slug: bayah-uthman title: De bayʿah van ʿUthman ibn ʿAffan ﵁ arabicName: بيعة عثمان بن عفان language: nl eventDate: 644-06-01 wordCountTarget: 3500
De bayʿah van ʿUthman ibn ʿAffan ﵁
Drie nachten na de begrafenis
ʿUmar ibn al-Khattab ﵁ was vermoord. Zijn lichaam was gewassen in dezelfde kamer waar Abu Bakr ﵁ en de Boodschapper ﷺ waren gewassen, en hij was naast hen begraven in de kamer van ʿAʾishah ﵂. Wat hij in zijn laatste dagen had nagelaten, was geen schriftelijke aanwijzing zoals Abu Bakr ﵁ die op zijn ziekbed had gedicteerd, maar iets zonder precedent in de geschiedenis van de bestuursvormen die de mensheid tot dan toe had gekend. Hij had de keuze van zijn opvolger overgedragen aan een raad van zes mannen, de Shura, en hij had die zes mannen drie dagen gegeven om uit hun midden de derde khalifah van de Islam aan te wijzen.
De zes waren de overgebleven leden van het tiental aan wie de Profeet ﷺ tijdens zijn leven het paradijs had toegezegd, met uitzondering van wie reeds gestorven waren. Het waren ʿUthman ibn ʿAffan ﵁, ʿAli ibn Abi Talib ﵁, ʿAbd ar-Rahman ibn ʿAwf ﵁, Saʿd ibn Abi Waqqas ﵁, az-Zubayr ibn al-ʿAwwam ﵁ en Talhah ibn ʿUbaydillah ﵁. ʿUmar ﵁ had hen voor zijn dood opgedragen zich in een kamer terug te trekken, en hij had Abu Talhah al-Ansari ﵁ met vijftig mannen van de Ansar bij de deur geposteerd om niemand binnen te laten en om de zes niet te laten gaan voordat zij tot een aanwijzing waren gekomen. Suyuti ﵀ leidt het verhaal in met de overlevering die Ibn Saʿd ﵀ van Anas ﵁ heeft bewaard:
ʿUmar ﵁: Wees jij onder vijftig van de Ansar samen met deze groep, de mannen van de raad. Sta met je gezellen bij die deur, laat niemand binnen, en laat hen de derde dag niet voorbij gaan zonder dat zij uit hun midden iemand tot het bevel hebben aangesteld.
De stad van Medina wachtte. Zij wist dat de uitkomst in essentie reeds vaststond, want ʿAbd ar-Rahman ﵁ had zich als kandidaat teruggetrokken, en de anderen hadden hem daarop de procedurele leiding van de Shura toevertrouwd. Wie ʿAbd ar-Rahman ﵁ kende, en in Medina kende men hem allen, wist dat hij geen man was die de keuze aan willekeur zou overlaten. Drie dagen lang ging hij van deur tot deur, sprak met de senior Muhajirun en de senior Ansar, sprak met de stamhoofden die in de stad waren, sprak met de vrouwen die de Boodschapper ﷺ in zijn huizen had achtergelaten en die in deze stad de levende getuige van de Sunnah waren. Hij sliep weinig en hij at weinig, en hij gaf zijn eigen voorkeur niet prijs.
Kaart laden...
ʿAbd ar-Rahman ﵁ aan het werk
Wat ʿAbd ar-Rahman ﵁ in die drie dagen deed, was wat een man doet die zich bewust is dat zijn keuze niet alleen een persoon aanwijst, maar een richting voor de gemeenschap zet. Hij sprak in afzonderlijke gesprekken met ʿAli ﵁ en met ʿUthman ﵁, en hij vroeg hun een vraag die niemand in een openbare vergadering had durven stellen. Hij vroeg ieder van hen: indien ik de bayʿah niet aan jou geef, wie zou je dan aanwijzen? ʿAli ﵁ noemde ʿUthman ﵁. ʿUthman ﵁ noemde ʿAli ﵁. Hij riep daarop az-Zubayr ﵁ bij zich en stelde dezelfde vraag. Az-Zubayr ﵁ antwoordde dat hij geen van beiden uitsluitend wenste aan te wijzen, en dat hij de bayʿah aan ʿAli ﵁ of aan ʿUthman ﵁ even gewillig zou geven. Hij riep Saʿd ﵁, en hij stelde Saʿd ﵁ dezelfde vraag in iets andere woorden, omdat hijzelf met Saʿd ﵁ in eerste instantie geen kandidaat onder de zes was geweest en hij Saʿd ﵁ niet als gegadigde behoefde te beschouwen.
ʿAbd ar-Rahman ﵁: Wie zou jij aanwijzen? Want wat jou en mij betreft, wij willen het niet.
Saʿd ﵁: ʿUthman ﵁.
ʿAbd ar-Rahman ﵁ schreef de antwoorden niet op een rol; hij telde ze in zijn binnenste. Daarna sprak hij met de senior mannen onder de Muhajirun die niet tot de Shura behoorden, en hij sprak met de Ansar, en hij sprak met de geleerden onder de jongere Sahabah ﵃, en hij sprak met de vrouwen van het Huis van de Profeet ﷺ. Hij ging tot bij zijn eigen huishouden niet onbevooroordeeld te werk, want hij wist dat zijn eigen aanverwantschap met ʿUthman ﵁ door huwelijk en clan reden tot zorg kon zijn. Daarom hield hij in deze drie dagen op met wie van zijn eigen Banu Zuhrah en sprak hij voornamelijk met wie niet door verwantschap aan hem of aan ʿUthman ﵁ verbonden was.
Op de derde dag, toen de termijn die ʿUmar ﵁ had vastgesteld bijna verstreken was, kwam hij tot zijn besluit. Hij had niet één man gevonden die ʿUthman ﵁ openlijk afwees. Hij had vele mannen gevonden die zich, indien gevraagd om tussen ʿUthman ﵁ en ʿAli ﵁ te kiezen, ten gunste van de eerste hadden uitgesproken. Hij had niet één man gevonden die in de twee figuren elkaars gelijken zag; men onderscheidde, en de overwegende meerderheid onderscheidde in voordeel van ʿUthman ﵁. Daarop kwam hij in de moskee, klom op de minbar, prees Allah ﷻ, getuigde dat er geen god is dan Hij en dat Muhammad ﷺ Zijn Boodschapper is, en sprak.
Het criterium en de eed
ʿAbd ar-Rahman ﵁ legde zijn werk neer in een enkele zin die Suyuti ﵀ als overlevering bewaart en die in elk vervolg op de gebeurtenissen van die woensdag opnieuw werd geciteerd:
ʿAbd ar-Rahman ﵁: Ik heb gezien dat de mensen niemand aanvaarden behalve ʿUthman ﵁.
In een andere overlevering, ditmaal in een privé-aanloop, sprak hij ʿAli ﵁ zo aan dat de aanwijzing niet als een afwijzing van diens persoon werd opgevat, maar als een vaststelling van wat in de gemeenschap leefde:
ʿAbd ar-Rahman ﵁: Wel nu, ʿAli ﵁, ik heb onder de mensen onderzocht en ik zie hen niemand gelijkstellen aan ʿUthman ﵁. Plaats dus geen weg tegen jezelf in.
Daarop nam hij de hand van ʿUthman ﵁ en sprak de formule die in deze openbare verklaring de essentie van de overdracht legde:
ʿAbd ar-Rahman ﵁: Wij geven jou de bayʿah volgens de Sunnah van Allah ﷻ, de Sunnah van Zijn Boodschapper ﷺ en de Sunnah van de twee khalifahs na hem.
In deze formule lag het hele criterium besloten waarmee ʿUthman ﵁ zou worden beoordeeld. Hij was niet aangesteld om naar eigen inzicht een nieuw bestuur in te voeren, niet om de erfenis van Abu Bakr ﵁ en ʿUmar ﵁ te wijzigen, niet om vanuit zijn eigen aanverwantschap de aanzien van Banu Umayyah in de gemeenschap te bevorderen. Hij was aangesteld om voort te zetten wat reeds was begonnen: de Quran als wet, de Sunnah van de Profeet ﷺ als voorbeeld, en de praktijk van de twee voorgaande khalifahs als ijkpunt. Wie deze formule reciteerde, en de gemeenschap reciteerde haar mee in de bayʿah, gaf zich niet over aan een persoon, maar aan een ambt dat in deze persoon werd uitgeoefend.
De vraag of dit criterium in praktijk strikt zou worden gehandhaafd, behoort tot een latere fase van het verhaal. Op deze derde dag na de begrafenis van ʿUmar ﵁ was de eed een belofte van beide partijen: van ʿUthman ﵁ aan de gemeenschap dat hij het kompas van Boek, Sunnah en het tweetal zou volgen, en van de gemeenschap aan ʿUthman ﵁ dat zij hem zou steunen zolang hij dit kompas volgde.
Het eerlijke woord van Ibn Masʿud ﵁
Toen de bayʿah was gegeven, en de Muhajirun na ʿAbd ar-Rahman ﵁ en de Ansar achtereenvolgens de hand van ʿUthman ﵁ in de hunne hadden gelegd, sprak Ibn Masʿud ﵁ een woord uit dat door zijn eenvoud en zijn rust het stempel zette op wat zojuist was geschied. Ibn Masʿud ﵁, een van de eerste mannen die de openbaring uit de mond van de Profeet ﷺ had opgenomen, een van de leeskundigen van de Quran wier recitatie de gemeenschap als standaard beschouwde, een man die zich in zijn lange leven nooit op politieke gunsten had verlaten, sprak in het bijzijn van wie nog in de moskee waren. Suyuti ﵀ bewaart het woord zo:
Ibn Masʿud ﵁: Wij hebben de besten van wie er nog over zijn met het bevel belast, en wij zijn niet nalatig geweest.
Wie deze zin leest met het oor van een Sahabi ﵁ van de oude generatie, hoort er drie dingen in. Ten eerste: dat het ambt aan een mens uit het tiental dat de Profeet ﷺ het paradijs had toegezegd was toegekomen, en dat dit gegeven op zichzelf de bayʿah legitiem maakte. Ten tweede: dat de keuze niet uit nalatigheid was voortgekomen, dat de overlegprocedure was gevoerd zoals zij gevoerd had moeten worden, en dat ʿAbd ar-Rahman ﵁ noch de Shura iets had verzuimd. Ten derde, en dit is het stilzwijgende: dat de besten van wie er nog over waren, hoe verheven ook, geringer waren dan wie er niet meer waren. De Profeet ﷺ was niet meer. Abu Bakr ﵁ was niet meer. ʿUmar ﵁ was niet meer. Hamzah ﵁ en Jaʿfar ﵁ en de martelaren van Badr en Uhud waren niet meer. De gemeenschap stond met de besten van haar overlevenden, en dat was wat de gemeenschap had.
De erkenning lag in dit woord van Ibn Masʿud ﵁ besloten: een hoopvolle realiteitszin die paste bij de man die haar uitsprak. Hij die in de openbaringen van de eerste Mekkaanse jaren zijn lectuur had opgenomen, kende de geest van de boodschap te goed om in de aanstelling van ʿUthman ﵁ een eindstation te zien. Hij zag haar als een voortzetting, met de besten van wie men nog had, op een pad dat de Profeet ﷺ had ingericht.
Wie ʿUthman ﵁ was, toen de bayʿah werd gegeven
Om te begrijpen waarom de openbare bayʿah zonder oppositie tot stand kwam, dient men de man zelf voor ogen te halen zoals de gemeenschap hem op deze derde dag van Muharram in het jaar vierentwintig kende. ʿUthman ibn ʿAffan ﵁ was geboren in Mekka in Banu Umayyah, een van de leidende clans van Quraysh, in een familie die in de tijd van de jahiliyyah aanzien en rijkdom had verworven. Hij was een rijk koopman geweest voor zijn bekering, en hij was na zijn bekering rijk gebleven, want hij had zijn handel niet opgegeven en zijn karavanen liepen door tot in de Medinaanse jaren toe.
Hij was een van de eerste vier mannen geweest die de da’wah van Abu Bakr ﵁ hadden gevolgd in de aanvangsdagen van de profeetschap, toen het geloof nog in fluisterstem werd overgedragen. Hij had om zijn bekering geleden onder de druk van zijn oom en van zijn clan, en hij had met zijn vrouw Ruqayyah ﵂, de dochter van de Profeet ﷺ, de eerste hijra naar Abessinië gemaakt. Toen Ruqayyah ﵂ later in Medina overleed, juist op de dag dat de boodschap van de overwinning bij Badr de stad bereikte, had de Profeet ﷺ hem zijn andere dochter, Umm Kulthum ﵂, ten huwelijk gegeven. Toen ook deze stierf, had de Profeet ﷺ gezegd, naar de overlevering die Suyuti ﵀ via at-Tabarani ﵀ bewaart:
De Boodschapper van Allah ﷺ: Trouw ʿUthman ﵁ uit. Indien ik een derde dochter had gehad, dan zou ik haar ook aan hem hebben uitgehuwelijkt; en ik heb hem niet uitgehuwelijkt behalve door openbaring van Allah ﷻ.
Om deze tweevoudige verwantschap met de Boodschapper ﷺ droeg ʿUthman ﵁ in de gemeenschap de bijnaam Dhun-Nurayn, de man van de twee lichten. Het was geen titel die hij voor zichzelf had opgeëist; zij was hem in de mond van anderen gegeven en zij was sindsdien aan zijn naam blijven kleven. Naast deze verwantschap droeg hij in de gemeenschap nog twee onderscheidingen. Hij had de put van Rumah uit eigen middelen gekocht en aan de gemeenschap geschonken in de dorre jaren van Medina. Hij had het Leger van de Moeite, het leger van Tabuk, uit eigen middelen uitgerust in een seizoen waarin de Profeet ﷺ alle gelovigen had opgeroepen om bij te dragen en waarin velen niets konden geven. De Boodschapper ﷺ had op die dag aangaande hem gezegd, in een overlevering die Suyuti ﵀ via al-Hakim ﵀ bewaart, dat hem na deze dag geen daad meer kon schaden.
Naast deze grootmoedigheid kende de gemeenschap hem als een man van bescheidenheid in zijn omgang. Al-Hasan ﵀ heeft, naar Suyuti ﵀ via Ibn ʿAsakir ﵀ overlevert, de schroomvalligheid van ʿUthman ﵁ zo beschreven:
Al-Hasan ﵀: Wanneer hij midden in zijn huis was en de deur op slot, en hij zijn kleren aflegde om water over zich uit te gieten, dan zou zijn schroom hem ervan weerhouden zijn rug op te richten.
Dit was de man wiens hand op de derde dag van Muharram in het jaar vierentwintig de bayʿah van Medina ontving. Een rijke koopman, een bescheiden bidder, een tweevoudige schoonzoon van de Profeet ﷺ, een eerste vier in de Islam, een man wiens grootmoedigheid in Rumah en Tabuk in elke huiselijke kring werd verteld, en een sahabi ﵁ van de oude generatie wiens trouw aan het ambt geen mens betwijfelde.
De openbare bayʿah in de moskee
De bayʿah aan ʿUthman ﵁ verliep op dezelfde wijze als de bayʿah aan Abu Bakr ﵁ en aan ʿUmar ﵁ daarvoor. ʿAbd ar-Rahman ﵁ ging als eerste naar voren en legde zijn rechterhand op die van ʿUthman ﵁. Daarna kwam ʿAli ﵁, en hij gaf zijn bayʿah zoals hij eerder de bayʿah aan Abu Bakr ﵁ en aan ʿUmar ﵁ had gegeven. Daarna kwam az-Zubayr ﵁, en daarna Talhah ﵁, en daarna Saʿd ﵁. De Muhajirun van de oude generatie kwamen, en de Ansar volgden. Voor het overige van de dag bleef de moskee open voor wie binnenkwamen en de hand wilden geven, en voor de avond van die woensdag was de bayʿah in haar volle breedte uitgevoerd.
Dit is de overlevering die Ibn ʿAsakir ﵀ van al-Miswar ibn Makhramah ﵁ heeft bewaard, en die Suyuti ﵀ in zijn samenvatting overneemt. Ibn ʿAsakir ﵀ voegt eraan toe dat Abu Wail ﵀ jaren later aan ʿAbd ar-Rahman ﵁ vroeg hoe het mogelijk was geweest dat hij de bayʿah aan ʿUthman ﵁ had gegeven en niet aan ʿAli ﵁. ʿAbd ar-Rahman ﵁ antwoordde in een woord dat de werkwijze van de Shura blootlegt:
Abu Wail ﵀: Hoe heb je de bayʿah aan ʿUthman ﵁ gegeven en ʿAli ﵁ veronachtzaamd?
ʿAbd ar-Rahman ﵁: Waar was mijn fout? Ik begon met ʿAli ﵁ en zei: zal ik je de bayʿah geven volgens het Boek van Allah ﷻ, de Sunnah van Zijn Boodschapper ﷺ en de wijze van Abu Bakr ﵁ en ʿUmar ﵁? Hij zei: zoveel als ik kan. Daarna gaf ik dezelfde aanbieding aan ʿUthman ﵁ en hij zei: ja.
In dit korte antwoord ligt het hele verschil tussen de twee mannen voor het ambt. Beiden waren bekwaam; beiden waren rechtvaardig; beiden hadden de Profeet ﷺ in zijn nabijste omgeving meegemaakt en in zijn dood beweend. Maar ʿAli ﵁ had in eerlijkheid niet onbeperkt willen toezeggen dat hij de praktijk van Abu Bakr ﵁ en ʿUmar ﵁ in elk detail zou volgen, omdat hij wist dat in sommige kwesties zijn eigen ijtihad zou kunnen afwijken. ʿUthman ﵁ had zonder voorbehoud toegezegd. Voor de Shura, en voor het criterium dat ʿAbd ar-Rahman ﵁ in zijn formule had vastgelegd, was dit het verschil.
Wat deze bayʿah betekende
De derde overdracht van het bestuur in de geschiedenis van de Islam was zonder oorlog, zonder oproer, zonder pretendenten van buiten Medina verlopen. Drie nachten na de begrafenis van ʿUmar ﵁ stond de gemeenschap met haar derde khalifah. De procedure die Abu Bakr ﵁ op zijn ziekbed had uitgevonden, en die ʿUmar ﵁ in zijn laatste dagen tot een raad van zes had verfijnd, had voor de tweede maal in tien jaar tijd zonder breuk gewerkt. Een keizerrijk zou voor zo’n overdracht een dynastie nodig hebben gehad, of een staatsgreep, of een veldslag. Medina had drie dagen consultatie, een uur in de moskee, en een formule met drie bronnen nodig gehad.
Tegelijk lag in deze bayʿah een spanning besloten die in de jaren erna langzaam aan de oppervlakte zou treden. ʿUthman ﵁ was uitgesproken zachter van aard dan ʿUmar ﵁ was geweest. Hij was rijker; hij had meer verwanten in de aanverwante posities; hij was ouder bij zijn aantreden, want hij was bij benadering zeventig jaar oud op de dag dat de bayʿah hem in handen viel. Az-Zuhri ﵀ heeft, in een uitspraak die Suyuti ﵀ later in zijn werk over de gehele khilafah van ʿUthman ﵁ aanhaalt, vastgesteld dat de eerste zes jaren van zijn bestuur zonder kritiek waren verlopen. Maar het is in de Sunnah van de geschiedenis dat een gemeenschap haar aanvoerder beoordeelt naar de tweede helft van zijn ambt, niet naar de eerste. Wat in de eerste zes jaren in stilte werd opgebouwd, zou in de tweede zes jaren in luidruchtigheid worden afgebroken. Maar dit behoort tot een verhaal dat in de volgende artikelen wordt voortgezet.
Op deze derde dag van Muharram in het jaar vierentwintig was de gemeenschap eensgezind. Zij had haar khalifah. Zij had haar formule. Zij had haar criterium. Zij had haar belofte. En zij had, in ʿUthman ibn ʿAffan ﵁, de man die in zijn jeugd het Boek had gememoriseerd in de tijd van de Boodschapper ﷺ, en die in zijn ouderdom de gemeenschap zou samenbrengen om dat Boek tot een enkele mushaf te verenigen. Maar dit, ook, behoort tot een ander verhaal.
Loading family tree...
Bronnen
- Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk 1995), pp. 163–165.