InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Eerste bestuur en vervanging van gouverneurs

Eerste bestuur en vervanging van gouverneurs

De dag na de bayʿah nam ʿAli ﵁ beslissingen die onmiddellijk de scheidslijnen blootlegden. Hij verving de gouverneurs van ʿUthman ﵁, maar één van hen, in een provincie aan de Middellandse Zee, zou de instructie niet aanvaarden.

Het bureau van de khalifah

Toen ʿAli ﵁ na de bayʿah van vrijdag zijn werk opnam, deed hij dat in de stijl die hij in de huiselijkheid van Medina al sinds zijn jeugd had gekozen. Hij week niet uit naar het paleis dat ʿUthman ﵁ in de laatste jaren had laten bouwen, en hij verkoos zijn eenvoudige huis bij de Baqiʿ als residentie. Hij hield zitting bij de minbar van de moskee van de Boodschapper ﷺ, en hij liet wie geen verschoning had voor zich verschijnen zonder bemiddelende secretaresse. Hij hervatte de gewoonte van ʿUmar ﵁ om persoonlijk de markten te lopen en hij ontving de petities van wie er kwam zonder rangonderscheid. In zijn eerste maand droeg hij dezelfde jas die hij in het jaar ervoor had gedragen.

Wat hem in de tijd van ʿUmar ﵁ als bekend stond bij wie hem persoonlijk meegemaakt had, gold nog steeds. Hij was een vrederechter geweest in vraagstukken die anderen niet wisten op te lossen. Toen ʿUmar ﵁ in moeilijke kwesties van erfrecht of strafrecht naar zijn advies vroeg, was er meer dan eens een uitspraak van hem geweest die het probleem oploste in een formule waaraan niemand eerder had gedacht. Een van die uitspraken is door Suyuti ﵀ uit het werk van Ibn Mansur ﵀ bewaard: het verhaal van de twee mannen die acht broden deelden met een derde, en die daarna twijfelden over de verdeling van de acht dirhams die de derde achterliet. ʿAli ﵁ rekende uit dat de eigenaar van vijf broden zeven dirhams toekwam en de eigenaar van drie broden één dirham, want elk van de drie eters had even veel gegeten en de gever van vijf had per saldo zeven derde aan zijn metgezel afgestaan terwijl de gever van drie slechts één derde had bijgedragen. Wie deze uitspraak hoorde, herkende in haar de helderheid van de jurist en de geduldige uitleg die ʿAli ﵁ aan iedereen gaf die het wenste te begrijpen.

Kaart laden...

De adviezen die hij niet aanvaardde

Twee mannen kwamen in de eerste dagen na de bayʿah tot hem met raad. De eerste was al-Mughirah ibn Shuʿbah ﵁, een man die ʿAli ﵁ uit de tijd van ʿUmar ﵁ kende en wiens politieke fijngevoeligheid in de gemeenschap niet werd onderschat. Hij sprak met ʿAli ﵁ in de avond na de bayʿah, en hij gaf een advies dat in zijn voorzichtigheid Romeins aandeed.

Al-Mughirah ﵁: Behoud Muʿawiya ﵁ tot je positie gefundeerd is en de gemeenschap zich rondom je heeft geschaard. Wanneer de bayʿah in alle provincies vaststaat, schrijf hem dan zijn ontslag en zal hij hem aanvaarden zoals hij eerder de aanstellingen van ʿUmar ﵁ en ʿUthman ﵁ heeft aanvaard. Maar nu, op dit moment, kan zijn weigering een open vlam veroorzaken.

ʿAli ﵁ luisterde, maar hij koos er niet voor het advies te volgen. Voor hem was de toestand niet die van een nieuwe khalifah die zijn macht moest stabiliseren door tijdelijk de gouverneurs van zijn voorganger in functie te laten. Voor hem was de toestand die van een man die zojuist een ambt had aanvaard waarin het criterium van de Sunnah van de Boodschapper ﷺ centraal stond, en in dat criterium paste het niet om voor het politieke gemak gouverneurs te bevestigen wier benoeming hij op andere gronden niet voor zijn rekening wilde nemen. Hij wilde een schoon bestuur. Hij wilde in elke provincie een gouverneur die hijzelf had aangesteld en aan wie hij zelf instructie had gegeven.

De tweede adviseur was Ibn ʿAbbas ﵁, zijn jongere neef, een man met scherp politiek inzicht die in de komende jaren een centrale rol zou gaan spelen. Ook hij raadde hem aan om Muʿawiya ﵁ tijdelijk in functie te laten.

Ibn ʿAbbas ﵁: O ʿAli ﵁, laat hem ten minste een jaar. Schrijf hem niet nu zijn ontslag. Wanneer de bayʿah onbetwist staat, dan kan elk besluit dat je neemt zonder vrees worden uitgevoerd.

ʿAli ﵁ schudde het hoofd. Hij sprak een zin die het hele beginsel van zijn benadering verklaarde:

ʿAli ﵁: Bij Allah ﷻ, ik zal Muʿawiya ﵁ niet aanstellen, ook niet voor twee maanden. Hij zit op zijn plaats door de aanstelling van een ander. Ik zal het mijn niet ondersteunen door zijn aanstelling te bevestigen.

De brieven gaan uit

In de week na de bayʿah schreef ʿAli ﵁ zijn brieven aan de provincies. Hij verving ʿAbdullah ibn ʿAmir ﵁ in Basra door ʿUthman ibn Hunayf ﵁, een van de senior Ansar die in het bestuur van ʿUmar ﵁ als beproefde landmeter van de Sawad had gediend. Hij verving Abu Musa al-Ashʿari ﵁ in Kufa, niet omdat hij hem misnoegd was, maar omdat hij in dezelfde post een andere bestuurlijke lijn wilde uitzetten; hij liet Abu Musa ﵁ echter in functie tot zijn opvolger arriveerde, en die opvolger werd ʿUmarah ibn Shihab ﵁. Hij verving in Egypte de zoon van Saʿd ibn Abi Waqqas ﵁, en hij benoemde Qays ibn Saʿd ibn ʿUbada ﵁, een van de zonen van de leider van de Ansar van Medina, een man wiens politieke voorzichtigheid en gevoel voor lokale dynamiek hem voor de Nijldelta bij uitstek geschikt maakten. Hij benoemde gouverneurs in Yemen, in Bahrain, in Mekka. Aan elke nieuwe gouverneur schreef hij persoonlijk een brief met instructies over de bait al-mal, over de behandeling van de dhimmi, over de waarschuwing dat hij geen verwant van zijn eigen Banu Hashim bevoordeelde, en over de plicht om de eerste vraag van zijn dag aan Allah ﷻ te wijden.

Op de brief aan Muʿawiya ﵁ in Damascus schreef hij zijn instructie tot ontslag, met de mededeling dat een andere gouverneur, Sahl ibn Hunayf ﵁ (de broer van de gouverneur die hij naar Basra zond), naar Sham zou komen om diens taken over te nemen. Het was deze brief, en het antwoord dat er niet op kwam, die de loop van de gehele khilafat van ʿAli ﵁ zou bepalen.

Het zwijgen vanuit Damascus

De koerier reed de woestijnweg naar Sham af in een rit van ongeveer twee weken. Hij overhandigde de brief aan Muʿawiya ﵁ in Damascus en wachtte op het antwoord. De koerier wachtte een dag, en daarna nog een dag, en daarna nog een week. Muʿawiya ﵁ las de brief, vouwde hem op, en gaf geen antwoord. Hij vroeg de koerier in zijn paleis te wachten en hij liet hem maaltijden brengen, maar hij gaf hem geen brief om mee terug te nemen. Wat Muʿawiya ﵁ in de tussentijd deed, was Sham mobiliseren. Hij sprak met zijn stamhoofden, met zijn militaire commandanten, met de senior van Sham die ʿUthman ﵁ trouw waren geweest. Hij toonde hen de bebloede mushaf van ʿUthman ﵁ die zijn neef Naʾila ﵂ uit het huis in Medina had meegestuurd; hij toonde hen de afgehakte vingers van Naʾila ﵂ die zij had verloren toen zij haar man met haar lichaam had willen schermen. Hij stelde één vraag, één enkele vraag, in elke gehoorzaal en in elke moskee waar hij sprak: wie wreekt de moord op de derde khalifah?

Pas na drie maanden, in de schatting van wie het later optekenden, kwam het antwoord op de brief van ʿAli ﵁. Muʿawiya ﵁ zond een Qurayshi met de naam Qabisah ibn Jabir naar Medina met een zegelde brief en de instructie zelf niets te zeggen. Toen ʿAli ﵁ de brief opende, vond hij hem leeg, met enkel het opschrift: Van Muʿawiya ibn Abi Sufyan ﵁ aan ʿAli ibn Abi Talib ﵁. Hij vroeg de koerier wat dit betekende, en de koerier antwoordde zoals zijn meester hem had opgedragen:

Qabisah: Ik heb wie ik achterliet zestigduizend grijsbaarden gezien, wenend onder het hemd van ʿUthman ﵁ dat aan de minbar van de moskee van Damascus was gespijkerd.

In deze ene zin werd de toestand uitgesproken die in geen brief paste. Muʿawiya ﵁ had de bayʿah aan ʿAli ﵁ niet verworpen door een schriftelijke verklaring; hij had haar verworpen door zwijgen, door de organisatie van rouw, door de fysieke aanwezigheid van het bebloede hemd op de minbar van zijn hoofdstad. Hij eiste niet uitdrukkelijk het khilafat voor zichzelf op. Hij eiste, in stilte en met sprekende symbolen, dat de moordenaars van ʿUthman ﵁ aan hem zouden worden uitgeleverd voordat hij de bayʿah aan ʿAli ﵁ zou overwegen.

De gouverneurs die wel aanvaardden

Aan de andere zijden van het kalifaat verliep de zaak rustiger. In Basra ontving ʿUthman ibn Hunayf ﵁ zijn aanstelling en betrok het bestuursgebouw zonder weerstand. In Kufa droeg Abu Musa ﵁ zijn ambt over aan ʿUmarah ﵁, zonder geheven stem. In Egypte arriveerde Qays ibn Saʿd ﵁ in het gouvernementshuis van Fustat met een handvol begeleiders, sprak met de notabelen van het oude Egyptische bestuur, en wist binnen een week de provincie tot een aanvaardende gemeenschap onder zijn bewind te scharen. Hij beheerde Egypte, in de getuigenis die latere overleveraars hebben bewaard, met dezelfde rust en dezelfde fijngevoeligheid waarmee zijn vader Saʿd ibn ʿUbadah ﵁ in de tijd van de Boodschapper ﷺ de Khazraj had geleid.

Yemen kwam tot ʿAli ﵁ via de hand van ʿUbaydullah ibn ʿAbbas ﵁, de broer van Ibn ʿAbbas ﵁. Bahrain kwam via een andere benoeming. Mekka aanvaardde de aanstelling van ʿAli ﵁ via zijn neef Qutham ibn al-ʿAbbas ﵁. Toen alle brieven waren uitgegaan en alle bevestigingen waren teruggekomen, stond in Medina de balans op vier provincies die zonder wrijving onder ʿAli ﵁ stonden, en op één enkele provincie waarin een gouverneur zat die zijn aanstelling had genegeerd en zijn eigen mobilisatie was begonnen. Vier op vijf zou onder rustige omstandigheden een aanvaardbare verhouding zijn geweest. Onder de omstandigheden waarin de moord op ʿUthman ﵁ nog vers in elk hart lag, was de éne uitzondering genoeg om de hele balans uit het lood te slaan.

De bait al-mal en de tweede beslissing

In zijn eerste weken nam ʿAli ﵁ een tweede beslissing die in de straat van Medina meer beroering veroorzaakte dan zijn aanstelling van gouverneurs. Hij greep terug op de gewoonte van Abu Bakr ﵁ om de inkomsten uit de bait al-mal in gelijke porties te verdelen onder de inschrijvenden, zonder onderscheid naar voorrang of clanverwantschap. ʿUmar ﵁ had de toelagen in zijn diwan juist naar voorrang in de Islam gegradeerd, en onder ʿUthman ﵁ was die gradering blijven bestaan; sommige aanverwanten van Banu Umayyah hadden bovendien landgoederen aanvaard die hen tot grootgrondbezitters maakten. ʿAli ﵁ wilde terug naar de gelijke verdeling van Abu Bakr ﵁ en naar de soberheid van de twee eerste khalifahs. Hij sprak in de moskee na de bayʿah:

ʿAli ﵁: Wie van jullie heeft de bait al-mal van de moslims als beloning ontvangen zonder recht? Hij zal het teruggeven. Bij Allah ﷻ, indien ik vrouwen had aangetroffen die met de Quran al-mal als bruidsschat waren uitgehuwelijkt en zij geen recht erop hadden, dan zou ik hen teruggeven, want recht is wijder dan eer.

Dit voornemen tot herstel werd door de straat van Medina luid toegejuicht. Het werd door wie onder ʿUthman ﵁ landgoederen of grotere stipendia had aanvaard, in stilte aangehoord. Het kostte ʿAli ﵁ in de eerste maand van zijn ambt een aantal van zijn potentiële bondgenoten uit Banu Umayyah, die in deze maatregel een ondergraving van hun stand zagen. Het won hem de loyaliteit van de Ansar in Medina en van de vroege Muhajirun die altijd al hadden gevonden dat ʿUthman ﵁ in deze zaken te ruim was geweest.

De toestand aan het eind van de eerste maand

Toen de eerste maand van zijn khilafat was verstreken, stond ʿAli ﵁ met een bestuur dat in vier van de vijf grote provincies functioneerde, met een vijfde provincie waarin de gouverneur de aanstelling niet aanvaardde, en met een binnenlands beleid van strenge fiscale rechtvaardigheid dat in Medina werd toegejuicht en in Damascus als bewijs werd gezien dat ʿAli ﵁ niet bereid was tot het maken van een politieke deal. Hij had geen leger geheven; hij had geen veldtocht aangekondigd; hij had geen straf uitgevaardigd over de moordenaars van ʿUthman ﵁ die in zijn eigen kring nog vrij rondliepen. Hij regeerde, in zijn eigen woorden, als een man die door een vallei in de nacht ging, met de Quran in zijn rechterhand en de Sunnah in zijn linker.

De vraag was hoe lang Medina deze toestand zou kunnen verdragen voordat een externe gebeurtenis haar zou dwingen tot beweging. Het antwoord op die vraag zou komen vanuit Mekka, niet vanuit Damascus, en uit de hand van twee mannen wier handen hij in de moskee in de zijne had gehouden. Maar dit, ook, behoort tot een volgend artikel.

De brief aan Ibn ʿAbbas ﵁ over de gouverneurspositie

In deze eerste weken schreef ʿAli ﵁ een uitvoerige brief aan zijn neef Ibn ʿAbbas ﵁, die hij in Basra had aangesteld. De brief, waarvan een gedeelte in latere bronnen is bewaard en dat in zijn formele toon de instructie weergeeft die hij aan elk van zijn gouverneurs had meegegeven, opende met de prijzing van Allah ﷻ en met de tashahhud, en ging vervolgens over in een reeks vermaningen die in hun beknoptheid het hele beginsel van zijn bestuur uiteenzetten. Hij vermaande Ibn ʿAbbas ﵁ om zijn ambtenaren niet aan te stellen op grond van clanverwantschap maar op grond van bewezen bekwaamheid en integriteit. Hij vermaande hem om de fiscale stromen uit de provincie naar de bait al-mal niet te onderbreken voor zijn eigen tafel en zijn eigen huishouden. Hij vermaande hem om de dhimmi te behandelen volgens de bepalingen van het verdrag dat in de tijd van ʿUmar ﵁ was gesloten, zonder daar in eigen consciëntie aan toe te voegen of van af te trekken. Hij vermaande hem om wie in de markten oneerlijke gewichten gebruikte, hard te straffen, want in oneerlijke gewichten, zo schreef hij, ligt het bederf van een gehele gemeenschap besloten.

Het gesprek met Abu Musa al-Ashʿari ﵁

In de week voor zijn aanstelling van een vervangende gouverneur in Kufa ontving ʿAli ﵁ Abu Musa al-Ashʿari ﵁ in Medina. Abu Musa ﵁ was uit Kufa naar Medina gekomen om zijn opvattingen voor te leggen over de bestuursvragen die in de stad leefden. Het gesprek was vriendelijk in toon maar in inhoud nam ʿAli ﵁ een lijn die Abu Musa ﵁ in zijn voorzichtigheid niet kon volgen. ʿAli ﵁ wenste in Kufa een gouverneur die de mobilisatie van het garnizoen, voor het geval dat in de komende maanden zou worden vereist, eensluidend zou kunnen uitvoeren. Abu Musa ﵁ was een man van vrede en van consultatie; hij had in de jaren van ʿUmar ﵁ en ʿUthman ﵁ in Kufa goede diensten bewezen, maar hij was niet de man voor een militaire mobilisatie. ʿAli ﵁ besloot, na het gesprek, om hem voor de overgangsperiode in functie te laten en pas in een latere fase een vervanger te sturen. De keuze zou in de mobilisatie voor de Slag bij de Kameel haar gevolgen tonen, want Abu Musa ﵁ zou in Kufa de oproep tot de mobilisatie niet uitvoeren en het zou aan ʿAmmar ﵁ en Hasan ﵁ zijn om de troepen alsnog te bewegen.

De aanstelling van Qutham ibn al-ʿAbbas ﵁ in Mekka

In deze weken ontving ʿAli ﵁ uit Mekka brieven van de notabelen van de stad, die hem hun bayʿah bevestigden en die hem om een gouverneur vroegen die in de Hijaz-aristocratie zou worden aanvaard. Hij koos voor Qutham ibn al-ʿAbbas ﵁, een van zijn Hashimi neven, een man die in Mekka in eer was opgegroeid en wiens politieke voorzichtigheid in de stad geen weerstand zou oproepen. Qutham ﵁ aanvaardde de aanstelling en betrok het gouvernementsgebouw in Mekka in de week voor het einde van het jaar 35. Hij hield in Mekka een soeverein bestuur dat in zijn werkzaamheid het bestuur van de hajj voor het jaar 36 in handen nam. Onder zijn voorzitterschap werd de hajj van dat jaar, ondanks de politieke spanningen in Medina en Mekka, in rust en in volledige rituele orde voltrokken.

De bezoeken aan de markten

In zijn eerste weken in Medina hervatte ʿAli ﵁ de gewoonte van ʿUmar ﵁ om persoonlijk de markten te bezoeken en de handelaren te ondervragen over hun gewichten, hun maatregelen en hun handelsmoraal. Hij liep in eenvoudige kledij door de markten en sprak met de handelaren zoals een gewone klant. Hij vroeg om de prijs van een product, en wanneer de prijs hem hoger leek dan de gangbare, vroeg hij om de reden van de afwijking. Hij vroeg om een gewicht te zien, en wanneer het gewicht hem in onevenwicht leek, vroeg hij om de ijkwaarde. Hij verzocht in een aantal gevallen aan de handelaar om zich op de plaats van de transactie te identificeren en de transactie te herhalen onder zijn ogen. Wie in oneerlijke handel werd betrapt, werd niet door hem persoonlijk gestraft maar verwezen naar de qadi van Medina, met de aantekening van wat de khalifah in eigen waarneming had geconstateerd.

De bezoeken aan de markten waren in Medina niet ongewoon onder de eerste drie khalifahs, maar onder ʿAli ﵁ kregen zij een specifieke nadruk die in latere bronnen werd opgemerkt. Hij ging niet alleen naar de markten in de hoofdwijken van de stad, maar ook naar de kleinere markten in de buitenwijken waar de armere bevolking handel dreef. Hij sprak met de slaven die door hun meesters waren gestuurd om bepaalde producten te kopen, en hij vroeg hen of hun meesters hen rechtvaardig behandelden in de wijze waarop zij waren uitgezonden. Hij sprak met de weduwen die op de markt hun eigen handel dreven, en hij vroeg hen of zij in de gemeenschap de bescherming kregen die hen toekwam volgens de bepalingen van de Sunnah van de Boodschapper ﷺ. Hij sprak met de dhimmi-handelaren, en hij vroeg hen of zij in de gemeenschap de behandeling kregen die in het verdrag van ʿUmar ﵁ aan hen was toegezegd. Deze rondes in de markten leverden hem een direct beeld op van de stand van de gemeenschap dat hem in zijn beleidsbeslissingen in de eerste maanden van zijn ambt informeerde.

De nieuwe gouverneurs en hun instructies

Aan elk van de nieuwe gouverneurs die hij in deze weken aanstelde, gaf ʿAli ﵁ een persoonlijke instructie mee. Aan Qays ibn Saʿd ﵁ in Egypte gaf hij de instructie om de Coptische gemeenschap volgens de bepalingen van het verdrag van ʿUmar ﵁ te behandelen, om geen toevoegingen aan de jizyah-tarieven toe te laten, en om de senior van het oude Egyptische bestuur in zijn werkkring te raadplegen voor elke beslissing van gewicht. Aan ʿUthman ibn Hunayf ﵁ in Basra gaf hij de instructie om de fiscale stromen uit de Sawad in een strenge orde te houden, en om geen aanstelling van zijn eigen verwanten of stamgenoten toe te laten die hem in een familiale lijn zou kunnen vastleggen. Aan ʿUmarah ﵁ in Kufa gaf hij de instructie om het garnizoen in een staat van paraatheid te houden, en om geen vrijgevigheid uit de bait al-mal toe te laten die de fiscale orde zou ondermijnen. Elke instructie eindigde met dezelfde formele formule: dat de gouverneur zijn werk verricht in het bewustzijn dat de Dag van de Opstanding hem voor elke handeling zal vragen.

Bronnen

  • Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk 1995), pp. 183–184 (gouverneursvervangingen), p. 198 (de acht-broden-uitspraak via Ibn Mansur), p. 184 (eerste khutbah en bait-al-mal-beleid). De brief- en stilte-episode met Muʿawiya ﵁ wordt door Suyuti ﵀ op pp. 184–185 in samenvatting bewaard.