InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Onderhandelingen met Muʿawiya ﵁

Onderhandelingen met Muʿawiya ﵁

Tussen Kufa en Damascus reden in de winter van 36–37 koeriers met brieven en delegaties, in een laatste reeks pogingen om de bayʿah aan ʿAli ﵁ in Sham te bewerkstelligen zonder dat een veldslag noodzakelijk zou worden. Het lukte niet.

De delegatie van Jarir ﵁

ʿAli ﵁ koos voor zijn eerste persoonlijke gezant naar Damascus een man die in Sham aanzien genoot. Jarir ibn ʿAbdillah al-Bajali ﵁ was een Sahabi ﵁ van de oudere generatie, een leider van de stam Bajilah, een man die in de tijd van ʿUmar ﵁ aan veroveringen in Iraq en Persië had deelgenomen en wiens gezicht in de moskee van Damascus geen onbekende was. Hij werd door ʿAli ﵁ naar Sham gestuurd met een uitvoerige brief en met de mondelinge instructie om in onderhandelingen niets toe te geven over de bayʿah, maar om bereid te zijn om elke procedurele schikking te treffen die Muʿawiya ﵁ in staat zou stellen zijn bayʿah te geven zonder gezichtsverlies.

Jarir ﵁ bereikte Damascus en werd in het paleis ontvangen. Muʿawiya ﵁ hoorde hem aan in een audiëntie van enkele uren. Hij gaf geen antwoord die dag. Hij liet Jarir ﵁ in een gastenverblijf onderbrengen en zond zijn beste adviseurs naar de gast. Onder hen waren ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁, die juist uit Palestina naar Damascus was gekomen, en een aantal van de senior van Sham. Zij voerden in de avonden van die week met Jarir ﵁ gesprekken die in vorm onderhandelingen leken, maar die in essentie tijdwinst dienden. Muʿawiya ﵁ was met de mobilisatie van Sham bezig. Hij wist dat elke dag dat Jarir ﵁ in Damascus zat een dag was waarop ʿAli ﵁ niet oprukte, en hij gebruikte die dagen om zijn leger in slagorde te formeren.

Na enige weken gaf Muʿawiya ﵁ zijn antwoord. Hij weigerde de bayʿah te geven zonder voorafgaande uitlevering van de moordenaars van ʿUthman ﵁. Hij was, zei hij, bereid om bij die uitlevering en bij hun bestraffing voor het gerecht zijn eigen wraakneming op te schorten en met de gemeenschap een nieuw beginpunt te zoeken. Maar de bayʿah, in de huidige toestand, was voor hem niet mogelijk. Jarir ﵁ keerde naar Kufa terug met deze boodschap.

Kaart laden...

ʿAmmar ﵁ en het verzet tegen verder onderhandelen

Toen Jarir ﵁ zijn boodschap in Kufa in de raad van ʿAli ﵁ overbracht, was Ammar ibn Yasir ﵁ de eerste die opstond. Hij was nu een man van ruim negentig jaar, een Sahabi ﵁ wier moeder Sumayyah ﵂ de eerste martelares van de Islam was geweest, een man die de Boodschapper ﷺ in Mekka had gediend in zijn vroegste jaren en die in elke veldslag van Medina had meegestreden. Zijn morele autoriteit in Kufa was, naast die van ʿAli ﵁ zelf, ongeëvenaard. Hij sprak in een toon die in latere bronnen is bewaard:

Ammar ﵁: Genoeg met brieven en boodschappen. De zaak van Muʿawiya ﵁ is van de aard dat geen woord haar zal oplossen. Hij bedoelt niet wat hij zegt, en hij zal geen bayʿah geven uit eigen vrije wil. Indien hij ze niet uit vrije wil geeft, dan zal hij ze onder druk moeten geven. Wij hebben de mannen, wij hebben de wapens. Laat de Amir al-Muʾminin het bevel geven.

ʿAli ﵁ was geneigd Ammar ﵁ te volgen, maar hij koos voor één laatste poging. Hij riep tot zich een tweede delegatie. Hij stuurde mannen die in Sham bekend waren, en die hun eigen netwerken in de provincie zouden kunnen aanboren. Hij stuurde brieven aan de senior Sahabah ﵃ die nog in Damascus woonden, en hij vroeg hun in te grijpen bij de gouverneur. De antwoorden waren teleurstellend. Wie nog in Damascus woonde van de senior Sahabah ﵃ was in aantal gering, en hun stem werd door de meerderheid van Sham overstemd. De rouw om ʿUthman ﵁ was in de provincie tot een algemene mobilisatie omgevormd, en wie zich daartegen openlijk uitsprak, kon zich niet meer in vrijheid bewegen.

Sham als afzonderlijke politieke vorm

Wat in deze maanden van onderhandelingen langzaam zichtbaar werd, was dat Sham onder Muʿawiya ﵁ in de twintig jaar tussen de overwinning bij Yarmuk en het jaar 37 een politieke vorm had aangenomen die in geen andere provincie van het kalifaat haar gelijke had. ʿUmar ﵁ had Muʿawiya ﵁ naar Sham gestuurd na de dood van zijn broer Yazid ﵁, met de instructie om de provincie te besturen volgens dezelfde beginselen die voor de andere provincies golden. Maar Sham was bijzonder. Het was de provincie met de meeste Byzantijnse infrastructuur, de provincie waarin de Christelijke meerderheid van de bevolking nog steeds een culturele zwaarte had die het Arabische bestuur in zijn omgang moest meerekenen, de provincie die door haar geografische ligging een permanente militaire grens met de Byzantijnen onderhield. Muʿawiya ﵁ had in zijn lange ambtsperiode geleerd hoe deze provincie te besturen, en hij had de bevolking aan zich gebonden door een combinatie van militaire competentie, persoonlijke vrijgevigheid, en de slimme omgang met de stammen van Quda’a en Kalb die hem militaire macht leverden.

Toen ʿUthman ﵁ werd vermoord en de bayʿah aan ʿAli ﵁ werd gegeven, beschikte Muʿawiya ﵁ over een instrument dat geen andere gouverneur van het kalifaat bezat: een eigen leger dat aan hem persoonlijk loyaal was, een eigen stamcoalitie die zijn bewind had aanvaard als de natuurlijke orde van Sham, en een fiscale onafhankelijkheid die hem in staat stelde om jaren door te zetten zonder dat hij subsidie uit de centrale bait al-mal nodig had. Hij was, kort gezegd, de enige gouverneur van het kalifaat die in militaire zelfstandigheid de centrale aanstelling kon weigeren.

De koeriers tussen Kufa en Damascus

Het briefwisseling tussen de twee hoofdsteden ging in de winter van 36–37 met regelmaat door. Aan elke kant werd zorgvuldig elk woord gewogen. Aan ʿAli ﵁ zijn zijde was er een principekwestie: hij kon de bayʿah niet onderhandelen als een politiek akkoord, omdat zij in zijn lezing de eensluidende erkenning van het kalifaat door de gemeenschap was, en geen onderwerp van handel tussen twee partijen. Aan Muʿawiya ﵁ zijn zijde was er een politiek probleem: hij kon geen bayʿah geven zolang de bevolking van Sham hem als wreker van ʿUthman ﵁ zag, en hij kon de bevolking deze positie niet ontnemen zonder zijn eigen draagvlak te ondergraven.

In een van de brieven die in latere bronnen is bewaard, schreef ʿAli ﵁ aan Muʿawiya ﵁ een zin die in haar beknoptheid de hele zaak samenvatte:

ʿAli ﵁: Bij Allah ﷻ, ik ben niet in staat jou aan te stellen, terwijl de gemeenschap jou niet als haar leider heeft aangenomen. Wat is jouw beweegreden voor mijn aanstelling, dan niet te volgen wat de gemeenschap heeft beslist?

Muʿawiya ﵁ antwoordde, in een brief die door zijn eigen kanselier ʿAbd ar-Rahman ibn Ghanm ﵁ was geformuleerd, met de eis die hij vanaf het begin had gesteld: het bloed van ʿUthman ﵁ moest worden gewroken. Zolang dat niet was gebeurd, en zolang ʿAli ﵁ in zijn omgeving mannen herbergde die in de moord betrokken waren, kon Sham geen bayʿah aanbieden.

De rol van ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁

In deze maanden trad ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁, de man die in de jaren van ʿUmar ﵁ Egypte had veroverd en die in de jaren van ʿUthman ﵁ uit zijn gouverneurschap was gehaald, in dienst van Muʿawiya ﵁. Hij kwam uit zijn afzondering in Palestina naar Damascus en zocht een audiëntie. Hij sprak met Muʿawiya ﵁ in een gesprek dat door wie er later over schreef met enige cynische tinten werd afgeschilderd, en waarin Muʿawiya ﵁ hem het gouverneurschap van Egypte beloofde wanneer de strijd tegen ʿAli ﵁ zou zijn uitgevochten. ʿAmr ﵁ aanvaardde de overeenkomst en stelde zich onder Muʿawiya ﵁ als zijn voornaamste adviseur en als zijn rechterhand in militaire en politieke aangelegenheden.

Met de toetreding van ʿAmr ﵁ aan zijn zijde verkreeg Muʿawiya ﵁ een man wiens politieke intuïtie en wiens militaire kennis op het niveau van de beste van zijn tijd lagen. ʿAmr ﵁ had in Egypte als gouverneur en als militair commandant ervaring opgedaan die in Sham niemand evenaarde. Hij had bovendien in de gemeenschap een rang als Sahabi ﵁ die in onderhandelingen aanzien gaf. En hij was, in zijn persoonlijke toon, een man die de gevoeligheid van Muʿawiya ﵁ aanvulde met een meer rechtstreekse en in tactiek meer berekende werkwijze.

De laatste poging

Een laatste poging zou pas volgen toen de legers al tegenover elkaar stonden. Vanuit zijn kamp bij Siffin stuurde ʿAli ﵁ een delegatie naar het kamp van Muʿawiya ﵁, in Dhu al-Hijjah van het jaar 36 en opnieuw tijdens de wapenstilstand van Muharram van het jaar 37. Aan het hoofd ervan stond Shabath ibn Ribʿi, een man uit Kufa die in de gevechten van Iraq onder ʿUmar ﵁ had meegevochten. Met hem reden ʿAdiy ibn Hatim ﵁, Yazid ibn Qays ﵀ en enkele anderen. Muʿawiya ﵁ ontving hen, en zij spraken hun boodschap uit: ʿAli ﵁ was bereid om elke garantie te geven die Muʿawiya ﵁ kon vragen wat betreft een gerechtelijke procedure tegen de moordenaars van ʿUthman ﵁ zodra de bayʿah was gegeven en de centrale staat in een rusttoestand was hersteld. Muʿawiya ﵁ antwoordde dat hij eerst de moordenaars wenste, en pas daarna de procedure. De delegatie wees erop dat de identificatie van de moordenaars zelf een gerechtelijke kwestie was die voor het centrale gerecht moest worden gevoerd, en dat geen aanvoerder van een provincie het recht had om deze identificatie aan de centrale staat te ontnemen. Muʿawiya ﵁ herhaalde zijn standpunt. De delegatie keerde terug naar het kamp van ʿAli ﵁, en toen de wapenstilstand aan het einde van Muharram afliep, werden in Safar de gevechten hervat.

De mobilisatie

Toen Jarir ﵁ zonder bayʿah was teruggekeerd en ook de brieven niets hadden opgeleverd, riep ʿAli ﵁ zijn raad bijeen. Hij sprak in een toon die geen ruimte voor verder uitstel liet. Hij maakte duidelijk dat het kalifaat in zijn essentie was bedreigd, niet door een ketterij of door een opstand van Bedoeïenen, maar door de poging van een provincie om zich aan de centrale aanstelling te onttrekken zonder dat zij daartoe een rechterlijke grond had. Indien deze poging slaagde, zo redeneerde hij, zou elke andere provincie in de toekomst hetzelfde kunnen doen, en het kalifaat zou ophouden te bestaan als een verenigde gemeenschap onder één leiding.

Hij gaf het bevel om de Kufaanse troepen te mobiliseren voor een veldtocht naar Sham. Hij liet boodschappen uitgaan naar Basra, naar Yemen, naar Egypte, naar Hijaz, met de oproep aan elke provincie om wie zich vrijwillig wilde aanmelden naar Kufa te sturen. Hij stelde Malik al-Ashtar ﵀ aan tot opperbevelhebber van de cavalerie. Hij stelde ʿAmmar ibn Yasir ﵁, ondanks diens gevorderde leeftijd, aan als symbolische voorganger van de oude Muhajirun in de slagorde. Hij benoemde Hashim ibn ʿUtbah al-Mirqal ﵁, een neef van Saʿd ibn Abi Waqqas ﵁ die in Qadisiyyah had gevochten, als vlagdrager van de centrale colonne.

In Shawwal van het jaar 36 vertrok het leger uit Kufa, in de richting van de Eufraat-vallei, met als tussenhalte de stad Madaʾin en als bestemming de vlakte ten westen van Raqqa, waar het zou stuiten op het leger van Sham dat onder Muʿawiya ﵁ uit Damascus was opgerukt. Het terrein waar de twee legers tegenover elkaar zouden komen, was een uitgestrekt veld langs de rechteroever van de Eufraat, in de buurt van het oude dorp van Siffin.

De laatste oproep

Voor zijn vertrek uit Kufa hield ʿAli ﵁ een laatste oproep in de Masjid al-Aʿzam. Hij sprak over de slag die hen wachtte als over een beproeving die zij in de geschiedenis van de gemeenschap niet kenden. Hij riep zijn mannen op om in de strijd de oude regels van de Boodschapper ﷺ aan te houden: geen afmaken van gewonden, geen achtervolgen van vluchtenden, geen aanvallen op wie hun wapen wegwierpen. Hij sprak een woord dat in Kufa lang in herinnering werd bewaard:

ʿAli ﵁: Bij Allah ﷻ, ik strijd hen niet uit verlangen naar deze wereld of uit afkeer van henzelf, maar omdat ik in de bewaring van het kalifaat geen ander pad zie. Indien er een pad was, ik zou het hebben genomen. Allah ﷻ is de getuige van mijn binnenste en de getuige van hun binnenste.

Hij wist, en zijn mannen wisten met hem, dat de slag die hen wachtte de grootste in de geschiedenis van de Islam onder moslims zou worden. Wat zij op het slagveld van Siffin zouden vinden, zou de gemeenschap voor altijd veranderen.

De positie van Sahl ibn Hunayf ﵁ in Iraq

Naast de delegaties die naar Damascus werden gestuurd, hield ʿAli ﵁ in deze maanden ook intensief overleg met de gouverneurs en commandanten die hij in zijn eigen kring had aangesteld. Sahl ibn Hunayf ﵁, die hij oorspronkelijk naar Sham had willen sturen om de positie van Muʿawiya ﵁ over te nemen en die in plaats daarvan terug naar Medina was gegaan toen Muʿawiya ﵁ hem op de weg had laten weigeren, kwam in deze maanden in Kufa zijn raad inbrengen. Hij wees ʿAli ﵁ erop dat in Sham de mobilisatie reeds wijd was gevorderd en dat een onderhandelingsoplossing zonder voorafgaande militaire druk niet meer realistisch was. Hij raadde ʿAli ﵁ aan om de Kufaanse troepen vroeger te mobiliseren dan hij oorspronkelijk had gepland, om Muʿawiya ﵁ in een militaire onevenwichtigheid te brengen die hem tot snelle onderhandelingen zou dwingen.

ʿAli ﵁ luisterde, maar hij wenste niet vooruit te lopen op een mobilisatie zolang er nog een procedurele mogelijkheid voor een oplossing zonder veldslag bestond. Hij stuurde nog een delegatie. De delegatie keerde leeg terug. Hij stuurde nog een brief. De brief werd zonder verandering in de Shamse positie beantwoord. Pas toen zijn diplomatieke middelen vanuit Kufa waren uitgeput, gaf hij het bevel tot mobilisatie.

De mobilisatie van de Basrane vrijwilligers

Voor de mobilisatie van het leger dat naar Siffin zou marcheren, deed ʿAli ﵁ in Basra een beroep op zijn neef Ibn ʿAbbas ﵁. Ibn ʿAbbas ﵁ riep in de Basrane moskee de Sahabah ﵃ en de tweede-generatie krijgers op om zich vrijwillig aan te melden voor de campagne. De respons was substantieel. Basra leverde ongeveer twaalfduizend mannen voor de tocht naar Siffin. Onder hen waren senior figuren als al-Ahnaf ibn Qays ﵀, een man wiens politieke wijsheid in de stad geen evenknie kende en die in de beleidsdiscussies van Kufa een gewichtige stem zou krijgen.

De Basrane contingent vervoegde zich met de Kufaanse hoofdmacht in een uitspanning op de weg naar Madaʾin. De gecombineerde formatie marcheerde in colonnes door de Eufraat-vallei, in een orde die in de overleveringen breed is bewaard. De voorhoede onder ʿAmmar ibn Yasir ﵁, met daarachter de centrale colonne onder Hashim al-Mirqal ﵁, en daarna de cavalerie onder Malik al-Ashtar ﵀, en als achterhoede de Basrane vrijwilligers. Het was een marsformatie die de techniek van de veroveringen onder ʿUmar ﵁ in de tochten naar Qadisiyyah en Yarmuk had verfijnd, en die in de discipline van haar uitvoering een leger toonde dat in zijn militaire competentie geen Romeins of Perzisch tegenspel hoefde te vrezen.

De geheime correspondenten in Damascus

In Damascus had ʿAli ﵁ een aantal geheime correspondenten die hem via vertrouwde koeriers informatie verschaften over de stand van de Shamse mobilisatie en over de stemming in het paleis van Muʿawiya ﵁. Onder hen waren een aantal van de senior Sahabah ﵃ die nog in Sham woonden maar in eigen consciëntie de bayʿah aan ʿAli ﵁ hadden gegeven. Zij hielden hem op de hoogte van de troepenbewegingen, van de stamcoalities die zich rondom Muʿawiya ﵁ verzamelden, van de bewerkingen van de moskeeën van Sham waar de bebloede mushaf van ʿUthman ﵁ werd getoond en de eis tot bloedwraak in elke khutbah werd uitgesproken. De informatie was kostbaar, maar zij was niet voldoende om de mobilisatie van Sham te keren. Wat ʿAli ﵁ uit deze correspondentie wist, gaf hem inzicht in de aard van wat hij in Siffin zou tegenkomen, maar het gaf hem geen middel om wat hij wist te neutraliseren voordat de twee legers tegenover elkaar zouden staan.

De stamhoofden die in stilte naar Sham overgingen

In de maanden van onderhandelingen tussen Kufa en Damascus was er een onderstroom van stille overgangen van stamhoofden uit Iraq naar de Shamse zijde. Het ging niet om massale defecties, maar om individuele beslissingen van mannen die in hun politieke ligging meer affiniteit voelden met de Umayyadische coalitie dan met de Hashimi-gerichte coalitie van ʿAli ﵁. Zij verlieten in stilte hun stamgebieden, reisden via afzonderlijke routes naar Sham, en presenteerden zich in Damascus aan de hofhouding van Muʿawiya ﵁. Hun aantallen waren niet groot, maar hun aanwezigheid in Damascus gaf aan de Shamse zijde een politieke argumentatie waarin zij in eigen propaganda konden beweren dat ook in Iraq onder de senior van de stammen niet alle stemmen voor ʿAli ﵁ waren. ʿAli ﵁ liet deze overgangen ongemoeid. Hij was niet van mening om dwang uit te oefenen op wie in eigen consciëntie meende dat zij elders meer thuishoorden, en hij hechtte aan de vrijwilligheid van de bayʿah meer dan aan de aantallen die hij in zijn provincie kon vasthouden.

De argumenten van beide partijen

In de briefwisseling tussen Kufa en Damascus werden door beide partijen argumenten ingebracht die in de juridische discussies van latere eeuwen zouden worden geanalyseerd. ʿAli ﵁ voerde aan dat de bayʿah in Medina, in de moskee van de Boodschapper ﷺ, door de senior van de Sahabah ﵃ in zijn juridische volledigheid was gegeven, en dat geen gouverneur in een provincie de bayʿah die in de hoofdstad van het kalifaat was gegeven, kon negeren zonder zelf in opstand te komen tegen de centrale aanstelling. Muʿawiya ﵁ voerde aan dat de eis tot bloedwraak voor ʿUthman ﵁ in de fiqh een prioritair karakter had die de bayʿah in zijn validiteit niet betwistte maar in zijn werking opschortte tot de bloedwraak was voltrokken. Beide argumenten hadden in de fiqh van die tijd ondersteuning. Het argument van ʿAli ﵁ was in lijn met de algemene leer over de bayʿah als bron van het kalifaat. Het argument van Muʿawiya ﵁ was in lijn met de algemene leer over de prioriteit van het herstel van het bloedrecht in een gemeenschap. In de juridische discussies van latere generaties zou het argument van ʿAli ﵁ het verdedigend kader krijgen dat zijn positie in de Soenni-traditie verankerde, terwijl het argument van Muʿawiya ﵁ als een politieke retoriek werd gekwalificeerd die in eigen consciëntie minder juridische weegkracht bezat.

Bronnen

  • Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk 1995), p. 188 (delegatie van Jarir ﵁), p. 188 (briefwisseling met Muʿawiya ﵁), p. 189 (mobilisatie en aanstelling van Malik al-Ashtar ﵀, Ammar ﵁ en Hashim al-Mirqal ﵁), pp. 189–190 (vertrek van Kufa richting Siffin).