Bestuur, recht en ootmoed onder ʿUmar ﵁
De man die op de minbar om zachtheid bad
Wie het beeld van ʿUmar ibn al-Khattab ﵁ wil verstaan zoals zijn eigen tijdgenoten hem hebben gekend, moet beginnen bij zijn eerste gebed op de minbar van Medina. Hij was Kalief geworden in Jumādā al-Akhirah van het jaar 13 na de Hijra, kort na de dood van zijn metgezel Abu Bakr as-Siddiq ﵁. De gemeenschap kende hem als de man met het krachtige lichaam en de barsheid van karakter, de man wiens stap men van verre op straat herkende, de man tegen wie zelfs de Profeet ﷺ in leven gelach moest verbergen wanneer een bezoeker bij het horen van zijn naderende voetstap haastig zijn mantel ordende. Toen die man de eerste keer als Kalief de minbar besteeg, zei hij niet wat een vorst doorgaans zegt. Hij zei iets dat alle latere generaties als de sleutel tot zijn ambt hebben bewaard.
Suyuti ﵀ overlevert het in de woorden van Ibn Saʿd ﵀: “De eerste woorden die ʿUmar ﵁ placht te zeggen wanneer hij de minbar besteeg, waren: O Allah, ik ben streng, maak mij zacht; ik ben zwak, sterk mij; en ik ben gierig, maak mij gul.” Een gebed van drie regels, en in die drie regels ligt het hele zelfportret van een Kalief. Hij gaf zijn eigen tekortkomingen toe op de hoogste plaats van het gezag. Hij bad om zacht te worden, om gesterkt te worden, om gul te worden. Hij geloofde niet dat de macht zijn karakter zou verbeteren; hij geloofde dat alleen Allah ﷻ dat zou kunnen doen.
Het is uit dit gebed dat heel zijn kalifaat moet worden begrepen. De man die de Romeinen zouden vrezen op de muren van Bayt al-Maqdis, de man die de Perzen zouden noemen alleen als degene die hen had vernietigd, de man die later in de overlevering van al-Hasan al-Basri ﵀ zou worden samengevat als hij die regeerde “met de strengheid die geen hoogmoed in zich heeft, en met de zachtheid die geen zwakheid in zich heeft” , was in eigen ogen een arme dienaar die zich bij elke khutbah opnieuw aan zijn Heer overgaf.
De Faruq en zijn herkomst
Zijn naam was ʿUmar ibn al-Khattab ibn Nufayl, uit de clan van ʿAdi van de Quraish. Hij was zes jaar nadat de Profeet ﷺ zijn boodschap in Makkah was begonnen, in de zesde jaar van het profeetschap, tot de Islam gekomen. Hij was toen zevenentwintig jaar oud. In de jaren daarvoor had hij gestaan onder de scherpste tegenstanders van de Profeet ﷺ, en hij was als zodanig erkend in de gehele stad. De Profeet ﷺ had om twee mannen specifiek tot Allah ﷻ gebeden: ʿAmr ibn Hisham, die later Abu Jahl zou worden genoemd, en ʿUmar ibn al-Khattab. Allah ﷻ had de tweede gegeven en de eerste niet. De bekering van ʿUmar ﵁ was de breuklijn waarop de Islam in Makkah uit de hujurat van Dar al-Arqam tevoorschijn kwam om openlijk bij de Kaʿbah te bidden.
Maar de man veranderde van hart, niet van karakter. Wat van nature in hem was, bleef in hem. De Sahabah hadden dat altijd geweten, en hij wist het zelf. Suyuti ﵀ bewaart daarvoor een opmerkelijke zelfevaluatie in de overlevering van Aslam ﵀, de vrijgelaten slaaf van de Kalief. Het was Aslam ﵀ die ʿUmar ﵁ heeft horen zeggen, op een moment van openhartigheid:
ʿUmar ﵁: Ik was de meest barse van de mensen tegenover de Boodschapper van Allah ﷺ, en de meest hardvochtige tegenover hem. Toen kwam ik bij hem en hij zat in de schaduw van een vertrek, en hij was bedroefd door wat hij had ondergaan van de Quraish. Ik zei: O Boodschapper van Allah ﷺ, wij behoorden in de tijd van onze onwetendheid op de bodem van de duisternis te liggen, en Allah ﷻ heeft ons door u eruit gehaald.
Hij heeft die woorden niet uitgesproken als trots. Hij heeft ze uitgesproken als een belijdenis. De man die nu Kalief was, was zich er elk uur van zijn ambt van bewust dat hij dezelfde man was die in zijn jeugd de Profeet ﷺ in het gezicht had bedreigd, dezelfde man die zijn zus Fatimah bint al-Khattab ﵂ had geslagen toen hij haar Surah Taha had horen reciteren, dezelfde man wiens karakter eerder werd gekenmerkt door geweld dan door geweldloosheid. Zonder die wetenschap kunnen wij zijn drievoudige gebed op de minbar niet horen zoals het bedoeld was. O Allah, ik ben streng, maak mij zacht. Hij wist zelf welke strengheid hij in zich droeg. Hij wist welke wonden hij had geslagen voordat hij was bekeerd, en hij wist welke wonden hij na zijn bekering nog kon slaan als Allah ﷻ hem niet zacht maakte. Het was geen literaire bescheidenheid. Het was een levensanalyse.
De titel die hij zelf niet had bedacht
Onder de eerste handelingen van zijn ambt is er één die de hele toon ervan vastlegt. In het begin van zijn kalifaat werd hij, zoals Abu Bakr ﵁ vóór hem, aangesproken als Khalifat Khalifati Rasul Allah, de plaatsvervanger van de plaatsvervanger van de Boodschapper van Allah ﷺ. Maar de zin werd al snel onhanteerbaar. Wat zou de volgende Kalief moeten worden genoemd, de plaatsvervanger van de plaatsvervanger van de plaatsvervanger. Suyuti ﵀ overlevert dat een gezelschap van Sahabah ﵃ hem hierover benaderde. Eén van hen, al-Mughirah ibn Shuʿbah ﵁ in de meeste overleveringen, zei tegen hem: “U bent de amir (commandant) en wij zijn de muʾminun (de gelovigen).” En daarop noemde men hem voortaan Amir al-Muʾminin, de Commandant van de Gelovigen. Het was de eerste keer dat die titel in de geschiedenis van de Islam werd gedragen, en zij is sindsdien aan hem en aan zijn opvolgers verbonden gebleven.
Hij accepteerde de titel zonder ophef. Hij beschouwde haar als een naam, niet als een verheffing. Wie hem aansprak met ya Amir al-Muʾminin kreeg geen ander antwoord dan wie hem aansprak met ya ʿUmar. De Kalief op de markt van Medina liet zich net zo lief bij zijn voornaam roepen door een arme vrouw uit Ghatafan als bij zijn titel door de gouverneur van Kufa. Hij vertelde later, in een overlevering die Suyuti ﵀ niet woordelijk geeft maar wel impliciet bevestigt op meerdere bladzijden, dat hij liever het stof van de Hijaz aan zijn voeten had dan een troon onder zijn rug.
De wollen mantel en de patches
Wie Amir al-Muʾminin ﵁ wilde herkennen op de straten van Medina, moest hem niet zoeken in iets dat hem onderscheidde van zijn volk. Hij droeg een lange wollen mantel, de jubbah, waarvan men later op meerdere plaatsen had geteld hoeveel patches er op zaten genaaid. Sommige overleveringen zeggen twaalf, andere meer. Wanneer een patch tot op de draad versleten was, naaide hij er een nieuwe overheen. De Kalief van een staat die in zijn jaren over twee continenten heen reikte, droeg een kleed dat een arme handwerksman in elke andere stad weggegooid zou hebben.
Zijn voeding was van eenzelfde soberheid. Hij at brood en olie, dadels en zuivel. Hij verbood zichzelf vlees op de meeste dagen. Wanneer hem werd geadviseerd om beter te eten omdat hij er zwak van leek te worden, antwoordde hij: hoe zou ik kunnen aanvoelen wat de armste in mijn gemeenschap aanvoelt, als ik elke dag eet wat hij niet eet. Hij wist dat de Kalief die zijn eigen volk niet kon voelen, een Kalief was die voor zijn volk niet kon zorgen. En hij wist dat een eerlijke maag eerlijker oordeelt dan een verzadigde.
Suyuti ﵀ bewaart daarvan de meest sprekende illustratie in de overlevering van Salman al-Farisi ﵁, een van de oudste vrienden van de Profeet ﷺ. Salman ﵁ was tot bezoek gekomen aan Medina, en hij had de Kalief lange tijd niet gezien sinds zijn aanstelling. Hij sprak hem aan zoals hij hem altijd had aangesproken, vriend tot vriend. En hij stelde hem een vraag die niemand anders aan de Kalief had durven stellen, in een toon die niemand anders had kunnen aanslaan:
Salman ﵁: Als u een dirham heft uit het land van de moslims, of minder of meer, en u zet het in voor een ongeoorloofd doel, dan bent u een koning, niet een khalifah.
Suyuti ﵀ voegt daaraan toe, met een eenvoud die de hele situatie uitdrukt: “ʿUmar ﵁ heeft daaruit een vermaning genomen.” Hij heeft niet boos gereageerd. Hij heeft niet bevolen Salman ﵁ te laten zwijgen. Hij heeft de vermaning aanvaard. Het is een van die zeldzame regels in de geschiedenis waarin men ziet hoe de Kalief van een opkomend wereldrijk zich liet onderwijzen door een gewone metgezel, en het als gewone metgezel ontving. Hij geloofde dat de raad de Kalief maakte, niet dat de Kalief zich boven de raad bevond.
Strengheid zonder hoogmoed
Het is in deze context dat de uitspraak van al-Hasan al-Basri ﵀ over ʿUmar ﵁ zijn volle gewicht krijgt. Hij is later, in de generatie na de Sahabah, naar de man teruggekeerd in een poging om in één formule het hele wezen van zijn bestuur uit te drukken. Suyuti ﵀ bewaart die formule als volgt: “Deze zaak zal niet rechtkomen, behalve met de strengheid die geen hoogmoed in zich heeft, en met de zachtheid die geen zwakheid in zich heeft.” Het is een definitie van het bestuur die alleen iemand kan opschrijven die ʿUmar ﵁ heeft begrepen.
Strengheid zonder hoogmoed. Dat is de strengheid die uit zorg voortkomt, niet uit superioriteit. De vader die zijn kind streng aanspreekt omdat hij het kind liefheeft, niet omdat hij zich boven het kind voelt. De Kalief die de gouverneur van Egypte streng aanschrijft omdat hij vreest dat de gouverneur het volk van Egypte vergeet, niet omdat hij zichzelf groter acht dan die gouverneur. Wie ʿUmar ﵁ schrijven zag aan Saʿd ibn Abi Waqqas ﵁ in Kufa, of aan ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁ in Egypte, of aan Abu Musa al-Ashʿari ﵁ in Basra, vond geen heersersbevel maar een herinnering. Hij hield hen aan de norm die de Profeet ﷺ zelf had gehouden. Hij liet hen weten dat hij elke dirham wist die zij innamen en uitgaven, dat hij elke ambtenaar kende die zij aanstelden, dat hij elke klacht ontving die uit hun provincie kwam. Niet om hen klein te houden, maar om hen op te tillen tot de hoogte van het ambt dat zij droegen.
Zachtheid zonder zwakheid. Dat is de zachtheid die niet wijkt voor het kwaad, maar die op het juiste moment kan vergeven. ʿUmar ﵁ kon onverbiddelijk zijn tegen wie de armoede had geslagen of het bait al-mal had bestolen. Maar wie tot hem kwam met berouw, vond bij hem een arm. Wie tot hem kwam met onwetendheid, vond bij hem onderricht. Wie tot hem kwam met armoede, vond bij hem brood. Zijn zachtheid was nooit een afzien van het rechte pad, maar een omarming binnen dat pad voor wie er per ongeluk vanaf was geraakt.
De nachtelijke patrouilles
Onder de bekendste praktijken van zijn kalifaat is die van de nachtelijke ronden door Medina. Hij stond op wanneer de stad sliep, gehuld in zijn wollen mantel, en liep door de straten en stegen om met eigen oren te horen wat overdag werd verzwegen. Hij geloofde dat het bestuur dat alleen in het paleis hoorde, een bestuur was dat de waarheid niet hoorde. De armen kloegen overdag niet altijd; soms kloegen zij alleen 's nachts, tegen hun kinderen, of tegen zichzelf, of in een lied dat niemand zou moeten horen. En in die liederen, in dat zachte gehuil achter een leemmuur, lag de werkelijke staat van het kalifaat.
Op één van die nachten, in een van de oudste en meest geliefde overleveringen die Suyuti ﵀ ons doorgeeft, liep hij door een buurt van Medina die hij zelden bezocht. Het was diep in de nacht. De maan stond hoog, en de straat was leeg. Toen hij langs een eenvoudige hut liep, hoorde hij van binnen een stem die geen tranen meer had, maar een melodie. Het was een vrouwenstem die voor zichzelf hardop een paar dichtregels zong. Hij bleef stilstaan in de schaduw van de muur, en luisterde. De vrouw kende niet dat zij gehoord werd. En de Kalief van de Gelovigen, in zijn wollen mantel met patches, hoorde haar uit naam van Medina.
De vrouw in de hut: Deze nacht, wier sterren langzaam kruipen, is vermoeiend en houdt mij wakker. Bij Allah ﷻ, als er geen vrees was voor Allah ﷻ, dan zou deze plaats van het bed niet leeg blijven van de afwezige. Maar de eerbied weerhoudt mij, en de zorg voor mijn eer behoedt mij, en mijn echtgenoot is op een edele plaats, in dienst van Allah ﷻ en zijn Boodschapper ﷺ.
Suyuti ﵀ overlevert deze nacht en deze regels in zijn beschrijving van de vaste gang van de patrouilles die ʿUmar ﵁ liep. De Kalief stond stil. Hij begreep wat hij gehoord had. Hier was een vrouw wier echtgenoot op één van de fronten diende, in Sham misschien, in Iraq misschien. Hij was er al maanden, mogelijk jaren. De afwezigheid had zijn vrouw ernstig gemaakt. Zij was niet bezweken, zij was geen klacht aan het indienen, zij vermaande zichzelf in haar eigen woorden. Maar in dat vermanen klonk een lijden dat de Kalief in zijn eigen lichaam voelde.
Hij keerde terug naar zijn huis. Hij zocht zijn dochter ﵂ op, Hafsah ﵂, de moeder van de gelovigen, weduwe van de Profeet ﷺ, en stelde haar de vraag die hem dwarszat. Hoe lang kan een vrouw redelijkerwijs zonder haar echtgenoot leven. Zij gaf hem het antwoord uit de wetenschap die zij van de Profeet ﷺ had ontvangen, vier maanden. Zes maanden in sommige overleveringen. Vanaf die nacht stelde ʿUmar ﵁ in dat geen soldaat langer dan vier maanden van zijn vrouw kon worden gescheiden zonder de mogelijkheid van verlof. Hij schreef het aan zijn gouverneurs. Hij maakte het tot een regel in het bestuur. Het kalifaat had door één lied van één vrouw in één nacht een wet gekregen.
Dit is wat het bestuur van ʿUmar ﵁ inhield. Hij regeerde niet vanaf een troon over een kaart. Hij regeerde vanuit zijn voeten op zijn straten en zijn oren bij zijn muren. Hij liet de werkelijkheid van het volk zijn wetten dicteren, niet andersom. En hij hield zichzelf voortdurend voor dat een Kalief die niet wist wat zijn volk doormaakte, geen Kalief was.
Het oor van de Kalief
Hij was niet alleen 's nachts onder de mensen. Hij was overdag onder de mensen. Hij zat bij de poort van Medina en luisterde naar wie aankwam uit Sham, uit Yemen, uit Iraq. Hij vroeg naar de prijzen van het brood, hij vroeg naar de kwaliteit van het vee, hij vroeg naar de gezondheid van de oude vrouw die hij ergens kende. Wie een klacht had over een gouverneur, wist dat hij die aan de Kalief direct kon voorleggen. Wie een schuld had bij een Joodse koopman, kon de Kalief vragen om bemiddeling. Wie zijn vrouw had verstoten in woede, kon de Kalief om raad vragen of die uitspraak nog gold.
Hij liet zich graag vinden. Hij weigerde de gewoonten van de omringende vorsten waarbij men eerst door een rij van wachters, een rij van ambtenaren en een rij van adviseurs heen moest om de heerser te bereiken. Hij zei dat de Kalief die zich verschuilde voor zijn volk, ophield Kalief te zijn. Hij at met wie hem aansprak. Hij zat aan dezelfde kant van het tapijt. Hij begroette de jongste arbeider met dezelfde aandacht als de oudste Sahabi. En wanneer er een kind tussen de menigte stond, boog hij zich vaak naar dat kind toe om diens vraag te beantwoorden voordat hij die van een volwassene beantwoordde.
De brief aan Abu Musa al-Ashʿari ﵁
Onder de erfenissen die hij heeft achtergelaten, is de brief aan Abu Musa al-Ashʿari ﵁ er één die de gehele islamitische juridische traditie heeft gevoed. Abu Musa ﵁ was zijn gouverneur over Basra, en in latere jaren tevens rechter. Wanneer een ingewikkelde rechtszaak op hem was afgestort en hij om een richtlijn aan de Kalief vroeg, schreef ʿUmar ﵁ hem terug met een lange brief die in feite een handleiding voor het rechterschap werd. Suyuti ﵀ bewaart deze brief in zijn behandeling van het juridische denken van de Kalief.
De brief omvat onder meer de regel dat de rechter onder gelijken zit, dat de partijen voor hem gelijk staan in plaats en behandeling, dat de bewijslast op de aanklager rust en de eed op wie ontkent, dat het toelaten van een nieuwe poging tot bewijs nooit een gegeven oordeel ongeldig maakt, dat verzoening tussen de partijen de voorkeur heeft boven het uitvoeren van het strikte oordeel waar dat mogelijk is, en dat de rechter zichzelf moet inhouden in woede, honger, dorst, vermoeidheid en plezier omdat in elk van die toestanden zijn oordeel kan afwijken. De brief is in de gehele islamitische rechtstraditie tot op de dag van vandaag geldend gebleven. Zij is geschreven door een man die zelf rechtspraak deed, die uit jarenlange dagelijkse oefening wist wat de rechter aan verleidingen tegenkomt, en die de regels uit eigen ervaring heeft gedestilleerd.
Wat de brief verraadt over ʿUmar ﵁ zelf, is dat hij de rechtspraak heeft gezien als de plaats waar zijn drievoudige gebed op de minbar elke dag werd getest. De strenge rechter die geen zachtheid kent, doet onrecht. De zachte rechter die geen strengheid kent, doet eveneens onrecht. Het is alleen in het samengaan van beide dat het oordeel rechtvaardig is, en dat samengaan vereist een innerlijke discipline die Allah ﷻ alleen aan zijn dienaar kan schenken. Hij die op de minbar om zachtheid en kracht en gulheid had gebeden, vroeg in de brief van Abu Musa ﵁ aan elke rechter onder zijn ambt om hetzelfde gebed te bidden.
De zweep en de drempel
Hij droeg een zweep. Dat was bekend in heel Medina. Hij droeg geen zwaard meer als Kalief, geen schild, geen wapenrusting. Maar hij droeg een eenvoudige leren zweep, die in geen geval gelijkstond aan de zwepen die de Romeinse procuratoren of de Perzische satrapen gebruikten. Hij gebruikte haar om de honden bij de markt op te jagen, om een verstoorde kameel terug op het pad te krijgen, en, zelden, om een lichte vermaning aan een man uit te delen die de regels van het openbare gedrag had overtreden. De zweep was nooit voor de straf in juridische zin; daarvoor waren de officiële uitspraken en de officiële stokken.
Hij gaf de zweep aan zijn opvolgers door als een symbool van het gewone gezag van de straat, niet van het strenge gezag van de rechter. En het is geen toeval dat Suyuti ﵀ in zijn opsomming van de eerste kenmerken van het ambt van ʿUmar ﵁ schrijft, op p. 142, dat hij de eerste was die rondliep met een zweep waarmee hij de fouten van de mensen aansprak. De zweep was zichtbaar. De man was zichtbaar. Niemand kon zeggen dat de Kalief niet onder hen liep.
De minbar en het volk
Wanneer hij op de minbar ging staan, was de eerste indruk altijd dezelfde. De lange man met de zware schouders, het lichte gezicht, de bewegende handen. Hij hief zijn handen op naar de hemel en bad. Daarna sprak hij. Hij sprak in de korte zinnen die hem eigen waren, zonder retorische pracht, met de directheid van een man die niet zoekt naar bijval. Hij wees wanneer wijzen nodig was. Hij gebood wanneer gebieden nodig was. Hij vroeg wanneer vragen nodig was.
In één van de eerste khutbahs sprak hij over zijn relatie tot de gemeenschap, en Suyuti ﵀ bewaart de woorden in de overlevering van al-Hasan ﵀: “Goed. Ik ben door jullie beproefd en jullie zijn door mij beproefd, en ik ben tot de khilafah opgevolgd, onder jullie, na mijn twee metgezellen. Wie hier aanwezig is, wij zullen hun zaken persoonlijk afhandelen, en wie niet bij ons is, over hen zullen wij sterke en betrouwbare mensen aanstellen.” In die woorden ligt het hele model van zijn bestuur. Voor wie binnen handbereik was, persoonlijk. Voor wie ver weg was, een gouverneur die de Kalief vertrouwde. En als de Kalief de gouverneur niet meer vertrouwde, was hij niet langer gouverneur.
De gouverneurs onder zijn hand
Hij hield zijn gouverneurs aan de meest scherpe voorwaarden van iedereen die in die jaren ergens ter wereld een staat bestuurde. Wanneer hij iemand benoemde tot gouverneur, schreef hij eerst een inventaris op van diens bezit. Wanneer de gouverneur na een of twee jaar terugkwam, schreef hij opnieuw een inventaris op. Indien diens bezit was toegenomen op een wijze die niet kon worden verklaard uit zijn salaris en zijn legitieme handel, werd de helft van het meerdere genomen voor het bait al-mal. Geen verdenking, geen rechtszaak, geen verdediging. Het was een eenvoudige regel die de gouverneurs van begin af aan wisten en die hen tegen de verleiding moest beschermen.
Hij schreef hen scherpe brieven. Hij hield hun werkelijke gedrag in het oog door geheime informanten die hij door de provincies stuurde, niet om hen te bespioneren in hun privéleven, maar om de werkelijke toestand van het volk te peilen. Wanneer een gouverneur het volk zwaar maakte, ontving hij een berisping. Wanneer een tweede berisping niet hielp, werd hij gestuurd uit zijn ambt. De Kalief geloofde dat de gouverneur die zich liet meeslepen door zijn macht, de eerste vijand van het volk was geworden.
Tegelijk hield hij zijn gouverneurs hoog in eer wanneer zij die eer verdienden. Hij eerde ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁ omdat hij Egypte had geopend en het had bestuurd met handhaving van rechten. Hij eerde Abu ʿUbaydah ibn al-Jarrah ﵁ omdat hij Sham had gediend zonder zich te laten verheffen. Hij eerde Saʿd ibn Abi Waqqas ﵁ omdat hij Iraq had verdedigd en het van Kufa uit had bestuurd. Wie eervol diende, diende met de volle steun van de Kalief. Wie zich verheffende, diende niet meer.
De geest van zorg
Wat alles waarover wij hier hebben gesproken bindt, is de geest van zorg. ʿUmar ﵁ regeerde uit zorg, niet uit angst, niet uit eerzucht, niet uit de drang om in de geschiedenis te worden ingeschreven. Hij regeerde omdat de gemeenschap een man nodig had die voor haar zorgde, en hij was zich er pijnlijk van bewust dat hij vroeg of laat verantwoording zou afleggen voor elke ziel die onder zijn hand had gevallen.
Er is een uitspraak van hem die op verschillende plaatsen wordt overgeleverd, en die Suyuti ﵀ in essentie in zijn behandeling van de vroomheid van ʿUmar ﵁ laat doorklinken: dat indien een lam in het noorden van het schiereiland langs de Eufraat zou omkomen door zijn nalatigheid, hij vreesde voor de vraag die hem op de Dag van het Oordeel daarover zou worden gesteld. Een Kalief die zich verantwoordelijk wist voor een lam dat hij nooit had gezien, in een streek die hij nooit had bezocht, is een Kalief die zich verantwoordelijk wist voor elke ziel die binnen de muren van het kalifaat woonde.
Het is uit die geest van zorg dat al zijn handelingen voortvloeien. De nachtelijke patrouilles. De gerechtigheid op de markt. De verbreding van de moskeeën. De brief aan Abu Musa ﵁. De brieven aan de gouverneurs. De instelling van het diwan in 20 AH, opdat geen soldaat zonder soldij zou zijn, geen weduwe zonder onderstand, geen kind zonder voeding. Hij heeft de structuren van de moslimstaat gebouwd niet uit theoretische bestuurskunde, maar uit een diepe zorg die hem 's nachts uit zijn bed haalde.
De Kalief in de spiegel van zichzelf
Wanneer wij hem nu, na veertien eeuwen, willen zien, moeten wij hem zien zoals hij zichzelf zag. Niet als de man die de Perzen versloeg, niet als de man die Bayt al-Maqdis ontving, niet als de man die de Hijri-kalender instelde. Maar als de man die op de minbar ging staan en bad: O Allah ﷻ, ik ben streng, maak mij zacht. Hij geloofde dat hij die zachtheid niet had. Hij geloofde dat hij die kracht niet had. Hij geloofde dat hij die gulheid niet had. Hij vroeg aan zijn Heer om wat hij in zichzelf miste.
En in die ootmoed lag de kracht van zijn bestuur. Want de Kalief die zich klein wist tegenover Allah ﷻ, kon zich niet groot wanen tegenover de mensen. De Kalief die in zijn eigen ogen tekortschoot, kon de ander niet veroordelen op een onbeduidende tekortkoming. De Kalief die elke dag op de minbar zijn eigen tekorten beleed, was de Kalief die zijn volk wist te dragen omdat hij niet vergat dat hij zelf gedragen werd.
Hij heeft Medina nooit verlaten zonder zorg, en hij heeft elke terugkeer in Medina aanvaard als een aansporing om door te gaan. Tien jaar lang regeerde hij zo, van Jumādā al-Akhirah 13 AH tot Dhul-Hijjah 23 AH. Tien jaar lang trok hij de wollen mantel aan, droeg de zweep, deed de nachtelijke ronden, las de brieven, sprak op de minbar, deelde de dirhamen uit, ontving de pelgrim, en sliep weinig en weinig diep. Tien jaar van een leven dat hij volledig aan het ambt heeft gegeven.
In het volgende artikel begeleiden wij hem op zijn laatste Hajj, in Dhul-Hijjah van het jaar 23 AH, het jaar waarin hij ook zou worden gemarteld. Een Kalief die altijd zelf de Hajj had geleid, leidde haar voor de laatste keer, en hij wist het.
Bronnen
- Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk 1995), p. 142 (zweep), p. 143 (minbar-gebed, titel Amir al-Muʾminin, eerste khutbah), p. 144 (Aslam-overlevering over barsheid vóór de bekering), p. 145 (Salman-overlevering, al-Hasan-uitspraak), pp. 145–146 (nachtelijke patrouille en het lied van de vrouw), pp. 143–151 (algemene bestuurspraxis, brief aan Abu Musa, gouverneursbeleid).
