Een Kalief op weg naar ʿArafat
Het was Dhul-Hijjah van het jaar 12 na de Hijra, en de karavanen verzamelden zich opnieuw rond Medina. De Ridda was gebroken. De Mushaf was gebundeld in losse bladen die Abu Bakr ﵁ in eigen bewaring had genomen. De legers van Khalid ibn al-Walid ﵁ trokken oostwaarts naar Ubullah, de legers van ʿIkrimah ﵁ kamden de zuidkust van Oman uit, en in Bahrein had al-ʿAlaʾ ibn al-Hadrami ﵁ Jawatha heroverd op de afvalligen. Het schiereiland ademde voor het eerst in twee jaar weer rustig. En in die rust besloot de Kalief om op te trekken naar Makkah. Niet langer als plaatsvervanger, niet langer als de man die de Profeet ﷺ vooruit zond, maar als degene die de leiding van de ummah in zijn handen droeg.
Het had het jaar daarvoor anders gemoeten. In 11 AH, in de eerste maanden van zijn kalifaat, was Abu Bakr ﵁ niet zelf naar de Hajj gegaan. Suyuti ﵀ vat het bondig samen: “Toen de Boodschapper van Allah ﷺ stierf en Abu Bakr ﵁ tot kalief werd aangesteld, stelde hij ʿUmar ﵁ aan over de leiding van de Hajj, en daarna verrichtte Abu Bakr ﵁ de Hajj het volgende jaar.” Twee zinnen die een diepe geschiedenis verbergen. De Kalief, in het eerste jaar van zijn ambt, kon de stad niet verlaten. De Ridda woedde tot in de heuvels rondom Medina. Tulayha bij de moerassen tegenover Najd, Musaylimah in al-Yamamah, de stammen rondom de hoofdstad die nog dagelijks bij de poorten verschenen om de zwakte van de jonge staat te beproeven. Wie Medina verliet, gaf de Ridda het hart van het kalifaat in handen.
En dus stuurde Abu Bakr ﵁ ʿUmar ﵁. Niet als plaatsvervanger van zichzelf, maar als drager van de leiding van de pelgrimage. De Kalief bleef in as-Sunh, bij het bait al-mal dat geen wacht had, en stuurde zijn dichtste raadgever vooruit. ʿUmar ﵁ leidde de Hajj van 11 AH in een kalifaat dat nog niet bestond zoals het een jaar later zou bestaan. Hij stond op ʿArafat terwijl in het Najd-gebied de zwaarden nog ratelden. Hij wierp de steentjes bij Mina terwijl de boodschappers nog dagelijks van het front aankwamen. Hij sprak de talbiyah voor een gemeenschap die nog niet zeker wist of zij over een maand nog gemeenschap zou zijn.
In die zelfde dagen vroeg menigeen aan de Kalief waarom hij niet zelf ging. Suyuti ﵀ geeft het antwoord van Abu Bakr ﵁ niet woordelijk weer in deze passage; het wordt impliciet in zijn handelen gegeven. Hij ging niet omdat de ummah zijn aanwezigheid in haar centrum nodig had. Hij ging niet omdat de hand op het stuur op dat moment kostbaarder was dan de hand op de Zwarte Steen. Hij ging niet omdat liefde tot het Huis soms verlangt dat men er ver van blijft, juist om de mensen die naar het Huis trekken te beschermen tegen de chaos die het pad zou kunnen overspoelen.
De stilte tussen twee Hajj-jaren
Tussen ʿUmars Hajj van 11 AH en Abu Bakrs eigen Hajj van 12 AH ligt een jaar dat zwaarder weegt dan haast enig ander jaar in de vroege geschiedenis van de Islam. De slag van al-Yamamah viel in Dhul-Qaʿdah of begin Dhul-Hijjah van 11 AH, vlak voor of vlak na de Hajj van ʿUmar ﵁. Wahshi ibn Harb ﵁, dezelfde man die in Uhud Hamzah ﵁ had gedood, wierp ditmaal zijn speer naar Musaylimah de Leugenaar. Zeventig sahabah ﵃ vielen op die dag, onder hen ʿAbdullah ibn Abi Bakr ﵁ kort daarna in Shawwal van datzelfde jaar, de eigen zoon van de Kalief. Toen het Hajj-seizoen aanbrak, was het schiereiland bezaaid met verse graven.
In de maanden tussen de twee Hajj-jaren werd ook iets anders voltooid, iets dat in de jaren daarna alles zou bepalen. ʿUmar ﵁ kwam, na al-Yamamah, naar Abu Bakr ﵁ met een zorg in zijn hart. “De slachting van de mensen was zeer groot op de Dag van al-Yamamah, en ik vrees dat de doding zich zal uitbreiden tot de reciteurs in deze veldslagen, zodat veel van de Quran zal verdwijnen, tenzij u hem laat verzamelen.” De Kalief aarzelde, en gaf toen toestemming. Zayd ibn Thabit ﵁ werd belast met de taak. “U bent een intelligente jongeman, en wij twijfelen niet aan u. U schreef de openbaring voor de Boodschapper van Allah ﷺ. Zoek de Quran uit en verzamel hem.” Toen Abu Bakr ﵁ in 12 AH naar de Hajj trok, droeg hij in zijn bagage een verantwoordelijkheid die geen Kalief vóór hem had gedragen: de losse bladen van wat de Mushaf zou worden, in handen die ze door geen ander zou laten dragen.
Zo trok de Kalief op. Niet de heersersfiguur die de Romeinen of Perzen herkenden, niet een keizer met een gevolg van duizenden, geen tronend hoofd met wachten en banieren. Hij ging zoals hij in Medina liep, in eenvoudige doeken, op een kameel die hij zelf voor de Hajj had aangekocht uit de toelage die de mensen hem hadden toegekend uit het bait al-mal. ʿAʾishah ﵂ overleverde later wat haar vader had gedaan met de schenkingen die hij van de gemeenschap had aanvaard. Hij had ze gerekend, en uit zijn eigen erfenis aan haar opgedragen om wat overbleef bij zijn dood terug te geven aan het bait al-mal. Zelfs in zijn Hajj-uitrusting was hij een man die meer terugbracht dan hij meenam.
Op de heilige paden
Toen de karavaan Medina verliet en zuidwaarts trok over de oude wegen die naar Makkah voeren, liep zij dezelfde paden die de Profeet ﷺ minder dan drie jaar eerder had bewandeld in de Hajjat al-Wadaʿ, de Afscheidshajj. Elke halte sprak. Dhul-Hulayfah, waar de Profeet ﷺ de ihram had aangetrokken en de woorden Labbayk Allahumma labbayk voor het eerst als Boodschapper en als pelgrim tegelijk had uitgesproken. ar-Rawhaʾ, al-Juhfah, ʿUsfan. Op elk van deze plaatsen hadden de moslims hun talbiyah laten klinken in 10 AH, in het laatste jaar van de profeet ﷺ. In 12 AH werden diezelfde plaatsen opnieuw doorkruist, ditmaal door een man die niet meer een metgezel onder metgezellen was, maar de Khalifat Rasul Allah, de plaatsvervanger van de Boodschapper van Allah ﷺ, en die zelf hoorde tot de weinigen die zich elk woord van die laatste Hajj nog precies konden herinneren.
Suyuti ﵀ geeft ons de geografie van de tocht niet in detail; hij vermeldt eenvoudig dat de Kalief de Hajj verrichtte. Maar achter die enkele woorden ligt een ervaring die elk Sahabi-hart kende. Wie naar Makkah trekt na een jaar van oorlog, treedt een ander land binnen dan wie er in vredestijd komt. De muhrim die in Dhul-Hulayfah de zwaardgordel afgespt en het ongenaaide kleed aantrekt, treedt af van zijn macht. De Kalief op de heilige paden is voor die dagen geen Kalief meer. Hij is een dienaar van Allah ﷻ tussen dienaren, een pelgrim tussen pelgrims, met enkel het roepen Labbayk om hem te onderscheiden van wie naast hem rijdt.
Voor Abu Bakr ﵁ was er één persoonlijk gewicht dat geen ander deelde. In 9 AH, in het Jaar van de Delegaties, had de Profeet ﷺ hém aangesteld over de Hajj toen hijzelf niet ging. Dat was de Hajj waarin Soera at-Tawbah voor het eerst in het openbaar werd voorgedragen, waarin ʿAli ﵁ de Profeet ﷺ inhaalde om de openbaring aan de stammen door te geven, waarin de eed werd verkondigd dat na dat jaar geen mushrik de Heilige Moskee meer mocht naderen. Abu Bakr ﵁ had toen geleid, in de schaduw van de Boodschapper ﷺ. In 10 AH had de Profeet ﷺ zelf geleid in de Hajjat al-Wadaʿ. In 11 AH had ʿUmar ﵁ geleid namens de Kalief.
En nu, in 12 AH, leidde Abu Bakr ﵁ zelf, voor het eerst als drager van het kalifaat. Hij stond opnieuw op dezelfde grond als in 9 AH, maar de hand die hem had aangesteld was niet meer aan deze zijde van de sluier.
Op ʿArafat
De ochtend van de negende van Dhul-Hijjah was helder en koud. De zon klom over de zwarte ruggen van de bergen rond ʿArafat en wierp het lange licht van een woestijnochtend over de vlakte. Honderdduizenden pelgrims, of zoveel als Medina en de stammen die nog niet uit de Ridda waren teruggekeerd konden leveren, stelden zich op aan de voet van Jabal ar-Rahmah, de Berg van Barmhartigheid. Het was hier dat de Profeet ﷺ minder dan drie jaar geleden zijn Afscheidsrede had uitgesproken. Hier dat hij had gevraagd: Heb ik niet overgeleverd? En de menigte had geantwoord: Bij Allah, ja. Hier dat Soera al-Maʾidah was voltooid met de openbaring dat de Religie was vervolmaakt.
Wat Abu Bakr ﵁ op die dag aan de pelgrims voordroeg, geeft Suyuti ﵀ in deze passage niet woordelijk. Wij weten alleen dat hij leidde, dat hij de talbiyah liet klinken, dat hij de gebeden samenvoegde en verkortte zoals de Profeet ﷺ had voorgedaan, dat hij de menigte rond zonsondergang naar Muzdalifah leidde, en dat hij in Mina de stenen wierp en het offer slachtte. De Kalief deed wat elke pelgrim doet, en het was juist die overeenkomst die de boodschap van zijn aanwezigheid was. Hij wilde niet onderscheid maken tussen zichzelf en de minste pelgrim in de menigte. Hij stond op ʿArafat als een dienaar van Allah ﷻ.
Het was deze houding die hem in heel zijn kalifaat had gekenmerkt, en die op ʿArafat haar meest geconcentreerde uitdrukking vond. Hij had bij zijn aantreden vanaf de minbar in Medina gezegd: “Mensen, ik ben in gezag over u gesteld en ik ben niet de beste van u. Indien ik goed doe, sta mij dan bij; en indien ik onrecht doe, zet mij dan recht.” Wat hij toen tegen de Ansar en de Muhajirun ﵃ had gezegd in de Masjid an-Nabawi, herhaalde hij in stilte op ʿArafat tegenover Allah ﷻ. Hij was geen koning, geen heerser bij gratie van het bloed. Hij was een dienaar in de eerste rij, een man die de gemeenschap diende uit naam van Iemand boven hem.
De terugkeer naar Mina
In Mina, op de dagen van het verblijf na ʿArafat, werd de Kalief omringd door pelgrims uit elke uithoek van het schiereiland dat zojuist door de Ridda was gegaan. Stammen die een jaar tevoren in opstand waren gekomen, knielden nu naast hem in het gebed. Banu Tamim, Banu Hanifa, Asad en Ghatafan, allen tezamen, hun afgevaardigden gehuld in het witte kleed van de pelgrim. Sommigen van hen droegen aan hun zwaarden nog de schrammen van Buzakhah of al-Yamamah. Anderen waren broers, ooms, neven van de zeventig sahabah ﵃ die op de Dag van al-Yamamah waren gevallen. Op de paden van Mina kruisten overwinnaar en overwonnene, rouwende en rouwende, en in de talbiyah die zij tezamen riepen klonk een eenheid die geen zwaard had kunnen smeden.
De Kalief vroeg geen erewacht. Hij vroeg geen aparte tent. Hij at met wie er was, sliep waar hij sliep, en luisterde naar de klachten van wie naar hem toekwam zoals hij in Medina luisterde naar de klachten van de mensen aan zijn poort. Suyuti ﵀ overlevert elders dat Abu Bakr ﵁ na zijn aantreden tot Kalief de geiten van de weduwen van zijn buurt was blijven melken zoals hij dat als gewone burger had gedaan. Toen een meisje had geklaagd dat de nieuwe Kalief nu wel te druk zou zijn voor zo’n simpele dienst, had hij gezegd: “Bij Allah, ik zal het melken voor jullie blijven doen. Ik hoop dat dit aanstellen tot kalief niets aan mij zal veranderen wat ik gewoon was.” De man die de geiten in as-Sunh melkte, was dezelfde die op ʿArafat de pelgrims leidde. En dat was, zo zou ʿAli ﵁ later opmerken, het diepste geheim van zijn gezag.
Het verdwijnen van een schaduw
In de namiddagen van Mina, wanneer de hitte over de tenten kwam te liggen en de pelgrims onder de schaduw rustten, moet de Kalief vaak gedacht hebben aan wat in deze zelfde vlakte ruim twee jaar geleden was gebeurd. Hij was er geweest, naast de Profeet ﷺ, toen het laatste woord van de Afscheidsrede klonk. Hij had de Profeet ﷺ zijn vinger naar de hemel zien heffen en horen vragen: Heb ik overgeleverd? Hij had geantwoord met de duizenden anderen: Bij Allah, ja. En hij had gezien hoe de Profeet ﷺ daarna terugkeerde naar Medina, hoe de eerste tekenen van vermoeidheid zich aankondigden, hoe ten slotte in Rabīʿ al-Awwal van 11 AH de hoofdstem van de Islam zweeg.
In 12 AH was de schaduw van de Profeet ﷺ uit ʿArafat verdwenen, en tegelijk niet verdwenen. Wat in dat smalle dal had geklonken, hing in elk woord dat de pelgrim na hem zou uitspreken. De talbiyah zelf was bevrijd van de oude shirk; de zuivere formule die Ibrahim ﵇ had hersteld, was opnieuw gevestigd. Labbayk Allahumma labbayk, labbayka la sharika laka labbayk. Hier ben ik, o Allah, hier ben ik. Geen partner naast U. Niets meer toegevoegd. De zes eeuwen van afgoderij waren in tien jaar van Medina ontbonden en in de Hajj van 9 en 10 AH definitief teruggesnoeid. Wat Abu Bakr ﵁ in 12 AH leidde, was de eerste Hajj van een gemeenschap die geheel zonder de stem van haar Boodschapper ﷺ in dat dal stond.
Hij wist dat. Hij wist het beter dan wie ook. En men kan zich, zonder Suyuti ﵀ te overschrijden, voorstellen dat hij op de avond na ʿArafat, toen de hemel donker werd boven Muzdalifah en de pelgrims de stenen verzamelden voor de jamarat van de volgende dag, even alleen op een rots zat met zijn gezicht naar de Kaʿbah toe. Hij dacht aan zijn metgezel ﷺ. Hij dacht aan de Hajj van negen, aan de Hajj van tien, aan de talbiyah die in dezelfde mond had gewoond als de openbaring zelf. Hij dacht aan hoe weinig tijd er was geweest en hoeveel tijd ervoor moest komen.
Het keren van een cyclus
Toen de Kalief na de elfde, de twaalfde en de dertiende van Dhul-Hijjah Mina verliet en terugkeerde naar Makkah voor de afscheidstawaaf, was de cirkel die in 9 AH was begonnen rond. In 9 AH had hij de Hajj geleid namens de Profeet ﷺ, om met Tawbah te verkondigen dat de Heilige Moskee voortaan alleen aan de moslims toebehoorde. In 10 AH had de Profeet ﷺ in eigen persoon geleid om het Boek te voltooien en de gemeenschap af te ronden. In 11 AH had ʿUmar ﵁ geleid omdat de Kalief in Medina onmisbaar was. En in 12 AH leidde Abu Bakr ﵁ opnieuw, niet meer als plaatsvervanger van de Boodschapper ﷺ, maar als de Khalifat Rasul Allah, de drager van zijn ambt.
Hij wist, en zij die hem zagen voelden het, dat dit waarschijnlijk zijn enige Hajj als Kalief zou zijn. Hij was negenenvijftig of zestig op dat moment, ouder dan de mediaanleeftijd waarop de Arabieren van zijn tijd hun werk neerlegden, en het bestuur van het kalifaat in een schiereiland dat zojuist door de Ridda was gegaan, had zijn gezondheid niet ontzien. Suyuti ﵀ vermeldt elders dat hij in deze jaren grijs was geworden zoals weinige mannen grijs werden, dat zijn gezicht mager en zijn lichaam licht was van het vasten en het waken. Wie hem op de afscheidstawaaf zag, zag een man wiens dagen niet talrijk meer waren.
In Suyuti’s tekst zelf staat al de bittere bevestiging. Twee bladzijden eerder noteert hij dat het in datzelfde jaar 12 AH was dat het leger van ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁ naar Syrië werd gezonden, en dat de slag van Ajnadayn in Jumādā al-Ūlā van 13 AH zou worden geslagen. En hij voegt toe: “Abu Bakr ﵁ kreeg het blijde nieuws toen hij dicht bij de dood was.” Tussen de Hajj van 12 AH en de overwinning van Ajnadayn lag een goede zes maanden. In die zes maanden zou de Kalief de fever krijgen die hem niet meer zou loslaten, zou hij zijn testament aan ʿUthman ﵁ dicteren, en zou hij zijn ziel teruggeven aan Allah ﷻ.
Maar dit alles wist hij nog niet toen hij de afscheidstawaaf om de Kaʿbah verrichtte. Hij wist alleen dat hij stond waar Ibrahim ﵇ had gestaan, waar Ismail ﵇ de eerste stenen had gestapeld, waar de Profeet ﷺ als kind had gespeeld en als man de afgoden had omgegooid. Hij raakte de Zwarte Steen aan zoals zijn metgezel ﷺ hem had aangeraakt. Hij dronk uit Zamzam zoals Hajar ﵍ tussen Safa en Marwa had gerend om dat water voor haar zoon te zoeken. En in de zachte schemering van die middag in Makkah hief hij zijn handen op en sprak een duʿa die geen mens optekende.
Het laatste beeld
Wanneer men, op afstand van veertien eeuwen, een beeld wil meenemen uit de Hajj van 12 AH, dan is het dit. Een man op leeftijd, in twee witte doeken, staand op de hellingen van ʿArafat onder een woestijnzon, omringd door de gemeenschap die hij van afval had teruggebracht. Niet de heerser die de stammen had verslagen, niet de Kalief die de troepen had uitgezonden naar Ubullah en Ajnadayn, niet de man die de Mushaf in zijn bewaring had genomen, maar de pelgrim die zijn voorhoofd in het zand had gelegd. Het zand van de plaats waar zijn metgezel ﷺ minder dan drie jaar geleden had gestaan en gevraagd: Heb ik overgeleverd?
Hij had overgeleverd. En de man die in die dagen leidde, leverde wat hij had ontvangen verder over aan wie na hem zouden komen. Dat was zijn Hajj. Dat was zijn ambt. Dat was de zin van zijn leven.
Toen hij de stad weer uitreed, de karavaan zuidoostwaarts terug naar Medina, was hij nog Kalief. Bij zijn aankomst in Medina, in de eerste weken van 13 AH, zou de fever beginnen. En in Jumādā al-Ākhirah van datzelfde jaar zou hij worden begraven naast de man met wie hij in 9 AH naast de Kaʿbah had gestaan, en met wie hij in de schaduw van Jabal ar-Rahmah de talbiyah had geroepen.
Maar nu, op het keerpunt van zijn ambt, in de hoge Hajj-dagen van 12 AH, stond hij nog in ʿArafat. Een Kalief tussen pelgrims. Een dienaar tussen dienaren. Een man die wist wat hij droeg, en bij wie hij het zou achterlaten.
Bronnen
- Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk 1995), pp. 64, 65–67, 69.
