Het martelaarschap van ʿAmmar ibn Yasir ﵁ op Siffin
Op een hete dag in Safar van het jaar 37, op de vlakte langs de Eufraat, stroomopwaarts ten westen van Raqqa, viel een grijsaard die in zijn jongere jaren tot de eerste handvol gelovigen in Mekka had behoord, die in zijn ouderlijk huis een martelaarsdood van vader en moeder had moeten aanzien, die met de Boodschapper ﷺ de hijra naar Medina had volbracht, die in Badr, Uhud, Khandaq en Hunayn in de eerste linies had gestreden, en die nu, op ruim negentigjarige leeftijd, met een speerwond in zijn borst van het paard zakte. De man die hem velde heette Abu al-Ghadiya. De gevallene heette ʿAmmar ibn Yasir ﵁. En de hadith die de Boodschapper ﷺ over hem had geuit dertig jaar tevoren in Medina, werd op dat moment de zwaarste juridische steen op de balans van Siffin.
Wie was ʿAmmar ibn Yasir ﵁?
ʿAmmar ﵁ was geen geboren Quraishiet en geen Mekkaan van rang. Zijn vader Yasir kwam uit Yemen en had zich in Mekka als bondgenoot bij Banu Makhzum aangesloten. Daar trouwde hij met Sumayyah ﵂, een vrouw die in een dienstbaar verband bij Abu Hudhayfa ibn al-Mughirah van Banu Makhzum stond. Uit deze verbintenis werd ʿAmmar ﵁ geboren, vermoedelijk rond het jaar 567 GT, wat hem in de slag bij Siffin een leeftijd van ruim negentig zou geven.
ʿAmmar ﵁ en zijn ouders behoorden tot de allereerste handvol mensen die in Mekka de boodschap van de Profeet ﷺ aanvaardden. In de overleveringen wordt hij genoemd onder de zeven die als eersten openlijk hun Islam verklaarden. Het was deze openlijke verklaring die het gezin van Yasir in de greep van Banu Makhzum bracht. Het werd door de stam als smaad opgevat dat haar bondgenoten in een nieuw geloof waren overgegaan dat de afgoden van Mekka verwierp en de hiërarchie van Quraysh op haar voorhoofd had aangevallen. Abu Jahl, leider van Banu Makhzum en aartsvijand van de Boodschapper ﷺ, gaf het bevel tot foltering.
Yasir en Sumayyah ﵂ werden in de hitte van de Mekkaanse zomer naar de gloeiende stenen van al-Bath’a gebracht. Hun lichamen werden in het zand gelegd en met hete stenen op de borst belast. Onder deze foltering stierf Yasir aan de uitputting en aan de hartstoornis die het zand en de stenen in hem hadden opgewekt. Sumayyah ﵂ weigerde haar Islam af te zweren. Abu Jahl, woedend over haar standvastigheid, stootte haar in haar geslacht met een speer. Zij stierf onmiddellijk. Daarmee werd Sumayyah ﵂ de eerste martelares van de Islam, en haar man de eerste mannelijke martelaar. ʿAmmar ﵁, die als hun zoon in dezelfde foltering werd getrokken, hield het niet vol en uitte onder de pijn de woorden van afzwering die zijn folteraars eisten. Toen hij later in tranen tot de Boodschapper ﷺ kwam met de erkentenis van wat hij in pijn had uitgesproken, openbaarde Allah ﷻ een vers waarin werd vastgesteld dat wie onder dwang het ongeloof uitspreekt terwijl zijn hart in het geloof rust, geen zonde draagt. Het was de eerste van vele momenten waarop de openbaring direct over zijn persoon zou neerdalen.
ʿAmmar ﵁ maakte de hijra naar Medina. In Medina werkte hij als handarbeider bij de bouw van de Masjid an-Nabawi. Hij droeg de stenen op zijn rug. Het was in deze bouwperiode dat de Boodschapper ﷺ over hem een woord uitsprak dat in zijn gevolgen voor de gemeenschap niet kon worden voorzien op het moment dat het werd geuit. Hij ﷺ streek met zijn hand over het stof op het hoofd van ʿAmmar ﵁ en sprak de woorden die in elke betrouwbare verzameling van overleveringen zijn bewaard:
De Boodschapper van Allah ﷺ: Ach, Ibn Sumayyah, jou zal de opstandige groep doden. Jij zult hen oproepen tot de Tuin, en zij zullen jou oproepen tot de Hel.
ʿAmmar ﵁ streed in Badr, in Uhud, in Khandaq, in Khaybar, in Hunayn, in de slag tegen de afvalligen onder Abu Bakr ﵁, in de veroveringen onder ʿUmar ﵁. ʿUmar ﵁ benoemde hem tot gouverneur van Kufa, een ambt waaruit hij om disciplinaire redenen werd teruggeroepen toen klachten uit Kufa over zijn bestuurstrant in Medina aankwamen, klachten die in de overlevering meer over zijn rechtlijnige eenvoud dan over werkelijke incompetentie gingen. Hij was, kortom, een van de meest geziene Sahabah ﵃ uit de eerste generatie, een gelovige van het kaliber dat de Boodschapper ﷺ in zijn aanwezigheid herhaaldelijk eerde.
De Profetische ﷺ uitspraak
De hadith over de opstandige groep was in de gemeenschap van het kalifaat niet een obscuur gegeven. Zij was overgeleverd via meerdere ketens en in de meeste centra van overlevering, Medina, Mekka, Kufa, Basra, bekend bij wie zich met het profetisch overleveringsmateriaal had bemoeid. Imam al-Bukhari ﵀ en Imam Muslim ﵀ zouden haar in hun verzamelingen opnemen via verschillende ketens, en de overlevering werd in latere generaties tot een van de meest geverifieerde overleveringen over een specifieke gebeurtenis na de dood van de Boodschapper ﷺ.
De juridische werking van de hadith ligt in haar voorspellend vermogen. Wanneer twee partijen elkaar in slagorde gaan bestrijden en in een van die partijen ʿAmmar ﵁ valt door toedoen van wie tegenover hem stond, dan wijst de hadith de andere partij aan als de opstandige groep, de fi’ah baghiyah waarover de Quran in soera al-Hujurat met betrekking tot vrede tussen gelovigen had gesproken. De aanwijzing is in haar formulering niet ambigu. Zij is in haar werking ondubbelzinnig: wie ʿAmmar ﵁ in oorlog tegen zich vindt, is in zijn opstand tegen de juiste partij.
In de jaren tussen de dood van de Boodschapper ﷺ en de slag bij Siffin werd de hadith in de gemeenschap algemeen overgeleverd zonder dat zij een politieke werking had, omdat ʿAmmar ﵁ in geen van die jaren in een innerlijke oorlog van de moslims was geplaatst. In de strijd tegen de afvalligen onder Abu Bakr ﵁ vocht hij tegen niet-moslims; in de Perzische en Byzantijnse veroveringen onder ʿUmar ﵁ en ʿUthman ﵁ vocht hij tegen niet-moslims. Pas met de eerste fitna onder ʿAli ﵁ kwam de hadith in haar potentiële politieke werking. Met de Slag van de Kameel had zij nog geen werking gehad, omdat ʿAmmar ﵁ in die slag aan de zijde van ʿAli ﵁ stond en de tegenpartij geen kans had om zijn dood te bewerken. Met Siffin werd de hadith voor het eerst in haar werking geactiveerd.
Kaart laden...
ʿAmmar ﵁ op Siffin
Toen ʿAli ﵁ in Shawwal van het jaar 36 zijn leger uit Kufa naar Siffin in beweging zette, was ʿAmmar ﵁ er met zijn vlag. Hij was op ruim negentigjarige leeftijd, de overlevering geeft cijfers tussen de eenennegentig en de drieënnegentig jaar, en zijn lichaam droeg de littekens van zeven decennia van strijd en arbeid. Maar zijn houding was die van een man wiens innerlijke richting onveranderd was sinds de eerste dag van zijn Islam. Hij had de hadith over zichzelf gehoord uit de mond van de Boodschapper ﷺ. Hij wist wie hij was in de heilsgeschiedenis. Hij koos zonder aarzeling de zijde van ʿAli ﵁ omdat hij in ʿAli ﵁ de imam van de gelovigen erkende.
In het kamp van Kufa was zijn aanwezigheid van een symbolisch gewicht dat ver boven zijn militaire bijdrage uitstak. Wie hem in de eerste linies zag rijden, wist dat de slag in zijn juridische uitleg reeds was beslist zodra ʿAmmar ﵁ door een Shamse zwaard zou vallen. De Shamse leiders, Muʿawiya ﵁ en ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁, wisten dit eveneens. Zij hadden hun mannen instructie gegeven om het gevecht zo te voeren dat ʿAmmar ﵁ niet in directe confrontatie met een Shamse aanvaller zou komen, om de hadith niet in haar werking te activeren. Maar in de chaos van een veldslag, met negentigduizend mannen aan beide zijden in handgemeen, is een dergelijke instructie onhandhaafbaar.
In de maanden van schermutselingen tussen Safar en Rabi reed ʿAmmar ﵁ herhaaldelijk uit met de patrouilles. Hij sprak openlijk, in toespraken die in latere bronnen zijn bewaard, dat hij in dit treffen de werkelijke richtlijn van de Boodschapper ﷺ volgde. Hij riep zijn medestrijders op tot standvastigheid. Hij riep tegenover de Shamse linies op tot omkeer en bayʿah aan ʿAli ﵁. Zijn stem droeg in de woestijnnachten over de vlakte. Wie hem hoorde, hoorde de stem van een man die de Boodschapper ﷺ in levenden lijve had gekend, en die in zijn ouderdom de heilsgeschiedenis als een aaneengesloten lijn door zijn leven kon natellen.
Hudhayfa ibn al-Yaman ﵁, een andere senior Sahabi die in deze jaren een grote autoriteit in zaken van fitnah genoot, was reeds gestorven in 36 AH, op zijn sterfbed in Madaʾin. In zijn laatste dagen, naar wat in de bronnen breed is bewaard, was hem het bericht over de dood van ʿUthman ﵁ gebracht. Hij had gevraagd of ʿAli ﵁ in het kalifaat was opgeklommen, en op de bevestiging had hij gezegd dat hij ʿAli ﵁ tot zijn aanhangers rekende en dat wie ʿAli ﵁ steunde de juiste richting volgde. Hudhayfa ﵁ had in zijn leven de fitnah-overleveringen van de Boodschapper ﷺ in detail geleerd en doorgegeven, en zijn oordeel droeg in Kufa een onmiskenbaar gewicht. Met zijn dood viel die autoriteit weg, maar in ʿAmmar ﵁ leefde een soortgelijke autoriteit voort, met de extra eigenschap dat de hadith over zijn eigen dood hem in een unieke juridische positie plaatste.
De dood
Op de derde dag van de eigenlijke gevechten, naar wat in de meeste bronnen wordt vermeld, sommige overleveringen geven de tweede of vierde dag, kwam ʿAmmar ﵁ in handgemeen met een Shamse krijger genaamd Abu al-Ghadiya. Abu al-Ghadiya was een man uit de stam Juhayna, die in de overleveringen wisselend wordt geïdentificeerd als wel of niet behorend tot de Sahabah in strikte zin, sommige overleveringen geven hem een korte ontmoeting met de Boodschapper ﷺ als kind, anderen ontzeggen hem die status. In de Islamitische traditie wordt hij hoe dan ook niet als Sahabi met honorific aangeduid, omdat zijn daad hem als referent van de “opstandige partij” markeert die de Boodschapper ﷺ in de hadith had aangewezen.
Het gevecht voltrok zich in enkele tellen. Abu al-Ghadiya wierp zijn speer; de punt trof ʿAmmar ﵁ in de borst. Een tweede slag, naar sommige overleveringen, met een zwaard, voltooide het werk. De grijsaard zakte van zijn rijdier in het zand. Wie naast hem reden, droegen hem terug naar de Iraqse linies. Hij stierf binnen het uur. Zijn laatste woorden, in een van de bewaarde overleveringen, waren een hernieuwde shahadah en een verzoek tot zijn medestrijders om in standvastigheid voort te gaan. Hij had om water gevraagd, en wie hem water bracht zou later vertellen dat hij het glas had aangenomen en met een glimlach had gezegd dat de Boodschapper ﷺ hem had voorzegd dat zijn laatste drank in deze wereld melk zou zijn. Het was een teug melk die hem werd gebracht; hij dronk en gaf de geest.
ʿAli ﵁ vernam het bericht terwijl hij op zijn heuvel de slagorde overzag. Hij steeg af. Hij liep naar het lichaam. Hij weende, naar wat in de overleveringen breed is bewaard, openlijk en zonder zijn tranen te bedwingen. Hij sprak over ʿAmmar ﵁ als een broeder die hem in elke fase van de Islam was voorgegaan en die nu in zijn eigen kalifaat de hoogste prijs had betaald. Hij liet de salat al-janazah voor hem leiden. ʿAmmar ﵁ werd in zijn bloed gewikkeld, zoals de martelaren van Uhud, en op het slagveld van Siffin begraven. Zijn graf wordt tot op de dag van vandaag in de buurt van Raqqa als bedevaartsplaats bezocht door wie in dat gebied de overleveringen van de eerste generatie eren.
Het politieke gewicht van zijn dood
Het bericht van de dood van ʿAmmar ﵁ verspreidde zich door beide legers nog dezelfde dag. In het kamp van Kufa werd het ontvangen als de bevestiging van wat allen reeds wisten: dat de Shamse zijde in deze fitnah de fi’ah baghiyah was waarover de Boodschapper ﷺ had gesproken. Wie nog in twijfel had verkeerd over de vraag of ʿAli ﵁ in zijn recht stond, zag in de hadith een ondubbelzinnige aanwijzing. De moraal in het Iraqse kamp werd, althans in de eerste uren, gesterkt. Men streed nu niet meer alleen voor de bayʿah aan een rechtmatige khalifah, men streed met een profetische uitspraak in de rug.
In het kamp van Sham was de werking van het bericht ingewikkelder. Een aanzienlijk aantal Shamse strijders kende de hadith. Toen het nieuws hen bereikte dat ʿAmmar ﵁ was gevallen door toedoen van een man uit hun eigen linies, ontstond in een aantal van hen een ernstige twijfel over hun positie. Sommigen wendden hun gezicht af van het slagveld. Een handvol, naar de overlevering vertelt, liep naar de Iraqse linies over. Anderen kwamen tot Muʿawiya ﵁ met de mededeling dat zij in deze slag niet langer wensten te strijden.
Ook ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁ kende de hadith. Volgens de overlevering in de Musnad van Imam Ahmad ﵀ kwam hij verontrust bij Muʿawiya ﵁ met het bericht. Het antwoord dat Muʿawiya ﵁ gaf, en dat in de overleveringen breed is bewaard, kwam neer op een retorische omkering van het oorzakelijke verband:
ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁: ʿAmmar ﵁ is gedood, en de Boodschapper van Allah ﷺ heeft gezegd: de opstandige groep zal hem doden.
Muʿawiya ﵁: Hebben wij hem dan gedood? ʿAli ﵁ en zijn metgezellen hebben hem gedood. Zij hebben hem meegebracht en hem tussen onze speren geworpen.
De retorische omkering was in haar logica gespannen. Zij keerde de gangbare opvatting van oorzakelijkheid in oorlogvoering op haar kop, want in geen enkele juridische of morele traditie wordt de aanvoerder die zijn troepen naar het slagveld leidt verantwoordelijk gehouden voor de dood van de troepen die door de tegenstander worden geveld. Wanneer een Mekkaan op Uhud een moslim doodde, was de moordenaar de Mekkaan, niet de Boodschapper ﷺ die de moslim naar Uhud had geleid. Maar in de spanning van de slagdag, en in de behoefte van de Shamse leiders om hun leger bijeen te houden, vond de uitleg voldoende ingang om de morele crisis te bedwingen. Wie in eigen consciëntie reeds aan zijn positie twijfelde, kreeg in haar een uitweg die hem in staat stelde om in de slagorde te blijven. Wie in eigen consciëntie geen twijfel had, omarmde haar zonder vraag.
In latere generaties, en in het bijzonder in de werken van Ibn Taymiyyah ﵀ en zijn opvolgers, werd deze uitleg kritisch geëvalueerd. De Soenni-hoofdstroom heeft de hadith over de opstandige groep als geverifieerd aanvaard, en heeft tegelijkertijd de dood van ʿAmmar ﵁ als zwaarwegend bewijs in de evaluatie van Siffin meegerekend, zonder de Shamse zijde van haar moslimsheid te beroven of haar individuele leden van hun status als ahl al-qiblah uit te sluiten. De juridische conclusie van de hoofdstroom luidt dat de Shamse zijde in deze fitnah de bagi’i positie innam, de partij die in opstand was tegen de rechtmatige imam, zonder dat dit hun individuele geloof of hun deelname in de heilsgeschiedenis annuleert. Muʿawiya ﵁ blijft een Sahabi waarover de Soenni-traditie het ﵁ behoudt; zijn ijtihad in deze zaak wordt als onjuist beoordeeld zonder dat zijn persoon van eer wordt ontdaan.
Het juridische principe dat in deze evaluatie wordt toegepast, is het principe van ijtihad-vergissing: een gekwalificeerde mujtahid die in zijn ijtihad tot een onjuiste conclusie komt, draagt geen zonde voor de fout, draagt een enkele beloning voor de inspanning, en wordt door de gemeenschap niet uit haar gemeenschap gesloten. De toepassing van dit principe op de Sahabah ﵃ in de fitnah is een van de centrale bijdragen van de Soenni-traditie aan de behandeling van wat een zeer pijnlijke episode in de geschiedenis van de Islam was, en zij staat in scherp contrast met de behandeling die andere stromingen aan dezelfde episode hebben gegeven.
Begrafenis en nalatenschap
ʿAmmar ﵁ werd op het slagveld begraven. Zijn graf bevindt zich aan de westelijke oever van de Eufraat, in de omgeving van het hedendaagse Raqqa in Noord-Syrië. Het is, samen met het nabijgelegen graf van Uways al-Qarni ﵀, die in sommige overleveringen eveneens in Siffin viel aan de zijde van ʿAli ﵁, door de eeuwen heen een plaats van bezoek geweest, en in de moderne tijd is de site herhaaldelijk gerestaureerd. In de oorlogen die Syrië na 2011 hebben getroffen, is de plaats fysiek beschadigd, maar haar memoriale betekenis in de gemeenschap is onveranderd.
In de overlevering van de Sahabah ﵃ neemt ʿAmmar ﵁ een uitzonderlijke positie in. Hij is een van de zeer weinigen over wie de Boodschapper ﷺ zowel in leven als in dood een profetische uitspraak heeft gedaan die in zijn werking historische gebeurtenissen heeft kunnen aanwijzen. Hij is een van de zeer weinigen wier hele levenstraject, van de openlijke verklaring van Islam in Mekka, via de foltering in al-Bath’a en het martelaarschap van zijn ouders, de hijra, de slagen aan de zijde van de Boodschapper ﷺ, de campagnes onder de eerste drie khulafa, het kortstondige gouverneurschap van Kufa, en de dood op Siffin, als een aaneengesloten lijn door de eerste eeuw van de Islam loopt. Hij is een van de zeer weinigen wier moeder als eerste martelares de Islam in het algemeen vertegenwoordigt, naast hem in een eer die geen andere familie deelt.
De Soenni-traditie heeft hem in haar overleveringsbronnen, haar zedeneerden-werken, en haar tafsir-tradities herhaaldelijk geëerd. Zijn naam wordt in elke verzameling van Sahabah-biografieën in de eerste rangen geplaatst. Zijn overleveringen over de Boodschapper ﷺ worden in al-Bukhari en in Muslim opgenomen. Zijn militaire prestaties worden in de maghazi-werken in de eerste lijst van Badrische strijders genoteerd.
Voor ʿAli ﵁ zelf was zijn dood een persoonlijk verlies van een omvang die hij in latere preken meermaals heeft uitgesproken. Hij verloor in ʿAmmar ﵁ niet alleen een militaire bondgenoot van groot symbolisch gewicht, maar ook een van zijn meest naaste broeders in het geloof, een man die hij in zijn jeugd in Mekka had gekend en met wie hij in zeven decennia van gedeelde geschiedenis door alle fasen van de Islam was meegegaan. In de avond na de slag, naar wat in een aantal overleveringen wordt vermeld, sprak ʿAli ﵁ over ʿAmmar ﵁ in een van zijn preken in het Iraqse kamp, en de woorden die hij sprak werden door Khuzayma ibn Thabit ﵁ Dhu ash-Shahadatayn vastgehouden en in latere generaties doorgegeven. Khuzayma ﵁ zelf, door de Boodschapper ﷺ vereerd met de bijnaam Dhu ash-Shahadatayn omdat zijn getuigenis gold als die van twee mannen, zou in dezelfde slag van Siffin enkele dagen later eveneens vallen aan de zijde van ʿAli ﵁, een aanvullende juridische aanwijzing voor wie deze twee martelaarschappen samen in de balans van Siffin opnam.
Wat de dood van ʿAmmar ﵁ in haar diepste werking heeft achtergelaten in de gemeenschap, is de erkenning dat de hadith van de Boodschapper ﷺ in haar profetisch karakter ondubbelzinnig is waargemaakt. Wie deze geschiedenis bestudeert, kan in haar de hand van Allah ﷻ zien in de aanwijzing van wat in een latere generatie zonder die aanwijzing onmogelijk zou zijn te beoordelen geweest. Het is een gunst aan de oemma dat zij in de evaluatie van Siffin niet op haar eigen ijtihad teruggeworpen is, maar dat zij in een profetische uitspraak een vast oriëntatiepunt vindt. De wijze waarop de Soenni-traditie deze gunst heeft verwerkt, door de juridische conclusie te trekken zonder de individuen van hun moslimsheid te beroven, is een van de meest evenwichtige bijdragen van de hoofdstroom aan de zelfevaluatie van de gemeenschap in haar eigen pijnlijke episodes.
Bronnen
- Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk 1995), pp. 208–215 (hoofdstuk over ʿAli ﵁, sectie Siffin en de dood van ʿAmmar ibn Yasir ﵁; hadith van de opstandige groep).
- Imam Ahmad ibn Hanbal ﵀, al-Musnad (ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁ meldt de dood van ʿAmmar ﵁ aan Muʿawiya ﵁; het antwoord van Muʿawiya ﵁).
- Sahih al-Bukhari ﵀, Kitab as-Salat (hadith over ʿAmmar ﵁ en de bouw van de Masjid an-Nabawi; profetie van de opstandige groep) en Kitab al-Fitan.
- Sahih Muslim ﵀, Kitab al-Fitan (verdere ketens van de hadith over ʿAmmar ﵁ en de fi’ah baghiyah).
- Ibn Sa’d ﵀, at-Tabaqat al-Kubra (biografie van ʿAmmar ibn Yasir ﵁ en van zijn ouders Yasir en Sumayyah ﵂).
- Ibn Taymiyyah ﵀, Minhaj as-Sunnah an-Nabawiyyah (juridische evaluatie van Siffin, de hadith van de opstandige partij, en de ijtihad-vergissing van Muʿawiya ﵁ en ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁).