Op de drempel van het binnendringen
In het voorgaande artikel volgden wij ʿUthman ibn ʿAffan ﵁ in zijn omsingeling. Wij volgden de drie uitwegen die al-Mughirah ibn Shuʿbah ﵁ hem voorstelde en zijn drievoudige weigering daarvan. Wij volgden zijn aanroep van de Badr-veteranen vanaf de bovenverdieping, zijn tien opgespaarde deugden bij zijn Heer ﷻ, het verbond dat de Profeet ﷺ persoonlijk met hem had gesloten. Wij volgden ʿAli ﵁ die zijn zonen al-Hasan ﵁ en al-Husayn ﵁ met hun zwaarden aan de deur opstelde, az-Zubayr ﵁ die zijn zoon ʿAbdullah ﵁ stuurde, Talha ﵁ die zijn zoon Muhammad ibn Talha ﵁ stuurde, en de andere zonen van metgezellen ﵃ die zich aan de deur verzamelden. Wij volgden de drie waterzakken die ʿAli ﵁ door de wonden van zijn mawlas heen liet bezorgen. Wij volgden de pijlen die op de deur regenden tot al-Hasan ﵁ in bloed was doortrokken en Marwan ﵁ binnenshuis door een pijl was geraakt. En wij eindigden op de drempel van het ogenblik waarin Muhammad ibn Abi Bakr aan twee mannen voorstelde over de muur van een buurhuis te klimmen om de Khalifah zonder dat de wacht aan de deur het zou bemerken te bereiken.
In dit artikel volgen wij twee dingen. In het eerste deel volgen wij wat er over die muur gebeurde, in wat het laatste uur van de Khalifah zou zijn. Wij volgen Muhammad ibn Abi Bakr het huis binnen, wij volgen de baard van de Khalifah in de greep van een hand die haar daarna losliet, wij volgen de twee mannen die de slag voltrokken waarvan Muhammad de uitvoering had voorbereid. Wij volgen Naʾila bint al-Furafisa ﵂ met haar vingers afgesneden in haar poging het zwaard te keren, wij volgen het bloed van de derde Khalifah dat op zijn Mushaf valt op het ogenblik dat hij verzen 137 van soera al-Baqara reciteert. En wij volgen het lichaam dat drie nachten onbegraven bleef voordat een handvol mannen het in de duisternis tussen de salah van Maghrib en de salah van ʿIsha naar Hash Kawkab op al-Baqiʿ kon brengen.
In het tweede deel van dit artikel volgen wij wie de man was die in dat graf rust. Wij volgen zijn afkomst, zijn vroege bekering, zijn twee huwelijken met dochters van de Boodschapper ﷺ, zijn schaamte waarvoor zelfs de engelen ﵇ huiverig waren, zijn vrijgevigheid in de uitrusting van het Leger der Moeite, zijn aankoop van de put van Rumah, zijn uitbreiding van de Masjid an-Nabawi en de Masjid al-Haram, zijn nachtelijke gewoonten van wudu en vrijlating van slaven, en zijn vereniging van de Ummah op één enkele Mushaf. Twee delen in één artikel, omdat de Composer heeft beslist dat het martelaarschap en de biografie als één voortgaande beweging worden verteld. De man die in het eerste deel sterft, is dezelfde man die in het tweede deel ten leven wordt geroepen.
Deel 1: Het martelaarschap (Dhul-Hijjah 35 AH)
Kaart laden...
Het besluit van Muhammad ibn Abi Bakr
Muhammad ibn Abi Bakr nam, zoals reeds in het voorgaande artikel werd aangestipt, de hand van twee mannen en sprak hen op de zijkant van het huis aan. Zijn woorden worden door Suyuti ﵀ op pagina honderdtweeënzeventig overgeleverd:
Muhammad ibn Abi Bakr: Indien Banu Hashim komen en zij zien bloed op het gezicht van al-Hasan ﵁, dan zullen zij deze mensen van rond ʿUthman ﵁ verdrijven, en wat wij wilden, zal vergeefs zijn geweest. Laten wij gaan en over de muur van het huis klimmen en hem doden zonder dat iemand het weet.
Zijn redenering was nuchter en sluw. De wacht aan de deur, samengesteld uit de zonen van de meest gezaghebbende metgezellen ﵃, was niet langer met geweld weg te krijgen zonder een conflict op te roepen waarin Banu Hashim en de profetische familie zelf zouden worden meegezogen. Indien al-Hasan ﵁ ernstiger gewond raakte, zou de reactie zo zwaar zijn dat het hele opzet van de Egyptenaren in elkaar zou storten. De oplossing die Muhammad voor zich zag, was om de wacht te omzeilen en het huis van de andere zijde binnen te dringen, via de muur die het huis met dat van een buurman uit de Ansar deelde.
Muhammad en zijn twee mannen klommen, schrijft Suyuti ﵀, over de muur vanuit het huis van een Ansari ﵁ binnen, en betraden het huis van ʿUthman ﵁ zonder dat iemand van degenen die met hem waren, het bemerkte. Iedereen die in zijn huis was, bevond zich op dat ogenblik boven op de daken, in afwachting van wat aan de poort gebeurde of in verdediging tegen mogelijke pijlen. Er was bij de Khalifah niemand behalve zijn vrouw Naʾila ﵂.
“Indien uw vader u zou kunnen zien”
Muhammad ibn Abi Bakr gaf zijn twee mannen instructie: “Blijven jullie staan, want zijn vrouw is bij hem, totdat ik eerst binnentreed. Wanneer ik hem heb vastgegrepen, kom dan binnen en sla hem totdat jullie hem hebben gedood.” Hij trad als eerste binnen om Naʾila ﵂ niet onmiddellijk in paniek te brengen en om de Khalifah de eerste schok van een ongewenste binnenkomst te laten ondergaan voordat de twee mannen zouden volgen.
Hij ging binnen en greep ʿUthman ﵁ bij zijn baard. De Khalifah, hoewel beroofd van zijn verdediging en in zijn eigen huis door een man uit het huishouden van Abu Bakr ﵁ overweldigd, sprak hem aan met de woorden die Suyuti ﵀ heeft bewaard:
ʿUthman ﵁: Bij Allah ﷻ, indien uw vader u zou kunnen zien, dan zou uw gedrag tegen mij hem een groot verdriet zijn.
Eén zin. Geen schreeuw, geen aanroep van de menigte, geen smeekbede voor zijn eigen leven. Een herinnering aan een afwezige vader. Abu Bakr as-Siddiq ﵁ was de meest geliefde metgezel van de Boodschapper ﷺ, een man wiens vriendschap met ʿUthman ﵁ van de eerste dagen van de Islam dateerde, een man die ʿUthman ﵁ zelf tot de bekering had geroepen. Indien Abu Bakr ﵁ zijn zoon Muhammad nu had kunnen zien in deze daad, zou de pijn van dat gezicht voor hem onverdraaglijk zijn geweest.
De woorden troffen Muhammad in zijn vader. Suyuti ﵀ overlevert het in zijn eigen woorden: “Zijn hand werd slap, en hij hield zich in.” Hij liet de baard van de Khalifah los en deed een stap terug. Wat ʿUthman ﵁ van hem had gevraagd door alleen maar de naam van zijn vader te noemen, was de erkenning dat hij zich in de stamlijn van Abu Bakr ﵁ bevond en dat zijn aanwezigheid hier een schending van die lijn was. Muhammad voltrok, naar wat hij later zelf zou bevestigen, op dat moment de slag niet. Hij deinsde terug, hij keerde zich in zijn hart tot Allah ﷻ in berouw, en hij verliet de plaats.
De twee assassijnen voltrekken de slag
Maar de twee mannen die hij voor zich had laten staan, hadden hun opdracht. Toen zij binnen waren en zagen dat Muhammad zich terugtrok, voltrokken zij wat hij had nagelaten. Suyuti ﵀ noteert kort: “De twee mannen kwamen binnen en sloegen hem totdat zij hem hadden gedood.” Geen verdere dialoog. Geen verzet van de Khalifah, die in zijn houding van geduld het verbond met de Profeet ﷺ niet wilde breken. De twee mannen vluchtten naar buiten via dezelfde muur als waarover zij waren binnengeklommen.
Suyuti ﵀ overlevert door Ibn ʿAsakir ﵀ op gezag van Kinana, de mawla van Safiyya ﵂, dat de man die de slag voltrok een Egyptenaar was, blauwogig, met een rossige huid, en bekend onder de naam Himar. Een man wiens naam in de geschiedenis is gebleven als een waarschuwing tegen wat een mens in de greep van fitna kan doen.
Naʾila ﵂ tracht het zwaard te keren
In de stilte die in het huis daarop volgde, was Naʾila bint al-Furafisa ﵂ de enige getuige. Suyuti ﵀ noteert in dezelfde passage dat de Khalifah op het moment van de slag bij zijn vrouw was, en dat haar pogingen om hem te beschermen tot in haar eigen lichaam waren gegaan. Zij had geprobeerd het zwaard tegen te houden, en haar hand was tussen het zwaard en haar man gekomen, en de vingers van die hand waren afgesneden in de slag die de assassijn voltrok. Zij riep uit toen het lichaam van haar man neerviel, maar haar roep werd niet gehoord in het huis vanwege de commotie boven op de daken.
Daarna ging zij naar de mensen boven op het dak en zij zei: “De Amir al-Muʾminin is gedood!” De mensen kwamen binnen en zij vonden hem geslacht. Het nieuws bereikte ʿAli ﵁, Talha ﵁, az-Zubayr ﵁, Saʿd ﵁ en wie ook van de metgezellen ﵃ in Medina aanwezig was. Zij gingen uit, en hun verstand, schrijft Suyuti ﵀, had hen verlaten van het bericht dat hen had bereikt, totdat zij bij ʿUthman ﵁ binnenkwamen en hem gedood vonden. Zij herhaalden keer op keer: “Voorwaar, wij behoren aan Allah ﷻ toe en voorwaar, tot Hem keren wij terug.”
Het bloed op de Mushaf
Wat Suyuti ﵀ in zijn passages over de afgelopen ogenblikken van de Khalifah opneemt, bevestigt wat ook in de bredere overlevering bewaard is gebleven: dat ʿUthman ﵁ in zijn laatste momenten de Mushaf in zijn schoot las en dat zijn bloed op de bladzijden viel. Op gezag van vele overleveraars schreef Suyuti ﵀ eerder dat ʿUthman ﵁ de Koran in de tijd van de Profeet ﷺ in zijn geheel uit het hoofd had geleerd, en dat hij eigenhandig de samenstelling van de ene Mushaf voor de Ummah had geleid. Dat dezelfde Mushaf in zijn schoot lag toen het zwaard hem trof, is door de overleveraars die in Suyuti’s bredere kringen werkten, bewaard. ʿAbd ar-Rahman ibn Mahdi ﵀ had immers gezegd dat van zijn twee eigenschappen die noch Abu Bakr ﵁ noch ʿUmar ﵁ hadden, de tweede was: “zijn vereniging van de mensen op één enkele Mushaf.” Het was de Mushaf van zijn eigen werk waarop zijn bloed viel.
Het lichaam onbegraven en het graf in Hash Kawkab
Wat in de uren en dagen na de slag gebeurde, is door Suyuti ﵀ in korte zinnen aangegeven. ʿUthman ﵁ werd gedood, naar verschillende overleveringen, op een woensdag of op een vrijdag, in het midden van de Dagen van Tashriq, de dagen na het ʿId al-Adha van het vijfendertigste jaar. Sommigen zeggen op de achttiende van Dhul-Hijjah, anderen zes dagen voor het einde van Dhul-Hijjah, anderen op een maandag. De Dagen van Tashriq waren de elfde, twaalfde en dertiende van Dhul-Hijjah, en in die dagen bevond ʿAʾishah ﵂ zich op de Hajj, ver van Medina, ver van het gebeuren in het huis van de Khalifah. Haar afwezigheid op dat ogenblik betekende dat haar stem, de stem van de Moeder der Gelovigen, die in de opbouw van de fitna nog zo scherp had gesproken, in de schemering van de moord zelf niet had kunnen worden gehoord.
Hij was, naar verschillende overleveringen, tweeëntachtig jaar oud op de dag dat hij werd gedood. Anderen zeggen eenentachtig, vierentachtig, zesentachtig, achtentachtig of negenentachtig. Sommigen hebben gezegd negentig. De Khalifah die zijn jeugd in de zesde jaar na het Jaar van de Olifant had begonnen, sloot zijn leven in zijn zevende decennium af.
Hij werd begraven op de nacht voor zaterdag, tussen de salah van Maghrib en de salah van ʿIsha, in Hash Kawkab op al-Baqiʿ, de begraafplaats van Medina. Hij was de eerste die in Hash Kawkab werd begraven. Het lichaam was, voor de uren tussen de moord en deze begrafenis, door de stand van de gemeenschap niet onmiddellijk in de aarde gebracht. Pas in de schemering, op het ogenblik dat het minst opzichtig was, kon een kleine groep mannen hem in stilte naar dat deel van de begraafplaats brengen waar hij in rust kon worden gelegd.
Qatadah ﵀ overlevert dat az-Zubayr ibn al-ʿAwwam ﵁ de begrafenisgebed over hem heeft verricht en hem heeft begraven, omdat hij dat op verzoek van ʿUthman ﵁ zelf had toegezegd. Az-Zubayr ﵁, een van de tien aan wie de Tuin was beloofd, een lid van de Shura van Zes uit wier midden ʿUthman ﵁ was gekozen, vervulde de laatste plicht aan de Khalifah die zijn vriend was geweest in de jaren van de Profeet ﷺ.
De woorden van ʿAli ﵁ over zijn afwezigheid
In de hooft van wat op de moord volgde, kwam ʿAli ﵁ naar het huis terug en sprak met Naʾila ﵂. Hij vroeg haar wie ʿUthman ﵁ had gedood. Zij zei dat zij dat niet wist; twee mannen die zij niet kende waren binnengekomen, en met hen was Muhammad ibn Abi Bakr geweest. ʿAli ﵁ riep om Muhammad en vroeg hem naar wat de vrouw van ʿUthman ﵁ had verteld. Muhammad antwoordde:
Muhammad ibn Abi Bakr: Zij heeft niet gelogen. Bij Allah ﷻ, ik ging bij hem binnen en ik wilde hem doden, maar hij herinnerde mij aan mijn vader, en ik trok mij van hem terug, in berouw tot Allah ﷻ, verheven is Hij. Bij Allah ﷻ, ik heb hem niet gedood en ik heb hem niet vastgehouden.
Naʾila ﵂ bevestigde wat hij had gezegd, maar voegde toe dat hij wel degelijk de twee mannen had binnengebracht. ʿAli ﵁ keerde zich daarna tot zijn eigen zonen en gaf hen de bestraffing die Suyuti ﵀ heeft bewaard: “Hoe is de Amir al-Muʾminin gedood, terwijl jullie twee aan de deur stonden?” Hij hief zijn hand, sloeg al-Hasan ﵁, stootte op de borst van al-Husayn ﵁, beschimpte Muhammad ibn Talha ﵁ en ʿAbdullah ibn az-Zubayr ﵁, en ging woedend naar zijn huis.
Wat ʿAli ﵁ later zou zeggen over zijn eigen onschuld in de zaak, heeft Suyuti ﵀ op pagina honderdzevenenzeventig in herhaling bewaard. Al-Hasan ﵀ overlevert dat ʿUthman ﵁ werd gedood terwijl ʿAli ﵁ in een stuk land was dat hij bezat, en dat hij, toen het bericht hem bereikte, zei: “O Allah ﷻ, ik heb het niet goedgekeurd en ik heb het niet aangewakkerd.” Qais ibn ʿAbbad ﵀ overlevert dat hij ʿAli ﵁ op de dag van de Slag van de Kameel hoorde zeggen: “O Allah ﷻ, ik ben voor U vrij van het deelnemen aan het vergieten van het bloed van ʿUthman ﵁.” En Abu Khaldah al-Hanafi ﵀ overlevert: “Ik hoorde ʿAli ﵁ zeggen: Banu Umayya beweren dat ik ʿUthman ﵁ heb gedood. Nee, bij Allah ﷻ buiten Wie er geen god is! Ik heb hem niet gedood, ik heb het niet aangewakkerd, ik heb het verboden maar zij waren mij ongehoorzaam.”
De voorzegging vervuld
Wat door Suyuti ﵀ in zijn vroegere passages over ʿUthman ﵁ was overgeleverd, blijkt in dit ogenblik vervuld. At-Tirmidhi ﵀ had op gezag van Ibn ʿUmar ﵁ overgeleverd dat de Boodschapper van Allah ﷺ een fitna had genoemd en daarover had gezegd: “Deze zal er onrechtmatig in worden gedood,” doelend op ʿUthman ﵁. Zayd ibn Thabit ﵁ had overgeleverd dat de Profeet ﷺ had gezegd: “ʿUthman ging voor mij langs terwijl een van de engelen ﵇ bij mij was, en hij zei: ‘Een martelaar die door zijn eigen volk gedood zal worden. Wij zijn voor hem huiverig.’” Wat aan deze profetische uitspraken had vooraf gegaan, was nu door de slag in zijn huis ten volle uitgekomen.
Hudhayfa ﵁ had voorzegd: “De eerste van de beproevingen is het doden van ʿUthman ﵁, en de laatste van de beproevingen is het verschijnen van de Dajjal.” ʿAbdullah ibn Salam ﵁ had de belegeraars vóór de slag aangesproken met een laatste waarschuwing: “Doodt hem niet! Want bij Allah ﷻ, iedere man van u die hem doodt, zal Allah ontmoeten zonder hand. Het zwaard van Allah ﷻ zal in zijn schede blijven, maar bij Allah ﷻ, indien jullie hem doden, zal Allah ﷻ het uittrekken en Hij zal het nooit meer in zijn schede steken. Er werd nooit een profeet gedood zonder dat zeventigduizend om zijnentwille werden gedood, noch een Khalifah zonder dat vijfendertigduizend om zijnentwille werden gedood, voordat zij weer werden verenigd.”
Samura ﵁ overleverde een sluitsteen voor het hele tafereel: “De Islam was in een sterk versterkte burcht, en zij maakten een bres in de Islam met het doden van ʿUthman ﵁ die niet zal worden gesloten tot de Dag der Opstanding. De Khilafah was onder de mensen van Medina, en zij verdreven haar uit zich, en zij keerde niet meer naar hen terug.” Muhammad ibn Sirin ﵀ overleverde: “De gevlekte paarden (van de engelen ﵇) zijn nooit uit de veldslagen en de legers weggebleven, totdat ʿUthman ﵁ werd gedood. Er was geen onenigheid over de nieuwe manen, totdat ʿUthman ﵁ werd gedood. Deze rode kleur die aan de horizon is, was nooit gezien, totdat al-Husayn ﵁ werd gedood.”
In de elegie die Kaʿb ibn Malik ﵁ over hem dichtte en die ash-Shaʿbi ﵀ heeft overgeleverd, klinkt het oordeel van zijn tijdgenoten:
Toen weerhield hij zijn handen en sloot hij zijn deur,
En hij wist zeker dat Allah ﷻ niet vergeetachtig is.
Hij zei tot de mensen van het huis: "Doodt hen niet!
Moge Allah ﷻ elke man vergeven die niet vecht."
Hoe hebt u Allah ﷻ over hen zien uitstorten
Vijandschap en haat na harmonie met elkaar!
En hoe hebt u het goed zien terugkeren van de mensen
Na hem, zoals de drijvende winden de wolken terugdraaien!
In één strofe is zijn houding vastgelegd. Hij weerhield zijn handen, hij sloot zijn deur, hij wist zeker dat Allah ﷻ niet vergeetachtig was, en hij gebood zijn huisgenoten niet te doden. Dat was de houding waarmee de derde Khalifah van de Boodschapper van Allah ﷺ uit deze wereld trad.
Deel 2: Biografische schets
Dhu’n-Nurayn — de bezitter van de twee lichten
Wij hebben de Khalifah nu in zijn dood gevolgd, en wij hebben hem in zijn beleg gevolgd. Wij hebben gezien hoe hij de wapens niet wilde opnemen, hoe hij de Mushaf niet uit zijn schoot wilde leggen, hoe hij Naʾila ﵂ aan zijn zijde had en hoe haar vingers werden afgesneden in de poging het zwaard te keren. Maar wie was de man wiens leven in dit graf werd afgesloten. Waar werd hij geboren, hoe leerde hij de Islam kennen, hoe trouwde hij met twee dochters van de Boodschapper ﷺ, hoe besteedde hij de welvaart die in zijn hand kwam, hoe maakte hij de moskeeën van Mekka en Medina groter dan zij ooit waren geweest, en welke gewoonten van zijn nachten werden door zijn dienaren bewaard als getuigenissen van zijn vroomheid.
Wat Suyuti ﵀ over hem verzamelt, beslaat ruwweg pp. 157–164 in de vroege hoofdstukken van zijn Khilafah, en pp. 178–180 in de afronding na zijn martelaarschap. In dat materiaal komen wij hem tegen zoals zijn metgezellen ﵃ hem hebben gekend: schaamtevol zonder zwakte, vrijgevig zonder verkwisting, gehecht aan de Boodschapper ﷺ zonder zelfverheffing, en met een nachtelijke vroomheid die zelfs zijn naaste dienaren niet was opgevallen totdat een van hen het in een opmerking aan hem had laten ontvallen.
Hij was ʿUthman ibn ʿAffan ibn Abi’l-ʿAs ibn Umayya ibn ʿAbd Shams ibn ʿAbd Manaf ibn Qusayy ibn Kilab ibn Murra ibn Kaʿb ibn Luʾayy ibn Ghalib al-Qurashi al-Amawi, geboren te Mekka, later wonende te Medina, met de kunya Abu ʿAmr, en in andere overleveringen Abu ʿAbdullah en Abu Layla. Hij was geboren in het zesde jaar na het Jaar van de Olifant, dat ruwweg zes jaar na de geboorte van de Boodschapper ﷺ valt, en hij aanvaardde de Islam zeer vroeg, behoorde tot de mannen die Abu Bakr as-Siddiq ﵁ in zijn eerste oproep tot de Islam had geroepen. Hij emigreerde op beide hijra’s: de eerste naar Abessinië, en de tweede naar Medina.
Zijn moeder was Arwa bint Kurayz ibn Rabiʿa ibn Habib ibn ʿAbd Shams. Haar moeder was Umm Hakim al-Baydaʾ bint ʿAbd al-Muttalib ibn Hashim, een tweelingzuster van de vader van de Boodschapper van Allah ﷺ. Daardoor was de moeder van ʿUthman ﵁ de dochter van een tante van vaderskant van de Profeet ﷺ, en was hijzelf in nabije bloedverbintenis met de Profeet ﷺ. Die nabijheid in lijn was niet alleen geslachtelijk maar ook persoonlijk: zij verklaarde de natuurlijkheid waarmee de Profeet ﷺ hem eerst zijn dochter Ruqayya ﵂ en later zijn dochter Umm Kulthum ﵂ in het huwelijk gaf.
Hij huwde Ruqayya bint Rasul Allah ﷺ vóór de profetie. Zij stierf bij hem tijdens de nachten van de Slag van Badr in het tweede jaar van de Hijra. Hij was van Badr afgehouden omdat zij ziek werd, met de toestemming van de Boodschapper van Allah ﷺ, en de Profeet ﷺ wees hem een aandeel van de buit toe en beloonde hem, zodat hij om die reden wordt gerekend tot de mensen van Badr. Een boodschapper bracht het goede nieuws van de overwinning van de moslims bij Badr op dezelfde dag dat zij Ruqayya ﵂ in Medina begroeven. De Boodschapper van Allah ﷺ huwde hem daarna aan haar zuster Umm Kulthum ﵂, die later bij hem stierf, in het negende jaar van de Hijra.
De geleerden zeggen, schrijft Suyuti ﵀: “Wij kennen niemand die met twee dochters van een profeet trouwde, behalve hij, en om die reden is hij bekend als Dhu’n-Nurayn, de Bezitter van de Twee Lichten.” Ibn ʿAbbas ﵁ had die uitleg op zijn eigen wijze gegeven: “Niemand is ooit verenigd geweest met twee dochters van een profeet sinds Allah ﷻ Adam ﵇ schiep, en niemand zal het zijn tot het Uur opstaat, behalve ʿUthman ﵁, en om die reden werd hij de Bezitter van de Twee Lichten genoemd.” Abu Nuʿaym ﵀ overleverde van al-Hasan al-Basri ﵀: “ʿUthman ﵁ werd alleen om die reden de Bezitter van de Twee Lichten genoemd, omdat van geen mens bekend is die zijn deur sloot over twee dochters van een profeet, anders dan hij.”
Khaythamah ﵀ overleverde in zijn Fadaʾil as-Sahaba, en Ibn ʿAsakir ﵀ in zijn Tarikh Dimashq, dat ʿAli ibn Abi Talib ﵁ over ʿUthman ﵁ werd gevraagd, en hij zei:
ʿAli ﵁ over ʿUthman ﵁: Dat was een man die in de Hoogste Vergadering de Bezitter van de Twee Lichten wordt genoemd. Hij was de schoonzoon van de Boodschapper van Allah ﷺ met twee van zijn dochters.
Al-Malini ﵀ overleverde van Sahl ibn Saʿd ﵁ een derde uitleg: “Er wordt over ʿUthman ﵁ gezegd ‘de Bezitter van de Twee Lichten’ omdat hij van de ene verblijfplaats in het Paradijs naar de andere zal trekken en er voor hem twee flitsen van bliksem zullen oplichten, en het is om die reden dat dit van hem gezegd wordt.”
Een van de tien aan wie de Tuin werd beloofd
Hij was een van de eerste vooruitlopers, de Sabiqun al-Awwalun, een van de eerste Muhajirun, een van de tien voor wie werd getuigd dat zij voor de Tuin waren bestemd, en een van de zes met wie de Boodschapper van Allah ﷺ bij zijn dood tevreden was. Hij was een van de metgezellen ﵃ die de hele Koran uit het hoofd hadden geleerd. Ibn ʿAbbas ﵁ zei: “Geen van de Khaliefen heeft de hele Koran uit het hoofd geleerd behalve hij en al-Maʾmun.”
Ibn Saʿd ﵀ overlevert dat de Boodschapper van Allah ﷺ hem als zijn plaatsvervanger over Medina aanstelde tijdens de militaire expedities naar Dhat ar-Riqaʿ en Ghatafan. Honderdzesenveertig overleveringen van hem zijn van de Boodschapper van Allah ﷺ overgeleverd. Een groot aantal metgezellen ﵃ en tabiʿin heeft van hem overgeleverd, onder wie Zayd ibn Khalid al-Juhani ﵁, Ibn az-Zubayr ﵁, as-Saʾib ibn Yazid ﵁, Anas ibn Malik ﵁, Zayd ibn Thabit ﵁, Abu Hurayra ﵁, Ibn ʿAbbas ﵁ en Ibn ʿUmar ﵁.
ʿAbd ar-Rahman ibn Hatib ﵁ zei volgens Ibn Saʿd ﵀: “Ik heb niemand van de metgezellen ﵃ van de Boodschapper van Allah ﷺ gezien die, wanneer hij een hadith verhaalde, hem vollediger en uitnemender verhaalde dan ʿUthman ibn ʿAffan ﵁, tenzij hij een man was die in ontzag was voor de hadith.” Muhammad ibn Sirin ﵀ overleverde dat ʿUthman ﵁ de meest kundige van hen was in de riten van de Hajj, en daarna Ibn ʿUmar ﵁.
De schaamte waarvoor de engelen ﵇ huiverig waren
Wat Suyuti ﵀ over zijn schaamte verzamelt, behoort tot de meest tedere passages over hem in het hele werk. De twee Shaykhs, dat zijn al-Bukhari ﵀ en Muslim ﵀, overleveren op gezag van ʿAʾishah ﵂ dat de Profeet ﷺ zijn gewaden om zich heen samentrok toen ʿUthman ﵁ binnenkwam, en zei:
De Profeet ﷺ over ʿUthman ﵁: Zou ik niet schaamtevol moeten zijn voor een man voor wie de engelen ﵇ schaamtevol zijn?
Abu Yaʿla ﵀ overleverde van Ibn ʿUmar ﵁ dat de Profeet ﷺ zei: “De engelen ﵇ zijn schaamtevol voor ʿUthman ﵁, zoals zij schaamtevol zijn voor Allah ﷻ en Zijn Boodschapper ﷺ.” Ibn ʿAsakir ﵀ overleverde van al-Hasan al-Basri ﵀ dat in zijn aanwezigheid de schaamtevolheid van ʿUthman ﵁ werd genoemd, en hij zei: “Indien hij in het midden van het huis zou zijn, met de deur op slot, en hij zou zijn kleren afdoen om water over zich uit te gieten, dan zou schaamte hem ervan weerhouden zijn rug recht op te richten.”
Een schaamte die in afzondering werd bewaard. Een schaamte die in de aanwezigheid van engelen ﵇ door de Profeet ﷺ zelf werd erkend. Het was niet een culturele beleefdheid of een sociale manier van doen, het was een grondhouding van het hart die in het verborgen werd gehandhaafd zoals in het openbaar.
De gelijkenis met Ibrahim ﵇
Wat van zijn uiterlijk werd bewaard, getuigt ervan dat hij een van de aantrekkelijkste mannen van zijn generatie was. Ibn ʿAsakir ﵀ overleverde langs verschillende wegen dat ʿUthman ﵁ van middelmatige gestalte was, niet kort en niet lang, met een schoon gezicht, een lichte huidskleur met een rode zweem, met sporen van pokken op zijn gezicht, met een volle baard, met grote ledematen en brede schouders, met krullend haar dat naar het voorhoofd toe vergrijsde, met de schoonste voortanden van de mensen, en hij verfde zijn haar met geel.
ʿAbdullah ibn Hazm al-Mazini ﵁ zei: “Ik zag ʿUthman ibn ʿAffan ﵁, en ik heb nooit een man of een vrouw gezien met een schoner gezicht dan hij.” Musa ibn Talha ﵀ zei: “ʿUthman ibn ʿAffan ﵁ was de schoonste van de mensen.” Usama ibn Zayd ﵁ vertelt dat de Boodschapper van Allah ﷺ hem naar het huis van ʿUthman ﵁ stuurde met een schaal vlees, en hij ging binnen, en daar zat Ruqayya ﵂. “Ik begon de ene keer naar het gezicht van Ruqayya ﵂ te kijken en de andere keer naar het gezicht van ʿUthman ﵁. Toen ik terugkwam, ondervroeg de Boodschapper van Allah ﷺ mij en vroeg: ‘Bent u bij hen binnengegaan?’ Ik zei: ‘Ja.’ Hij zei: ‘Hebt u ooit een paar schoner dan zij gezien?’ Ik zei: ‘Nee, Boodschapper van Allah ﷺ.’”
Ibn ʿAdi ﵀ overleverde van ʿAʾishah ﵂ dat de Profeet ﷺ, toen hij zijn dochter Umm Kulthum ﵂ uithuwelijkte, tegen haar zei:
De Profeet ﷺ tot Umm Kulthum ﵂: Uw echtgenoot lijkt van alle mannen het meest op uw grootvader Ibrahim ﵇ en op uw vader Muhammad ﷺ.
Ibn ʿAdi ﵀ en Ibn ʿAsakir ﵀ overleverden van Ibn ʿUmar ﵁ dat de Boodschapper van Allah ﷺ zei: “Wij vinden in ʿUthman ﵁ een gelijkenis met onze vader Ibrahim ﵇.”
Het Leger der Moeite
Wat zijn rijkdom in de uitrusting van de Ummah heeft betekend, blijkt nergens duidelijker dan in het Leger der Moeite, de jaysh al-ʿusra, het leger dat de Boodschapper van Allah ﷺ in het negende jaar van de Hijra naar Tabuk leidde. In de hitte van de zomer, in een tijd van honger en droogte, riep de Profeet ﷺ vanaf de minbar de moslims op om de uitrusting van het leger te financieren. ʿUthman ﵁ stond op en deed wat geen ander vóór hem in die mate had gedaan.
At-Tirmidhi ﵀ overleverde van ʿAbd ar-Rahman ibn Khabbab ﵁: “Ik was getuige van de Profeet ﷺ die de mensen aanspoorde tot ondersteuning van het Leger der Moeite, en toen zei ʿUthman ibn ʿAffan ﵁: ‘Boodschapper van Allah ﷺ, ik zal verantwoordelijk zijn voor honderd kamelen met hun zadeldekken en hun zadels, op de weg van Allah ﷻ.’ Toen spoorde hij de mensen verder aan, en ʿUthman ﵁ zei: ‘Boodschapper van Allah ﷺ, ik zal verantwoordelijk zijn voor tweehonderd kamelen met hun zadeldekken en hun zadels, op de weg van Allah ﷻ.’ Toen spoorde hij de mensen verder aan, en ʿUthman ﵁ zei: ‘Boodschapper van Allah ﷺ, ik zal verantwoordelijk zijn voor driehonderd kamelen met hun zadeldekken en hun zadels, op de weg van Allah ﷻ.’ Toen kwam de Boodschapper van Allah ﷺ neer (van de minbar) en zei: ‘Er zal niets meer tegen ʿUthman ﵁ zijn, wat hij ook na deze dag doet.’”
In een andere overlevering kwam ʿUthman ﵁ met duizend dinars bij de Profeet ﷺ toen hij het Leger der Moeite uitrustte, en goot ze in zijn schoot. De Boodschapper van Allah ﷺ begon ze om te keren, terwijl hij zei: “Niets wat ʿUthman ﵁ na deze dag doet, zal hem schaden,” twee keer. Anas ibn Malik ﵁ overleverde dat aspect van dezelfde gebeurtenis, en at-Tirmidhi ﵀ en al-Hakim ﵀ namen de overlevering allebei op.
Abu Hurayra ﵁ overleverde dat de Profeet ﷺ zei: “ʿUthman ﵁ kocht de Tuin tweemaal van mij: toen hij de put van Rumah liet graven, en toen hij het Leger der Moeite uitrustte.”
De put van Rumah
Wat Abu Hurayra ﵁ noemde, was de tweede van zijn grote weldaden voor de Ummah in haar vroege jaren. In de eerste jaren van de Hijra had Medina een ernstig watergebrek; de meeste putten in de stad waren brak, en de enige zoetwaterput die voor algemeen gebruik beschikbaar was, was de put van Rumah, die toen in handen was van een Jood die haar voor hoge prijzen verhuurde. De Profeet ﷺ had aangekondigd dat wie de put van Rumah zou laten graven, dat is haar zou kopen en voor de moslims beschikbaar zou stellen, voor hem de Tuin zou zijn. ʿUthman ﵁ kocht haar uit zijn eigen middelen en stelde haar als waqf aan de Ummah ter beschikking. Zijn beroep op de daad in zijn beleg, vanaf de bovenverdieping van zijn huis, was de aanroep van een belofte die hij zelf van de Boodschapper ﷺ had ontvangen en die in het geheugen van zijn tijdgenoten nog levendig was.
De uitbreiding van de Masjid an-Nabawi en de Masjid al-Haram
In het zesentwintigste jaar van de Hijra, het tweede volle jaar van zijn Khilafah, vergrootte en breidde ʿUthman ﵁ de Masjid al-Haram in Mekka uit, en kocht grondstukken aan voor de uitbreiding. Het was de eerste structurele uitbreiding van het heiligdom sinds de tijd van ʿUmar ﵁, en zij volgde de geleidelijke toename van de pelgrims uit de groeiende provincies. In het negenentwintigste jaar van de Hijra voegde hij toe aan de moskee van Medina, breidde haar uit, en herbouwde haar met gebeeldhouwd steen. Hij maakte haar pilaren van steen en haar dak van teakhout. Hij maakte haar lengte honderdzestig el en haar breedte honderdvijftig el.
Het was hij die als eerste, zegt al-ʿAskari ﵀, de moskee van Medina parfumeerde, het was hij die als eerste de eerste oproep tot het gebed van de Jumuʿa beval, en het was hij die als eerste de muʾadhdhins voorzag.
De nachtelijke wudu
Wat zijn dagelijkse vroomheid betreft, is door zijn naaste dienaren een bijzonderheid bewaard die alleen door hen kon worden geweten. ʿAbdullah ar-Rumi overleverde:
ʿAbdullah ar-Rumi: ʿUthman ﵁ placht 's nachts zelf voor zijn wuduʾ te zorgen. Iemand zei tegen hem: “Indien u maar een van de dienaren zou vertellen, dan zouden zij voor u zorgen.” Hij zei: “Nee! De nacht is voor hen om in te rusten.”
Een Khalifah van miljoenen onderdanen, met dienaren in zijn huishouden die hem in elk uur van de dag dienden, weigerde om in de nacht een van hen te wekken voor zijn wuduʾ. Wat hij in het openbaar als rechtvaardigheid jegens de gemeenschap nastreefde, leefde hij in het verborgen als rechtvaardigheid jegens zijn eigen dienaren. De nacht was voor hen om in te rusten. Hij zou zelf, in de stilte, zijn water uit de pot scheppen voor zijn salah al-layl.
ʿAmr ibn ʿUthman ibn ʿAffan ﵀ overleverde dat de gravure op de zegelring van ʿUthman ﵁ luidde: “Ik vertrouw op de Ene die geschapen heeft en (Zijn schepping) heeft voltooid.” Een belijdenis van tawhid in de hand die de officiële documenten van de Ummah verzegelde.
Het wekelijks vrijlaten van een slaaf
In de tien deugden die ʿUthman ﵁ tijdens zijn beleg aan Abu Thawr al-Fahmi ﵁ opsomde, vermeldde hij dat geen Jumuʿa hem voorbij was gegaan sinds hij de Islam aanvaardde zonder dat hij een slaaf vrijliet, tenzij hij op dat moment in schuld stond, in welk geval hij hem nadien vrijliet. Een wekelijkse vrijlating, doorgevoerd over tientallen jaren, is een gewoonte van vrijgevigheid die in de geschiedenis van de Khilafah geen evenbeeld kent. Het was een persoonlijk geld dat zonder publieke aankondiging werd uitgegeven aan een persoonlijke deugd die hij voor zijn Heer ﷻ had voorbehouden.
In dezelfde opsomming gaf hij aan dat hij nooit overspel had gepleegd, niet in de Jahiliyya en niet in de Islam, en dat hij nooit had gestolen, niet in de Jahiliyya en niet in de Islam. Twee deugden die in de moraal van de Jahiliyya als uitzonderingen golden, en die hij in een leven van bijna negentig jaar had volgehouden.
Zijn vroege bekering en de hardheid van zijn oom
Ibn Ishaq ﵀ overleverde dat hij de eerste was die de Islam aanvaardde na Abu Bakr ﵁, ʿAli ﵁ en Zayd ibn Haritha ﵁. Ibn Saʿd ﵀ overleverde van Muhammad ibn Ibrahim ibn al-Harith at-Taymi ﵀ wat in zijn vroegste dagen gebeurde: toen ʿUthman ibn ʿAffan ﵁ moslim werd, greep zijn oom van vaderskant, al-Hakam ibn Abi’l-ʿAs ibn Umayya, hem vast, bond hem met touwen, en zei: “Wilt u de godsdienst van uw vaderen verlaten voor een uitgevonden religie? Bij Allah ﷻ, ik laat u niet los totdat u opgeeft waarin u betrokken bent.” ʿUthman ﵁ zei: “Bij Allah ﷻ, ik zal het niet opgeven en ik zal het niet verlaten.” Toen al-Hakam zijn standvastigheid in zijn deen zag, liet hij hem los.
Abu Yaʿla ﵀ overleverde van Anas ﵁ dat de eerste die met zijn gezin naar de Abessijnen emigreerde, ʿUthman ibn ʿAffan ﵁ was. De Profeet ﷺ zei: “Moge Allah ﷻ de twee van hen vergezellen. ʿUthman ﵁ is de eerste die met zijn gezin omwille van Allah ﷻ emigreert sinds Lut ﵇.”
De bayʿah en de verkiezing
In een eerder artikel hebben wij de bayʿah van ʿUthman ﵁ in detail gevolgd, hoe ʿAbd ar-Rahman ibn ʿAwf ﵁ de Shura van Zes had geleid en hoe de keuze uiteindelijk op ʿUthman ﵁ was gevallen. Suyuti ﵀ herinnert er nog aan dat ʿAbd ar-Rahman ﵁ op pagina honderdvierenzestig had gezegd, na de mensen te hebben geraadpleegd: “Welnu! ʿAli, ik heb onder de mensen gezocht en ik zie hen niemand gelijk aan ʿUthman ﵁ achten. Maakt dus geen weg tegen uzelf.” Hij nam de hand van ʿUthman ﵁ en zei: “Wij zweren u trouw volgens de Sunnah van Allah ﷻ, de Sunnah van Zijn Boodschapper ﷺ en de Sunnah van de twee Khaliefen na hem.” ʿAbd ar-Rahman ﵁ zwoer trouw aan hem en de Muhajirun ﵃ en de Ansar ﵃ zwoeren trouw aan hem.
Ibn Masʿud ﵁ zei, toen ʿUthman ﵁ trouw werd gezworen: “Wij hebben met het bevel de beste van de overigen belast en wij zijn niet nalatig geweest.”
Zijn manier van prediken vanaf de minbar
Musa ibn Talha ﵀ overleverde door Ibn Saʿd ﵀: “Ik zag ʿUthman ﵁ op de dag van Jumuʿa naar buiten gaan, en op hem waren twee gele gewaden. Hij placht op de minbar te zitten, dan zouden de muʾadhdhins tot het gebed oproepen terwijl hij sprak, en hij vroeg de mensen naar hun prijzen en hun zieken.”
Een Khalifah die voor zijn khutba de prijzen en de zieken van zijn gemeenschap navroeg. Hij was niet een vorst die boven hen stond, hij was een herder die wist wat in hun straten gebeurde en die zijn vrijdagspreek opbouwde op de werkelijkheid van hun leven.
De man wiens vroomheid de twee Khaliefen vóór hem niet kenden
ʿAbd ar-Rahman ibn Mahdi ﵀ overleverde door Ibn ʿAsakir ﵀: “Er waren twee eigenschappen die ʿUthman ﵁ had die noch Abu Bakr ﵁ noch ʿUmar ﵁ hadden: zijn zelfbeheersing totdat hij werd gedood, en zijn vereniging van de mensen op één enkele Mushaf.”
Twee eigenschappen die in de geschiedenis van de eerste drie Khaliefen alleen aan ʿUthman ﵁ werden toegeschreven. De eerste was zijn zelfbeheersing in zijn beleg, het feit dat hij ondanks alle provocaties van de menigte zijn handen niet ophief en de wapens niet liet trekken. De tweede was zijn vereniging van de Ummah op één enkele Mushaf, een werk dat noch Abu Bakr ﵁, die in zijn dagen alleen de eerste verzameling had uitgevoerd, noch ʿUmar ﵁, in wiens dagen de verschillende dialecten naast elkaar bestonden, had voltooid. Het was ʿUthman ﵁ die met Zayd ibn Thabit ﵁ als zijn leidende redacteur en met Suhayl ibn ʿAmr ﵁, ʿAbdullah ibn az-Zubayr ﵁ en ʿAbd ar-Rahman ibn al-Harith ﵁ als zijn medewerkers de tekst in de Qurashitische dialect verzamelde, de afwijkende kopieën verbrandde, en aan elke provincie een enkel afschrift zond. Het was de Mushaf van zijn werk waarop zijn bloed op de dag van zijn dood viel.
De notabelen die in zijn dagen stierven
Suyuti ﵀ besluit zijn hoofdstuk met de lijst van de notabelen die in de dagen van ʿUthman’s Khilafah stierven: Suraqa ibn Malik ibn Jushum ﵁, Jabbar ibn Sakhr ﵁, Hatib ibn Abi Baltaʿa ﵁, ʿIyad ibn Zuhayr ﵁, Abu Usayd as-Saʿidi ﵁, Aws ibn as-Samit ﵁, al-Harith ibn Nawfal ﵁, ʿAbdullah ibn Hudhafa ﵁, Zayd ibn Kharija ﵁ die na zijn dood sprak, Labid de dichter ﵁, al-Musayyab de vader van Saʿid ﵁, Muʿadh ibn ʿAmr ibn al-Jamuh ﵁, Maʿbad ibn al-ʿAbbas ﵁, Muʿayqib ibn Abi Fatima ad-Dawsi ﵁, Abu Lubaba ibn ʿAbd al-Mundhir ﵁, Nuʿaym ibn Masʿud al-Ashjaʿi ﵁ en anderen van de metgezellen ﵃. Buiten de metgezellen ﵃ waren er Hutayʾa de dichter en Abu Dhuʾayb de dichter van de stam van Hudhayl.
Afsluiting
Wij hebben de derde Khalifah van de Boodschapper van Allah ﷺ nu in zijn beleg gevolgd en in zijn martelaarschap, in zijn afkomst en in zijn vroege bekering, in zijn schaamte voor de engelen ﵇ en zijn schoonheid voor de mensen, in zijn rijkdom voor het Leger der Moeite en in zijn aankoop van de put van Rumah, in zijn uitbreiding van de twee heilige moskeeën en in zijn herbouw van de moskee van Medina met gebeeldhouwd steen, in zijn wekelijkse vrijlating van een slaaf en in zijn nachtelijke wuduʾ die geen dienaar mocht aanraken, in zijn vereniging van de Ummah op één enkele Mushaf en in zijn zelfbeheersing tot zijn dood. Wij hebben hem in zijn graf in Hash Kawkab op al-Baqiʿ achtergelaten, waar hij de eerste was die in dat deel van de begraafplaats werd bijgezet en waar zijn naam tot op de dag van vandaag boven anderen wordt genoemd.
Hij was de man wiens leven met twee dochters van de Boodschapper ﷺ was begonnen en wiens dood met de Mushaf van zijn eigen werk op zijn schoot was bezegeld. Hij was de Bezitter van de Twee Lichten, en hij was de man op wiens dood Hudhayfa ibn al-Yaman ﵁ had voorzegd: “De eerste van de beproevingen is het doden van ʿUthman ﵁, en de laatste van de beproevingen is het verschijnen van de Dajjal.” Met zijn dood begon, in de woorden van Samura ﵁, de bres in de Islam die tot de Dag der Opstanding niet zou worden gesloten, en met zijn dood begon de werkelijke fitna die in de jaren van ʿAli ibn Abi Talib ﵁ haar volle gewicht zou krijgen.
Moge Allah ﷻ tevreden zijn met ʿUthman ibn ʿAffan ﵁, en moge Hij zijn martelaarschap accepteren tussen het bloed dat op zijn Mushaf viel en de Tuin die hem tweemaal door de Boodschapper van Allah ﷺ was beloofd.