De verovering van Cyprus en de eerste islamitische vloot onder ʿUthman ﵁
Een eiland in een zee die nog geen moslim had gezien
In het zevenentwintigste jaar van de Hijra, het Gregoriaanse jaar 647 of het begin van 648, zagen de heuvels van Akka en Sur en Tartus voor het eerst iets dat in de geschiedenis van de Arabische volkeren ongekend was. Vanaf de havens van de Levantijnse kust voer een vloot uit, geen koopvaardijschepen, geen visserskotters, maar oorlogsschepen die op last van een moslim-gouverneur waren gebouwd of gehuurd, bemand met soldaten van de Sahaba ﵃ en hun kinderen, en die koers zetten naar een eiland dat in de Byzantijnse strategie eeuwen als steunpunt had gediend tussen Constantinopel en de Levant. Cyprus, dat de Grieken Kupros noemden en dat de Arabieren al spoedig Qubrus zouden noemen, lag op zo’n honderd kilometer (ruim vijftig zeemijl) ten westen van de Syrische kust. Tot dat jaar was het voor de moslims een gerucht; vanaf dat jaar zou het een veroverd land worden, en de vloot die het veroverde, zou de eerste islamitische zeemacht zijn die de wereld zou kennen.
Wie deze gebeurtenis in zijn juiste gewicht wil verstaan, dient terug te gaan tot een dialoog die ongeveer twaalf jaar tevoren in Medina had plaatsgevonden, tussen de Kalief ʿUmar ibn al-Khattab ﵁ en de gouverneur van Egypte ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁. Het was Muʿawiya ibn Abi Sufyan ﵁, de gouverneur van Syrië onder ʿUmar ﵁ en later onder ʿUthman ﵁, die het eerste verzoek tot een zee-expeditie naar Cyprus aan de Kalief had gericht. Muʿawiya ﵁ had vanaf zijn standplaats in Damascus en in de havensteden van de Syrische kust de Byzantijnse zeemacht zien manoeuvreren tussen Cyprus en Antiochië, en hij had ingezien dat het rijk dat zojuist Syrië had verloren, zijn flank op de Middellandse Zee niet zou kunnen verdedigen zolang Cyprus in Byzantijnse handen bleef. Vanuit het eiland kon de keizer in Constantinopel landingen op de Syrische kust voorbereiden, koopvaardij beschermen of bedreigen, en zijn vloot bevoorraden bij operaties tegen het zuiden van Klein-Azië.
Muʿawiya ﵁ had ʿUmar ﵁ in herhaalde brieven en boodschappers verzocht om toestemming voor een zeeland aanval op Cyprus. De Kalief, die zelf nooit op een schip had gestaan en die in zijn ambt een diepe terughoudendheid bezat tegen elke onderneming waarvan hij de uitkomst niet kon overzien, vroeg eerst om een beschrijving van de zee. Hij schreef niet aan Muʿawiya ﵁ in Syrië, maar aan ʿAmr ﵁ in Egypte, die als gouverneur van een land met een lange Middellandse kust het beste was geplaatst om de aard van de zee te beschrijven. Het antwoord van ʿAmr ﵁ is in de tekst van Suyuti ﵀ overgeleverd, en het is in zijn beeldspraak een van de mooiste bladzijden uit de vroege islamitische literatuur over de natuur.
ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁: Ik heb een grote schepping gezien, waarop een kleine schepping rijdt. Als zij stil is, doorboort zij de harten, en als zij beweegt, verbijstert zij het verstand. Daarop nemen de verstanden af in kleinheid, en de overtredingen toe in menigvuldigheid, en daarop zijn zij als de larven op een balk. Als zij overhelt, zinkt zij; en als zij snel is, gaat zij in de golf en duikt zij daarin.
ʿUmar ﵁ las deze beschrijving in Medina, en zijn besluit was direct en zonder voorbehoud. Hij schreef aan Muʿawiya ﵁ terug met een enkele zin die in de bronnen is bewaard.
ʿUmar ibn al-Khattab ﵁: Bij Allah ﷻ zal ik nooit een Muslim daarop vervoeren.
Met die zin sloot de Kalief in Medina de zaak. Zolang ʿUmar ﵁ leefde, zou geen moslimse soldaat op een schip stappen om Cyprus te veroveren. De Byzantijnse vloot bleef ongestoord tussen Cyprus en Constantinopel varen. Muʿawiya ﵁ wachtte, in de wetenschap dat zijn voorganger in Medina zijn ambt op een wijze had verstaan die hem niet toestond een veldtocht goed te keuren waarvan hij zelf de risico’s niet kende.
De wisseling van Kalief en de heropening van de zaak
Toen ʿUmar ﵁ in Dhul-Hijjah van het jaar 23 van de Hijra door de hand van Abu Luʾluʾah was getroffen, en toen de shura van zes uiteindelijk in Muharram van het jaar 24 ʿUthman ibn ʿAffan ﵁ tot Kalief had aangewezen, ontstond er in de eerste jaren van het nieuwe ambt een atmosfeer die wezenlijk verschilde van de strenge en omzichtige stijl waarmee ʿUmar ﵁ twaalf jaar lang had geregeerd. ʿUthman ﵁ was zachter in zijn omgang met de gouverneurs, en hij stond meer open voor de ondernemingen die zij hem voorlegden. Hij vertrouwde zijn veldheren, hij liet hen werken binnen de ruimere kaders die zij zelf bepleitten, en hij zag de uitbreiding van het rijk niet als een gevaar maar als een opdracht die de Kalief moest bevorderen wanneer zijn gouverneurs daartoe in staat waren.
Muʿawiya ﵁ herhaalde in de eerste jaren van het khalifaat van ʿUthman ﵁ zijn verzoek om Cyprus. Ditmaal kwam het verzoek niet alleen op grond van strategische overwegingen, maar op grond van een gerijpte vlootopbouw in de Syrische havens. Sinds de val van Caesarea in 19 AH onder ʿUmar ﵁ hadden de moslims de havens van de Levant in handen gekregen, en in die havens had Muʿawiya ﵁ in stilte werven aangelegd, scheepsbouwers van de inheemse Syrische en Libanese kustbevolking in dienst genomen, en een kleine maritieme leerschool ingericht. De koptisch-Syrische scheepsbouwers, die eeuwen voor de Byzantijnse marine hadden gewerkt, brachten hun vakkennis over op moslimse opzichters. De eerste oorlogsschepen die in deze werven werden gebouwd, waren in hun rompbouw vrijwel gelijk aan de Byzantijnse dromonen, maar in hun bemanning was de samenstelling nieuw. Op deze schepen zouden moslimse soldaten varen, met hun gebed aan boord en hun discipline van het slagveld, en met dezelfde bezieling die zij op de droge wegen van Syrië en Iraq hadden bewezen.
ʿUthman ﵁ gaf zijn toestemming, maar hij gaf haar onder voorwaarden. Hij schreef aan Muʿawiya ﵁ dat niemand mocht worden gedwongen om mee te varen; dat alleen vrijwilligers het schip zouden bestijgen; en dat de families van de soldaten, indien deze in de strijd zouden vallen, op gelijke wijze uit het bait al-mal zouden worden verzorgd als de families van wie op het land waren gesneuveld. Suyuti ﵀ herinnert er in zijn verslag aan dat de Kalief ook nadrukkelijk eiste dat de bevolking van Cyprus, indien zij zich vrijwillig zou overgeven, onder bescherming zou staan en op de voorwaarden van de jizyah-verdragen zou worden behandeld zoals de bevolkingen van Syrië en Egypte.
De voorbereiding van de vloot
In de winter van 26 op 27 van de Hijra werd in de havens van Akka, Sur, Tartus en Latakia de vloot toegerust. De moslims, die uit hun aard nomaden en ruiters waren, troffen voor het eerst de vreemde wereld van de scheepswerf. Sommigen lachten om de bouwwerkzaamheden; anderen beschouwden de schepen met een mengsel van bewondering en afkeer. Het was een algemeen gevoel onder de Arabische soldaten dat het paard de vriend was van de man, en dat het schip een werktuig was dat hem op een onnatuurlijke wijze van zijn eigen element verwijderde. Maar onder hen waren ook mannen die in het verleden in Egypte op de Nijl hadden gevaren, en die in de Roodzee de oude handelsroutes naar Jemen en Habashah hadden bevaren. Deze mannen vormden de eerste kern van wat in latere generaties tot een eigen moslimse marinetraditie zou uitgroeien.
Toen alles gereed was, in een maand die in de Arabische bronnen niet altijd hetzelfde wordt genoemd maar die in elk geval in de eerste helft van het jaar 27 viel, gaf Muʿawiya ﵁ het bevel tot uitvaart. De getallen die in latere bronnen circuleren, lopen van vijftienhonderd schepen tot zeventienhonderd; de getallen van mannen die met deze vloot meegingen lopen van twaalfduizend tot vijftigduizend. Suyuti ﵀ noemt geen getallen, en wij houden ons in dit artikel aan zijn terughoudendheid. Wat zeker is, is dat de vloot in haar omvang ongekend was voor een moslim-onderneming, en dat de mannen die haar bemanden, voor een groot deel uit de Sahaba ﵃ en hun zoons bestonden.
Kaart laden...
ʿUbadah ibn as-Samit ﵁ en Umm Haram bint Milhan ﵂
Onder de mannen die met deze vloot meevoeren, was ʿUbadah ibn as-Samit ﵁, een van de zeer vroege Sahaba van de Ansar. Hij had aan de eerste eed van ʿAqaba deelgenomen en aan de tweede; hij was bij Badr aanwezig geweest, bij Uhud, bij al-Khandaq en bij al-Hudaybiyya; hij had de oorlogen tegen de Joodse stammen van Medina meegemaakt en hij had de Profeet ﷺ gediend in talrijke missies. Hij was, in de woorden die in latere overleveringen over hem zijn opgetekend, een van de twaalf van de eerste Aqaba, een man die de Profeet ﷺ persoonlijk had verkozen om de Quran aan de bewoners van Yathrib te onderwijzen voordat de Hijra plaatsvond. Onder de Kaliefen had hij verder gediend, en in deze jaren van ʿUthman ﵁ was hij betrokken bij de Levantijnse troepen onder Muʿawiya ﵁.
Aan zijn zijde voer zijn echtgenote, Umm Haram bint Milhan al-Ansariyya ﵂. Zij behoorde tot een familie waarvan de naam in de Siera van de Profeet ﷺ herhaaldelijk terugkeert. Haar zuster was Umm Sulaym ﵂, de moeder van Anas ibn Malik ﵁; haar broers waren onder de Sahaba die in Bir Ma’una als martelaren waren gevallen. Zij was zelf een vrouw van geleerdheid, vroomheid en moed. Aan haar verbindt Suyuti ﵀ een van de mooiste verhalen uit de gebeurtenis van Cyprus, een verhaal dat tot de ah-aadith van de moslimse traditie behoort en dat reeds bij het leven van de Profeet ﷺ was voorspeld.
De Profeet ﷺ had eens, in de jaren van Medina, de gewoonte gehad om in het huis van Umm Haram ﵂ enige rust te nemen, want zij was zijn verwante via de melkverwantschap. Op een dag, zo verhaalt het bekende hadith, sliep hij in haar huis en werd hij wakker glimlachend. Toen Umm Haram ﵂ hem vroeg wat hem deed glimlachen, antwoordde hij dat hem een groep van zijn gemeenschap in een visioen was getoond die over de zee voer als koningen op tronen, op weg om de strijd te voeren in de zaak van Allah ﷻ. Umm Haram ﵂ vroeg of zij tot die groep behoorde. De Profeet ﷺ antwoordde dat zij daartoe zou behoren. Daarna sliep hij opnieuw, en werd weer wakker glimlachend. Hij vertelde dat hem een tweede groep was getoond die over de zee zou varen. Umm Haram ﵂ vroeg ook nu of zij erbij zou zijn. De Profeet ﷺ antwoordde dat zij tot de eerste groep zou behoren, niet tot de tweede.
Suyuti ﵀ herinnert in zijn verslag aan deze voorspelling, want zij is in de gebeurtenis van Cyprus letterlijk uitgekomen. Umm Haram ﵂, die ten tijde van het visioen een vrouw was met geen enkele aanwijzing dat zij ooit zou varen, en die in een Arabische maatschappij leefde waarin vrouwen niet met legers ten oorlog trokken, bevond zich tientallen jaren later, samen met haar echtgenoot ʿUbadah ﵁, op het dek van een moslimsschip op de Middellandse Zee, koers zettend naar Cyprus, voor de eerste maritieme expeditie in de geschiedenis van de gemeenschap. Haar aanwezigheid op die expeditie was de vervulling van een voorzegging die zij twintig jaar tevoren in haar eigen huis had gehoord.
De landing op Cyprus
De vloot bereikte de zuidkust van Cyprus na een vaart van enige dagen. De landing geschiedde in een baai waarvan de exacte plaats in latere bronnen wordt aangeduid in de omgeving van het huidige Larnaca of iets oostelijker, hoewel Suyuti ﵀ over de geografische details zwijgt. Wat hij wel meldt, is dat de moslims geen grote weerstand op het strand ondervonden. De Byzantijnse garnizoenen op het eiland waren klein, het bestuur was over verschillende steden verspreid, en de bevolking, voor het grootste deel Griekssprekend en orthodox christelijk, was niet militair toegerust om een grootschalige invasie te keren. Binnen enkele dagen hadden de moslimse troepen de havensteden in handen, en zij begonnen vervolgens hun beweging naar het binnenland, naar de plaatsen waar de Byzantijnse vlaggen nog wapperden.
Het was in de loop van deze landing en de eerste mars dat de gebeurtenis plaatsvond die in de moslimse traditie tot een vast onderdeel van de Cyprus-narrative behoort. Umm Haram ﵂, die op een rijdier was opgestegen, viel van haar dier. Suyuti ﵀ noemt dit kort, en hij voegt eraan toe dat zij stierf en op Cyprus werd begraven. De omstandigheden zijn in latere bronnen verder uitgewerkt: zij viel op een rotsachtige bodem, en de schok was zodanig dat zij ter plaatse, of binnen korte tijd, haar laatste adem uitblies. Haar echtgenoot ʿUbadah ﵁ regelde haar begrafenis op het eiland. Het graf werd gemarkeerd, en het zou in de eeuwen die volgden, een bedevaartsplaats worden voor moslims die naar Cyprus voeren. De plaats is vandaag de dag bekend als de Hala Sultan Tekke, aan het Larnacazoutmeer, en geldt als een van de heilige plaatsen voor de moslims van de Levant.
De Profeet ﷺ tegen Umm Haram ﵂ in een vroeger jaar: De eerste leger van mijn gemeenschap dat de zee zal bevaren, voor hen is het Paradijs verplicht.
Het hadith dat in de moslimse traditie aan deze gebeurtenis is gehecht, is dat het eerste leger van de gemeenschap dat de zee zou bevaren, het paradijs verplicht zou hebben, en dat Umm Haram ﵂ tot dit eerste leger zou behoren. Haar dood op Cyprus, op weg naar de strijd, in vervulling van een voorzegging die zij persoonlijk had gehoord, was in de ogen van haar tijdgenoten geen tragedie maar een martelaarschap. Zij was de eerste moslimvrouw die op zee was gegaan in een militaire onderneming, zij was gevallen op het eiland dat de gemeenschap kwam openen, en zij had het martelaarschap ontvangen op de wijze die de Profeet ﷺ aan haar had aangezegd.
Het verdrag met de Cyprioten
Suyuti ﵀ verbindt aan de verovering van Cyprus geen uitvoerige beschrijving van veldslagen. Hij meldt in een korte zin dat het volk van Cyprus een verdrag met Muʿawiya ﵁ sloot op grond van de jizyah die zij zouden betalen. Wat dit verdrag in zijn praktijk inhield, is in andere bronnen verder uitgewerkt, maar de hoofdlijn ervan is bekend en stemt overeen met de verdragen die de moslims in deze jaren met de bevolkingen van Syrië, Egypte en delen van Mesopotamië hadden gesloten.
De bewoners van Cyprus zouden hun leven, hun eigendom, hun kerken en hun bestuurlijke autonomie behouden. Zij zouden vrij zijn in de uitoefening van hun christelijke geloof, en hun bisschoppen en priesters zouden hun ambt zonder onderbreking voortzetten. Zij zouden in ruil daarvoor jaarlijks een vast bedrag aan jizyah betalen, in goud of in soortgelijke waarde, dat in gedeelten zou worden geïnd. Bovendien aanvaardden zij een bijzondere bepaling die uniek was voor Cyprus en die voortvloeide uit de strategische positie van het eiland: zij verplichtten zich tot een gelijke neutraliteit tegenover beide grote zeemachten van die tijd, dat wil zeggen tegenover de moslims en tegenover de Byzantijnen. Hun havens zouden voor beide partijen open zijn, hun bevolking zou aan geen van beide militaire bijstand verlenen. Het was een ongewone bepaling, en zij toont dat de eerste moslimse maritieme heersers in hun denken niet eenvoudig waren, maar dat zij begrepen dat een eiland in de Middellandse Zee onmogelijk volledig in één van de twee invloedssferen kon worden gehouden zolang de zee zelf nog niet door één macht werd beheerst.
De jizyah van Cyprus werd door Muʿawiya ﵁ vastgesteld op een bedrag dat in latere bronnen wordt opgegeven als zevenduizend twee honderd dinar per jaar, te betalen aan de Kalief in Medina. De Byzantijnen, voor zover zij later de gelegenheid hadden om hetzelfde eiland opnieuw te bezoeken, ontvingen volgens de overeenkomst een gelijkwaardig bedrag. Wat ook de exacte cijfers waren, het patroon is duidelijk: een eiland dat tussen twee grote machten lag, betaalde aan beide om zijn zelfstandigheid binnen de smalle ruimte tussen hen te bewaren.
Abu Dharr al-Ghifari ﵁ en de andere prominente metgezellen aan boord
Onder de Sahaba ﵃ die met deze vloot meevoeren, worden in verschillende latere bronnen ook Abu Dharr al-Ghifari ﵁ en enkele andere prominenten van het eerste uur genoemd. Suyuti ﵀ noemt hen in deze passage niet expliciet, maar het is bekend dat Abu Dharr ﵁ in deze jaren in Syrië verbleef onder Muʿawiya ﵁, en dat hij in de loop van de jaren onder ʿUthman ﵁ in een geleerdelijke en spirituele rol prominent bleef tot zijn terugtrekking naar ar-Rabadhah in de woestijn. Of hij persoonlijk aan de Cyprus-expeditie heeft deelgenomen, blijft in de bronnen onzeker, en de voorzichtige historicus volgt Suyuti ﵀ in zijn zwijgen op dit punt.
Wat wel zeker is, is dat de samenstelling van het leger en de vloot een mengeling was van Sahaba van het eerste uur, tweede-generatie Tabiʿun ﵀ die in Syrië waren opgegroeid, en bekeerlingen uit de plaatselijke bevolking van de Levantijnse havensteden. Het was, in zijn samenstelling, een proeftuin voor wat in latere eeuwen de moslimse zeevaart zou worden: een onderneming waarin Arabische krijgers, Syrische scheepsbouwers, Egyptische zeevaarders en lokale gidsen samen werkten onder een eenduidig commando dat zijn legitimiteit ontleende aan de Kalief in Medina.
De terugkeer en het verslag aan Medina
Toen de vloot na de zomer van het jaar 27 in de Syrische havens terugkeerde, was de buit aanzienlijk, en het bericht dat naar Medina ging, was dat Cyprus een tributair gebied was geworden onder Muʿawiya ﵁. ʿUthman ﵁ ontving het bericht met dankbaarheid jegens Allah ﷻ. Hij beval dat de families van Umm Haram ﵂ en van de andere gevallenen onmiddellijk uit het bait al-mal zouden worden verzorgd; dat de buit volgens de regels werd verdeeld, een vijfde voor het bait al-mal en vier vijfde voor de strijders; en dat de jizyah-betalingen van Cyprus rechtstreeks in het centrale schatkist in Medina zouden worden bijgeschreven, waar zij voor de algemene zaken van de moslims beschikbaar bleven.
Op de mimbar in Medina sprak de Kalief over de gebeurtenis met ingehouden vreugde. Hij dankte Allah ﷻ voor de opening van een eiland waarvan in de tijd van de Profeet ﷺ niemand had kunnen denken dat de gemeenschap het ooit zou bereiken; hij riep de Sahaba ﵃ op om hun dank te uiten in gebed en in liefdadigheid; en hij benadrukte, in dezelfde geest als zijn voorganger had gedaan, dat de overwinning niet aan de gemeenschap zelf toekwam maar aan Allah ﷻ, die haar door zijn genade de poorten van de aarde opende.
Suyuti ﵀ vat de hele gebeurtenis samen in enkele zinnen, die wij hier in hun vertaalde vorm aanhalen.
Suyuti ﵀: In het jaar 27 van de Hijra ondernam Muʿawiya ﵁ een militaire expeditie tegen Cyprus, en hij voerde de legers over zee. ʿUbadah ibn as-Samit ﵁ was met hen, en zijn vrouw Umm Haram bint Milhan al-Ansariyya ﵂. Zij viel van haar rijdier en stierf daar als een martelares. De Profeet ﷺ had haar deze legerschare voorzegd. Zij werd op Cyprus begraven. In dat zelfde jaar werden Arrajan en Darabjird geopend. De bewoners van Cyprus sloten met hem een verdrag op grond van de jizyah die zij zouden betalen.
In deze korte zinnen zijn de drie hoofdfeiten samengebracht: de leiding van Muʿawiya ﵁, de aanwezigheid van ʿUbadah ﵁ en Umm Haram ﵂, en de uitkomst van de expeditie in een verdrag.
De geestelijke betekenis van de zee-onderneming
Wie de gebeurtenis van Cyprus uit het perspectief van de eerste generaties moslims wil verstaan, moet beseffen dat de zee in het Arabische bewustzijn van de zevende eeuw een element van vrees en van aarzeling was. De bedoeïen van het schiereiland kende de woestijn, hij kende het paard en de kameel, hij kende de oase en de hand-water. De zee daarentegen was voor hem het beeld van wat onomvattelijk was, en zij was in de overleveringen meer dan eens beschreven met de woorden die ʿAmr ﵁ aan ʿUmar ﵁ had geschreven, als een schepping die te groot was om te begrijpen, te bewegelijk om te beheersen, te onbetrouwbaar om te vertrouwen.
Dat in dit klimaat van wantrouwen jegens de zee, een gemeenschap binnen vijftien jaar na het overlijden van de Profeet ﷺ in staat was om een vloot uit te rusten en een eiland te veroveren waarvan de strategische positie eeuwen door de Romeinen en de Byzantijnen was bemand, is een prestatie die in haar geestelijke betekenis even groot is als in haar militaire. Het was de eerste maal dat de gemeenschap haar grenzen had verlegd over een natuurlijk obstakel dat in hun cultuurgeschiedenis als ondoorgrondelijk was beschouwd. Het was de eerste maal dat een Arabische soldaat in dienst van een Kalief de wateren van de Middellandse Zee had overgestoken om in naam van Allah ﷻ een buitenpost van een vreemd rijk te onderwerpen. En het was, niet in de laatste plaats, de eerste maal dat een vrouw uit de Sahaba ﵂ haar martelaarschap had gevonden in de uitvoering van een voorspelling die de Profeet ﷺ tientallen jaren tevoren in haar eigen woonkamer had uitgesproken.
Voor de gemeenschap in Medina, die de berichten uit het Levantijnse en het Egyptische theater gewend was te ontvangen, was de tijding van Cyprus van een andere aard. Zij betekende niet alleen een nieuwe provincie, maar een nieuwe horizon. Zij betekende dat de zee, die ʿUmar ﵁ niet had willen vertrouwen, onder ʿUthman ﵁ een werkterrein van de moslimse staat werd. Zij betekende dat het rijk dat tot dan toe op de landen rondom Arabië was uitgebreid, vanaf nu ook op de eilanden ten noorden ervan zou uitbreiden. En zij betekende, op een dieper niveau, dat de opdracht van de gemeenschap niet door geografische grenzen werd bepaald, maar door de mate waarin haar leden bereid waren om in dienst van hun zaak die grenzen te overschrijden.
Het lot van Cyprus na 27 AH
Het verdrag dat Muʿawiya ﵁ in dit jaar met de bewoners van Cyprus sloot, hield in de jaren die volgden niet onafgebroken stand. De Byzantijnen, die hun zeemacht behielden en die hun belangstelling voor het eiland niet opgaven, slaagden er meer dan eens in om de moslimse positie op Cyprus tijdelijk uit te dagen. Onder Muʿawiya ﵁ zelf, en in de jaren die volgden onder de Umayyaden, werd het eiland meermaals het toneel van schermutselingen tussen de twee zeemachten, en de jizyah-betalingen werden enige tijd opgeschort en opnieuw opgelegd. Het zou pas in de tijd van de latere Umayyaden zijn dat Cyprus in een meer stabiele tributaire verhouding tot de moslims kwam, en het eiland zou in de eerste islamitische eeuw een liminaal gebied blijven, niet volledig moslim en niet volledig Byzantijns, een grenszone waarin twee maritieme machten elkaar ontmoetten zonder dat een van beide haar absolute heerschappij kon vestigen.
Voor de gebeurtenis van 27 AH zelf, zoals Suyuti ﵀ haar in zijn beknoptheid heeft overgeleverd, is dit latere lot van het eiland slechts een naschrift. Wat in 27 AH was gebeurd, was reeds geschiedenis: een vloot was uitgevaren, een martelaarschap was vervuld, een verdrag was gesloten, en de zee was voor het eerst onder de moslimse vlag overgestoken. De rest, in al haar wisselingen, behoort tot de geschiedenis van latere kalifaten.
Het graf van Umm Haram ﵂ als geestelijk gedenkteken
Onder de zaken die uit deze gebeurtenis in de eeuwen die volgden, een eigen leven hebben geleid, neemt het graf van Umm Haram ﵂ op Cyprus een bijzondere plaats in. De plaats werd in de Umayyadische en Abbasidische tijden door pelgrims bezocht; in de late middeleeuwen kreeg zij een eigen moskee, de Hala Sultan Tekke; in de Ottomaanse periode werd zij tot een van de belangrijke heiligdommen van het Ottomaanse rijk verheven, en geldt zij in de moslimse traditie als een van de heiligste plaatsen op de Middellandse eilanden. Het graf staat aan de oever van het zoutmeer van Larnaca, in een witte koepelmoskee die door cypressen en tuinen wordt omringd, en het is tot vandaag het doel van pelgrims die hun respect willen betuigen aan de eerste moslimvrouw die op zee een martelaarschap heeft gevonden.
Voor de gelovigen die zich het verhaal van Cyprus herinneren, is deze plaats niet alleen een graf, maar een herinnering aan een specifieke vorm van inwijding. Een Sahabia ﵂, die door de Profeet ﷺ persoonlijk was voorzegd dat zij over de zee zou varen voor de zaak van Allah ﷻ, leefde tientallen jaren in Medina zonder te weten wanneer of hoe deze voorspelling zou worden vervuld. Toen het uur was gekomen, was zij gereed. Zij stapte op het schip met haar man, zij voer over een zee waarvan haar landgenoten huiverden, zij landde op een eiland waar geen moslimsvoetstap voor haar was geweest, en zij vond daar haar einde in de zin die de Profeet ﷺ aan haar had aangezegd. Haar graf op Cyprus is daarmee geen toevallige rustplaats geworden, maar de meetbare uitkomst van een woord dat aan haar was uitgesproken voordat zij wist welke kant haar leven zou gaan.
In het volgende artikel
In het volgende artikel volgen wij de tweede grote opening van het jaar 27, in het westen van het rijk: de veldtocht van ʿAbdullah ibn Saʿd ibn Abi Sarh ﵁ tegen het Byzantijnse Exarchaat van Africa, en de slag bij Sbeitla waarin exarch Gregory de dood vond en waarin de moslims hun eerste vaste voet in Ifriqiya zetten. Het was, in een en hetzelfde Hijra-jaar, de combinatie van twee gebeurtenissen, in het oosten Cyprus en in het westen Sbeitla, die de geografische uitbreiding van het kalifaat onder ʿUthman ﵁ in zijn vol gewicht zou tonen, en die tezamen aan de gemeenschap zouden tonen dat de poorten die Allah ﷻ voor hen opende, niet beperkt waren tot één front of één zee.
Bronnen
- Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk 1995), pp. 165–166.
- Voor de fase-narratieven van de Cyprus-expeditie, zie de battle-story
uthman-cyprusin deze cyclus, die put uit at-Tabari ﵀, Tarikh ar-Rusul wa-l-Muluk en Ibn Kathir ﵀, al-Bidaya wa-l-Nihaya.