InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Bayʿah van ʿUmar ﵁

De bayʿah van ʿUmar ibn al-Khattab ﵁

Een dinsdag in Jumada al-Akhirah

Het was een dinsdag in Medina, acht dagen voor het einde van de maand Jumada al-Akhirah van het jaar dertien van de Hijra. De zomer van het Arabisch schiereiland stond hoog boven de stad. In de kamer van ʿAʾishah ﵂ lag Abu Bakr as-Siddiq ﵁ op de rand van zijn laatste adem. Twee jaar, drie maanden en enkele dagen na zijn aanstelling tot opvolger van de Profeet ﷺ kwam zijn ambt aan zijn einde, niet door rebellie, niet door verraad, niet door een verloren slag, maar zoals het ambt van zijn voorganger ten einde was gekomen: door de wil van Allah ﷻ, in een ziekbed, omringd door wie hem het meest nabij stonden.

Aan zijn bed zat de man op wie de gemeenschap reeds met ingehouden adem wachtte. ʿUmar ibn al-Khattab ﵁ was geen onbekende voor de zieke khalifah, en de zieke khalifah was geen onbekende voor hem. Twintig jaar tevoren waren zij beiden onder de zweep van Quraysh in Mekka opgegroeid in dezelfde boodschap. Zij hadden de Hijra samen gemaakt. Zij hadden zij aan zij gestaan in Badr en in Uhud. Zij hadden in Hudaybiyyah gezamenlijk getuigd. Zij hadden de Boodschapper van Allah ﷺ in zijn laatste ziekte verzorgd. En in de twee jaren die voorbij waren, had Abu Bakr ﵁ in elk beslissingsmoment, van de oorlog tegen de afvalligen tot de eerste compilatie van de Quran, de raad van ʿUmar ﵁ gezocht en menigmaal gevolgd.

Nu lag de eerste khalifah van de Islam stervend, en de vraag die over Medina hing, was niet wie de tweede zou worden, maar hoe hij zou worden aangewezen.

Kaart laden...

De nominatie van Abu Bakr ﵁

Abu Bakr ﵁ had de afgelopen weken zijn bestuur in stilte voorbereid. Hij had geconsulteerd, niet in een grote vergadering, maar in afzonderlijke gesprekken met de oudste en meest gewogen mannen van de gemeenschap. Hij riep ʿAbd ar-Rahman ibn ʿAwf ﵁ bij zich, en hij vroeg hem naar zijn oordeel over ʿUmar ﵁. Hij riep ʿUthman ibn ʿAffan ﵁ bij zich, en hij vroeg hem het hetzelfde. Hij sprak met Saʿid ibn Zayd ﵁ en met Usayd ibn Hudayr ﵁. Hij wilde geen verrassing voor de gemeenschap; hij wilde geen tegenslag uit een hoek die hij niet had voorzien.

Het antwoord dat hij telkens kreeg, was hetzelfde. ʿUmar ﵁ was streng, dat ontkende niemand. Hij had een hardheid die de mensen schroomden. Hij sloeg zo nodig met de zweep, hij verhief zijn stem, hij liet zijn ogen niet neer voor wie zich misdroeg. Maar onder die strengheid, zo bevestigden zij allen, lag een rechtvaardigheid die de Islam nodig had. De jongere generatie van de Sahaba ﵃ had hem tot een toetssteen gemaakt; zij vreesden hem niet vanwege zijn zwaard, maar vanwege zijn vermogen hun harten te lezen. ʿAbd ar-Rahman ﵁ voegde eraan toe dat zijn strengheid uit de oprechtheid voortkwam dat Abu Bakr ﵁ hem soms had moeten temperen, niet aansporen. ʿUthman ﵁ antwoordde dat wat in ʿUmar ﵁ verborgen was, beter was dan wat in hem zichtbaar was, en dat niemand onder de gemeenschap zijn gelijke was in inzet voor de zaak.

Abu Bakr ﵁ luisterde, en hij gaf zijn besluit. Het was niet de keus van een man die niet zou kunnen falen; het was de keus van een man die, in al wat zichtbaar en bekend was, het meest geschikt was voor wat komen ging. De gemeenschap stond voor uitbreidingen die niemand twee jaar tevoren had kunnen voorzien. Het Sassanidische rijk wankelde aan zijn westgrens. Byzantium had Syrië verloren in Yarmuk-anticipatie. De woestijnen van Arabië waren stil na de riddah-oorlogen, maar hun stilte was niet de stilte van vrede; zij was de stilte van een opgehouden adem. Wie nu de leiding van de moslims op zich nam, zou met legers moeten regeren, met rechters die hij van verre moest aansturen, met buit die hij eerlijk moest verdelen, met landerijen die hij voor de toekomstige generaties moest beheren. Het was geen ambt voor zachtmoedigheid alleen. Het was een ambt voor een man die zachtmoedigheid en strengheid in zich kon dragen op de juiste momenten.

ʿUthman ﵁ aan de schrijfstoel

Toen het besluit was gevallen, dicteerde Abu Bakr ﵁ zijn schriftelijke aanwijzing. ʿUthman ﵁ zat naast het bed met inkt en perkament. Abu Bakr ﵁ begon met de woorden waarmee elke openbaring en elk geschrift in de hand van de gelovigen begint: In de naam van Allah ﷻ, de Erbarmer, de Meest Genadevolle. Daarna sprak hij dat hij, Abu Bakr ﵁, de khalifah van de Boodschapper van Allah ﷺ, dit als zijn laatste verklaring vastlegde aan zijn gemeenschap, op het moment dat hij deze wereld verliet en de volgende betrad, op het uur dat de ongelovige tot geloof komt en de zondaar tot berouw.

Hier viel hij in onmacht. Zijn ziekte greep hem op het kantelpunt van zijn dictee. ʿUthman ﵁ keek naar de bewusteloze khalifah, en in plaats van zijn pen neer te leggen, schreef hij voort. Hij schreef: Ik heb tot opvolger over u aangesteld ʿUmar ibn al-Khattab ﵁, en ik heb voor u in hem niets achtergehouden van wat goed is. Toen Abu Bakr ﵁ enige tijd later weer bij bewustzijn kwam, vroeg hij ʿUthman ﵁ wat er was opgeschreven. ʿUthman ﵁ las het hem voor. Abu Bakr ﵁ glimlachte en sprak een takbir uit. Hij vertelde ʿUthman ﵁ dat hij vermoedde dat deze zijn flauwte als gelegenheid zou aangrijpen om verdeeldheid in de gemeenschap te zaaien, maar dat hij hem nu nog meer dankbaar was, want hij had voltooid wat de zieke khalifah niet had kunnen voltooien. Allah ﷻ moge hem belonen ten gunste van de Islam en haar mensen.

Dit detail, dat de pen van ʿUthman ﵁ het besluit van Abu Bakr ﵁ had opgeschreven terwijl deze zelf in onmacht lag, was geen toeval. Het was een schaduw van wat komen zou. ʿUthman ﵁ zelf zou twaalf jaar later de derde khalifah worden, na een Shura die ʿUmar ﵁ in zijn laatste dagen zou instellen. Maar dat behoorde tot een toekomst die op deze dinsdag in Jumada al-Akhirah nog niet zichtbaar was.

Het document gelezen voor de gemeenschap

Abu Bakr ﵁ liet het document buiten brengen. Hij wilde dat de gemeenschap, voor zover zij in Medina aanwezig was, het zou horen voordat hij stierf. Hij wilde geen tweede Saqifah. Hij wilde geen ruzie tussen Muhajirun en Ansar over wie nu de leiding op zich zou nemen. Hij wilde geen mannen die buiten de moskee verzamelden om hun eigen kandidaat naar voren te schuiven, terwijl de eerste khalifah binnen lag te sterven en de tweede nog moest worden bevestigd.

Het document werd in de hand gegeven van een boodschapper en op de minbar van de Profeet ﷺ gelezen. De moskee was vol. ʿUmar ﵁ stond zelf in het gehoor, niet in het midden, niet vooraan, maar op de plaats waar hij altijd stond, in een hoek waar zijn lengte hem boven de hoofden van anderen uittilde. Hij hoorde zijn naam genoemd worden. Hij hoorde de verklaring dat Abu Bakr ﵁ hem had aangewezen. Hij hoorde de aansporing aan de gemeenschap om te luisteren en te gehoorzamen.

En de gemeenschap, die over die zelfde minbar twee jaar tevoren de bayʿah aan Abu Bakr ﵁ had gegeven, gaf nu zonder aarzeling haar instemming. Geen tegenspraak werd geuit. Geen alternatieve kandidaat werd voorgesteld. Geen stam beriep zich op haar eigen aanzien. De Muhajirun zwegen instemmend, de Ansar zwegen instemmend, de stamhoofden uit het noorden en het zuiden van Arabië die in Medina aanwezig waren, zwegen instemmend. Wie ʿUmar ﵁ kende, en in deze stad waren zij allen die hem kenden, had niets toe te voegen aan wat Abu Bakr ﵁ in zijn schriftelijke verklaring reeds had gezegd.

De stervende khalifah en zijn opvolger

Abu Bakr ﵁ riep ʿUmar ﵁ bij zich in de kamer waar hij stervend lag. Hij gaf hem zijn laatste raad. Wat in de overlevering tot ons gekomen is, draagt de bekende zware ernst van een man die wist dat zijn woorden voor het laatst tegen deze persoon werden uitgesproken. Hij wees zijn opvolger op de plicht van het nachtgebed dat Allah ﷻ van de gelovige verwacht, en op de plicht van het overdag verrichten dat Allah ﷻ van de gelovige verwacht, en op de balans tussen vrees en hoop die de gelovige in zijn binnenste moet dragen. Hij sprak over de mensen van Muhajirun en de mensen van Ansar, en over hun rechten in de gemeenschap. Hij sprak over de bedoeïenen die nog niet ten volle in de Islam waren ingegroeid, en over het geduld dat hun bestuur vereiste.

En toen sprak hij een zin die, eenmaal verteld, niemand vergat: dat het ambt dat hij overdroeg, niet door macht maar door dienst werd gedragen. Wie het ambt voor zichzelf droeg, viel ervoor. Wie het voor de gemeenschap droeg, werd door Allah ﷻ gedragen. ʿUmar ﵁ stond bij het bed, hoorde de woorden van zijn voorganger, en zweeg.

Abu Bakr ﵁ overleed in de avond van diezelfde dinsdag. Zijn lichaam werd in dezelfde kamer gewassen en geschroud waar de Profeet ﷺ was gewassen, door dezelfde handen voor zover die nog beschikbaar waren. Hij werd in dezelfde kamer begraven, naast de Profeet ﷺ, zoals hij had gewenst en zoals ʿAʾishah ﵂ hem had toegestaan. De stad van Medina hoorde de adhan voor zijn janazah, en zij hoorde tegelijkertijd de aankondiging dat de bayʿah aan de tweede khalifah de volgende morgen openbaar zou worden afgelegd.

De openbare bayʿah

Az-Zuhri ﵀, die in zijn lange leven de overlevering van de Sahaba ﵃ heeft vastgelegd op een wijze die geen latere geleerde heeft kunnen overtreffen, drukt het zo uit:

Az-Zuhri ﵀: ʿUmar ﵁ werd als khalifah aangesteld op de dag dat Abu Bakr ﵁ stierf, namelijk op een dinsdag, acht dagen voor het einde van Jumada al-Akhirah.

De volgende ochtend, op de woensdag, kwam de gemeenschap voor de tweede maal in twee jaar tijd bijeen voor wat zich nooit eerder in de geschiedenis van enig volk had voltrokken: de vreedzame overdracht van bestuur op de tweede dag na het verlies van de heerser, zonder een gevecht, zonder een verwonding, zonder een verzet. De moskee van de Profeet ﷺ was opnieuw vol. De minbar was opnieuw bestegen. ʿUmar ﵁ ging op de derde trede zitten, een trede onder Abu Bakr ﵁, die op de tweede had gezeten, en twee treden onder de hoogste, die leeg bleef uit eerbied voor de Boodschapper ﷺ die niet meer zou keren.

De mannen kwamen één voor één naar voren. Zij legden hun rechterhand op de zijne, of zij namen zijn hand met beide handen aan, en zij gaven openbaar wat al was gegeven door het stilzwijgen van de dag tevoren. ʿAli ibn Abi Talib ﵁ kwam, en hij gaf de bayʿah zoals hij die de avond ervoor reeds in het privé had gegeven. Az-Zubayr ibn al-ʿAwwam ﵁ kwam, en hij gaf de bayʿah met de blik die in hem altijd brandde van de tijd dat hij de eerste was geweest die zijn zwaard had getrokken voor de Profeet ﷺ. Talhah ibn ʿUbaydillah ﵁ kwam, en hij gaf de bayʿah met de hand die in Uhud verminkt was. Saʿd ibn Abi Waqqas ﵁ kwam, en hij gaf de bayʿah met de hand die in de komende maanden de Sassanidische troepen in al-Qadisiyyah zou aanvoeren. ʿAbd ar-Rahman ibn ʿAwf ﵁ kwam. ʿUthman ibn ʿAffan ﵁ kwam. Abu ʿUbaydah ﵁ stond reeds in Syrië als veldheer, en zijn bayʿah zou via boodschappers worden bevestigd.

En na de senior Muhajirun kwamen de Ansar, met aan het hoofd Usayd ibn Hudayr ﵁ uit Banu ʿAbd al-Ashhal, die in de Saqifah het sterkst voor de eenheid had gesproken. Na de Ansar kwamen de bedoeïenen die in Medina aanwezig waren. Na hen kwamen de vrijgelaten slaven en de jonge mannen. De bayʿah duurde tot in de middag.

De ernst van het ambt

Anas ibn Mālik ﵁, die als jonge dienaar van de Profeet ﷺ alles wat in zijn nabijheid was gebeurd in zijn geheugen had bewaard en in zijn latere leven met grote precisie aan zijn studenten heeft overgeleverd, vat in een enkele zin samen wat het bestuur van ʿUmar ﵁ in de jaren erna kenmerkte:

Anas ibn Mālik ﵁: Hij ondernam het bevel ten volle, en in zijn dagen waren er zeer veel openingen.

Deze enkele zin is het hele programma van het kalifaat dat zojuist begonnen was. Hij ondernam het bevel ten volle: er was geen halfhartigheid in zijn bestuur, geen verdeling van zijn aandacht tussen het ambt en iets anders, geen ruimte voor de gedachte dat hij de zaak aan een vertrouweling kon overlaten en zelf zijn rust kon nemen. ʿUmar ﵁ liep ʼs nachts door Medina om de armen te verzorgen, schreef brieven aan zijn gouverneurs in Syrië en in Iraq, ondervroeg de soldaten die uit het veld terugkwamen, ontving de delegaties uit Egypte en Perzië, hoorde de juridische geschillen aan, oordeelde, voerde uit, en deelde de buit uit. In zijn dagen waren er zeer veel openingen: Damascus, Hims, Baalbek, Tiberias, Yarmuk, al-Qadisiyyah, Madāʾin Kisra, Jeruzalem, Egypte, Babylon, Alexandrië, Nahavand. Tien jaar, en de bekende wereld was veranderd.

Maar op deze woensdagmorgen, terwijl de mannen één voor één naar zijn hand kwamen, was van deze toekomst nog niets zichtbaar. Wat zichtbaar was, was een man van middelbare leeftijd, lang van gestalte, met een gezicht waarop de ernst lag van iemand die het ambt niet had gezocht en het niet zou loslaten zolang Allah ﷻ hem in dit ambt zou laten. Zijn baard was gegrijsd; zijn ogen stonden helder; zijn handen waren ruw van een leven van handel en oorlog.

Wie ʿUmar ﵁ was, voor hij khalifah werd

Om te begrijpen waarom de bayʿah aan ʿUmar ﵁ in twee dagen zonder oppositie tot stand kwam, dient men de man zelf voor ogen te halen zoals de gemeenschap hem in Medina kende. Hij was geboren in Mekka in een familie van Banu ʿAdi ibn Kaʿb, niet een van de aanzienlijkste clans van Quraysh, maar wel een familie met diepe wortels in de oude stad. Zijn vader Khattab ibn Nufayl was een harde man geweest, bekend om zijn temperament; zijn moeder Hantamah bint Hisham ﵂ was een zuster van Abu Jahl, wat van de jonge ʿUmar ﵁ een neef van een van de felste vijanden van de Profeet ﷺ maakte. Hij had in zijn jeugd onder het gezag van zijn vader gehoed in de woestijn rond Mekka, een werk dat hem het lichaam en de aard van een man van het land had gegeven, niet de zachtheid van een man van het paleis.

In de eerste zes jaren van de profeetschap was hij een van de felle tegenstanders van de jonge Islamitische gemeenschap geweest. Hij had Sahaba ﵃ vervolgd, had Muslimah ﵂ slaaf-bekeerlingen op straat gestraft, en in een beroemd moment, na zijn bekering, gebiecht aan de Boodschapper ﷺ dat hij in zijn vooronderwerping de gewelddadigste vijand van het Islamitische geloof was geweest. Zijn bekering, in het zesde jaar van de profeetschap toen hij zevenentwintig jaar oud was, had de Mekkaanse Sahaba ﵃ in zo’n vreugde gebracht dat de openbaring vanaf die dag in het openbaar in de Kaʿbah werd gereciteerd. De Profeet ﷺ had hem na zijn bekering al-Faruq genoemd, de Onderscheider, omdat hij van die dag af de scheiding tussen waarheid en valsheid in zichzelf en in zijn omgeving zichtbaar maakte.

In de Medinaanse jaren had hij naast de Profeet ﷺ gestaan in elke beslissende vergadering. Hij had in Badr gevochten, in Uhud, in al-Khandaq, in Khaybar, in Hudaybiyyah, in Tabuk. Hij had zijn dochter Hafsah ﵂ aan de Profeet ﷺ ten huwelijk gegeven, en hij had de Profeet ﷺ in vele momenten van besluitvorming raadgegeven, soms met meningen die in de openbaring zelf werden bevestigd, zoals over de hijab en over de behandeling van de krijgsgevangenen van Badr. Onder Abu Bakr ﵁ had hij twee jaar lang als rechter, als raadsheer, als veldherenadviseur en als bestuursorganisator gediend.

Wat Medina dus op deze woensdagmorgen ontving, was geen onbekende. ʿUmar ﵁ was de man wiens dagelijkse omgang met de gemeenschap reeds twintig jaar duurde. Wat de bayʿah officieel maakte, was de bekendheid die haar voorafging.

De afwezigheid van weerstand

Het is in de geschiedenis van de wereldlijke macht een vrijwel onbekende gebeurtenis dat een opvolger zonder oppositie wordt geaccepteerd. Wanneer een keizer van Byzantium overleed, brak doorgaans een burgeroorlog uit; wanneer een koning van Perzië overleed, doodden zijn zonen elkaar in de paleisgang. Wanneer een stamhoofd onder Quraysh in de jahiliyyah overleed, sloten de neven van zijn neven coalities om de aanzien naar hun deel van de stam te trekken. De Islam had in twee jaar tijd dit oude patroon gebroken. Abu Bakr ﵁ had Saqifah doorstaan met een bayʿah die de dag erna openbaar was bevestigd. ʿUmar ﵁ kreeg de bayʿah zonder Saqifah, want Abu Bakr ﵁ had in zijn dictee elke twijfel weggenomen.

Niemand stond op om een tegenkandidaat naar voren te schuiven. Saʿd ibn ʿUbadah ﵁, de leider van Khazraj die destijds onder Abu Bakr ﵁ niet de bayʿah had gegeven en in zijn huis was gebleven, was inmiddels in Syrië en stond niet in de moskee. Maar zelfs hij stuurde geen bode om de aanstelling aan te vechten. De gemeenschap had geleerd dat de eenheid van de Islam meer waard was dan de eer van een stam.

Toen de laatste hand was gegeven, sprak ʿUmar ﵁ tot de gemeenschap. Maar zijn eerste khutbah, en de titel waarmee hij in de geschiedenis zou worden aangeduid, behoren tot een ander verhaal, dat in het volgende artikel wordt voortgezet.

Wat deze dag betekende

Voor wie deze dinsdag en de daaropvolgende woensdag overschouwt, is er meer aan het werk dan een eenvoudige machtsoverdracht. De Islam stond, twaalf jaar na de Hijra, voor een vraag waarop geen oude beschaving een antwoord had: hoe gaat een gemeenschap die haar profeet heeft verloren, en daarna ook haar eerste khalifah, verder zonder de stem die haar had gevormd. Zij doet dit, zo wijst deze week aan, door zich te binden aan een orde die groter is dan het leven van enkele mannen. De Quran is haar wet. De Sunnah is haar voorbeeld. De Shura is haar middel om uit hun midden de uitvoerder van de Wet te kiezen. De bayʿah is haar bekrachtiging van die keuze.

De gemeenschap had op deze woensdagmorgen in Jumada al-Akhirah van het jaar dertien niet alleen een nieuwe khalifah gekozen; zij had bevestigd dat haar manier van het kiezen van een khalifah werkte. Het was geen erfopvolging, geen militaire benoeming, geen senatusconsultum. Het was een aanwijzing door de voorgaande khalifah op grond van consultatie, gevolgd door een openbare bayʿah waarin de gemeenschap de aanwijzing aanvaardde. Twee jaar later, in een ander artikel van deze cyclus, zou deze procedure opnieuw worden gevolgd, ditmaal door ʿUmar ﵁ zelf, die zijn opvolging niet aan één man maar aan een Shura van zes zou toevertrouwen. Maar dat behoort tot het einde van het verhaal dat hier begint.

Op de minbar van de Profeet ﷺ, in de moskee waar de openbaring was neergedaald, in de stad waar de Hijra haar bestemming had gevonden, gaf de gemeenschap haar trouw aan een man die haar tien jaar lang zou leiden met een strengheid en een rechtvaardigheid waarvan zelfs zijn vijanden later zouden getuigen dat zij in de geschiedenis van de mensheid haar gelijke niet had. Het verhaal van die tien jaar begint hier.

Bronnen

  • Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk 1995), pp. 134, 141.