haar latere jaren in Medina, in stilte op terugkomen.
De aankomst voor Basra
De colonne bereikte Basra in Rabi ath-Thani van het jaar 36. De stad was nog onder het gouverneurschap van ʿUthman ibn Hunayf ﵁. Hij was, met de senior van de stad, voor de poort gekomen om de groet van de bezoekers te ontvangen. Hij wist dat onder de bezoekers de Moeder van de Gelovigen reed, en hij wist dat hij in zijn ambt geen wapen tegen haar zou heffen. Maar hij wist ook dat zijn ambt was om Basra voor ʿAli ﵁ te bewaren, en dat hij zich niet zonder beraad kon overgeven aan een colonne wier oogmerk hem in onzekerheid hield.
Er volgden onderhandelingen die zich over enkele dagen voortsleepten. Talha ﵁ en Zubayr ﵁ sloten een wapenstilstand met ʿUthman ibn Hunayf ﵁: hij zou Basra blijven besturen, en zij zouden in een kamp buiten de stad blijven, totdat ʿAli ﵁ persoonlijk zou arriveren en de zaak in een vergadering zou worden uitgesproken. Maar de wapenstilstand hield niet. In een nachtelijke handeling, waarbij een handvol mannen van de colonne de wachtposten van de gouverneur overrompelden, werd ʿUthman ibn Hunayf ﵁ gegrepen. Zijn baard werd hem afgesneden, in een gebaar dat in de Arabische cultuur van de eeuw als een onuitwisbare belediging gold. Hij werd uit zijn ambt verdreven en in zijn vrijheid hersteld, maar zonder rang en zonder gezag. De colonne bezette het bestuursgebouw. Talha ﵁ en Zubayr ﵁ namen het gezag over de stad in handen. Een aantal mannen uit Basra die in de moord op ʿUthman ﵁ in Medina hadden meegelopen, en die nu in Basra waren teruggekeerd, werd door de colonne opgepakt en zonder gerechtelijke procedure gedood. De getallen die in latere bronnen zijn bewaard, lopen uiteen, maar het cijfer van zes honderd doden bij deze eerste handeling wordt door verschillende overleveraars genoemd.
Het bericht naar Medina
Toen de tijding van wat in Basra was geschied Medina bereikte, riep ʿAli ﵁ zijn raad bijeen. Hij sprak tot wie van de senior Muhajirun en Ansar nog in de stad waren, en hij vroeg hen hun mening. Er was eensgezindheid in de raad dat het oprukken van een gewapende colonne onder leiding van twee Sahabah ﵃ tegen een gouverneur die door bayʿah van Medina was aangesteld, een handeling was waarop niet kon worden gezwegen. Er was ook eensgezindheid dat het de plicht van de khalifah was om deze handeling in zijn vroege fase te keren, want zou zij gedoogd worden, dan zou elke gouverneur in elke provincie zich vrij voelen om zich los te maken van de centrale aanstelling, en de gemeenschap zou in clan-gebaseerde fragmenten uiteenvallen.
Maar er was geen eensgezindheid over de wijze waarop dit moest geschieden. Sommigen onder de raad meenden dat ʿAli ﵁ zelf moest blijven en een leger onder een aangestelde commandant moest sturen, zodat het khalifaat zijn senior gezicht behield voor wie van de provincies naar Medina keek. Anderen meenden dat ʿAli ﵁ persoonlijk moest oprijden, omdat alleen zijn aanwezigheid en zijn rechtstreekse onderhandeling met Talha ﵁ en Zubayr ﵁ de kans bood dat er geen bloed zou worden vergoten. ʿAli ﵁ koos voor het tweede. Hij was, zoals hij in een bekende zin sprak die in latere bronnen is bewaard, niet bereid zijn neef in een veldslag tegen zijn nicht te plaatsen zonder zelf in het veld te staan om hen tot vrede te bewegen.
De toetreding van Kufa
Voor het leger dat ʿAli ﵁ uit Medina kon mobiliseren, was van bescheiden omvang. De stad had geen vast garnizoen; haar bevolking was niet militair geprofileerd. Hij wist dat hij voor een werkelijk operationele macht zou moeten rekenen op Kufa, het grote garnizoenscentrum dat ʿUmar ﵁ had gesticht en dat in de jaren van veroveringen tot een militaire stad van vele tienduizenden was uitgegroeid. Hij stuurde van Medina uit zijn eigen zoon Hasan ﵁ en Ammar ibn Yasir ﵁ vooruit naar Kufa, met een brief aan Abu Musa al-Ashʿari ﵁ die hij in functie had gelaten, om de Kufaanse troepen te mobiliseren.
Abu Musa ﵁ bleek terughoudend. Hij was een man van vrede en hij sprak in de moskee van Kufa een khutbah uit waarin hij de gelovigen aanraadde zich uit de fitnah te onthouden en thuis te blijven. Hij liet de oproep van ʿAli ﵁ niet uitvoeren. Het was Ammar ibn Yasir ﵁, met zijn morele autoriteit als oude Sahabi ﵁ van het eerste uur, en Hasan ﵁ met zijn aanzien als de oudste kleinzoon van de Boodschapper ﷺ, die in de moskee van Kufa de bevolking tot tegenoproep beweegden. Negenduizend Kufanen meldden zich. Met deze contingent, gevoegd bij wie ʿAli ﵁ uit Medina meebracht en bij Ansari die zich op de tocht aansloten, stond hij na enkele weken aan de rand van Basra met een leger van ongeveer twintigduizend ruiters en voetvolk.
Op de drempel van een veldslag
Toen ʿAli ﵁ met zijn leger Basra naderde, zond hij Qaʿqaʿ ibn ʿAmr ﵁, een man die in de slagen van Iraq onder ʿUmar ﵁ naam had gemaakt en in wiens onderhandelingsbekwaamheid hij vertrouwde, vooruit naar de colonne van Talha ﵁ en Zubayr ﵁. Qaʿqaʿ ﵁ sprak met de Moeder van de Gelovigen, met Talha ﵁ en met Zubayr ﵁. Hij vroeg hen wat zij wensten, en hij hoorde dat zij wensten: de bestraffing van de moordenaars van ʿUthman ﵁. Hij antwoordde dat ʿAli ﵁ deze bestraffing ook wenste, maar dat hij haar pas kon uitvoeren wanneer de toestand van de gemeenschap kalm genoeg was om een rechterlijk gerecht te kunnen voeren, en dat hij hen vroeg om zich met hem te verenigen tegen de werkelijke bron van de fitnah, niet om in een veldslag tegen elkaar de hand op te heffen.
De drie aanvaardden dit antwoord, in eerste instantie. Een avond van overleg volgde tussen de kampen, waarbij ʿAli ﵁ en Zubayr ﵁ elkaar afzonderlijk troffen en de oude verwantschap weer voor enkele uren in hun gesprek terugkeerde. ʿAli ﵁ haalde Zubayr ﵁ in herinnering een uitspraak van de Boodschapper ﷺ, die hij eens in hun aller aanwezigheid had geuit, dat Zubayr ﵁ ʿAli ﵁ zou bestrijden terwijl hij hem onrecht aandeed. Zubayr ﵁ herinnerde zich het woord. Zijn ogen vulden zich, en hij verklaarde dat hij niet zou strijden. Hij keerde naar zijn kamp terug met het voornemen zich terug te trekken. De zaak leek tot een vreedzame ontwarring te komen.
Maar in beide kampen waren mannen die de afloop niet konden afwachten. In het kamp van de colonne waren mannen die in Basra hun verwanten hadden zien doden in de namaakprocessen die op de bezetting waren gevolgd. In het kamp van ʿAli ﵁ waren mannen die zelf in Medina ʿUthman ﵁ hadden helpen doden, en die wisten dat een wapenstilstand voor hen waarschijnlijk een doodvonnis betekende. Diep in de nacht, in een handeling die in latere bronnen aan beide zijden van een doelbewuste opzet wordt verdacht, opende een groep onbekenden het vuur tegen de wachten van het andere kamp. De ene wacht antwoordde, de andere wacht antwoordde. Voor de zon van de dag opging, was de wapenstilstand verbroken en stonden twee legers tegenover elkaar in slagorde, zonder dat één van hun aanvoerders de strijd had bevolen.
De stemming in Medina tijdens hun vertrek
Toen Talha ﵁ en Zubayr ﵁ uit Medina naar Mekka vertrokken, was de stemming in Medina niet eenduidig. Een aanzienlijk deel van de senior Sahabah ﵃ die in de stad waren achtergebleven, betreurde hun vertrek. Saʿd ibn Abi Waqqas ﵁, ʿAbdullah ibn ʿUmar ﵁, Usama ibn Zayd ﵁, Muhammad ibn Maslamah ﵁ en anderen kwamen bij ʿAli ﵁ en spraken hun bezorgdheid uit. Zij meenden dat het vertrek van twee senior leden van het tiental in deze fase van het kalifaat van politieke gevolgen kon zijn die geen van hen op het moment kon overzien. ʿAli ﵁ antwoordde met de berusting van een man die in eigen consciëntie geen middel had om de twee terug te houden zonder een precedent te scheppen waarvan hij in de komende jaren spijt zou hebben.
Saʿd ibn Abi Waqqas ﵁: Indien Talha ﵁ en Zubayr ﵁ in Mekka samenkomen met de Moeder van de Gelovigen, zal in het Hijaz een politieke partij ontstaan die in haar wijdte het kalifaat in tweeën zal kunnen splitsen.
ʿAli ﵁: Wat zou ik moeten doen, Saʿd ﵁? Hen onder bewaking houden in de stad van de Profeet ﷺ? Dat is geen handeling die deze stad ooit van haar khalifah heeft gezien. Wij hebben hen vrijgelaten zoals een man elk van zijn broeders vrijlaat. Indien zij in vrijheid een verkeerde keuze maken, dan ligt de last bij wie de keuze maakt, niet bij wie haar toestaat.
Deze houding van ʿAli ﵁ in de eerste week na hun vertrek werd in latere bronnen op verschillende manieren beoordeeld. Sommige overleveraars zagen er een gebrek aan politieke alertheid in. Anderen zagen er de strenge consciëntie van een man die geen instrument van dwang wenste in te zetten dat in de Sunnah van de Boodschapper ﷺ niet gewettigd was. De Composer-overlevering zelf, in de samenvatting van Suyuti ﵀, lijkt eerder bij de tweede lezing aan te sluiten.
De brief van ʿAʾisha ﵂ aan Umm Salama ﵂
In de weken in Mekka, voor het vertrek van de colonne naar Basra, schreef ʿAʾisha ﵂ een brief aan haar mede-Moeder van de Gelovigen Umm Salama ﵂, die in Medina verbleef. Zij vroeg Umm Salama ﵂ om zich bij haar in Mekka te voegen voor wat zij beschreef als een onderneming die het bloed van ʿUthman ﵁ moest wreken. Umm Salama ﵂ antwoordde met een brief die in latere bronnen breed is bewaard en die in haar inhoud een tegengeluid bood aan de Mekkaanse partij. Zij verklaarde dat de Boodschapper ﷺ in zijn leven aan zijn vrouwen had opgedragen om in hun huizen te blijven, en dat zij in eigen consciëntie deze opdracht niet ging schenden voor een politieke onderneming wier afloop zij niet kon voorzien. Zij raadde ʿAʾisha ﵂ aan om naar Medina terug te keren en zich aan dezelfde opdracht te houden. ʿAʾisha ﵂ ontving de brief, maar zij volgde de raad niet. Het is een fragment dat in latere overleveringen vaak werd aangehaald als bewijs dat de Moeder van de Gelovigen reeds vóór haar vertrek uit Mekka aan haar mede-Moeder van de Gelovigen een tegengestelde lezing van de plicht had ontvangen.
De koeriers die in de woestijn voorbij elkaar reden
In de weken voor de aankomst van de Mekkaanse colonne voor Basra reden in de woestijn tussen Mekka en Basra een aantal koeriers heen en weer met brieven van beide zijden. ʿAli ﵁ probeerde via koeriers de senior leiders in Basra, die in de jaren onder ʿUthman ﵁ als notabelen van de stad waren opgekomen, op te roepen tot trouw aan zijn gouverneur ʿUthman ibn Hunayf ﵁. De Mekkaanse colonne stuurde koeriers met soortgelijke boodschappen aan dezelfde mannen, met de tegengestelde oproep tot trouw aan wie in de naam van het wreken van de derde khalifah optrok. Twee van deze koeriers troffen elkaar volgens een overlevering toevallig in een halte aan dezelfde waterput in de Najd, en zij zaten enige uren samen voor zij elk in tegengestelde richting verder reden, in een fragment dat in latere bronnen als symbool werd aangehaald voor de paradox van een gemeenschap die in haar binnenste correspondentie reeds in twee tegengestelde lijnen sprak.
De bemiddeling van Umm Salama ﵂
In de weken na het vertrek van ʿAʾisha ﵂, Talha ﵁ en Zubayr ﵁ uit Mekka in de richting van Basra, schreef Umm Salama ﵂ van Medina nog een tweede brief aan haar mede-Moeder van de Gelovigen, ditmaal in een toon waarin zij de gevolgen van het Mekkaanse besluit in heldere bewoording uiteenzette. Zij waarschuwde ʿAʾisha ﵂ dat haar aanwezigheid in een militaire colonne, ongeacht hoe oprecht haar motivering ook was, in de gemeenschap een precedent zou scheppen waarvan de gevolgen niet meer ongedaan konden worden gemaakt. Zij voerde de overlevering aan dat de Boodschapper ﷺ aan zijn vrouwen had opgedragen om in hun huizen te blijven, en zij wees erop dat deze opdracht in zijn essentie geen lichte aanbeveling was maar een dringende vermaning. De brief bereikte ʿAʾisha ﵂ in het kamp van de colonne onderweg naar Basra. Zij las hem en zij schreef geen antwoord. Het is een fragment dat in latere bronnen werd bewaard als bewijs dat de Moeder van de Gelovigen in de uitvoering van het Mekkaanse plan in eigen consciëntie de waarschuwing van haar mede-Moeder had ontvangen en haar had genegeerd, en dat haar latere spijt na de Slag bij de Kameel deze waarschuwing in herinnering had geroepen.
De afzondering van Saʿd ibn Abi Waqqas ﵁
In de weken voor de mobilisatie naar Basra trok Saʿd ibn Abi Waqqas ﵁, een van de zes leden van de Shura van ʿUmar ﵁ en een van het tiental aan wie de Boodschapper ﷺ het paradijs had toegezegd, zich uit elke politieke handeling terug. Hij verklaarde in een gesprek met wie hem om zijn positie vroeg, dat hij in eigen consciëntie geen wapen wilde heffen tegen een moslim, en dat hij in een fitnah-tijd in zijn eigen huis zou blijven. Hij weigerde de bayʿah aan ʿAli ﵁ te bevestigen, maar hij weigerde ook met Talha ﵁ en Zubayr ﵁ mee te gaan, of zich op enige wijze bij Muʿawiya ﵁ aan te sluiten. Zijn afzondering werd in Medina opgemerkt en in latere bronnen breed bewaard. ʿAli ﵁ liet hem in zijn afzondering ongemoeid; hij stuurde geen koeriers om hem tot deelname te dwingen en hij sprak in zijn khutbahs niet ongunstig over hem. Saʿd ﵁ zou in deze afzondering blijven tot zijn dood in het jaar 55, in Medina, na de hele eerste fitnah te hebben overleefd zonder in welke veldslag dan ook een zwaard te hebben getrokken.
Bronnen
- Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk 1995), pp. 184–186 (verlofverzoek, Mekkaanse partij, opmars naar Basra), p. 185 (waterput van al-Hawʾab en de eed van haar metgezellen), p. 186 (bezetting van Basra en optreden tegen ʿUthman ibn Hunayf ﵁), p. 186 (mobilisatie van Kufa via Hasan ﵁ en Ammar ﵁), p. 187 (gesprek tussen ʿAli ﵁ en Zubayr ﵁ aan de vooravond van de slag).