De verhuizing van de hoofdstad naar Kufa
In Rabiʿ al-Akhir van het jaar 36 verliet ʿAli ﵁ Medina voor de laatste maal als khalifah. Na de Slag van de Kameel bereikte hij in Rajab Kufa, en de stad van de Profeet ﷺ raakte voor het eerst sinds de hijra haar functie als hoofdstad van het kalifaat kwijt.
Waarom Kufa
De keuze van Kufa was geen plotselinge inval. Reeds in de voorbereidingen op de Slag bij de Kameel had ʿAli ﵁ begrepen dat het regeren van het uitgestrekte kalifaat vanuit Medina, dat in de jaren na de overwinningen op Perzië en Byzantium een afgelegen oasis was geworden ten opzichte van de werkelijke militaire en economische centra van de gemeenschap, niet meer praktisch was. De grote massa van het leger zat in Kufa. De grote massa van de jonge generatie die in de veroveringen was groot geworden, zat in Kufa en Basra. De ontvangsten van de bait al-mal stroomden vanuit Iraq en Egypte, niet meer vanuit de Hijaz. De brieven van Damascus, wanneer ze al kwamen, deden er weken over om Medina te bereiken, en de antwoorden eveneens.
ʿAli ﵁ had bovendien in de slag bij de Kameel ervaren dat Kufa de enige stad was die hem, op zijn eerste oproep, met negenduizend gemobiliseerde manschappen had geantwoord. Basra was na de slag onder hem gebracht maar haar bevolking was niet eensgezind genoeg geweest om als militaire basis te kunnen dienen voor wat komen zou. Medina kon hem geen leger leveren. Sham was de thuisbasis van Muʿawiya ﵁ en stond tegen hem. Egypte was wel onder zijn aanstelling, maar Egypte was op vele dagreizen afstand en haar bevolking was politiek niet eensluidend. Kufa daarentegen had hem leger gegeven, en in Kufa zat zijn enige operationele macht.
Kaart laden...
De stille tocht
Toen ʿAli ﵁ Medina verliet, deed hij dat zonder ceremonie. Hij beklom geen minbar om een afscheidsrede te houden. Hij liet geen openlijke processie naar de poort van de stad organiseren. Hij groette de senior Sahabah ﵃ die hij in de stad achterliet in besloten kring, en hij stelde een sober plaatsvervangerschap aan voor de zaken in Medina, in handen van Sahl ibn Hunayf ﵁ en, in een latere fase, van Tammam ibn al-ʿAbbas ﵁. Hij gaf instructie dat in zijn afwezigheid de zaken die in Medina ontstonden naar hem zouden worden doorgestuurd voor zijn beslissing, behalve in zaken van de hadd-bestraffingen die in de stad zelf moesten worden afgewikkeld.
Hij reed niet rechtstreeks naar Kufa. Met een kleine strijdmacht van enkele honderden man trok hij Talha ﵁, Zubayr ﵁ en ʿAʾisha ﵂ achterna, die van Mekka op weg waren naar Basra. Zijn zoons Hasan ﵁ en Husayn ﵁ vergezelden hem. Zijn neef Ibn ʿAbbas ﵁ reisde met hem mee en bleef na de Slag van de Kameel in Basra achter, toen ʿAli ﵁ hem daar tot gouverneur aanstelde. Een aantal van zijn vroegste metgezellen, onder hen ʿAmmar ibn Yasir ﵁ en Malik ibn al-Harith al-Ashtar ﵀, reden in zijn nabijheid. De rest van het gezelschap bestond uit zijn eigen huishouden, een aantal Hashimi-verwanten, en een geleide van wie zich onderweg aansloot.
Zijn weg voerde naar het noordoosten, over ar-Rabadhah naar Dhu Qar, en van daar naar Basra, waar in Jumada al-Akhirah de Slag van de Kameel werd uitgevochten; pas in Rajab bereikte hij Kufa. Wie in de oude bronnen optekende wat onder de tocht werd uitgesproken, bewaarde geen lange klachten van zijn zijde, alleen een korte verzuchting toen hij door de buitenwijken van Medina reed:
ʿAli ﵁: Medina, de stad van de Boodschapper van Allah ﷺ. Indien er een keuze was, zou ik je niet verlaten.
De aankomst in Kufa
De stad Kufa was, in het jaar 36, een militair garnizoenscentrum van ruim een halve eeuw na de aanleg. ʿUmar ﵁ had haar gesticht na de overwinning bij Qadisiyyah, en in de jaren tussen die slag en de aankomst van ʿAli ﵁ was zij uitgegroeid tot een stad met een rijk aantal moskeeën, een eigen markt, een eigen aristocratie van Yemeniete, Mudari en Rabiʿi stammen, en een bevolking waarin de tweede generatie van Sahabah-zonen reeds in aantal die van de oorspronkelijke veteranen overtrof. Zij had een groot openbaar plein, het Maydan al-Kunasah, en haar moskee, de Masjid al-Aʿzam, kon meer gelovigen ontvangen dan elke moskee in de Hijaz behalve die van de Profeet ﷺ en die van Mekka.
ʿAli ﵁ betrok geen nieuwbouw in de stad. Hij weigerde een paleis te aanvaarden of een gouverneurshuis te bezetten dat in zijn ogen meer dan een woning was. Hij koos een eenvoudig huis in de buurt van de hoofdmoskee, en hij liet zijn dochters hun eigen huishoudens in soortgelijke huizen in de wijken eromheen inrichten. Hij hervatte in Kufa de gewoonte die hij in Medina had aangehouden: hij hield zitting in de moskee, hij sliep met een dunne mantel als deken, en hij at wat in zijn huishouden werd toebereid zonder dat zijn maaltijden afweken van wat de gewone Kufaan op zijn tafel had.
In de Masjid al-Aʿzam hield hij in de eerste week na zijn aankomst een khutbah die in Kufa lang in herinnering bleef. Hij begon met de prijzing van Allah ﷻ en met de tashahhud, en hij sprak vervolgens over de geschiedenis die in deze stad in de afgelopen jaren was geschreven, over de mannen die uit haar gelederen onder Saʿd ﵁ bij Qadisiyyah hadden gestreden, over de inkomsten die uit haar veroveringen waren teruggekomen. Hij sprak over de plicht van een gemeenschap die in oorlog was geweest om in haar eigen midden geen oorlog te ontketenen. Hij riep de Kufanen op om in deze fase van de fitnah hun rust en hun rechtvaardigheid niet te laten varen. Hij eindigde, naar de samenvatting die in latere bronnen is bewaard, met een verzuchting:
ʿAli ﵁: O mensen van Kufa, ik ben tot jullie gekomen omdat ik in jullie de mannen vond die op mijn oproep antwoordden. Verlies mij niet in wat komt.
Het bestuur van Kufa als hoofdstad
In de weken na zijn aankomst herstructureerde ʿAli ﵁ het bestuur. Hij stelde een diwan in voor de fiscale zaken van Iraq, met een directeur die rechtstreeks aan hem rapporteerde. Hij belastte ʿAdiy ibn Hatim ﵁, de oude metgezel die nu in Kufa een notabele was geworden, met de organisatie van de wachten en de markten. Hij liet Hujr ibn ʿAdiy ﵁ zorg dragen voor de coördinatie tussen de stam-eenheden in het leger. Hij belastte Malik al-Ashtar ﵀ met de algemene militaire commando-organisatie. Voor de juridische zaken behield hij Shurayh al-Qadi ﵀ in functie, die reeds onder ʿUmar ﵁ als rechter in Kufa was aangesteld en wiens rechterlijke fijngevoeligheid en onpartijdigheid in alle eeuwen tot een spreekwoord zou worden.
In deze periode had de stad een tafereel dat in latere bronnen graag werd verteld. ʿAli ﵁ had op zijn tocht van Medina naar Kufa een wapenrust verloren, een maliënhemd dat hem voor de slag tegen de Khawarij toe nog van pas zou komen. Hij had aangenomen dat het op de weg was achtergebleven. Toen hij in Kufa was, vond hij de wapenrust in de handen van een joodse man. Hij ging tot deze man en zei dat het zijn wapenrust was. De man antwoordde dat het zijn wapenrust was en in zijn hand. ʿAli ﵁ stelde voor naar de qadi te gaan. Zij gingen naar Shurayh ﵀. ʿAli ﵁ ging eerst aan, zat naast Shurayh ﵀, en sprak:
ʿAli ﵁: Was mijn tegenstander geen jood, ik zou naast hem hebben gezeten. Maar ik heb de Boodschapper ﷺ horen zeggen dat wij hen vernederen, voor zover Allah ﷻ hen heeft vernederd.
Shurayh ﵀: Spreek, Amir al-Muʾminin.
ʿAli ﵁: Deze wapenrust die deze jood heeft, is mijn wapenrust; ik heb haar niet verkocht en ik heb haar niet weggegeven.
Shurayh ﵀: Wat zeg jij, jood?
De jood: Het is mijn wapenrust en zij is in mijn bezit.
Shurayh ﵀: Heb je bewijs, Amir al-Muʾminin?
ʿAli ﵁: Ja. Qanbar en al-Hasan ﵁ zullen getuigen dat de wapenrust van mij is.
Shurayh ﵀: Een zoon getuigt niet voor zijn vader. Een knecht getuigt niet ten gunste van zijn meester.
ʿAli ﵁: Een man uit de Tuin, wiens getuigenis niet wordt aanvaard? Ik heb de Boodschapper ﷺ horen zeggen: Hasan ﵁ en Husayn ﵁ zijn de twee meesters van de jeugd van de mensen van de Tuin.
Shurayh ﵀ wees, in naam van de wet, vonnis ten gunste van de jood, en ʿAli ﵁ aanvaardde het vonnis zonder protest. De jood, getroffen door wat hij in deze rechtszaak had gezien, namelijk een khalifah die naast hem stond voor een gewone rechter en die in eigen zaak het ongunstige vonnis aanvaardde, sprak de shahada uit en bracht hem de wapenrust terug als geschenk. ʿAli ﵁ schonk hem, in een verdere edelmoedigheid, een nieuw paard en een stipendium uit de bait al-mal.
De spanning met Sham vanuit Kufa
Toen het bestuur van Kufa op de rails stond, hervatte ʿAli ﵁ de briefwisseling met Muʿawiya ﵁ in Damascus. Hij schreef hem een uitvoerige brief waarin hij de geschiedenis van de bayʿah uiteenzette, de procedures van Saqifa tot de Shura, de positie van Medina als bron van het kalifaat, en de plicht van elke moslim om de bayʿah van de stad van de Profeet ﷺ te aanvaarden. Hij wees Muʿawiya ﵁ erop dat de eis tot bloedwraak voor ʿUthman ﵁ niet door de gouverneur van Sham kon worden ingebracht zolang er geen gerechtelijke procedure was gevoerd, en dat het gerecht van het kalifaat in Kufa zetelde. Hij vroeg, een tweede maal, om de bayʿah.
Muʿawiya ﵁ antwoordde met een brief die in een vluchtige hand was geschreven en die in zijn essentie het standpunt van de eerste lege brief herhaalde: er kon over een bayʿah pas worden gesproken nadat de moordenaars van ʿUthman ﵁ waren uitgeleverd, en aan wie de identiteit van deze moordenaars werd bekendgemaakt. Hij eiste niet uitdrukkelijk het khilafaat voor zichzelf, maar hij weigerde categorisch de aanspraak van ʿAli ﵁ te erkennen zonder voorafgaande genoegdoening voor het bloed van zijn neef.
In Kufa werd de brief voorgelezen in de raad van ʿAli ﵁. Ammar ibn Yasir ﵁ sprak het eerst:
Ammar ﵁: Geen brief meer. Een leger.
ʿAli ﵁ hield zich nog in. Hij wilde een laatste poging tot bemiddeling. Hij stuurde Jarir ibn ʿAbdillah al-Bajali ﵁ naar Damascus met een mondelinge boodschap. Maar in zijn binnenste wist hij dat de oorlog die in de slag bij de Kameel een binnenlands intermezzo was geweest, in de richting van Sham een veldslag van een geheel andere omvang zou worden.
Wat de verhuizing betekende
De verhuizing van Medina naar Kufa was een politieke en militaire noodzaak, maar zij was ook een symbolische breuk. Voor het eerst sinds de hijra zat de khalifah niet meer in de stad waar de Boodschapper ﷺ had geleefd, gepredikt en was begraven. De moskee waarin de eerste gebeden van de gemeenschap waren verricht, stond zonder de aanwezigheid van de khalifah die ervoor verantwoordelijk was. De bait al-mal werd nog wel in Medina beheerd voor lokale zaken, maar de hoofdkas zat nu in Kufa. De juridische zaken die voor de khalifah werden voorgedragen, werden in de Masjid al-Aʿzam van Kufa gehoord. De brieven uit Yemen en Bahrain en Egypte kwamen niet meer aan in Medina maar in Kufa.
Voor Medina was deze verandering een verlies dat zij in de eeuwen erna nooit meer zou herstellen. Onder de Umayyaden zou de hoofdstad naar Damascus verhuizen, onder de Abbasiden naar Baghdad, in de Andalus-eeuw naar Córdoba, in de Fatimiden-eeuw naar Caïro, in de Ottomaanse eeuw naar Istanbul. Geen van deze hoofdsteden zou ooit meer terugkeren naar de Hijaz. De verhuizing van ʿAli ﵁ was de eerste stap op deze weg, en hij was de enige van de vier khalifahs die haar zou zetten.
Voor ʿAli ﵁ zelf was Kufa de stad waarin hij zou regeren, in welke hij zou bidden, in welke hij zijn enige operationele leger zou verzamelen, en uit welke hij in de jaren erna naar Siffin, naar Nahrawan en uiteindelijk niet terugkeren zou. De stad zou na zijn dood om vele eeuwen de bijnaam dragen van Kufa van ʿAli ﵁, en de plek waar hij in de Masjid al-Aʿzam in zijn laatste fajr-gebed zou worden geslagen, zou een bedevaartplaats worden voor wie zijn nagedachtenis eerden.
De aankomst van Ibn ʿAbbas ﵁ als raadgever
In de eerste weken in Kufa kwam Ibn ʿAbbas ﵁ uit Basra naar zijn neef. Hij wenste in eigen overleg met ʿAli ﵁ de stand van het kalifaat door te nemen, en hij wenste in te brengen wat in Basra in het bestuur en in de gemeenschap leefde. De twee mannen zaten samen in de eenvoudige woning die ʿAli ﵁ in Kufa had betrokken, en zij spraken over de zaak van Sham, de zaak van Egypte, de fiscale stromen, en de stemming in de provincies. Ibn ʿAbbas ﵁ raadde ʿAli ﵁ aan om vóór een tweede campagne tegen Sham eerst Egypte in zijn aanstelling te bevestigen, zodat hij voor zijn rugfinanciering een tweede provincie zou hebben naast Iraq. ʿAli ﵁ luisterde, maar hij wenste het eerste oog op Sham te houden, want hij meende dat Egypte zonder een Shamse aanvalskracht in zijn aanstelling stabiel zou blijven en dat Sham de werkelijke politieke en militaire bedreiging vormde. De gebeurtenissen zouden later, in de Shamse invasie van Egypte onder ʿAmr ﵁, het inzicht van Ibn ʿAbbas ﵁ bevestigen.
De rust van Kufa als pseudoniem voor crisis
Wat in de eerste maanden in Kufa als rust voorkwam, was in feite een toestand waarin de stad zich nog moest aanpassen aan haar nieuwe rol als hoofdstad. De moskeeën van Kufa, die in de jaren onder Saʿd ﵁ en de latere gouverneurs als plaatsen van gebed en juridische beslissing hadden gefungeerd, werden nu plaatsen waar de khalifah persoonlijk uit het gebed kwam om in een naburige hoek de petities aan te horen die uit elke provincie van het kalifaat naar hem kwamen. Brieven uit Yemen en Bahrain en Egypte arriveerden dagelijks. Het diwan van Kufa, dat onder de vorige gouverneurs een lokale fiscale administratie was geweest, moest nu uitgebreid worden tot een centrale administratie die de fiscale stromen van het hele oosten van het kalifaat moest verwerken. De moeite die in deze aanpassing zat, was voor wie er oog voor had niet onaanzienlijk, en zij verklaarde mede waarom ʿAli ﵁ in deze eerste maanden geen militaire campagne naar Sham kon ondernemen ondanks de aandrang die van ʿAmmar ﵁ en anderen kwam.
De bouw van het nieuwe diwan
Een van de eerste administratieve handelingen van ʿAli ﵁ in Kufa was de uitbreiding van het diwan tot een centrale administratie die de fiscale stromen van het oosten van het kalifaat kon verwerken. Hij liet een aantal kamers in een gebouw nabij de moskee inrichten voor de klerken, en hij stelde een directeur aan die rechtstreeks aan hem rapporteerde. De directeur was ʿUbaydullah ibn Abi Rafiʿ ﵀, een zoon van de freed-slaaf van de Boodschapper ﷺ, een man die in zijn vroege jeugd het Arabische schrift had geleerd in een kring rondom Zayd ibn Thabit ﵁ in Medina en die in zijn juridische bekwaamheid en in zijn fiscale fijngevoeligheid voor de positie bij uitstek geschikt was. Hij hield de boeken van het diwan in een orde die in latere generaties als referentie zou worden aangehaald, en hij voerde een correspondentiestijl in waarin elke brief uit een provincie binnen drie dagen een antwoord uit Kufa kreeg.
De moskee van Kufa en haar betekenis
De Masjid al-Aʿzam van Kufa, waarin ʿAli ﵁ in deze jaren zitting zou houden, was een van de grootste moskeeën van het kalifaat van die tijd. Zij was gesticht in de jaren onder ʿUmar ﵁ na de stichting van de stad zelf, en zij was in haar architectonische vorm een eenvoudige overdekte gebedshal met een open binnenplaats die zich naar de Qiblah opende. Haar minbar was van eenvoudige constructie en zij was niet voorzien van de architectonische versieringen die in latere eeuwen onder de Umayyaden en de Abbasiden in moskeeën van die rang gebruikelijk zouden worden. Wie haar in deze tijd betrad, vond een ruime, sobere ruimte waarin het gemeenschapsgebed in een orde werd gevoerd die in haar fijngevoeligheid voor de Sunnah van de Boodschapper ﷺ in geen andere moskee van het oosten van het kalifaat haar evenknie had.
In deze moskee was de zetel van ʿAli ﵁ geen kantoor in de zin waarin een paleisbestuurder een kantoor zou hebben. Hij zat op een mat naast de minbar, met enkele klerken bij zich en met de petities die in een eenvoudige doos in zijn nabijheid werden gelegd. Wie een petitie wenste in te dienen, kwam tot hem zonder bemiddelende secretaresse en sprak hem direct aan. Hij verklaarde reeds in de eerste maanden van zijn aankomst dat hij geen geheime kamer en geen private audiëntie wenste, en dat elke zaak die in zijn ambt werd voorgelegd, in tegenwoordigheid van wie van de gemeenschap in de moskee aanwezig waren, zou worden gehoord en beslist. Het was een vorm van bestuur die in zijn doorzichtigheid een directe voortzetting was van wat ʿUmar ﵁ in Medina had geoefend, en zij maakte op de bevolking van Kufa een indruk die in latere bronnen breed is bewaard.
De aankoop van een mantel
Een overlevering die in Kufa lang werd bewaard, betrof een eenvoudige transactie in de markt van de stad. ʿAli ﵁ kwam op een dag tot de constatering dat zijn enige mantel versleten was. Hij zond zijn slaaf Qanbar naar de markt om een nieuwe mantel te kopen. Qanbar bracht twee mantels: een van vier dirhams en een van drie dirhams. ʿAli ﵁ koos voor de mantel van drie dirhams en sprak tot Qanbar dat de mantel van vier dirhams zijn rang als khalifah niet rechtvaardiger maakte dan de mantel van drie dirhams en dat de extra dirham aan een arme in de stad moest worden gegeven. Qanbar voerde de instructie uit. De overlevering werd in latere bronnen aangehaald als een van vele anekdotes over de eenvoud waarmee ʿAli ﵁ zijn ambt droeg, en zij stond in scherp contrast met de wijze waarop in latere eeuwen kalifahs in hun paleizen zouden leven met kledij die honderden keren de waarde van een werkmansjaarinkomen vertegenwoordigden.
Bronnen
- Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk 1995), p. 188 (verhuizing naar Kufa), pp. 204–205 (rechtszaak voor Shurayh ﵀ over de wapenrust en de bekering van de jood), p. 188 (briefwisseling met Muʿawiya ﵁ in vroege fase).