InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Uitbreiding Masjid al-Haram & Masjid an-Nabawi


slug: uitbreiding-moskeeen title: Uitbreiding van Masjid al-Haram en Masjid an-Nabawi arabicName: توسعة المسجدين language: nl eventDate: 646-01-01 wordCountTarget: 3000

Uitbreiding van Masjid al-Haram en Masjid an-Nabawi

Twee huizen die te klein werden

In het derde jaar van zijn bewind, in het jaar zesentwintig van de Hijra, gaf ʿUthman ﵁ opdracht tot een bouwproject dat geen van zijn voorgangers in dezelfde omvang had ondernomen. Hij liet de Masjid al-Haram in Mekka uitbreiden. Drie jaren later, in het jaar negenentwintig, deed hij hetzelfde met de Masjid an-Nabawi in Medina. Het waren niet de eerste vergrotingen van deze twee huizen. ʿUmar ﵁ had reeds voor hem in beide steden moskeegrond aangekocht en de gebedshallen vergroot. Maar de uitbreidingen van ʿUthman ﵁ waren van een andere orde: zij waren omvangrijker, zij maakten gebruik van duurzamere bouwmaterialen, en zij gaven aan de twee heilige moskeeën een vorm die in haar grondplan tot ver in de Umayyaden- en Abbasidentijd zou doorwerken.

Wat tot deze uitbreidingen leidde, was een eenvoudige werkelijkheid: de gemeenschap van de Islam groeide sneller dan haar gebedsruimten konden opvangen. Na de openingen van Iraq, Syrië, Egypte en de Perzische provincies stroomden in het Hajj-seizoen elk jaar meer pelgrims naar Mekka dan ooit tevoren. De Masjid al-Haram, een open hof rond de Kaʿbah dat in de tijd van de Profeet ﷺ amper toegankelijk was voor enkele honderden gelovigen tegelijk, kon de groeiende stroom niet langer aan. In Medina lag het probleem iets anders. De Masjid an-Nabawi was niet de centrale plaats van een pelgrimsmassa, maar zij was de moskee van een hoofdstad. De inwoners van Medina zelf, plus de delegaties die voortdurend uit alle hoeken van de gemeenschap aankwamen, plus de studenten van de Sahabah ﵃ die er hun lessen kwamen halen, maakten dat de wekelijkse jumuʿah-bijeenkomst niet meer binnen de oude muren paste.

ʿUthman ﵁, een man die in zijn hele leven de relatie van rijkdom en vroomheid had begrepen als één van wederzijdse dienstbaarheid, zag in deze twee uitbreidingen geen prestigewerk. Hij zag een plicht die op de schouders van de khalifah rustte. Het was zijn ambt om de moskeeën waarin Allah ﷻ werd aanbeden, geschikt te maken voor wie haar bezochten. Wie het Boek had bewaard, behoorde ook het huis te bewaren waarin het Boek werd gereciteerd.

De uitbreiding van Masjid al-Haram

Suyuti ﵀ noteert de uitbreiding van de Masjid al-Haram in zijn typische droge stijl:

Az-Zuhri ﵀: In het jaar zesentwintig vergrootte en breidde ʿUthman ﵁ al-Masjid al-Haram uit en kocht hij grenzende grondstukken voor de uitbreiding.

In deze enkele zin liggen meerdere bestuursbeslissingen besloten. Ten eerste de eigenlijke uitbreiding: de moskee werd verlegd, haar muren werden naar buiten gezet, haar binnenoppervlak werd vergroot. Ten tweede de aankoop van grenzende grondstukken: dit betekent dat de uitbreiding niet door confiscatie tot stand werd gebracht, maar door koop, met instemming van de eigenaren en uit de schatkist van de khalifah. Wat tussen deze regels door staat, is dat een aantal eigenaren hun grond niet wilden verkopen. Het kwam, zo bewaart de overlevering ons in detail, voor dat enkele eigenaren weigerden de koop te aanvaarden. Zij eisten meer dan ʿUthman ﵁ wilde betalen, of zij wilden in het geheel niet verkopen. ʿUthman ﵁ heeft hen in zulke gevallen, zo wordt gemeld, voor de keus gesteld: óf zij verkochten tegen de redelijke marktprijs, óf hij zou hen tijdens hun bezwaar in de gemeenschapsschat een vergoeding overhandigen en hun grond toch in de uitbreiding betrekken. Het was een vorm van rechtshandhaving die in de jaren erna zou worden gehanteerd als precedent voor het onteigenen ten bate van openbaar belang, zij het met volledige financiële compensatie.

Wat in de bouwwijze van de uitbreiding werd ingevoerd, zegt iets over de materialen die in deze tijd in Mekka beschikbaar waren. De oude Masjid al-Haram had pilaren van palmstammen gekend, met daken van palmtakken bedekt met klei, in dezelfde stijl als de Masjid an-Nabawi in haar oorspronkelijke vorm. De uitbreiding van ʿUthman ﵁ gebruikte voor de buitenmuren steen, en zij kreeg pilaren die niet meer uit palmstammen waren samengebonden, maar uit gehouwen stenen of uit duurzamer hout. Het was, voor wie de oude moskee had gekend, een veranderde aanblik. Sommige van de oude Sahabah ﵃ klaagden dat de zachte vorm van de Profeet ﷺ moskee was vervangen door een formelere bouwstijl. ʿUthman ﵁ antwoordde, naar de overlevering bewaart, dat de uitbreiding niet de Sunnah veranderde, maar de capaciteit verhoogde; dat de gelovigen in het gebed werden bediend, niet de muren.

In hetzelfde jaar werd, zo noteert Suyuti ﵀ in een daaraan grenzende zin, de Perzische stad Sabur, mogelijk Shahpur, voor de Islam geopend. Dit lijkt niet direct met de moskee-uitbreiding verbonden te zijn, maar voor wie Suyuti ﵀ in samenhang leest, is de juxtapositie veelzeggend. De khalifah breidde de Masjid al-Haram uit in dezelfde jaren waarin zijn legers nieuwe provincies aan de gemeenschap toevoegden. De welvaart van de openingen werd ingezet voor de heiligdommen. De buit van Perzië bouwde de zuilen van Mekka.

Kaart laden...

Het tussenliggende drie jaar

Tussen de uitbreiding van Masjid al-Haram in zesentwintig en de uitbreiding van Masjid an-Nabawi in negenentwintig lagen drie jaren waarin de gemeenschap een aantal grote militaire successen meemaakte. In zevenentwintig vond de eerste islamitische zee-expeditie naar Cyprus plaats. In datzelfde jaar werd Ifriqiya geopend door ʿAbdallah ibn Saʿd ﵁, en kort daarna Andalusië. In negenentwintig werd Persepolis voor de Islam geopend, en in dertig zouden de Khurasanische provincies vallen. Deze openingen brachten enorme rijkdom naar Medina. De khalifah, die in deze jaren een schatkist beheerde die zijn voorgangers niet hadden gekend, had voor het eerst de middelen om bouwprojecten op een schaal te ondernemen die in de tijd van de Profeet ﷺ ondenkbaar waren geweest.

In dezelfde adem waarmee Suyuti ﵀ de uitbreiding van Masjid an-Nabawi noteert, vermeldt hij dat in dat jaar Persepolis werd geopend, in een wending die de samenhang tussen verovering en bouw nogmaals onderstreept:

Az-Zuhri ﵀: In het jaar negenentwintig werd Persepolis geopend met geweld van wapens, en Iʿasa en andere plaatsen. In dat jaar voegde ʿUthman ﵁ toe aan de moskee van Medina, breidde haar uit, en herbouwde haar met gehouwen steen, terwijl hij haar pilaren van steen maakte en haar dak van teakhout. Hij maakte haar lengte honderdzestig el en haar breedte honderdvijftig el.

De uitbreiding van Masjid an-Nabawi

De passage uit Suyuti ﵀ is, in vergelijking met die over de Masjid al-Haram, opvallend gedetailleerd. Hij noemt de bouwmaterialen, hij noemt de afmetingen, hij noemt het soort steen en het soort hout. Dit is, in de stijl van zijn werk, een ongewone uitvoerigheid, en zij verraadt iets van de blijvende indruk die de uitbreiding van Medina op de gemeenschap had nagelaten.

De oude Masjid an-Nabawi was, in haar vorm van de tijd van de Profeet ﷺ, een rechthoekige hof met muren van zonnegedroogde lemen baksteen en pilaren van palmstammen, met een dak van palmtakken bedekt met klei dat in elke regenbui doorlekte. Zij was twee maal vergroot: eenmaal door de Profeet ﷺ zelf na de slag bij Khaybar, en eenmaal door ʿUmar ﵁ na de openingen van Iraq en Syrië. Maar zij was, in het wezen van haar bouwstoffen, dezelfde gebleven: lemen baksteen, palmstammen, klei.

ʿUthman ﵁ brak met deze traditie. Hij liet de moskee herbouwen, niet enkel uitbreiden, en hij liet dat met andere materialen doen. De pilaren werden van gehouwen steen, niet meer van palmstammen. Het dak werd van teakhout, een hardhout dat uit India of Oost-Afrika werd geïmporteerd en dat niet meer doorlekte zoals de palmtakken hadden gedaan. De muren werden van gemetselde gehouwen steen, niet meer van zonnegedroogde lemen baksteen.

In afmetingen werd de moskee, zoals Suyuti ﵀ noteert, honderdzestig el lang en honderdvijftig el breed. De el, een lengtemaat die in deze tijd ongeveer een halve meter bedroeg, betekent dat de moskee ruwweg tachtig meter lang en vijfenzeventig meter breed werd. Het was een gebouw van een aanzienlijke schaal voor het Arabië van die tijd, en hoewel het in afmetingen het Byzantijnse Hagia Sophia of de Sassanidische paleisruïnes van al-Madaʾin niet evenaarde, behoorde het tot de grootste binnenruimten in het toenmalige Hijaz.

Wat in deze herbouw opviel, was de zorgvuldigheid waarmee ʿUthman ﵁ de plaats van de oude Sunnah respecteerde. De graven van de Profeet ﷺ, van Abu Bakr ﵁ en van ʿUmar ﵁ in de kamer van ʿAʾishah ﵂ werden onaangetast gelaten. De qiblah-muur, gericht naar Mekka, werd op haar oorspronkelijke positie gehandhaafd. De minbar van de Profeet ﷺ bleef staan waar zij had gestaan; ʿUthman ﵁ liet haar met enkele treden uitbreiden, maar haar essentiële vorm en haar plaats bleven dezelfde. Wat hij vergrootte, was de capaciteit; wat hij behield, was de identiteit van de moskee als het huis dat de Profeet ﷺ zelf had geplant.

Kaart laden...

De kritiek en het antwoord

Zoals bij elke verandering aan een geliefd huis, kwam ook deze uitbreiding van Masjid an-Nabawi niet zonder kritiek tot stand. Een aantal van de oude Sahabah ﵃, mannen die de moskee van de tijd van de Profeet ﷺ in haar palmstammen-vorm hadden gekend, gaven uitdrukking aan een ongerief. Zij vreesden dat de luister van gehouwen steen en teakhout een vorm van wereldlijkheid in de moskee bracht die de Profeet ﷺ niet had gewenst. Zij wezen op de uitspraak van de Boodschapper ﷺ over het kenmerk van de eindtijd, namelijk dat de mensen elkaar overtroeven in het bouwen van hoge moskeeën. Zij vroegen of de uitbreiding niet een teken was dat de gemeenschap reeds in deze richting was opgeschoven.

ʿUthman ﵁ antwoordde, naar de overlevering bewaart, dat zijn bouwwerk de Sunnah niet overtrof, maar haar uitbreidde om de groeiende gemeenschap te dienen. Hij wees erop dat de Profeet ﷺ zelf in zijn dagen de moskee had vergroot toen de gemeenschap was gegroeid, en dat ʿUmar ﵁ na hem hetzelfde had gedaan; dat de uitbreiding van zijn eigen tijd niet anders was dan de uitbreidingen van zijn voorgangers, behalve in de bouwmaterialen die met meer welvaart toegankelijk waren geworden. Hij behield, zo legde hij uit, de hoogte en de eenvoud van het ontwerp; hij weigerde, zo legde hij uit, geornamenteerde versieringen die de aandacht van de bidder zouden afleiden; hij stelde geen marmer, geen mozaïek, geen verguldsel op. De gehouwen steen was sobere steen, de teak was sober hout. Het was een vergroting in capaciteit, niet een verandering in geest.

In de jaren erna zou dit antwoord in de overlevering blijven hangen. De latere uitbreidingen onder de Umayyaden, in het bijzonder die van al-Walid ibn ʿAbd al-Malik, zouden in marmer en mozaïek wel veel verder gaan dan wat ʿUthman ﵁ had toegestaan. Wie de uitbreiding van ʿUthman ﵁ overschouwt vanuit het perspectief van wat later kwam, ziet in haar eerder een ingehouden modernisering dan een uitbundige luxe. In haar eigen tijd echter, voor de oude Sahabah ﵃ die de palmstammen hadden gekend, was de overgang naar gehouwen steen reeds aanzienlijk.

Twee huizen, één doel

Voor wie de twee uitbreidingen samen overschouwt, die van zesentwintig in Mekka en die van negenentwintig in Medina, valt op dat ʿUthman ﵁ in een tijdsbestek van drie jaren de twee belangrijkste moskeeën van de Islam aan elkaar gelijk maakte in capaciteit en in bouwstandaard. De Masjid al-Haram en de Masjid an-Nabawi waren in de tijd van de Profeet ﷺ twee zeer verschillende huizen geweest: de eerste was de hof rond de Kaʿbah, een heilige plaats die reeds in de jahiliyyah-tijd door de Quraysh werd onderhouden; de tweede was de moskee die de Profeet ﷺ zelf in Medina had gesticht na de Hijra. Onder ʿUmar ﵁ waren beide vergroot, maar elk in haar eigen vorm. Onder ʿUthman ﵁ kwamen zij in capaciteit en in bouwmateriaal aan elkaar gelijk. Beide werden in steen herbouwd. Beide kregen daken van duurzaam hout. Beide werden zo gemaakt dat zij de gemeenschap van een keizerrijk konden bedienen, niet meer enkel de gemeenschap van een Arabische stad.

Dit was, in een wijze die de overlevering niet als ideologisch programma vastlegt, een onderdeel van een ruimere transitie. De gemeenschap die onder Abu Bakr ﵁ in haar Arabische thuisland had vastgehouden, en die onder ʿUmar ﵁ haar zegevierende mars naar Iraq, Syrië en Egypte had voltooid, leefde nu onder ʿUthman ﵁ als gemeenschap van een uitgestrekt rijk. De moskeeën die zij van haar Profeet ﷺ had geërfd, behoorden mee te groeien met de gemeenschap die zij dienden. De khalifah had dat met de schatkist die zijn legers hem hadden bezorgd, mogelijk gemaakt.

Voor de pelgrim die in zesentwintig of negenentwintig naar Mekka of Medina afreisde, was het verschil zichtbaar. De moskee waarin hij bad was groter, hoger, droger in de regen, en koeler in de hitte. De khalifah die deze huizen had gebouwd, dronk niet uit hun overdaad; hij at niet aan hun rekening; hij ontving geen wereldlijke eer voor wat hij had laten optrekken. Hij voltooide het werk en keerde terug naar de bestuurszaken van Medina. Maar het werk bleef, en in de eeuwen erna zou wie de twee moskeeën binnentrad, in de gehouwen steen en het teakhout het werk van ʿUthman ﵁ herkennen.

Een laatste bouw

In de overlevering wordt soms verteld dat ʿUthman ﵁, in zijn laatste levensjaar, opnieuw een uitbreiding van Masjid an-Nabawi overwoog. Zijn schatkist was voller dan ooit; de gemeenschap was groter dan ooit. Maar de fitnah, die in vierendertig in Kufa was begonnen en die in vijfendertig naar Medina trok, maakte verdere bouwplannen onmogelijk. De khalifah die de twee heiligdommen van de Islam had vergroot, zou in zijn eigen huis door de gemeenschap die hij had gediend, worden belegerd en gedood. Maar dit, ook, behoort tot het verhaal dat in de latere artikelen wordt voortgezet.

Op het ogenblik van zijn dood waren de twee moskeeën waarin de gemeenschap van de Islam zich verzamelde, in de vorm die hij hen in deze twee bouwprojecten had gegeven. Wie in latere generaties in Mekka of Medina bad, bad onder de zuilen die hij had laten opzetten en onder het dak dat hij had laten leggen. De Umayyaden zouden, na hem, opnieuw uitbreiden; de Abbasiden zouden ze opnieuw aanpakken; de Ottomanen zouden tot de moderne tijd toe hun eigen toevoegingen doen. Maar de fundering die ʿUthman ﵁ in zesentwintig en negenentwintig had gelegd, zou onder elke latere bouwlaag herkenbaar blijven.

Het was, in zijn eigen ogen, geen grote daad. Het was wat de khalifah hoorde te doen, en hij deed het. Maar voor de gemeenschap die in de eeuwen erna deze twee huizen binnentrad, was het de blijvende bijdrage van een man die niet alleen het Boek had bewaard, maar ook de huizen waarin het Boek werd gereciteerd.

Bronnen

  • Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk 1995), pp. 165–166.