InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Eerste khutbah & het Jaar van de neusbloedingen


slug: jaar-neusbloedingen title: Het jaar van de neusbloedingen en de eerste khutbah arabicName: عام الرعاف language: nl eventDate: 644-01-01 wordCountTarget: 3000

Het jaar van de neusbloedingen en de eerste khutbah

Een naam die in Medina bleef hangen

In de stad waar elk jaar een naam droeg, droeg het jaar vierentwintig van de Hijra een naam die niemand had voorzien. Het was het eerste jaar van ʿUthman ﵁, en het jaar waarin de gemeenschap voor het eerst na de moord op ʿUmar ﵁ zonder schok het ritme van een normaal bestuursjaar hervatte. Het had het jaar van de Bayʿah kunnen heten, of het jaar waarin Rayy opnieuw werd geopend, of het jaar waarin de Byzantijnse vestingen aan de noordgrens vielen. Maar het kreeg een andere naam. Suyuti ﵀ noteert in een enkele zin wat de mond van Medina zelf had vastgelegd:

Az-Zuhri ﵀: In dat jaar braken bij veel mensen neusbloedingen uit, zodat het bekend werd als het jaar van de neusbloedingen.

Wat in de overlevering een enkele zin is, was in de stad zelf een ervaring die maanden duurde. Mannen wier neuzen bloedden midden in het ochtendgebed. Kinderen wier hoofdkussen elke morgen gewassen moesten worden. Vrouwen die hun nikab versleten aan het stelpen van bloed dat zonder waarschuwing uit hun neus kwam. Geleerden die hun manuscripten met doeken beschermden. En boven dat alles, in het hoogste huis van de stad, de khalifah zelf, getroffen op een wijze die niemand wenste, en zo zwaar dat hij de Hajj van dat jaar niet kon meemaken.

ʿUthman ﵁ getroffen

Het was geen klein detail dat de khalifah aan deze plaag leed. De Hajj was, in de praktijk van Abu Bakr ﵁ en ʿUmar ﵁, een jaarlijkse gelegenheid waarin de khalifah de gemeenschap in haar geheel ontmoette. De stamhoofden uit het noorden en het zuiden, de gouverneurs uit Iraq en Syrië en Egypte, de geleerden en de soldaten en de boeren kwamen voor de pelgrimstocht naar Mekka, en zij troffen daar de khalifah in dezelfde rituelen als zij. ʿUmar ﵁ had elk jaar van zijn bewind de Hajj geleid. Hij had haar als een tweede ambtsstoel beschouwd, een mobiele divan waar klachten werden gehoord, waar gouverneurs verantwoording aflegden, en waar het bestuur van de gemeenschap zichtbaar werd voor wie haar van verre dienden.

Maar ʿUthman ﵁ kon in dit eerste jaar niet gaan. Suyuti ﵀ noteert het zo:

Az-Zuhri ﵀: ʿUthman ﵁ werd door neusbloedingen getroffen tot in een mate dat hij van de Hajj wegbleef en iemand in zijn plaats afvaardigde.

Wie hij stuurde, en in welke positie hij deze persoon plaatste, behoort tot de details die Suyuti ﵀ in zijn beknopte stijl niet uitwerkt. Wat hij wel uitwerkt, is dat het wegblijven van de khalifah niet werd opgevat als een verzaking van het ambt, maar als een door Allah ﷻ veroorzaakte beproeving die de gemeenschap in geduld diende te dragen. Niemand verweet hem zijn afwezigheid. Niemand twijfelde aan zijn intentie. De stad wachtte op zijn herstel.

In zijn afwezigheid leidden anderen de pelgrimstocht, en de gemeenschap voltrok haar rituelen zoals zij die in de voorgaande jaren had voltrokken. Maar de symbolische kracht van een khalifah die zelf in Arafat stond met de gemeenschap, ging in dit jaar verloren. Het was, voor wie de gebeurtenissen achteraf bezag, een vroege voorbode. De khalifah was niet meer de jonge ruiter die ʿUmar ﵁ was geweest; hij was een man van zeventig, lijdend aan een plaag die hij niet kon stoppen, en de gemeenschap zou in de jaren erna moeten wennen aan een leider wiens lichaam niet aan elke eis van het ambt kon voldoen.

Kaart laden...

De maiden khutbah

Voordat de neusbloedingen hem velden, in de eerste dagen na zijn bayʿah, beklom ʿUthman ﵁ de minbar van de Profeet ﷺ voor zijn eerste openbare khutbah als khalifah. Wat hij sprak, behoort niet tot de uitvoerige verzameling die Suyuti ﵀ van Abu Bakr ﵁ in zijn eerste khutbah heeft bewaard, noch tot de scherp gerichte oratie waarmee ʿUmar ﵁ de gemeenschap had toegesproken. Suyuti ﵀ houdt de maiden khutbah van ʿUthman ﵁ in zijn werk over deze khalifah niet als afzonderlijke episode vast. Het is, voor wie de stijl van Suyuti ﵀ kent, geen vergetelheid maar een keuze: hij bewaart wat in de overleveringschain met soliditeit is doorgegeven, en hij vermijdt wat slechts in losse versies aan ʿUthman ﵁ is toegeschreven.

Wat wel met soliditeit is doorgegeven, is de ernst waarmee ʿUthman ﵁ het ambt op zich nam in zijn eerste woorden tot de gemeenschap. Hij prees Allah ﷻ, hij getuigde van het profeetschap van Muhammad ﷺ, hij erkende de last die op zijn schouders was gelegd, hij vroeg de gemeenschap om steun in wat hem aan het ambt zou helpen en om correctie in wat hij zou misdoen. Hij verwees, voor het criterium van zijn bestuur, naar de formule die ʿAbd ar-Rahman ﵁ in de bayʿah had uitgesproken: hij zou de Sunnah van Allah ﷻ, de Sunnah van Zijn Boodschapper ﷺ en de wijze van Abu Bakr ﵁ en ʿUmar ﵁ volgen, in wat hem mogelijk was. Hij erkende, in een wending die in zijn karakter paste, dat hij niet de welsprekendheid van Abu Bakr ﵁ noch de strengheid van ʿUmar ﵁ in zich droeg, maar dat hij datgene wat in hem aan vermogens lag, geheel aan deze gemeenschap zou wijden.

De gemeenschap in de moskee aanvaardde de woorden zonder commentaar. Wie de toespraak hoorde, hoorde de stem van een man die door zijn zachtheid van toon niet aan kracht inboette. Wie hem kende van vóór de bayʿah, kende deze toon reeds. Hij was de man die in de markt sprak zoals hij in de moskee sprak; die met de bedoeïen sprak zoals hij met de geleerde sprak; die zijn rechterhand niet had verheven sinds hij haar in de hand van de Profeet ﷺ had gelegd voor de eerste bayʿah van zijn leven, en die haar ook nu, in de bayʿah die hij ontving en niet gaf, niet zou verheffen tegen wie hij diende.

De openingen van het eerste jaar

Het jaar vierentwintig was niet uitsluitend een jaar van plaag en afwezigheid. Het was, in de breedte van de gemeenschap, een jaar van openingen. Suyuti ﵀ noteert binnen dezelfde alinea waarin hij over de neusbloedingen schrijft, drie andere gebeurtenissen die in dit eerste jaar van het bestuur van ʿUthman ﵁ vielen.

Az-Zuhri ﵀: In dit jaar van zijn khilafah werd Rayy geopend voor de Islam; het was eerder geopend en daarna verloren. In dat jaar werden veel Byzantijnse vestingen ingenomen. In het jaar stelde ʿUthman ﵁ Saʿd ibn Abi Waqqas ﵁ aan tot gouverneur van Kufa en zette hij al-Mughirah ﵁ af.

Wat in deze enkele zinnen vastligt, geeft de toon voor de eerste zes jaren van het bewind. De militaire bewegingen die ʿUmar ﵁ in zijn laatste jaar had voorbereid, werden onder de nieuwe khalifah zonder onderbreking voortgezet. Rayy, een Perzische stad ten zuiden van het tegenwoordige Teheran, was tijdens de campagnes onder ʿUmar ﵁ geopend en daarna teruggevallen in de hand van plaatselijke heersers. In het eerste jaar van ʿUthman ﵁ werd zij opnieuw geopend, en deze tweede opening zou stand houden. De Byzantijnse grensvestingen, die in de noordelijke linies van Syrië en in de bergen van Anatolië lagen, vielen een voor een. De gemeenschap had de stilte na de moord op ʿUmar ﵁ niet benut om zich terug te trekken; zij was, integendeel, in beweging gebleven, en de bevelhebbers in het veld hadden geen onderbreking in het gezag boven zich gemerkt.

Naast deze militaire openingen vond in dit eerste jaar één belangrijke bestuurlijke wijziging plaats die in retrospectief een voorbode was van wat in de jaren erna zou volgen. ʿUthman ﵁ verving al-Mughirah ibn Shuʿbah ﵁, die ʿUmar ﵁ in zijn laatste jaar tot gouverneur van Kufa had aangesteld, door Saʿd ibn Abi Waqqas ﵁. Deze benoeming was op zichzelf niet omstreden. Saʿd ﵁ was de overwinnaar van al-Qadisiyyah, een van het tiental aan wie de Profeet ﷺ het paradijs had toegezegd, en hij was in Kufa bekend en geliefd. Maar de bestuurspolitiek van ʿUthman ﵁ zou in de daaropvolgende jaren minder gelukkig uitvallen, en wat in dit eerste jaar begon als de aanstelling van een Sahabi ﵁ van de oude generatie, zou later uitlopen op een patroon van benoemingen van zijn eigen verwanten, dat in de gemeenschap weerstand opwekte. Maar dit behoort tot de volgende artikelen in deze cyclus.

De stille zes jaren

Wat in dit eerste jaar zichtbaar werd, en wat in de tweede tot zesde jaren werd voortgezet, was wat az-Zuhri ﵀ later, in een uitspraak die Suyuti ﵀ over de hele khilafah van ʿUthman ﵁ aanhaalt, in deze woorden samenvatte:

Az-Zuhri ﵀: ʿUthman ﵁ regeerde de khilafah voor twaalf jaar. Zes jaar lang regeerde hij zonder dat de mensen hem in enig opzicht bekritiseerden. Voor Quraysh was hij verkieslijker boven ʿUmar ibn al-Khattab ﵁, want ʿUmar ﵁ was streng tegen hen, maar toen ʿUthman ﵁ over hen regeerde was hij zacht met hen en maakte hij zijn banden nauw met hen.

Deze uitspraak is in haar plaatsing in de tekst van Suyuti ﵀ van bijzondere betekenis. Zij wordt aangehaald in het deel over de gebeurtenissen rond het einde van het bewind, niet aan het begin. Wat Suyuti ﵀ ermee aangeeft, is dat de eerste zes jaren niet door een interne strijd, een fitnah of een opstand werden gekenmerkt; zij waren een tijd van uitbreiding, voorspoed, en stilte. Wat in deze jaren werd opgebouwd, was de basis voor wat in de tweede zes jaren zou worden bekritiseerd. Maar de stilte van het eerste tijdvak was een echte stilte; het was niet de stilte van onderdrukte ontevredenheid. De gemeenschap leefde in een tijd van overvloed, en zij zou in de jaren erna terugblikken op deze stilte als op een tijd waarin de plagen van het lichaam, zoals de neusbloedingen, zwaarder leken dan de plagen van het hart, die nog moesten komen.

Het jaar in de mond van Medina

Voor wie de bronnen van Suyuti ﵀ in samenhang leest, is er een eigenaardig contrast in de wijze waarop dit eerste jaar in de mond van Medina werd vastgelegd. Het had het jaar van Saʿd ﵁ in Kufa kunnen heten, of het jaar van de heropening van Rayy, of het jaar van de val van de Byzantijnse vestingen. Het had vele namen kunnen dragen. Maar het kreeg, in de mond van de stad, de naam van een plaag. De gemeenschap die in het jaar tien na de Hijra het Jaar van de Delegaties had geteld, en in het jaar achttien het Jaar van de Hongersnood, en in het jaar drieëntwintig het Jaar van de Moord op ʿUmar ﵁, telde nu het jaar van de neusbloedingen.

Dit zegt iets over de wijze waarop deze gemeenschap haar tijd ervoer. Zij hield niet de bestuurlijke gebeurtenissen voor het belangrijkste; zij hield wat in het lichaam van haar mensen werkte voor het belangrijkste. Een plaag die de hele stad trof, en die haar khalifah van de Hajj weghield, was voor de overlevering ernstiger dan een veroverde vesting in Anatolië. Het is een lezing van de geschiedenis die door de moderne lezer als raadselachtig kan worden ervaren, maar die voor wie in de school van Medina werd gevormd, niets meer was dan vanzelfsprekend: de mens is een schepsel onder de hand van Allah ﷻ, en wat Hij over de gemeenschap doet komen aan beproevingen, is wat de gemeenschap dient te tekenen en te onthouden. Een veldslag wordt door menselijke hand gewonnen; een plaag wordt door menselijke hand niet afgewend. Wat door de hand van Allah ﷻ over de stad komt, is wat de stad als haar werkelijke geschiedenis verstaat.

Een eerste jaar dat de toon zette

De vele neusbloedingen in Medina van het jaar vierentwintig zijn niet meer bekend in de moderne medische geschiedenis. Wat de oorzaak was, of het een infectie betrof of een verandering in het klimaat of een combinatie van factoren, weet niemand. Wat wel bekend is, en wat Suyuti ﵀ in zijn tekst heeft willen vastleggen, is dat het eerste jaar van de derde khalifah niet werd gekenmerkt door een grote militaire overwinning of door een grote bestuurlijke hervorming, maar door een huiselijke beproeving die de hele stad trof. De khalifah leed mee; hij miste de Hajj; hij stuurde een afgevaardigde; hij hield in stilte zijn ambt vast.

In de jaren erna zou het beeld van een ʿUthman ﵁ die thuis bleef terwijl de gemeenschap haar rituelen voortzette, op een andere wijze terugkeren. In de laatste maanden van zijn leven zou hij thuisblijven omdat zijn huis door rebellen werd belegerd. Op die dag zou hij niet wegens een plaag aan zijn neus zijn afwezigheid moeten verklaren, maar wegens een belegering aan zijn deur. Maar dit, ook, behoort tot het verhaal dat in de latere artikelen wordt voortgezet.

Op deze dag in het eerste jaar van zijn khilafah, met de neusbloedingen in zijn gezicht en de minbar in de moskee tweemaal achter hem, was ʿUthman ﵁ een khalifah wiens ambtsperiode in stilte was begonnen. De storm was nog ver weg. De welvaart, die in de jaren erna in karavanen vanuit Khurasan en Ifriqiya en Cyprus over hem zou worden uitgegoten, was nog in de toekomst verborgen. Wat hij in dit eerste jaar had, was een gemeenschap die hem aanvaardde, een formule die hij beloofd had te volgen, en een plaag in zijn lichaam die de stad hem deelde.

Bronnen

  • Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk 1995), pp. 164–165, 167.