De Slag bij Nahrawan
In een eenzijdige confrontatie ten oosten van de Tigris verloren de Khawarij in enkele uren bijna hun gehele leger. Onder de gevallenen werd een man met een misvormde arm gevonden wiens aanwezigheid een hadith van de Boodschapper ﷺ bevestigde die jaren tevoren over deze groep was uitgesproken.
De aanval
Toen de mannen van Ibn Wahb in slagorde tegen het kamp van ʿAli ﵁ optrokken, deed het Iraqse leger een ongebruikelijk ding. Het bleef staan. ʿAli ﵁ had vóór de slag het bevel gegeven dat zijn mannen niet als eerste een pijl zouden lossen en niet als eerste een lans zouden uitsteken. Hij wilde, in een laatste gebaar, dat de Khawarij zelf de eerste daad zouden stellen, zodat in elke latere overlevering de schuld voor het bloed niet aan zijn zijde zou liggen.
De Khawarij naderden onder geheven slagordening. Ibn Wahb reed voorop. Toen zij op tien speerlengtes van de Iraqse linies waren, lieten zij hun pijlen los en stortten zij zich met het zwaard op de voorste rangen. Het Iraqse leger antwoordde met de techniek waarvoor het bekend stond uit de slagen van Qadisiyyah en Yarmuk: een vaste linie van schilden, een gecoördineerde tegenstoot van speerwerpers, een omsingelingsbeweging door de cavalerie aan de flanken. In minder dan een uur was de hoofdmacht van de Khawarij in een halve cirkel ingesloten en in een gevecht dat geen kwartier kende, ten gronde gericht.
Kaart laden...
De tellingen
De tellingen die in latere bronnen zijn bewaard, lopen uiteen, maar zij komen in hun grootteorde overeen. Van de hoofdmacht van de Khawarij die in slagorde was opgetrokken, vielen tussen de tweeduizend en de tweeëntwintighonderd op het slagveld. Onder de gevallenen was hun aanvoerder ʿAbdullah ibn Wahb al-Rasibi, die naar de overleveringen in de voorste rang met het zwaard in de hand tot het einde toe streed. Onder de gevallenen waren ook de voornaamste van hun leiders: Hurqus ibn Zuhayr, die in eigen consciëntie in zijn jongere jaren de Boodschapper ﷺ had bezocht en die in latere jaren tot een aanvoerder van wat zou worden de Kharij-beweging was uitgegroeid; en een tiental andere senior figuren wier namen in latere bronnen zijn bewaard.
Aan de zijde van ʿAli ﵁ vielen, naar de telling die in latere bronnen is bewaard, tussen de zeven en negen mannen. Het was, in de geschiedenis van de Islamitische veldslagen, een van de meest eenzijdige confrontaties ooit gevochten. De superieure militaire training van het Iraqse leger, gecombineerd met de fragmentarische slagordening van de Khawarij die geen ervaring hadden met de gecoördineerde tactieken van het grote leger, leverde een uitkomst op die in haar verhouding van verliezen op een straf-expeditie leek meer dan op een veldslag.
De zoektocht naar Dhu al-Thudayya
Na de slag wandelde ʿAli ﵁ over het slagveld. Hij was vergezeld door een aantal van zijn naaste metgezellen en hij zocht onder de gevallenen. Hij zocht een man met een misvormde arm.
In zijn jonge jaren had de Boodschapper ﷺ in een overlevering die in de Sahih-bronnen breed is bewaard, uitspraken gedaan over een groep mannen die in de gemeenschap na hem zouden opkomen, en hij had één specifiek teken genoemd. Onder hen, had hij gezegd, zou een man zijn met een arm die in de stand van een vrouwelijke borst hing, met een tepel op de plek waar de andere arm een hand zou hebben. De man werd Dhu al-Thudayya genoemd, hij met het tepel-arm. ʿAli ﵁ had deze overlevering in eigen consciëntie nooit vergeten en hij had in zijn aanvoering van de slag deze overlevering uitdrukkelijk in herinnering geroepen.
Wat in latere bronnen breed is bewaard, en wat Suyuti ﵀ in zijn samenvatting overneemt, is dat na de slag van Nahrawan onder de gevallenen werd gezocht naar deze man. Hij werd niet onmiddellijk gevonden. ʿAli ﵁ zelf werd door wie hem omringden gevraagd of hij in zijn vertrouwen in de overlevering misschien was misleid. Hij antwoordde, met een rust die geen twijfel toeliet:
ʿAli ﵁: Hij is hier. Indien hij er niet is, dan ben ik de eerste leugenaar in de ummah. Zoek verder.
Een tweede zoektocht werd ondernomen, in een ravijn waar de gevallenen op elkaar lagen. Daar werd hij gevonden, onderop, het dichtst bij de grond. Een man met een arm die op een vrouwelijke borst leek, met een tepel op de plek waar de hand zou zijn geweest. Toen ʿAli ﵁ hem zag, viel hij in prostratie van dankbaarheid, en hij sprak een tahmid uit voor Allah ﷻ die de woorden van zijn Boodschapper ﷺ in deze bevestiging had gewaarborgd. De woorden van de Boodschapper ﷺ waren bevestigd. De overlevering, in haar uitwerking op de bodem van een ravijn in het oosten van Iraq, was niet meer te ontkennen.
Wat de slag uitsprak
Voor ʿAli ﵁ was de slag van Nahrawan in militaire zin een eenduidige overwinning. Hij had de gewapende oppositie in zijn binnenste rug vernietigd in een actie die nauwelijks een dag had geduurd. Hij had de mannen die ʿAbdullah ibn Khabbab ﵁ hadden gedood, in het kamp van Ibn Wahb berecht zonder dat individuele namen in latere bronnen behoefden te worden bewaard. Hij had de waarschuwing van de Boodschapper ﷺ over de opstandige groep met de man-met-misvormde-arm in eigen ogen bewaarheid gezien.
Maar voor de gemeenschap was de slag minder eenduidig. Het bestaan van de Khawarij was niet met de slag van Nahrawan uitgewist. De stroming had in haar enkele jaren bestaan reeds zo veel theologisch-politiek erfgoed opgebouwd dat zij in de jaren na Nahrawan in andere geledingen, onder andere aanvoerders en met andere strategieën, terug zou keren. In Basra en in Ahwaz waren reeds in de jaren na 38 nieuwe Khariji groepen actief die uit de mannen waren voortgekomen die niet aan de slag van Nahrawan hadden meegedaan en die zich nu opnieuw groeperden. Onder de Umayyaden zou de Khariji-beweging tot een permanente factor in het politieke landschap worden, en haar invloed zou tot in Oman en Algerije voelbaar zijn in eeuwen daarna.
Bovendien was de slag van Nahrawan, ondanks haar succes, in haar politieke gevolgen voor ʿAli ﵁ niet zonder schade. De Khawarij die hij had gedood waren in eigen consciëntie geen huurlingen geweest, geen gewone rovers, geen ongelovige opstandelingen. Zij waren moslims geweest die in een verkeerde lezing waren afgedwaald, en in de gemeenschap van Kufa waren er familieleden van de gevallenen die in hun verlies een politieke positie tegen ʿAli ﵁ zouden ontwikkelen. De wrok van de families van de gevallen Khawarij, en in bijzondere mate de wrok van wie van hun overgebleven leden naar ʿAbd ar-Rahman ibn Muljam toe trokken, zou in twee jaar tijd in een aanslag uitmonden waarvan ʿAli ﵁ persoonlijk het slachtoffer zou worden.
Het terugkeren naar Kufa
Na de slag bleef ʿAli ﵁ enkele dagen bij Nahrawan om de wonden van zijn eigen mannen te laten verzorgen en om de begrafenissen van de gevallenen aan beide zijden te overzien. Hij liet de Khawarij-doden begraven volgens de moslim-begrafenisritus, ondanks de strenge theologische lezing waarin zij wie hen begroef in stand van een ongelovige hadden geplaatst. Hij hield zich aan de Sunnah van de Boodschapper ﷺ, die hem geen onderscheid had geleerd in de wijze van begrafenis tussen wie in het rechte pad hadden geleefd en wie ervan waren afgedwaald, zolang de Shahadah niet uitdrukkelijk was verworpen.
Hij stuurde een geleide met de wonden naar Kufa terug, en hijzelf bleef in een tent buiten Nahrawan met een kleine staf om in eigen kring de verdere campagne tegen Sham voor te bereiden. Want zijn aanvankelijke planning, die in de mobilisatie tegen de Khawarij was onderbroken, was om na Nahrawan onmiddellijk door te marcheren naar Sham, het hervatte oorlog tegen Muʿawiya ﵁ aan te vatten, en wat in Siffin niet was voltooid in een tweede campagne tot een militaire conclusie te brengen.
De weigering van het leger
Toen hij echter aan zijn mannen het bevel gaf om de tocht naar Sham te hervatten, ontmoette hij een weigering die hem dieper trof dan elke overwinning hem ooit had verheugd. De Kufanen waren moe. Zij waren in maanden van campagne, in de mobilisatie voor de Slag bij de Kameel, in de weken bij Siffin, in de schermutselingen tussen de twee kampen, in de weken van wachten op de arbitrage, in de korte snelle mobilisatie tegen Nahrawan, uitgeput. Zij wensten naar Kufa terug. Zij wensten naar hun vrouwen en hun kinderen. Zij wensten enige weken rust voordat zij in een nieuwe campagne werden geworpen.
ʿAli ﵁ probeerde hen te overtuigen. Hij sprak hen toe in een rede die in latere bronnen is bewaard. Hij wees erop dat een dag van uitstel een dag was waarop Muʿawiya ﵁ in Sham zijn positie verder versterkte. Hij wees erop dat de moed die zij in Nahrawan hadden getoond, in een lange afzondering zou wegteren. Hij riep hen op om in zijn nabijheid te blijven, om zich met hem op de weg naar Sham te begeven, om in de glorie van een gemeenschappelijke overwinning hun fitnah ten einde te brengen.
De mannen luisterden, maar zij antwoordden niet. Eén voor één begonnen zij terug te rijden naar Kufa. Toen ʿAli ﵁ zag dat hij zonder leger achter zou blijven, gaf hij met grote tegenzin het bevel tot algehele terugkeer. Hij reed in het centrale gedeelte van de marsroute terug naar Kufa met de wetenschap dat de hervatting van de campagne tegen Sham, die hem in eigen ogen de eerste prioriteit van zijn ambt was, voor onbepaalde tijd zou moeten worden uitgesteld.
Het laatste woord
In een khutbah die hij in de moskee van Kufa hield na zijn terugkeer, sprak hij woorden die in latere bronnen breed zijn bewaard en die in hun beknoptheid de gehele toestand van zijn kalifaat samenvatten:
ʿAli ﵁: Bij Allah ﷻ, mijn vijanden hebben in jullie hun beste bondgenoot. Jullie helpen mijn vijanden zonder jullie wapens te heffen. Jullie helpen hen door jullie eigen vermoeidheid, jullie eigen verdeeldheid, jullie eigen tekort aan wil. Een man die zou zeggen dat hij van jullie geen gebruik wenste te maken, zou meer recht hebben dan ik dat heb.
Met deze woorden in de moskee, en met de tegenzin van zijn mannen in zijn binnenste, begon de laatste fase van zijn kalifaat. Hij wist dat hij, zolang Kufa zijn enige operationele basis bleef, niet in staat zou zijn om de campagne tegen Sham te hervatten. Hij hoopte dat hij in de maanden of jaren die hem nog zouden worden gegeven, het kalifaat in zijn ambt zou kunnen vasthouden, en dat hij in een betere conjunctuur een tweede tocht zou kunnen ondernemen. Maar hij wist niet hoe lang zijn ambt nog zou duren, en hij wist niet uit welke richting de aanval zou komen die het zou beëindigen.
Veldslag laden...
De rouwklacht van de families
Na de slag van Nahrawan keerden in Kufa de families van de gevallen Khawarij in rouw. Het ging om enkele honderden gezinnen wier mannen, broers of zonen aan de zijde van Ibn Wahb waren gevallen. De rouw werd in de straten van de stad in luide klachten geuit, en in een aantal gevallen werd zij in politieke uitdrukkingen vermengd waarin ʿAli ﵁ in eigen consciëntie als de moordenaar van wie in eigen overtuiging hadden gehandeld werd aangeduid. ʿAli ﵁ liet de families ongemoeid; hij gaf opdracht om geen vervolging in te stellen tegen wie in hun rouw politiek-onvriendelijke uitspraken deed, en hij liet aan de families van de gevallenen de gebruikelijke bloedgeld-uitkeringen die in geval van slachtoffers in een fitnah-strijd door de bait al-mal werden gedaan. In een aantal gevallen werd door de families het bloedgeld geweigerd op grond van de overtuiging dat het aanvaarden ervan een erkenning van de wettige aard van de slag zou impliceren. ʿAli ﵁ liet deze weigeringen ongemoeid en zond de bedragen naar de bait al-mal terug.
Het beraad over de tweede campagne
In de weken na de terugkeer uit Nahrawan riep ʿAli ﵁ verschillende keren zijn raad bijeen om de mogelijkheid van een tweede campagne tegen Sham te bespreken. De raad telde Malik al-Ashtar ﵀ tot zijn vooraanstaande lid, en aan zijn zijde ʿAdiy ibn Hatim ﵁, al-Ahnaf ibn Qays ﵀, en een aantal andere senior figuren. Malik al-Ashtar ﵀ drong er bij elke gelegenheid op aan om de mobilisatie binnen weken te beginnen, met de waarschuwing dat elke maand van uitstel een maand was waarin Muʿawiya ﵁ zijn positie verder verstevigde. De andere leden van de raad waren voorzichtiger. Zij wezen erop dat de Kufaanse troepen in de Slag van Nahrawan weliswaar een eenduidige overwinning hadden behaald, maar dat de moeite van de eerdere campagnes in hun moede nog niet was uitgewist en dat een mobilisatie op korte termijn op weerstand zou stuiten.
ʿAli ﵁ nam de inzet van zijn raad in beraad, maar hij wachtte met een bevel tot mobilisatie. Hij wenste de stemming in de stad eerst af te zoeken via koeriers naar de stamhoofden en via persoonlijke ontmoetingen in de moskee. De stemming, naar wat hij in deze weken kon vaststellen, was niet eensluidend genoeg voor een snelle mobilisatie. Hij besloot tot uitstel, in de hoop dat in een betere conjunctuur de mobilisatie eensluidend zou kunnen worden uitgevoerd. De conjunctuur kwam niet meer. In de maanden erna zou Egypte verloren gaan, zou Malik al-Ashtar ﵀ in Qulzum vergiftigd worden, en zou de Iraqse positie zo verzwakt zijn dat een tweede campagne tegen Sham niet meer haalbaar was.
De terugkeer van wie zich in de slag hadden onthouden
Een aantal van de Khawarij die zich aan de vooravond van de slag van Nahrawan van de hoofdmacht hadden afgesplitst en die zich aan de kant van de slag hadden gehouden zonder aan een van beide zijden mee te doen, keerden in de weken na de slag naar Kufa terug. Zij waren in een tussenpositie waarin zij in eigen consciëntie de aanvaarding van de arbitrage nog steeds verwierpen, maar in zoverre dat zij in het bloedige conflict niet hadden wensen mee te doen. ʿAli ﵁ ontving hen en sprak met hen in een gesprek dat in latere bronnen is bewaard. Hij vroeg hen of zij bereid waren om de bayʿah te hernieuwen en zich onder zijn ambt te stellen. Zij vroegen om enige tijd voor beraad. Hij liet hen die tijd. In de maanden erna keerden de meesten van hen terug en hernieuwden de bayʿah. Een handvol bleven in een afzondering in stamdorpen rondom Kufa, en zij vormden in de jaren erna een latente Khariji-aanwezigheid die in Kufa nooit helemaal verdween.
De juridische status van de Khariji-doden
Na de slag van Nahrawan rees in de gemeenschap een juridische vraag die parallel was aan de vraag die was gerezen na de Slag bij de Kameel: wat was de juridische status van wie aan de zijde van de Khawarij waren gevallen? ʿAli ﵁ gaf in deze zaak een uitspraak die in de juridische werken van latere generaties zou worden geanalyseerd. Hij verklaarde dat de Khawarij in hun afsplitsing waren afgedwaald in een ijtihad-fout van een orde die hen niet uit het geloof had geplaatst. Zij waren rebelse moslims, niet ongelovige opponenten. Hun bloed in de slag was voor wie hen in de slag had aangevallen, niet beladen met de bloedschuld die voor moord op een onschuldige moslim zou gelden. Maar hun begrafenis moest plaatsvinden volgens de gewone moslim-begrafenisritus. Hun nakomelingen erfden hun bezit volgens de gewone bepalingen van het islamitische erfrecht. Hun vrouwen waren niet gevangen.
Deze uitspraak werd in latere generaties door de geleerden van alle vier de Sunnitische madhhabs uitgewerkt. De Hanafi-school behandelde haar in haar werken over de fitnah. De Maliki-school behandelde haar in haar werken over de aanwijzingen voor de qadi. De Shafiʿi-school behandelde haar in haar werken over de imamate. De Hanbali-school behandelde haar in haar werken over de bepalingen voor de oorlog tegen rebelse moslims. In elke madhhab werd de uitspraak van ʿAli ﵁ als bindend precedent aanvaard, en zij vormde de juridische grondslag voor de behandeling van soortgelijke fitnah-strijden in de eeuwen erna.
De waarschuwende les voor latere generaties
De slag van Nahrawan werd in latere generaties als een waarschuwende les aangehaald voor wie in eigen consciëntie meende dat een politieke positie in extreem vrome bewoording kon worden uitgesproken zonder dat de bewoording in haar gevolgen leidde tot bloedvergieting van wie de positie niet deelde. De Khawarij in Nahrawan waren in hun persoonlijke vroomheid niet te overtreffen geweest. Hun nachtgebeden waren langer dan die van wie tegenover hen stond. Hun reciteren van de Quran was van een devotie die in latere bronnen niet zonder eerbied wordt vermeld. Hun afzien van wijn, van overspel en van diefstal was zonder enige uitzondering. En toch leidde hun politieke overtuiging hen tot de moord op een Sahabi-zoon ﵁ en zijn zwangere vrouw op een weg buiten hun kamp, omdat de Sahabi-zoon ﵁ in zijn antwoord op hun ondervraging respectvol over ʿAli ﵁ had gesproken. De combinatie van extreme persoonlijke vroomheid met extreme losheid in de bescherming van het bloed van anderen is in latere generaties als de klassieke valkuil van de extremistische religieuze positie aangehaald, en de Khawarij van Nahrawan zijn in deze waarschuwing het paradigmatische voorbeeld.
Bronnen
- Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk 1995), p. 191 (de slag van Nahrawan), p. 191 (de zoektocht naar Dhu al-Thudayya en de hadith over de man met de misvormde arm), p. 191 (de weigering van het Kufaanse leger om naar Sham door te marcheren).