De vraag die geen erfgenaam wilde
In de drie etmalen tussen de aanslag van Abu Luʾluʾah en zijn overlijden, had ʿUmar ibn al-Khattab ﵁ een vraag te beantwoorden waarop hij in zijn tien jaar van Khilafah niet eerder een antwoord had hoeven geven. Wie zou hem opvolgen. Hij wist dat Abu Bakr ﵁ hem zelf had aangewezen, eenvoudig en onomwonden, op een dag waarop niemand twijfelde dat ʿUmar ﵁ de geschikte man was. Maar Abu Bakr ﵁ had één opvolger; ʿUmar ﵁ had er meerdere. Hij wist dat hij niet kon kiezen tussen zes mannen die elk geschikt waren, en hij wist evenzeer dat hij niet aan de gemeenschap kon overlaten om uit zes onbekenden er een te selecteren zonder leiding. Hij koos een derde weg.
Wat ʿUmar ﵁ instelde, was een Shura, een raad, met een vaste samenstelling en een vaste procedure. Geen erfgenaam. Geen aanwijzing. Geen testament dat een naam droeg. In plaats daarvan een procedure die uit de gemeenschap zelf, uit de zes meest verdiensten dragende mannen na hemzelf, de volgende Khalifah zou laten voortkomen. Suyuti ﵀ geeft de bondige neerslag van dat besluit op pagina honderdnegenendertig en honderdveertig, en uit die paar regels heeft de hele klassieke fiqh van de Shura zich ontwikkeld.
De zes mannen
ʿUmar ﵁, gewond op zijn matras met het gif zich door zijn aderen verspreidend, riep zijn naasten en gaf hen de namen van de mannen die hij geschikt achtte voor de Khilafah. Zes mannen, allen van degenen die in het leven van de Profeet ﷺ waren beloofd dat zij de Tuin zouden binnentreden, allen aanwezig geweest bij Badr of bij Uhud of bij de Hudaybiyyah, allen reeds in jaren gevorderd en in dienst beproefd.
De eerste was ʿUthman ibn ʿAffan ﵁, de schoonzoon van de Profeet ﷺ, de bezitter van de twee lichten, de man die door zijn rijkdom de uitrusting van het leger van Tabuk had verzorgd. De tweede was ʿAli ibn Abi Talib ﵁, de neef en schoonzoon van de Profeet ﷺ, de vader van Hasan en Husayn, de drager van het zwaard Dhul-Fiqar. De derde was Talha ibn ʿUbaydillah ﵁, de “levende martelaar,” die op Uhud zijn arm had gegeven om de Profeet ﷺ te beschermen. De vierde was az-Zubayr ibn al-ʿAwwam ﵁, de hawari van de Profeet ﷺ, de eerste die op de Dag van Badr zijn zwaard had geheven. De vijfde was ʿAbd ar-Rahman ibn ʿAwf ﵁, de koopman die zijn fortuin tot in zijn laatste handeltje had aangewend voor de gemeenschap. De zesde was Saʿd ibn Abi Waqqas ﵁, de veroveraar van Iraq, de stichter van Kufa, de man wiens du’a verhoord werd.
Zes mannen, en allen behoorden tot de tien die de Tuin was beloofd. ʿUmar ﵁ koos hen omdat hij wist dat de Profeet ﷺ aan zijn ziekbed van hen tevreden was geweest. Hij koos hen omdat hij wist dat geen van hen ooit een woord van twijfel over een ander uit deze groep had gesproken. En hij koos hen omdat hij wist dat de gemeenschap, van Egypte tot Khorasan, hun namen kende en hun gezag accepteerde.
Eén naam zou de Khilafah niet aannemen wanneer hij hem werd aangeboden: die van Saʿid ibn Zayd ﵁, de echtgenoot van ʿUmar’s zuster en zelf een van de tien die de Tuin was beloofd. ʿUmar ﵁ achtte hem geschikt, maar hij sloot hem uit van de zes omdat hij familielid was en omdat ʿUmar ﵁ geen enkele schijn wilde wekken dat de Khilafah binnen de familie van al-Khattab zou worden gehouden. Hij was bereid Saʿid ﵁ uit de Shura te weren om de zuiverheid van de procedure te beschermen.
Evenmin nam hij zijn zoon ʿAbdullah ibn ʿUmar ﵁ op. Toen Sahabah ﵃ hem vroegen waarom, antwoordde hij in een variant van Suyuti’s overlevering: “Het zou genoeg zijn voor de familie van al-Khattab dat één van ons rekenschap zou geven op de Dag des Oordeels voor de gemeenschap van Muhammad ﷺ.” ʿAbdullah ﵁ werd wel als adviseur en getuige toegelaten, maar niet als kandidaat. Geen stem voor hem, geen stem op hem.
Het testament voor de gemeenschap
Voordat ʿUmar ﵁ de zes hun procedure oplegde, sprak hij hen toe over de zaak waarvoor zij verantwoordelijk werden gesteld. Hij sprak niet over zichzelf en hij sprak niet over zijn opvolger. Hij sprak over de gemeenschap, de Ummah, en over wie binnen die gemeenschap recht had op bijzondere aandacht. Suyuti ﵀ overlevert zijn woorden:
ʿUmar ﵁: Ik draag de Khalifah die na mij komt op, om Allah ﷻ vrezend te gehoorzamen. Ik draag hem op om bijzondere zorg te geven aan de Muhajirun en aan de Ansar. Ik draag hem op om de mensen van de provincies goed te behandelen, want zij zijn de hulp van de Islam en het stuk vee van de vijand en de bron van de inkomsten. En ik draag hem op om niets uit hun bezittingen te nemen anders dan wat overvloedig is, en het met hun tevredenheid te nemen.
Hij noemde drie groepen. De Muhajirun, de Emigranten van het eerste uur, de mannen en vrouwen die hun huizen in Mekka hadden achtergelaten om met de Profeet ﷺ naar Medina te komen. De Ansar, de Helpers, de mannen en vrouwen van Medina die de Muhajirun in hun huizen hadden opgenomen en de Profeet ﷺ zijn stad hadden gegeven. En de mensen van de provincies, de Iraqiërs, de Syriërs, de Egyptenaren, de Perzen, de Yemenieten, de bewoners van de honderden steden en dorpen die in tien jaar onder islamitisch bestuur waren gekomen. Drie kringen van verantwoordelijkheid, in volgorde van nabijheid tot de bron, maar geen van hen weggelaten.
Zorg voor de Muhajirun, omdat zij de eerste investering in de boodschap waren geweest. Zorg voor de Ansar, omdat zij de gastvrijheid van de boodschap waren geweest. Zorg voor de provincies, omdat zij de toekomst en de inkomsten en het gewicht van de Ummah waren geworden. Niets nemen behalve wat overvloedig is, en zelfs dat slechts met de tevredenheid van degenen die het afdragen. Geen onderdrukking, geen willekeurige belasting, geen extractie die uitputtend zou werken. De Khalifah na hem moest weten dat hij niet de eigenaar was van wat hij beheerde, maar de beheerder van wat aan hem was toevertrouwd.
De procedure
Pas nadat hij dit testament aan zijn Khalifah-na-hem had gericht, ging ʿUmar ﵁ over op de procedure waarmee die Khalifah moest worden gevonden. Hij gaf de zes drie dagen. Niet meer, niet minder. Drie dagen om uit hun midden, in onderling beraad, een Khalifah te kiezen. Hij stelde Suhayb ar-Rumi ﵁ aan om in die drie dagen de gebeden van de moslims voor te gaan, want de Khalifah was nog niet gekozen en de gemeenschap mocht niet zonder leiding bidden. Hij wees aanvullende waarborgen aan om te zorgen dat de procedure niet zou worden gestoord door buitenstaanders. Hij liet vijftig mannen aanstellen om buiten de plaats waar de zes vergaderden de wacht te houden, met instructies dat als de zes het na drie dagen niet eens waren, drastische maatregelen volgden.
De drastische maatregelen, in Suyuti’s overlevering en in de daarmee verwante bronnen, luidden dat de meerderheid de minderheid mocht overrulen, en dat als de zes in tweeën zouden splitsen op drie tegen drie, het oordeel doorslaggevend zou zijn van degene aan wiens kant ʿAbdullah ibn ʿUmar ﵁ zich plaatste. ʿAbdullah ﵁ kreeg dus de rol van breker van een gelijkstand, maar hij was niet kandidaat. Zou ook die procedure falen, dan zou ʿAbd ar-Rahman ibn ʿAwf ﵁, als de oudste en meest gerespecteerde van de zes, het uiteindelijke oordeel mogen vellen.
Met deze procedure dekte ʿUmar ﵁ alle eventualiteiten. Als de zes het zelf eens werden binnen drie dagen, was de zaak opgelost. Als zij verdeeld raakten, was er een mechanisme. Als zij gelijk stonden, was er een breker. Als zelfs de breker faalde, was er een eindbeslisser. De Khilafah zou niet wankelen in een vacuüm, en de gemeenschap zou na drie dagen weten wie haar nieuwe Khalifah was.
ʿAbd ar-Rahman ibn ʿAwf ﵁ neemt de leiding
Zodra ʿUmar ﵁ op de zondagochtend was begraven, kwamen de zes bij elkaar in een huis in Medina. De gesprekken duurden langer dan men had verwacht. Talha ibn ʿUbaydillah ﵁ was op dat moment niet in Medina aanwezig en zou pas later terugkeren; de andere vijf begonnen zonder hem. ʿAli ﵁, ʿUthman ﵁, az-Zubayr ﵁, Saʿd ﵁ en ʿAbd ar-Rahman ﵁ legden hun gedachten naast elkaar. Wat zij precies bespraken, wordt door Suyuti ﵀ niet in details verteld. Wel staat vast dat het beraad in een impasse dreigde te belanden, want elk van hen had het inhoudelijke gewicht en de morele waarde om Khalifah te zijn, en niemand was bereid zonder discussie zijn aanspraak op te geven.
Op een bepaald moment in het beraad nam ʿAbd ar-Rahman ibn ʿAwf ﵁ het woord. Hij was de oudste van de aanwezigen, de meest gerespecteerde koopman onder hen, de man wiens nuchterheid en gezond verstand binnen Quraysh een spreekwoordelijke status hadden. Hij stelde de anderen een voorstel voor. Suyuti ﵀ overlevert het verloop in een passage die voor de geleerden van het islamitisch staatsrecht het centrale precedent voor delegatie van keuzebevoegdheid is geworden:
ʿAbd ar-Rahman ibn ʿAwf ﵁: Wijs mij aan, en Allah ﷻ is mijn getuige, ik zal jullie niet teleurstellen in het kiezen van de beste onder jullie.
De anderen: Ja.
Het was een gewaagd voorstel, maar het had inhoudelijke logica. ʿAbd ar-Rahman ﵁ zou zichzelf bij voorbaat uit de race halen, hij zou geen aanspraak op de Khilafah voor zichzelf maken, en in ruil daarvoor zou hij van de andere vier de macht krijgen om uit hen één te kiezen. Zij wisten dat zijn oordeel onverdacht zou zijn omdat hij voor zichzelf niets vroeg, en zij wisten dat hij niemand zou kiezen om persoonlijke voorkeur. De vier stemden in. Vanaf dat moment was de Shura van Zes gereduceerd tot een delegatie waarin ʿAbd ar-Rahman ﵁ de uiteindelijke stem had en de andere vijf zich aan zijn keuze zouden binden.
Drie etmalen van consultatie
ʿAbd ar-Rahman ﵁ nam zijn opdracht serieus. Drie etmalen lang verliet hij Medina vrijwel niet, sliep hij nauwelijks, en sprak hij met iedereen wiens mening hij gewicht toebracht. Hij raadpleegde de Muhajirun en de Ansar in hun huizen. Hij raadpleegde de vrouwen en zelfs de jongens en de meisjes die in de straten speelden, want hij wilde weten of de naam waaraan de gemeenschap zou worden toevertrouwd, in elke laag van die gemeenschap weerklank vond. Hij raadpleegde de leden van de Shura zelf, één voor één, in privégesprekken waarin hij hun bereidheid peilde om onder elkaar te worden geleid. Hij raadpleegde de geleerden, de qurra’ van de Koran, de juristen-in-spe die in de moskee van Medina lessen volgden.
Wat hij in die drie etmalen uit de gesprekken filterde, was dat de gemeenschap in twee namen was verdeeld. Sommige Muhajirun en Ansar leunden naar ʿAli ﵁, hetzij vanwege de nauwheid van zijn verwantschap met de Profeet ﷺ, hetzij vanwege zijn oudtijdse precedentie in de Islam, hetzij vanwege zijn kennis van de Koran. Anderen leunden naar ʿUthman ﵁, hetzij vanwege zijn schoonzoonschap aan de Profeet ﷺ door twee dochters, hetzij vanwege zijn welstand, hetzij vanwege zijn zachtmoedigheid en zijn voorzichtigheid in moeilijke kwesties. Geen van beide namen wekte weerstand; beide namen wekten aanvaarding bij verschillende vleugels van de gemeenschap. ʿAbd ar-Rahman ﵁ moest daarom niet kiezen wie acceptabel was, maar wie de meest acceptabele was.
Het gesprek met ʿAli ﵁
In de laatste uren van de derde nacht riep ʿAbd ar-Rahman ﵁ ʿAli ﵁ apart. Hij sprak met hem in een afgezonderde ruimte, zonder andere getuigen dan Allah ﷻ. Wat hij hem voorlegde, was geen vraag naar gezindheid maar een verbond. Suyuti ﵀ vat het samen in dezelfde passage:
ʿAbd ar-Rahman ﵁: U hebt die precedentie in de Islam en die verwantschap met de Profeet ﷺ die u zelf kent. Allah ﷻ is mijn getuige; als ik u gezag geef, zult u dan rechtvaardig zijn, en als ik gezag geef aan ʿUthman ﵁ over u, zult u dan horen en gehoorzamen.
ʿAli ﵁: Ja.
Een eenvoudig ja, maar met grote gevolgen. ʿAli ﵁ verbond zich aan twee mogelijkheden: ofwel zelf rechtvaardig de Khilafah dragen als hij werd aangewezen, ofwel ʿUthman ﵁ als de aangewezene aanvaarden en hem gehoorzamen zonder voorbehoud. Hij gaf zijn zelfde voorbehoudloze instemming aan de procedure waaraan hij zich met de andere vier had verbonden. Hij stond niet boven het oordeel van ʿAbd ar-Rahman ﵁; hij stond eronder, vrijwillig, in hetzelfde recht als ʿUthman ﵁ zou doen.
Het gesprek met ʿUthman ﵁
Daarop riep ʿAbd ar-Rahman ﵁ ʿUthman ﵁ apart, in dezelfde ruimte, met dezelfde discretie. Hij stelde hem dezelfde vraag in een gespiegelde formulering:
ʿAbd ar-Rahman ﵁: U hebt die precedentie in de Islam en die schoonzoonschap met de Profeet ﷺ die u zelf kent. Allah ﷻ is mijn getuige; als ik u gezag geef, zult u dan rechtvaardig zijn, en als ik gezag geef aan ʿAli ﵁ over u, zult u dan horen en gehoorzamen.
ʿUthman ﵁: Ja.
Twee mannen, twee gesprekken, twee identieke verboden. Beiden gaven hun toestemming aan de procedure. Beiden zegden gehoorzaamheid toe aan wie ook werd aangewezen. ʿAbd ar-Rahman ﵁ had nu in zijn handen wat hij nodig had om zonder vrees voor onlusten een aanwijzing te doen. Wie hij ook zou kiezen, de andere zou de eerste zijn die hem bayʿah deed. De gemeenschap zou geen tweespalt zien.
De bayʿah van ʿUthman ﵁
Op de ochtend na het einde van de derde nacht, op de derde dag na de begrafenis van ʿUmar ﵁, kwamen de Muhajirun en de Ansar bij elkaar in de Masjid an-Nabawi. Suhayb ar-Rumi ﵁ had het Fajr-gebed geleid. De zes leden van de Shura namen plaats vooraan, met de aanwezige Muhajirun achter hen en de Ansar daarachter. ʿAbd ar-Rahman ﵁ stond op. Hij prees Allah ﷻ. Hij riep de aanwezigen op tot getrouwheid aan Zijn Boek en aan de Sunnah van Zijn Boodschapper ﷺ. En toen sprak hij de naam uit waarvoor hij drie etmalen had geconsulteerd.
ʿUthman ibn ʿAffan ﵁. De schoonzoon van de Profeet ﷺ, de bezitter van de twee lichten, de man die zijn rijkdom voor het leger van Tabuk had aangewend. ʿAbd ar-Rahman ﵁ stak zijn hand uit, en als eerste van alle aanwezigen verklaarde hij zich aan ʿUthman ﵁ door zijn bayʿah te geven. Onmiddellijk daarop stak ʿAli ﵁ zijn hand uit en gaf zijn bayʿah, getrouw aan het ja dat hij in de afgezonderde ruimte aan ʿAbd ar-Rahman ﵁ had gegeven. Suyuti ﵀ vat het in één bondige zin samen: “Toen hij hun instemming had verkregen, gaf hij zijn bayʿah aan ʿUthman ﵁ en ʿAli ﵁ gaf zijn bayʿah aan hem.”
Az-Zubayr ﵁, Saʿd ﵁, Talha ﵁, allen volgden. De Muhajirun gaven hun bayʿah, de Ansar gaven hun bayʿah, de andere aanwezigen van Medina gaven hun bayʿah. In een paar uur tijd was de derde Khalifah van de Islam erkend door de mannen en vrouwen van Medina, en koeriers vertrokken naar Damascus, naar Kufa, naar Basra, naar Fustat met de boodschap dat ʿUthman ibn ʿAffan ﵁ Amir al-Muʾminin was geworden. In elke garnizoenstad volgden binnen weken de plaatselijke bayʿah-ceremonieën, en geen enkel provinciegouverneur stelde de keuze ter discussie.
Waarom ʿUthman ﵁
In de eeuwen die volgden, hebben geleerden zich afgevraagd waarom ʿAbd ar-Rahman ﵁ uiteindelijk ʿUthman ﵁ heeft gekozen boven ʿAli ﵁. Beide mannen waren van het hoogste kaliber. Beide hadden zij van de Profeet ﷺ zelf de belofte van de Tuin gekregen. Beide hadden zij een directe band met de Profeet ﷺ door huwelijk of door bloed. Suyuti ﵀ geeft geen rechtstreeks antwoord en hoeft dat ook niet te geven, want de gemeenschap aanvaardde de uitkomst zonder vragen. Maar de tradities die rond de Shura zich hebben gevormd, suggereren dat ʿAbd ar-Rahman ﵁ een principieel onderscheid heeft gemaakt op een vraag waarop hij elk van beide kandidaten heeft toegesneden.
Hij vroeg, zo melden enkele bronnen, of zij in het bestuur zouden volgen het Boek van Allah ﷻ, de Sunnah van de Profeet ﷺ, en het beleid van de twee voorgaande Khaliefs, Abu Bakr ﵁ en ʿUmar ﵁. ʿUthman ﵁ stemde zonder voorbehoud in met alle drie. ʿAli ﵁ stemde in met de eerste twee zonder voorbehoud, maar wat het beleid van de twee voorgaande Khaliefs betrof, behield hij zich het recht voor om in nieuwe omstandigheden tot eigen ijtihad te komen. Het was een principieel verschil, niet een verschil in respect. ʿAli ﵁ erkende het gezag van zijn voorgangers en weigerde slechts hun precedenten als bindend te aanvaarden los van zijn eigen rechterlijk oordeel. Maar voor ʿAbd ar-Rahman ﵁, die op zoek was naar continuïteit in een tijd waarin de gemeenschap snel groeide en de uniformiteit van bestuur cruciaal was, woog de bredere toezegging van ʿUthman ﵁ zwaarder.
Wat ook de doorslag heeft gegeven, het feit blijft dat de Shura van Zes en de aanwijzing van ʿUthman ﵁ door bijna alle vleugels van de moslimgemeenschap zijn aanvaard. Pas in latere generaties, en pas naar aanleiding van de gebeurtenissen in de laatste jaren van ʿUthman’s khilafah, kwamen sommige geleerden tot een herwaardering van de procedure en van de uitkomst. Op het moment van de bayʿah zelf, in het drieëntwintigste of vierentwintigste jaar van de Hijra, was er geen openlijke twijfel en geen openlijk verzet.
Wat ʿUmar ﵁ heeft nagelaten
Met de bayʿah van ʿUthman ﵁ was de overgang van de tweede naar de derde Khalifah voltooid. Tien jaar van ʿUmar’s bestuur waren afgesloten. De Arabieren waren uit de Hijaz uitgewaaierd naar de hoofdsteden van twee voormalige rijken. De Romeinse Levant en Egypte stonden onder islamitisch bestuur. Het rijk van de Sassanieden was opgedeeld in provincies onder moslimgouverneurs. De Hijri-kalender was ingesteld, het Diwan was opgezet, de schatkist had een vaste structuur, en de gemeenschap had geleerd te leven onder een Khalifah die in zijn wollen mantel sliep op de matten van de masjid en die zelf de stenen woog wanneer hij de toelagen verdeelde.
Wat ʿUmar ﵁ had nagelaten, was niet alleen een gemeenschap die was verdrievoudigd of vervijfvoudigd in omvang. Hij had vooral een institutionele cultuur achtergelaten waarin de Khalifah verantwoording schuldig was aan Allah ﷻ vóór de mensen, waarin de bestuurder als dienaar leefde en niet als heer, waarin de zwakkere recht had op het oor van de meest verheven ambtsdrager. Die cultuur had hij niet uitgevonden; hij had haar van Abu Bakr ﵁ overgenomen en die had haar van de Profeet ﷺ overgenomen. Maar ʿUmar ﵁ had haar institutioneel verankerd in de regels van het Diwan, in de zorg voor de Muhajirun en de Ansar, in de eis van compensatie aan beschermde gemeenschappen, in de procedure van de Shura zelf.
Voor zijn opvolger zou de Khilafah niet eenvoudig zijn. Het rijk was nu groot, de inkomsten waren overweldigend, de afstanden tussen Medina en de provincies waren verleidelijk. Een Khalifah die zoals ʿUmar ﵁ in een wollen mantel sliep, zou in een wereld die zich zo snel uitbreidde met andere verzoekingen geconfronteerd worden dan in de Hijaz. Maar voor het ogenblik, in de eerste dagen van het vierentwintigste jaar, stond ʿUthman ﵁ op de minbar van Medina, met de getuigenis van de Muhajirun en de Ansar aan zijn zijde, en sprak hij zijn eerste khutbah uit als Amir al-Muʾminin.
In het volgende artikel keren wij terug naar de persoon van ʿUmar ﵁ zelf. Wij volgen hem van zijn geboorte in Banu ʿAdi door zijn bekering, zijn jaren naast de Profeet ﷺ, zijn jaren naast Abu Bakr ﵁, zijn rechtvaardigheid in oordelen en zijn karakter in regering. De biografische schets die Suyuti ﵀ verzamelt, beslaat tachtig pagina’s en geeft ons de man achter de Khilafah die in dit artikel zijn opvolger aanwijst maar in werkelijkheid zijn hele leven door dat aanwijzen had voorbereid.