De noordwestelijke poort
Wie in het twaalfde jaar na de Hijra in Medina stond en zijn blik over de horizon liet gaan, zag drie hoofdrichtingen waarin de jonge oemma haar wereld kon ontmoeten. Naar het oosten, voorbij Najd, lag het Sasanidenrijk met zijn paleizen aan de Tigris. Naar het zuiden, voorbij Yemen, lagen de eilanden van de Indische handel. En naar het noordwesten, voorbij Tabuk, lag Syrië. Niet één Syrië, maar een Syrië in lagen: de Romeinse provincie aan de Middellandse Zee met haar Griekse steden en haar bisschopstoelen, de hoge vlaktes van het binnenland met hun Arabische Ghassanidische bondgenoten, en in het zuiden de Negev en de Hauran, waar de Arabische stammen elkaar al eeuwen kruisten met de Byzantijnse macht.
De Profeet ﷺ had Syrië reeds in zijn jeugd gezien op de handelsreis voor Khadijah ﵂. Hij had Usama ﵁ tegen het einde van zijn leven richting Syrië gestuurd, een expeditie die Abu Bakr ﵁ na zijn overlijden had voortgezet als de eerste daad van zijn khilafah. En in datzelfde twaalfde jaar, terwijl Khalid ﵁ in het noordoosten naar Ubullah trok en de Iraakse veldtocht opende, zond Abu Bakr ﵁ ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁ en zijn leger naar Syrië. De Iraakse en Syrische veldtochten lopen in zijn khilafah parallel, niet sequentieel. Hij wachtte niet op de afronding van de ene voordat hij de andere begon. Hij gaf de oemma haar tweerichtingen tegelijk.
Suyuti ﵀ vat de Syrische veldtocht in vier zinnen samen, en in die vier zinnen ligt het hart van dit hoofdstuk: de slag van Ajnadayn in Jumada al-Ula van het dertiende jaar, het martelaarschap van ʿIkrimah ibn Abi Jahl ﵁ en Hisham ibn al-ʿAs ﵁, en de daaropvolgende slag bij Marj as-Suffar waar al-Fadl ibn al-ʿAbbas ﵁ viel onder anderen. Vier zinnen waarin twee veldslagen, één hoofdcommandant en twee bijzonder zwaarwegende namen worden samengebracht.
De keuze voor ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁
Wie was de man die Abu Bakr ﵁ noord-westwaarts zond? ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁ was een Qurashi van rang. Hij was een van de drie meest invloedrijke leden van zijn stam geweest toen hij nog tegen de Islam stond, en zijn diplomatieke vaardigheid had hem in de jaren voor zijn bekering tot een sleutelfiguur gemaakt in de pogingen van Quraysh om de moslims onder druk te zetten, niet in het minst via zijn missie naar de Negus van Abessinië om de eerste muhajirun terug te eisen. Toen hij in het achtste jaar van de Hijra de Islam aanvaardde, samen met Khalid ibn al-Walid ﵁ en ʿUthman ibn Talha ﵁, had de Profeet ﷺ hem onmiddellijk in functie gezet. Hij werd uitgezonden als commandant van expedities. Hij werd gestuurd naar Oman, waar zijn diplomatie de zonen van al-Julanda tot de Islam bracht.
Toen Abu Bakr ﵁ in het twaalfde jaar zijn blik richtte op Syrië, was ʿAmr ﵁ de logische keuze. Hij kende de Arabische stammen aan de Syrische grens uit zijn handelsdagen. Hij sprak met het gewicht van Quraysh en met het kalmte van iemand die zowel oorlog als verdrag van binnen kende. Suyuti ﵀ noemt geen andere commandanten in dit verband. Wij houden ons aan zijn pen. Eén commandant, één leger, één veldtocht.
Ajnadayn: Jumada al-Ula van het dertiende jaar
Ajnadayn is een plaats die voor de moderne lezer eerst gelokaliseerd moet worden voordat zij oprijst uit het stof. Zij ligt ten zuidwesten van Bayt al-Maqdis, in de heuvels rond Bayt Jibrin, in een geografische strook tussen de kustvlakte en de bergketens van de Westoever. Het is een gebied van olijfgaarden, lage heuvels en open hellingen, ideaal terrein voor een veldslag waarin twee legers elkaar kunnen ontmoeten zonder dat één zich kan verstoppen. De Byzantijnen, die deze provincie eeuwen hadden bestuurd, hadden Ajnadayn niet versterkt als een vesting; zij gebruikten haar als een opstelplaats, een verzamelpunt voor troepen die uit Caesarea, Bayt al-Maqdis en Gaza konden worden samengetrokken.
De slag vond plaats in Jumada al-Ula van het dertiende jaar na de Hijra, in juli van zes-en-dertig-vierendertig naar de Gregoriaanse kalender. Het was de eerste grote ontmoeting tussen de moslims en de Byzantijnse macht in een veldslag van het kaliber dat de geschiedenis later “futuhat” zou noemen. Eerdere ontmoetingen, zoals de slag bij Muʾtah onder de Profeet ﷺ zelf, waren begrensd geweest in schaal en in territoriale ambitie. Ajnadayn was anders. Hier botste een Arabisch leger met een Byzantijnse legermacht in een gevecht waarin de winnaar de toegang tot het binnenland van Syrië zou bepalen.
Kaart laden...
Suyuti ﵀ vat het uitkomstmoment in één zin samen: “de slag van Ajnadayn vond plaats in Jumada al-Ula van het dertiende jaar, en de moslims waren zegevierend.” Hij geeft geen lijst van aantallen, geen beschrijving van formaties, geen weergave van de geografie van het slagveld. Wat hij wel geeft, en wat hij benadrukt, zijn de namen.
ʿIkrimah ibn Abi Jahl ﵁: een boog die zich sluit
In de zin die volgt op de uitkomst van Ajnadayn schrijft Suyuti ﵀: “ʿIkrimah ibn Abi Jahl ﵁ werd erin tot martelaar gemaakt en Hisham ibn al-ʿAs ﵁ onder een groep van anderen.” Twee namen, en in beide namen ligt een boog die zich op het slagveld van Ajnadayn sluit.
ʿIkrimah ibn Abi Jahl ﵁ was de zoon van Abu Jahl, de man die de Profeet ﷺ tot zijn dood toe had bestreden in Mekka, die op de dag van Badr was opgetrokken om de muhajirun en de ansar weg te vagen, en die op datzelfde slagveld was gevallen onder het zwaard van twee jonge ansari. Op die dag van Badr had ʿIkrimah ﵁ zijn vader verloren. Op die dag werd hij, in zijn eigen optiek, de erfgenaam van een wraak die hij nog jaren zou voortzetten.
Hij vocht bij Uhud, waar hij de moslims dwong terug te wijken in de eerste uren van de slag. Hij vocht bij de Khandaq, in de gelederen van de coalitie die Medina belegerde. Hij stond, toen de Fath van Mekka kwam in het achtste jaar, tegenover de Profeet ﷺ als een van de mannen die de stad nog wilden verdedigen, en hij vluchtte naar de zee toen de stad zonder gevecht viel. Het was zijn vrouw, Umm Hakim bint al-Harith ﵂, die hem naliep, hem inhaalde aan de kust, en hem terugleidde naar de Profeet ﷺ. De Profeet ﷺ ontving hem zoals hij eenieder ontving die kwam: zonder vermaning, zonder herinnering aan wat was.
De Profeet ﷺ: Welkom, ruiter die migreert.
Hij omhelsde hem alsof er nooit een Badr was geweest.
Van die omhelzing tot Ajnadayn liggen zes jaar. In die zes jaar vocht ʿIkrimah ﵁ niet meer tegen de Islam; hij vocht voor haar. Hij was bij Hunayn, toen de Hawazin de moslims overvielen in de bergpas en Allah ﷻ hen de overwinning gaf. Hij werd door Abu Bakr ﵁ gezonden naar Oman in de Ridda, zoals het achtste hoofdstuk in dit boek vertelt: de zoon van Abu Jahl die namens de Islam optrok tegen wie de Islam had verlaten. En vanuit Oman trok hij door naar Syrië, en op het slagveld van Ajnadayn, in Jumada al-Ula van het dertiende jaar, viel hij.
De boog sluit. Wat in Badr was begonnen als de val van de vader, eindigt in Ajnadayn als de verheffing van de zoon. De vader stierf als afgoderaar, vechtend tegen de Boodschapper ﷺ. De zoon stierf als shahid, vechtend voor diezelfde Boodschapper ﷺ en Zijn boodschap. Geen menselijke pen had deze symmetrie zo helder kunnen tekenen. Allah ﷻ trok haar over een mensenleven van bijna een halve eeuw, van Badr in twee tot Ajnadayn in dertien, en Suyuti ﵀ vat haar in één zin samen omdat hij weet dat één zin volstaat. Het hart van wie zijn ﵀ pen leest, voltooit zelf wat de zin niet uitspreekt.
Hisham ibn al-ʿAs ﵁: de eigen broeder van de commandant
Met ʿIkrimah ﵁ viel Hisham ibn al-ʿAs ﵁ in dezelfde slag. Wie deze naam onbevangen leest, mist iets dat de zevende-eeuwse hoorder onmiddellijk meekreeg: Hisham ﵁ was de broer van ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁, de commandant van het leger zelf. De man die Abu Bakr ﵁ tot hoofd van de Syrische veldtocht had benoemd, verloor op het slagveld zijn eigen broer.
Hisham ﵁ behoorde tot de vroege moslims; hij had de eerste hijra naar Abessinië meegemaakt, in een tijd toen zijn broer ʿAmr ﵁ nog tegen de Islam stond. Tussen de twee broers had jarenlang een religieuze kloof gelopen. Het was Hisham ﵁ die de hijra had gemaakt, het was ʿAmr ﵁ die als emissaris van Quraysh naar de Negus was gezonden om diezelfde muhajirun terug te eisen. Twee broers, twee paden. Pas in het achtste jaar, met de bekering van ʿAmr ﵁, kwamen de paden samen. En vijf jaar daarna, op het slagveld van Ajnadayn, scheidden zij weer: de ene broer als commandant op het veld, de andere als shahid op de aarde van hetzelfde veld.
De pijn van ʿAmr ﵁ in dat moment kan men slechts vermoeden. Suyuti ﵀ geeft hem geen klacht, geen woord, geen scène. Hij vermeldt alleen dat Hisham ﵁ viel. Maar dat hij hem noemt, naast ʿIkrimah ﵁, in dezelfde zin, met de extra clausule “onder een groep van anderen” die de bredere lijst van shuhada in stilte erkent, is genoeg om aan te geven dat de overwinning bij Ajnadayn niet zonder prijs kwam. Wat de moslims wonnen op die heuvels ten westen van Bayt al-Maqdis, betaalden zij met levens die in de annalen van de vroege Islam tot de hoogste werden gerekend.
De goede tijding bereikt Medina
En dan, in dezelfde reeks zinnen, vermeldt Suyuti ﵀ iets dat het hoofdstuk verbindt met het hoofdstuk dat erop volgt: “Abu Bakr ﵁ kreeg de goede tijding terwijl hij de dood naderde.” De oude khalifah ﵁ lag in zijn huis in Medina. Zijn lichaam was, na vijftien dagen koorts die in Jumada al-Akhirah was begonnen, op het einde van zijn krachten gekomen. Naast zijn bed zat Asmaʾ bint ʿUmays ﵂, en in en uit zijn kamer kwamen ʿAʾishah ﵂, ʿAbd ar-Rahman ibn ʿAwf ﵁, ʿUthman ﵁ en de mannen die hij in zijn laatste dagen om zich heen had verzameld voor zijn testament aan ʿUmar ﵁.
De boodschapper uit het noorden moet door de palmgaarden van Medina zijn gereden, langs de moskee waar het gebed werd geleid door ʿUmar ﵁ in de afwezigheid van de zieke khalifah ﵁, en aan het huis van Abu Bakr ﵁ moet hij hebben aangeklopt met de tijding die hij droeg. De moslims hadden bij Ajnadayn gewonnen. Het noordwestelijke front was open. ʿAmr ﵁ had Syrië geopend voor de oemma. Wat Usama ﵁ in het begin van de khilafah van Abu Bakr ﵁ was begonnen, was nu doorgezet tot een werkelijke overwinning op een groot Byzantijns leger.
Wie de zin van Suyuti ﵀ leest, hoort het tweesnijdende ervan. De overwinning kwam, de tijding bereikte de khalifah ﵁ in Medina, en hij was de dood nabij. Het was alsof Allah ﷻ hem de vrucht van zijn beweging niet onthield voordat hij ging. De oude man die de oemma had bijeengehouden door de stormen van de Ridda, die het besluit had genomen om de mushaf te laten verzamelen, die de generaals had uitgezonden naar Bahrein, Oman, Hadramawt, Yemen, Iraq en Syrië, mocht voor zijn overlijden weten dat de noordwestelijke poort openstond. De volledige draaiing van dit moment, en hoe Abu Bakr ﵁ haar in zijn laatste woorden ontving, wordt in het volgende hoofdstuk uitgewerkt; hier vermelden wij slechts dat de tijding hem bereikte en dat hij haar hoorde.
Marj as-Suffar: al-Fadl ibn al-ʿAbbas ﵁
Suyuti ﵀ besluit zijn vier zinnen over de Syrische veldtocht met de vermelding van een tweede slag in datzelfde jaar: “In dat jaar vond de slag van Marj as-Suffar plaats, de afgodendienaars werden verslagen en al-Fadl ibn al-ʿAbbas ﵁, onder anderen, werd tot martelaar gemaakt.” Marj as-Suffar ligt ten zuiden van Damascus, in de vlakte die de hoofdstad van de Romeinse provincie Syria scheidt van de Hauran. Wie Damascus wilde nemen, moest eerst de vlakte van Marj as-Suffar passeren; wie Marj as-Suffar beheerste, stond aan de poort van Damascus zelf.
Kaart laden...
De moslims wonnen, en de afgodendienaars werden verslagen. De keuze van Suyuti ﵀ voor het woord “afgodendienaars” hier, waar hij voor de Byzantijnen elders een andere benaming hanteert, kan zowel een lokale Arabische bondgenoot van Rome aanduiden als een algemenere aanduiding zijn voor wie tegenover de Islam stond op deze vlakte. Wij volgen zijn pen.
De prijs werd betaald in een naam die voor de geschiedenis van de Profetische familie zwaar weegt: al-Fadl ibn al-ʿAbbas ﵁. Hij was de neef van de Profeet ﷺ, de zoon van zijn oom al-ʿAbbas ﵁, en hij had de Profeet ﷺ persoonlijk gediend in zijn laatste levensjaren. Hij was bij de Profeet ﷺ geweest op de dag van de Afscheidshajj. Hij had naast hem gereden op de kameel toen de Profeet ﷺ tussen ʿArafat en Muzdalifah zijn beruchte woord sprak over het verbod van het opzettelijke vergieten van moslimbloed. Al-Fadl ﵁ had de Profeet ﷺ kortom van zo dichtbij gekend als slechts weinigen, en hij viel op de vlakte ten zuiden van Damascus.
De Profeet ﷺ had Quraysh-zonen achtergelaten die de futuhat zouden voltooien, maar bij Marj as-Suffar viel een van zijn eigen neven. Dat is geen detail; het is een diepere getuigenis. De gemeenschap die de Boodschapper ﷺ had grootgebracht, betaalde met haar eigen meest geliefde zonen voor wat zij won. Geen overwinning kwam zonder die rekening. Wie de namen leest van wie viel bij Yamamah, bij Ajnadayn en bij Marj as-Suffar, leest een lijst die het hart van de eerste oemma met bloed had geschreven op de aarde van het schiereiland, van Iraq en van Syrië.
Vier zinnen, twee veldslagen, één opening
Wat Suyuti ﵀ in zijn vier zinnen samenvat, is het openen van het noordwestelijke front van de Islam. Eén commandant, ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁, gezonden door Abu Bakr ﵁. Eén grote slag, Ajnadayn, in Jumada al-Ula van het dertiende jaar. Eén opvolgende slag, Marj as-Suffar, in datzelfde jaar. Drie namen die uit het verslag opklimmen: ʿIkrimah ﵁, Hisham ﵁, al-Fadl ﵁. Drie levens die in elkaar lopen met de naam van de Profeet ﷺ zelf, hetzij door bekering, hetzij door familiebanden, hetzij door dienst.
De Syrische veldtocht was, zoals de Iraakse, geen verovering die in het twaalfde of dertiende jaar zou worden voltooid. Damascus zou later vallen, onder ʿUmar ﵁; de slag bij Yarmuk zou de Byzantijnse macht in Syrië breken, niet die bij Ajnadayn. Maar Ajnadayn was de eerste grote stoot, en Marj as-Suffar de tweede. Wat Abu Bakr ﵁ had geopend door ʿAmr ﵁ uit te zenden, zou onder zijn opvolger worden volbracht. Hij stierf niet als de man die Syrië had veroverd; hij stierf als de man die het had geopend.
Een tijding aan een sterfbed
Het hoofdstuk eindigt waar Suyuti ﵀ het zelf laat eindigen: bij de tijding die Medina bereikt terwijl Abu Bakr ﵁ de dood naderde. Het is geen toeval dat de chronist deze twee momenten in één zin verbindt. Wat hij doet, is laten zien hoe de geschiedenis van een persoon en de geschiedenis van een gemeenschap in elkaar grijpen. Abu Bakr ﵁ stierf niet vóór hij wist dat de Islam, na zijn beweging, op twee fronten was uitgebroken. De Ridda was verslagen. De mushaf werd verzameld. De grenzen waren uitgegaan. Hij sloot zijn ogen wetende dat wat hij had gediend, leefde voorbij hem.
In het volgende hoofdstuk komen wij tot dat sterfbed. Daar zal Suyuti ﵀ uitvoeriger zijn, en daar zal de pen zich kunnen openen voor de woorden, de dictaten, de testamenten en de stille begrafenis in de Hujrah van de Profeet ﷺ. Hier, in dit tiende hoofdstuk, sluiten wij ons aan bij de pen van Suyuti ﵀ waar hij sluit: bij de goede tijding van Ajnadayn die Medina bereikte terwijl Abu Bakr ﵁ de dood naderde. De oude khalifah ﵁ hoorde de overwinning, en hij hield haar in zijn hart vast voor de korte tijd die hij nog had. Wat hij had begonnen op de morgen van zijn baiʿah in Saqifah, voltooide hij niet zelf; maar hij wist, in dat ene moment, dat het zou worden voltooid. En daarmee was het, voor zijn rust, genoeg.
Bronnen
- Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk 1995), p. 64.