InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Het bestuur van ʿUthman ibn Affan ﵁


slug: bestuur-en-gouverneurs title: Bestuur en gouverneurs onder ʿUthman ﵁ arabicName: ولاة عثمان language: nl eventDate: 645-01-01 wordCountTarget: 5000

Bestuur en gouverneurs onder ʿUthman ﵁

Een ambt en zijn handlangers

De khalifah in Medina kon niet alles zelf. In Kufa stonden meer dan zestigduizend soldaten met hun gezinnen; in Basra een vergelijkbaar aantal; in Fustat aan de Nijl een leger dat in vier jaar tijd Egypte had veroverd; in Damascus een leger dat Syrië had vastgehouden en dat naar Cyprus, naar Klein-Azië en naar Armenië aan de noordgrens werd uitgezonden. Elk van deze garnizoenen bestuurde naast haar militaire taak ook het burgerlijk bestuur over een provincie ter grootte van een keizerrijk: belasting, recht, openbare werken, bouw van moskeeën, betaling van soldij, hulpverlening in dorre jaren, ontvangst van delegaties. Wie in de hoofdstad over de gemeenschap regeerde, regeerde via deze gouverneurs. Wie de juiste gouverneur had, regeerde goed. Wie zich in zijn keuze van gouverneurs vergiste, regeerde slecht en werd aan het einde van zijn bewind voor die vergissingen ter verantwoording geroepen.

ʿUthman ibn ʿAffan ﵁ heeft in zijn twaalfjarige bewind enkele tientallen gouverneurs aangesteld, ontslagen en verplaatst. Suyuti ﵀ heeft daarvan niet alle namen bewaard, maar hij heeft een aantal sleutelgevallen vastgelegd die in de overlevering van de daaropvolgende generaties als ijkpunten voor het bestuur van ʿUthman ﵁ zijn doorgegeven. Dit artikel volgt deze sleutelgevallen één voor één: Saʿd ibn Abi Waqqas ﵁ in Kufa, al-Walid ibn ʿUqbah ﵁ in dezelfde stad, Saʿid ibn al-ʿAs ﵁ na hem, ʿAbdallah ibn Saʿd ﵁ in Egypte, Muʿawiyah ibn Abi Sufyan ﵁ in Syrië, en de bijzondere positie van Marwan ibn al-Hakam ﵁ aan het hof van de khalifah zelf.

In de uitspraak van az-Zuhri ﵀, die Suyuti ﵀ in zijn samenvatting over de hele khilafah aanhaalt, ligt de spanning besloten die door dit hele patroon van benoemingen heenloopt:

Az-Zuhri ﵀: Zes jaar lang regeerde hij zonder dat de mensen hem in enig opzicht bekritiseerden. Daarna verslapte hij in hun zaak, en in de laatste zes jaren van zijn bewind stelde hij zijn verwanten en familie aan.

Wat in deze zin een kentering markeert, was in de gebeurtenissen zelf een geleidelijke verschuiving. Hij begon met de aanstelling van een van de meest gerespecteerde Sahabah ﵃ in Kufa, en hij eindigde met een aanstelling van zijn moederszijdsche halfbroer in dezelfde stad. De geschiedenis van deze verschuiving is de geschiedenis van de bestuurspolitiek van zijn khilafah.

Saʿd ibn Abi Waqqas ﵁ in Kufa

Het eerste belangrijke bestuursbesluit van ʿUthman ﵁ was de aanstelling van Saʿd ibn Abi Waqqas ﵁ tot gouverneur van Kufa, in het jaar vierentwintig, en de gelijktijdige afzetting van al-Mughirah ibn Shuʿbah ﵁, die ʿUmar ﵁ in zijn laatste jaar in die positie had geplaatst. Suyuti ﵀ noteert het droog:

Az-Zuhri ﵀: In dat jaar stelde ʿUthman ﵁ Saʿd ibn Abi Waqqas ﵁ aan tot gouverneur van Kufa en zette hij al-Mughirah ﵁ af.

De aanstelling was geen aanstelling van een verwante; zij was de aanstelling van een Sahabi ﵁ van de oude generatie, van Banu Zuhrah, van het tiental aan wie de Profeet ﷺ het paradijs had toegezegd, en bovendien de overwinnaar van al-Qadisiyyah, de slag waarin het Sassanidische rijk in Iraq verbroken was. In de stad Kufa, die Saʿd ﵁ tijdens diezelfde campagne als garnizoensstad had gesticht, kende men hem persoonlijk. Soldaten die in zijn legerorde hadden gediend, waren nu in haar lemen huizen gevestigd; de stedelingen wier voorvaderen op de vlakte van Qadisiyyah waren gevallen, leefden naast wie haar veroverd hadden, en zij allen kenden de naam van Saʿd ﵁ uit de eerste mond.

In het jaar vijfentwintig echter werd Saʿd ﵁ van zijn ambt ontheven, en in zijn plaats werd al-Walid ibn ʿUqbah ﵁ aangesteld. Wat de reden voor de afzetting was, behoort tot de details die Suyuti ﵀ niet uitwerkt. Een twist over schulden die Saʿd ﵁ aan ʿAbdallah ibn Masʿud ﵁ in de schatkist van Kufa zou hebben gehad, wordt in andere bronnen genoemd, maar Suyuti ﵀ in zijn samenvatting houdt zich aan het feit van de afzetting en de aanstelling. Wat hij wel uitwerkt, is dat deze nieuwe aanstelling de eerste was die in de gemeenschap kritiek opwekte, en wel om een specifieke reden: al-Walid ibn ʿUqbah ﵁ was de halfbroer van ʿUthman ﵁ langs moederszijde.

Al-Walid ibn ʿUqbah ﵁ en het wijnincident

Suyuti ﵀ legt de aanstelling vast met een opmerking die de aanvang van een patroon in de overlevering markeert:

Az-Zuhri ﵀: In het jaar vijfentwintig zette ʿUthman ﵁ Saʿd ﵁ af uit Kufa en stelde hij al-Walid ibn ʿUqbah ibn Abi Muʿayt ﵁ aan, en hij was een Sahabi ﵁ en een broer van ʿUthman ﵁ van moederszijde. En dat was het eerste waarvoor hij niet meer geliefd was, omdat hij zijn verwanten aanstelde in gezagsposities.

Hier ligt in de tekst van Suyuti ﵀ een keurig geformuleerd oordeel waar veel in besloten ligt. Hij ontkent niet dat al-Walid ibn ʿUqbah ﵁ een Sahabi ﵁ was. Hij ontkent niet dat hij een broer van de khalifah was. Hij vermeldt het feit van de aanstelling. En hij voegt er het oordeel van de overlevering aan toe: dat was het eerste waarvoor hij niet meer geliefd was. De gemeenschap had aan deze aanstelling op zichzelf weinig kunnen tegenwerpen, want een halfbroer kon, in theorie, even goed of zelfs beter geschikt zijn dan een willekeurige andere Sahabi ﵁. Maar de geur van vriendjespolitiek was zo sterk, dat zij de aanstelling om die enkele reden moeilijk konden aanvaarden. Het was niet het feit dat al-Walid ﵁ een halfbroer was dat de kritiek opwekte; het was het feit dat het ambt bleek toe te vallen aan een halfbroer in plaats van aan een willekeurige andere Sahabi ﵁ van de oude generatie.

Wat in de jaren daarna gebeurde, gaf aan deze kritiek een grond die niemand kon ontkennen. Suyuti ﵀ noteert de gebeurtenis die in de mond van Kufa, en daarna in de mond van Medina, voor de afzetting van al-Walid ﵁ tot ijkpunt werd:

Az-Zuhri ﵀: Het is verteld dat al-Walid ﵁ voor hen in het ochtendgebed voorging met vier rakʿat terwijl hij dronken was, en dat hij zich daarna naar hen toedraaide en zei: zal ik er nog meer voor jullie verrichten?

In deze ene zin ligt een geheel oordeel. Het ochtendgebed bestaat uit twee rakʿat, niet uit vier. Wie als imam vier rakʿat voor de fajr verricht, heeft de salah verlengd op een wijze die met de Sunnah van de Profeet ﷺ in strijd is. Wie dit doet vanwege onachtzaamheid, dwaalt; wie dit doet vanwege onwetendheid, behoort niet op de minbar te staan; wie dit doet vanwege dronkenschap, heeft een dubbele zonde begaan, want hij heeft wijn gedronken en in die staat de gemeenschap in de salah voorgegaan. Het tweede deel van de zin, zal ik er nog meer voor jullie verrichten, voltooit het beeld: de man wist dat hij meer had gedaan dan voorgeschreven was, en hij maakte er geen grimas over.

Het wijnincident werd in Kufa breed bekend. Het werd in een schriftelijke aanklacht aan ʿUthman ﵁ in Medina voorgelegd. ʿUthman ﵁ verwerkte de zaak: hij liet al-Walid ﵁ in zijn aanwezigheid de hadd voltrekken, de voorgeschreven straf voor wijngebruik, en hij zette hem af. Wat hij in zijn plaats deed, was opnieuw een Quraysjietische verwant aanstellen, Saʿid ibn al-ʿAs ﵁, een verre neef van zijn eigen clan. En dit was het patroon dat in de gemeenschap zou worden geregistreerd: de afzetting wegens duidelijke misdraging, maar de vervanging opnieuw uit dezelfde verwantenkring.

Kaart laden...

Saʿid ibn al-ʿAs ﵁ en de ejecutie uit Kufa

Saʿid ibn al-ʿAs ﵁ was geen halfbroer van de khalifah; hij was een Sahabi ﵁ uit Banu Umayyah, jonger dan ʿUthman ﵁ en sterk geletterd. Hij was een van de mannen die in de periode van de mushaf-compilatie aan het werk in Medina hadden meegedaan. Maar in zijn jaren in Kufa zou de Kufische bevolking zich tegen hem keren. Suyuti ﵀ noteert in zijn beknopte jaarindeling:

Az-Zuhri ﵀: In het jaar vierendertig wierpen de mensen van Kufa Saʿid ibn al-ʿAs ﵁ uit en waren zij behaagd met Abu Musa al-Ashʿari ﵁.

Wat in deze zin als een politieke gebeurtenis lezen, was in de stad een ernstige episode. Saʿid ﵁ was naar Medina afgereisd om aan ʿUthman ﵁ verslag uit te brengen, en de bevolking van Kufa, of een belangrijke factie binnen haar, sloot in zijn afwezigheid de stadspoorten voor zijn terugkeer en eiste een andere gouverneur. ʿUthman ﵁ stond, in dit jaar dat reeds tot het laatste deel van zijn bewind behoorde, voor een keuze: met geweld de orde herstellen, of de wens van de stad inwilligen. Hij koos voor het laatste. Hij stelde Abu Musa al-Ashʿari ﵁ aan, een Sahabi ﵁ van de oude generatie, een bekend Quran-reciteur, een man uit Banu Ashʿar, geen Quraysjiet. De aanstelling van Abu Musa ﵁ kalmeerde Kufa voor een tijd, maar de aflevering had aan de gemeenschap, en aan de gouverneurs in de andere garnizoenssteden, een teken gegeven: een stad kon haar gouverneur uitwerpen, en de khalifah kon worden gedwongen tot vervanging. Dit precedent zou in de jaren erna een rol spelen in de opstand die de belegering van het huis van de khalifah voorafging.

ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁ verwijderd uit Egypte

In het jaar zevenentwintig, in een jaar dat ook door grote militaire openingen werd gemarkeerd, verving ʿUthman ﵁ ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁ als gouverneur van Egypte door ʿAbdallah ibn Saʿd ibn Abi Sarh ﵁. Suyuti ﵀ noteert het zonder commentaar:

Az-Zuhri ﵀: ʿUthman ﵁ verwijderde ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁ uit Egypte en stelde ʿAbdallah ibn Saʿd ibn Abi Sarh ﵁ over haar aan, die een expeditie tegen Noord-Afrika leidde en haar voor de Islam opende, op de vlakten en in de bergen, en elke man in het leger ontving duizend dinar, en het is ook verteld, drieduizend dinar.

De afzetting van ʿAmr ﵁ was bestuurspolitiek complex. ʿAmr ﵁ was de man die Egypte had veroverd, een Sahabi ﵁ van eersteklas formaat, en een van de slimste politieke koppen van zijn generatie. Maar in zijn jaren als gouverneur in Fustat was hij in vele bestuurszaken zelfstandig opgetreden, en hij had in correspondentie met Medina niet altijd de toon aangenomen die de khalifah verwachtte. ʿAbdallah ibn Saʿd ibn Abi Sarh ﵁ was, op zijn beurt, de melkbroer van ʿUthman ﵁ en een man met goede bestuurservaring. Hij zou onder de nieuwe taakverdeling de fiscale opbrengsten van Egypte vergroten, een groot leger optuigen, en in zevenentwintig naar Noord-Afrika oprukken. Maar zijn aanstelling werd in de jaren erna in toenemende mate door de Egyptische bevolking als drukkend ervaren, en in vierendertig zou een delegatie uit Egypte naar Medina komen om over hem te klagen, een gebeurtenis die rechtstreeks in de belegering van ʿUthman ﵁ zou uitmonden. Maar dit behoort tot een later artikel.

Muʿawiyah ibn Abi Sufyan ﵁ in Syrië

In Syrië hield Muʿawiyah ibn Abi Sufyan ﵁ de gouverneursstoel die hij reeds onder ʿUmar ﵁ had ingenomen. Hij was de zoon van Abu Sufyan ibn Harb, het hoofd van Banu Umayyah van de jahiliyyah-tijd dat zich na de verovering van Mekka tot de Islam had bekeerd. Hij was als jonge Sahabi ﵁ door de Profeet ﷺ in dienst genomen, en onder Abu Bakr ﵁ en ʿUmar ﵁ had hij in Syrië gediend, eerst als ondergeschikte gouverneur in Damascus, daarna, na de dood van zijn broer Yazid in de plaag van ʿAmwas, als gouverneur van het hele Syrische gebied.

Onder ʿUthman ﵁ werd zijn positie versterkt. De Syrische troepen waren onder hem in toenemende mate een gedisciplineerde eenheid geworden; de relaties met de Byzantijnse grens werden onder zijn leiding militair beheerst; en in zevenentwintig zou hij de eerste islamitische zeevloot uitrusten en naar Cyprus zenden. ʿUthman ﵁ schonk hem in deze jaren zijn vertrouwen in een mate die in retrospectief opvallend is. Maar in tegenstelling tot de andere verwantenbenoemingen riep deze geen kritiek op, want Muʿawiyah ﵁ was reeds onder ʿUmar ﵁ in functie geplaatst, en zijn bewind in Syrië was opvallend stabiel.

Az-Zuhri ﵀ verwerkt in zijn samenvatting de positie van Muʿawiyah ﵁ niet in dezelfde kritische toon als de andere benoemingen, omdat hij gewoon een doorlopende dienst van ruim twintig jaar was, niet een nieuwe aanstelling vanuit Banu Umayyah. Het verschil tussen een gouverneur die door ʿUmar ﵁ was aangesteld en in zijn ambt onder ʿUthman ﵁ werd voortgezet, en een gouverneur die door ʿUthman ﵁ uit zijn eigen verwantenkring werd aangesteld waar voordien een ander zat, was voor de gemeenschap helder. Tegen Muʿawiyah ﵁ in Syrië werd in deze jaren niets ingebracht; tegen al-Walid ﵁ in Kufa en tegen ʿAbdallah ﵁ in Egypte werden steeds meer klachten geuit.

Marwan ibn al-Hakam ﵁ aan het hof

Naast de gouverneurs in de provincies bestond aan het hof van de khalifah in Medina een figuur wiens positie geen formele titel droeg, maar wiens invloed in de jaren erna onmiskenbaar zou worden. Het was Marwan ibn al-Hakam ﵁, een neef van ʿUthman ﵁, zoon van diens vaderlijke oom al-Hakam ibn Abi al-ʿAs, opgevoed in Medina nadat zijn vader er, om redenen die in de overlevering verschillend worden weergegeven, vanuit Mekka was teruggekeerd. Marwan ﵁ was geletterd, goed in administratie, scherp van verstand, en hij werd door ʿUthman ﵁ als zijn secretaris in dienst genomen. In een hofadministratie waar de khalifah zelf brieven niet altijd zelf opstelde en waar correspondentie met gouverneurs een dagelijks werk was, was de secretaris een man met aanzienlijke macht.

Suyuti ﵀ noemt Marwan ﵁ in zijn tekst voornamelijk in verband met twee zaken. Ten eerste de toekenning van de khums van de Noord-Afrikaanse buit aan hem door ʿUthman ﵁:

Az-Zuhri ﵀: Hij wees aan Marwan ﵁ de khums toe, het vijfde deel van de buit van de jihad dat aan de heerser toekomt, van Noord-Afrika, en hij gaf zijn verwanten en familie rijkdom. Daarin interpreteerde hij het nauw maken van verbanden met familie dat Allah ﷻ heeft bevolen. Hij zei: Abu Bakr ﵁ en ʿUmar ﵁ hebben opgegeven en hebben afgezien van wat hun in dat opzicht rechtens toebehoorde, en ik heb het genomen en onder mijn verwanten verdeeld. Maar de mensen wezen dit af en verworpen het van hem.

In deze passage ligt een sleutel tot de moeilijkheden van de tweede helft van het bewind. ʿUthman ﵁ las de quranische opdracht tot de bewaring van familiebanden, silat ar-rahim, als een grondslag voor zijn toekenningen aan verwanten. Hij wees erop dat Abu Bakr ﵁ en ʿUmar ﵁ in hun voorzichtigheid hadden afgezien van wat hun rechtens toekwam, en hij sprak zich het recht toe deze nalating ongedaan te maken. Het was, met andere woorden, een ijtihad: een redelijke uitleg van een tekst en een precedent, gevoerd door een man die in zijn ambt gezag had en die in zijn persoon te goeder trouw handelde.

De gemeenschap echter verwierp deze ijtihad. Wat in de praktijk van Abu Bakr ﵁ en ʿUmar ﵁ als de juiste manier had gegolden, ervoer zij als de Sunnah van de eerste twee khalifahs. Wat ʿUthman ﵁ als een herstel van een door zijn voorgangers nagelaten recht zag, ervoer zij als een afwijking van datzelfde Sunnah. En de specifieke begunstigde, Marwan ﵁, was een persoon over wie in de gemeenschap reeds twijfels leefden vanwege de geschiedenis van zijn vader, en in wiens hand een vijfde van de Noord-Afrikaanse buit een aanzienlijke rijkdom betekende.

Ten tweede zou Marwan ﵁ in de laatste maanden van het bewind van ʿUthman ﵁ een rol spelen die in de overlevering van Suyuti ﵀ op pagina’s 170 en 171 wordt uitgewerkt: de brief naar Egypte die de moord op de delegatie beval, en wier handschrift werd herkend als dat van Marwan ﵁ in plaats van dat van de khalifah. Maar deze episode behoort tot een later artikel.

De ijtihad van een goede man

Wat in dit hele patroon van benoemingen opvalt, is dat ʿUthman ﵁ niet door kwaadwilligheid handelde. Hij stelde niet onbekwame personen aan; hij begunstigde niet uit corruptie. Hij stelde aan, vanuit een ijtihad die hij in zijn redelijkheid kon verdedigen, mannen die in zijn ogen geschikt waren voor het ambt. Dat enkelen van hen, zoals al-Walid ﵁, in dronkenschap in de salah voorgingen, was geen schuld van de khalifah; dat anderen, zoals ʿAbdallah ibn Saʿd ﵁, in hun bestuur over Egypte in toenemende mate als drukkend werden ervaren, was een resultaat van factoren die in Medina niet onmiddellijk zichtbaar waren.

Maar de gemeenschap beoordeelt een khalifah niet op zijn intenties; zij beoordeelt hem op de gevolgen van zijn besluiten. En de gevolgen, voor wie de geschiedenis van de laatste zes jaren van het bewind van ʿUthman ﵁ overschouwt, waren zwaar. Een fitnah brak los; een delegatie uit Egypte arriveerde in Medina; een belegering werd ingesteld; de khalifah werd in zijn huis vermoord. Wie de aanleiding daarvoor zoekt in één enkele aanstelling, vergist zich; maar wie de aanleiding zoekt in het patroon dat in deze jaren ontstond, vindt in de tekst van Suyuti ﵀ ruim materiaal.

Saʿid ibn al-Musayyab ﵀ vat het, in een uitspraak die Suyuti ﵀ van Ibn ʿAsakir ﵀ overneemt en die op pagina 168 van de Engelse vertaling staat, in deze woorden samen:

Saʿid ibn al-Musayyab ﵀: In de zes laatste jaren koos hij in voorkeur de stam van zijn vaderlijke oom. Hij stelde hen aan en liet niemand met hen delen. Zijn bevelhebbers brachten zaken voort die de Sahabah ﵃ van Muhammad ﷺ afwezen. ʿUthman ﵁ vroeg de mensen om welwillendheid jegens hen en hij verwijderde hen niet.

In de zacht-formelle bewoordingen van Ibn al-Musayyab ﵀ ligt de hele aanklacht besloten. Niet dat ʿUthman ﵁ slechte mannen had aangesteld, maar dat hij na hun aanstelling onvoldoende corrigerend optrad. De salaheid van de aanstellingen werd niet door de aanstellingen zelf bepaald, maar door wat de aangestelden in hun ambt voortbrachten. En wat zij voortbrachten, was in toenemende mate onder de Sahabah ﵃ niet meer aanvaardbaar.

De grieven jegens Ibn Masʿud ﵁, Abu Dharr ﵁ en ʿAmmar ﵁

Naast de gouverneurs zelf droeg de gemeenschap in haar geheugen een aantal incidenten van een andere aard. In de jaren van ʿUthman ﵁ kwamen drie senior Sahabah ﵃, ʿAbdallah ibn Masʿud ﵁, Abu Dharr al-Ghifari ﵁ en ʿAmmar ibn Yasir ﵁, in conflict met hetzij de khalifah hetzij zijn gouverneurs. Suyuti ﵀ heeft de details van deze conflicten niet uitgewerkt; hij refereert er slechts aan, en in zijn behoedzame manier laat hij de overlevering aan wie wenst de details elders na te zoeken.

Wat hij wel vastlegt, in een passage die op pagina 169 van de vertaling staat, is dat deze drie incidenten in de gemeenschap diep doorwerkten:

Saʿid ibn al-Musayyab ﵀: Er waren eerder krenkingen geweest van ʿUthman ﵁ tegenover ʿAbdallah ibn Masʿud ﵁, Abu Dharr ﵁ en ʿAmmar ibn Yasir ﵁. Banu Hudhayl en Banu Zuhrah hadden in hun harten wat zij hadden vanwege de toestand van Ibn Masʿud ﵁. Banu Ghifar, hun bondgenoten en wie woedend was vanwege Abu Dharr ﵁, hadden in hun harten wat zij hadden. Banu Makhzum waren woedend op ʿUthman ﵁ vanwege de toestand van ʿAmmar ibn Yasir ﵁.

Deze passage laat de stammen-dimensie van de groeiende ontevredenheid zien. Ibn Masʿud ﵁ behoorde tot Banu Hudhayl en stond in clientèle met Banu Zuhrah; Abu Dharr ﵁ behoorde tot Banu Ghifar; ʿAmmar ibn Yasir ﵁ stond in clientèle met Banu Makhzum. Drie incidenten, drie stammen, en in elke stam de bittere herinnering aan een sahabi ﵁ die zich in zijn laatste jaren slecht behandeld voelde. De gemeenschap bewaarde dit. In de jaren erna zou wie zich tegen ʿUthman ﵁ richtte, op deze grieven kunnen voortbouwen.

Wat de incidenten zelf waren, behoort, zoals gezegd, tot de details die Suyuti ﵀ in zijn tekst over de khilafah van ʿUthman ﵁ niet narratief uitwerkt. Wie ze leest in de uitgebreidere werken van Tabari en Ibn Saʿd, vindt de afzetting van Ibn Masʿud ﵁ als opzichter van de schatkist in Kufa, het meningsverschil tussen Abu Dharr ﵁ en de gouverneur van Syrië over de verdeling van rijkdom, en de affaire rond ʿAmmar ﵁ in Medina. Maar voor het doel van het huidige artikel, dat strikt aan Suyuti ﵀ ontleend wordt, volstaat de vaststelling dat de gemeenschap in haar geheugen drie incidenten droeg waarvan de details in de overlevering zijn bewaard en die in de fitnah van vierendertig en vijfendertig een rol zouden spelen.

Een patroon dat zich verhardde

Voor wie het bestuursbeleid van ʿUthman ﵁ overschouwt, valt op dat de eerste benoemingen van hem zelf, in de aanvangsjaren, niet wezenlijk afweken van de praktijk van ʿUmar ﵁. Saʿd ibn Abi Waqqas ﵁ in Kufa, behoud van Muʿawiyah ﵁ in Syrië, eerste aanstellingen van Abu Musa al-Ashʿari ﵁ in Basra, dit waren keuzes die zelfs een strenge criticus moeilijk kon aanvechten. Wat in de loop van de jaren veranderde, was de toon van de vervangingen. Na al-Walid ﵁ kwam Saʿid ibn al-ʿAs ﵁, beiden uit dezelfde Umayyade kring. ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁ werd vervangen door ʿAbdallah ibn Saʿd ﵁, beiden Quraysjieten maar binnen dezelfde aanverwantencirkel. Marwan ﵁ kreeg de khums van Noord-Afrika. Stilte tussen de aanverwantenkring en de bredere gemeenschap groeide.

In de jaren vierendertig en vijfendertig zou deze stilte luid worden. Maar dit, ook, behoort tot de volgende artikelen in deze cyclus. Voor het huidige artikel volstaat de vaststelling dat de bestuurspolitiek van ʿUthman ﵁, beginnend met de aanstelling van een onomstreden Sahabi ﵁ in Kufa in vierentwintig, in de loop van zijn twaalfjarige bewind een patroon ontwikkelde dat in de overlevering van az-Zuhri ﵀ en Ibn al-Musayyab ﵀ als kentering van het bewind werd vastgelegd. Zes jaren van vrede, gevolgd door zes jaren van toenemende kritiek; bestuur uit een goede ijtihad, gevolgd door een fitnah die niemand had gewenst maar die geen van de aanstellingen kon worden teruggedraaid om af te wenden.

ʿUthman ﵁ was geen onbekwaam bestuurder; hij was een man die zijn gouverneurs koos uit de verwantenkring waarin hij vertrouwen had, en die in een ijtihad die hij in alle ernst meende, vasthield aan zijn keuzes, ook toen de gemeenschap hem om vervanging vroeg. Daarin lag zijn vroomheid en daarin lag tegelijk, voor de gemeenschap, het begin van de fitnah.

Bronnen

  • Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk 1995), pp. 165–169.