De vlakte die wachtte
Tussen de woestijn van het Hijaz en de palmoasen van Bahrein, in een lange strook van zandvlaktes en lage rotsruggen, ligt al-Yamamah. Vandaag heet de streek al-Kharj en al-Jubayla, een netwerk van bronnen en velden ten zuiden van de huidige stad Riyad. In het jaar 11 AH droeg zij een andere naam en een ander gewicht. Daar woonde Banu Hanifa, een stam die wel groot was zonder ooit edel te zijn geweest, met haar centra rond Hajr en ʿAqraba. En daar was, in een huis aan de rand van een oase, een man oud geworden die zich profeet noemde.
Hij heette Maslama ibn Habib. De Arabieren noemen hem in hun spot Musaylimah, “het kleine Maslama-tje”, en zij voegden eraan toe wat zijn eigen leven hem niet had afgenomen: al-kadhdhab, de Leugenaar. Hij was een man van fragmentarische welsprekendheid, met een stem die in de tenten klonk en een hand die op het lichaam van een slaaf wonderen poogde te doen. Zijn leeftijd was, zo overlevert de traditie die ook in Suyuti ﵀ doorklinkt, niet meer te tellen op de gewone schaal. Hij was geboren, zo zegt het verhaal, voor ʿAbdullah, de vader van de Profeet ﷺ. Dat zou zijn ouderdom over de honderd dragen, sommige overleveringen rekenen tot honderdvijftig jaar. Geen mens leeft zo lang zonder dat zijn leugens hem op het laatst opeten. Op de drempel van het jaar 12 AH had Musaylimah ze nog niet allemaal opgegeten. Maar het bord stond klaar.
In Medina had Abu Bakr ﵁ zojuist de berichten van Khalid ibn al-Walid ﵁ uit Najd ontvangen. Banu Asad en Ghatafan waren teruggebracht; ʿUkkashah ﵁ en Thabit ﵁ waren gevallen; Tulayha was als profeet ontmaskerd en gevlucht. De khalifa schreef een nieuwe brief en zond hem oostwaarts. Trek door naar al-Yamamah, stond erin. Daar is een werk dat niet kan worden uitgesteld.
De keten van de commando’s
Khalid ﵁ was niet de eerste tegen Musaylimah. Abu Bakr ﵁ had eerder twee andere commandanten gestuurd. ʿIkrimah ibn Abi Jahl ﵁, de zoon van de aartsvijand uit Mekka die door zijn bekering een van de helderste sahabah was geworden, had zich met zijn troepen te dicht bij Yamamah gewaagd voordat de hoofdmacht hem zou bereiken. Hij was teruggedrongen, niet verslagen maar niet zegevierend. Sharhabil ibn Hasanah ﵁ was hem ter ondersteuning gestuurd en had hetzelfde lot gedeeld. Abu Bakr ﵁ schreef hen beiden een brief die voor altijd de toon van zijn gezag draagt: blijf waar je bent, ik zal je niet vervangen want jij bent geen schuld; wacht op Khalid ﵁, en valt na zijn aankomst in de gelederen. De khalifa beschermde zijn officieren met dezelfde nuchterheid waarmee hij zijn legers uitstuurde. Zij waren niet zijn eer; zij waren zijn broeders.
Kaart laden...
Khalid ﵁ kwam binnen Banu Hanifa-gebied met een leger waarvan de bronnen het aantal in de duizenden plaatsen, met een grote kern van Muhajirun en Ansar daarbinnen. Musaylimah trok op met wat een veelvoud was: Banu Hanifa was talrijk, en zij had zich in haar nieuwe profeet gewikkeld zoals een man die het koud heeft zich in een mantel wikkelt. Zij vochten niet alleen voor hem, zij vochten voor hun eigen onafhankelijkheid van Medina, voor het idee dat in hun vlakte een profeet kon worden geboren die hen niet aan Quraysh zou onderwerpen. De twee zaken hadden zich vervlochten: religieuze afval en politieke trots. Het zwaard van Khalid ﵁ moest beide tegelijk doorhakken.
De eerste ontmoeting
De legers ontmoetten elkaar in de open vlakte buiten ʿAqraba. De grond was er bedrieglijk; korte, harde aardlagen wisselden met zandige greppels die paarden tot struikelen brachten. Khalid ﵁ stelde zijn troepen op in de orde die hij van de Profeet ﷺ had geleerd: Muhajirun aan de ene flank, Ansar aan de andere, de stam-eenheden van de Bedoeïenen tussen hen in, het centrum bij Khalid ﵁ zelf met de vlag van Medina.
Suyuti ﵀ vat het verloop samen in één enkele alinea. “Toen ging Khalid ﵁ met zijn leger naar al-Yamamah om Musaylimah de Leugenaar te bestrijden, tegen het einde van het jaar. De twee legers ontmoetten elkaar, de belegering duurde enige dagen, en toen werd de Leugenaar gedood, moge Allah ﷻ hem vervloeken. Wahshi, die Hamzah ﵁ doodde, doodde hem.”
Tussen die zinnen ligt het geheel van een veldtocht die de Oemma in twee weken haar zwaarste verliezen sinds Uhud zou opleveren. De eerste dag begonnen ongunstig. Banu Hanifa drong door in het midden, de Bedoeïense flank kraakte, en in het stof van de ochtend reden delen van het moslimleger zich los van het hoofdfront. De vrouwen die bij de bagagewagen achterbleven, onder wie Asma’ bint Saleem ﵂ en de moeder van enkele jonge sahabah, zagen vluchtende mannen aan zich voorbijtrekken en deelden hen ranselingen uit met hun palmtakken.
Khalid ﵁ herorganiseerde. Hij riep de Muhajirun en de Ansar onder afzonderlijke vlaggen, en hij riep elke stam onder zijn eigen vlag, opdat geen man zich kon verstoppen in de menigte van een ander. Vandaag, schreeuwde hij over de linie, zal elke vlag zien wie onder haar staat. Het was geen gebruikelijke organisatie. Het was de organisatie die mannen onder hun eigen naam aanspreekt. En het werkte. Wie wist dat zijn stam hem zou zien vallen of vluchten, week niet meer.
De Tuin van de Dood
Banu Hanifa trok zich na de eerste schermutselingen terug naar een ommuurde tuin, een grote ommuring rond een palmplantage die diende als hun laatste verdedigingspunt. Hadiqat ar-Rahman noemde Musaylimah het, de tuin van Allah de Erbarmer, zoals hij ook zichzelf Rahman al-Yamamah had genoemd. De Oemma zou hem later een andere naam geven die de eeuwen heeft doorstaan: Hadiqat al-Mawt, de Tuin van de Dood.
Kaart laden...
Veldslag laden...
De muur was hoog. Hij omsloot tienduizenden van Banu Hanifa, gewapend en niet gewapend, hun vrouwen en hun goederen, hun profeet en zijn lijfwacht. Vanaf de zijde van de moslims rezen geen klimwerktuigen, geen ladders zoals bij Khaybar. Khalid ﵁ stond voor de poort en wist dat de tijd hem niet veel toestond. Wachten betekende vermoeidheid, betekende dorst, betekende de mogelijkheid dat versterking voor Banu Hanifa zou aankomen uit Bahrein of uit de Hanifa-uitlopers tegen de oostzijde. Hij moest in.
Een sahabi, in sommige overleveringen al-Bara’ ibn Malik ﵁, de broer van Anas ibn Malik ﵁, riep dat hij over de muur zou worden geworpen. Hef mij op uw schilden, zei hij, en werp mij binnen. Ik zal de poort openen of als shahid sterven. Mannen aarzelden; hij dwong. Zij hieven hem op verschillende schilden tegelijk en wierpen hem over de muur. Hij viel hard, brak iets, kwam overeind, en ploegde zich met zijn zwaard door de eerste rij naar de poort. Het was de roekeloosheid van een gelovige, niet van een dwaas; het was, zo zou later worden gezegd, de poort van de Tuin van de Dood en de poort van zijn eigen ongeloof in de dood.
De poort ging open. Khalid ﵁ stortte binnen met zijn cavalerie, gevolgd door de Muhajirun en de Ansar, en het slagveld werd in dat moment niet langer een veld maar een tuin tussen palmen, met smalle gangen tussen de bomen, met huizen aan de randen, met de cohesie van een leger gebroken in tientallen schermutselingen. Het verloop binnen Hadiqat al-Mawt was niet meer een orde van vlaggen maar een serie van persoonlijke gevechten. En daarin verschoof de geschiedenis op een manier die niemand in Medina had kunnen voorspellen.
De man met de speer
Onder de Muhajirun bevond zich een man die in elke andere stadium van zijn leven niet zou zijn opgemerkt. Hij was groot, donker, voormalig Habash-slaaf, met een speerhand die in de Arabische wereld geen gelijke had. Zijn naam was Wahshi ibn Harb ﵁. Hij had ooit, vele jaren eerder, op de heuvel van Uhud een speer geworpen die het lichaam van Hamzah ibn ʿAbd al-Muttalib ﵁ had doorboord, de oom van de Profeet ﷺ, de leeuw van Allah ﷻ en van Zijn Boodschapper ﷺ. Wahshi had toen voor zijn meesteres Hind bint ʿUtbah gewerkt, die hem zijn vrijheid had beloofd in ruil voor het bloed van Hamzah ﵁.
Hij had de speer geworpen. Hij had zijn vrijheid gekregen. Hij had het lichaam van Hamzah ﵁ zien verminken door de hand van Hind. Hij had gevlucht naar Ta’if, en jaren later, toen Mekka tot de islam was teruggekeerd, was hij uiteindelijk naar de Profeet ﷺ zelf gekomen om de shahadah uit te spreken. De Profeet ﷺ had hem aangezien en hem één gunst gevraagd: blijf uit mijn zicht, want ik kan jouw gezicht moeilijk verdragen zonder aan mijn oom te denken. Wahshi ﵁ had het aanvaard, in stilte. Hij had zich teruggetrokken; hij had geleefd in de gemeenschap maar niet voor het oog van de Profeet ﷺ; hij had gewacht.
Wahshi ﵁ zelf heeft later overgeleverd wat in hem gebeurde toen de aankondiging kwam dat Khalid ﵁ tegen Musaylimah zou optrekken.
Wahshi ﵁: Bij Allah ﷻ, ik heb met deze ene speer de beste van de mensen gedood, Hamzah ﵁ ibn ʿAbd al-Muttalib, toen ik ongelovig was. Ik hoop dat Allah ﷻ mij vergunt om met diezelfde speer de slechtste van de mensen te doden, opdat de tweede daad bij Hem worde ingeschreven tegen de eerste.
Hij ging mee met het leger niet als een commandant, niet als een vooraanstaande sahabi, niet als een man met een vlag. Hij ging mee met zijn speer en met die ene gedachte.
De ontknoping
Binnen Hadiqat al-Mawt, in de chaos van de palmgangen, zag Wahshi ﵁ op een gegeven moment een gestalte tegen de muur. Een man met een mantel om zich heen, in een nis tussen twee bomen, met enkele lijfwachten voor hem. Wahshi ﵁ zag onmiddellijk wat het was. Hij naderde langs een omtrekkende route, hief zijn speer op, beval zijn lichaam te herinneren wat het op de heuvel van Uhud had gedaan, en wierp.
De speer trof Musaylimah in de borst en kwam aan de andere zijde door zijn rug uit. Op datzelfde moment stortte een tweede sahabi, Abu Dujanah Simak ibn Harb ﵁, vanuit de andere zijde toe met zijn zwaard, en in een houw verging het hoofd van de Leugenaar. Abu Dujanah ﵁ zelf zou in dezelfde gevechten vallen; zijn naam staat in Suyuti’s lijst van de gesneuvelden.
Wahshi ﵁ zou later, telkens wanneer iemand hem ernaar vroeg, twee zaken zeggen. Hij had de beste van de mensen gedood toen hij ongelovig was, en hij had de slechtste van de mensen gedood toen hij moslim was, en hij hoopte dat Allah ﷻ hem voor de tweede de eerste zou vergeven. Hij sprak niet met trots; hij sprak met de stem van een man die zijn schuld kende en die de vergeving had ontvangen die de Profeet ﷺ in zijn leven had uitgehouden om zelf te geven. Hij stierf later in Hims, op hoge leeftijd, na een leven dat in stilte werd voortgezet.
Wat in deze worp besloten lag
Het is moeilijk te overschatten wat de Oemma in dit moment ontving. Aan het ene eind van de geschiedenis stond Uhud, met het gemartelde lichaam van Hamzah ﵁ aan de voet van de heuvel, en de Profeet ﷺ die boven hem stond en zei dat hij hem niet kon herkennen aan zijn gezicht. Aan het andere eind stond ʿAqraba, met het lichaam van de Leugenaar van Yamamah aan de voet van een palm, en dezelfde Wahshi ﵁ die zijn speer terugnam met een hand die nu een hand van een moslim was.
Tussen die twee ogenblikken lag het hele begrip van tawbah in de islam. Niet als psychologische troost, niet als ritueel weken in tranen, maar als een diepe omkering waarin de hand die het kwaad had gedaan in dezelfde jihad werd gebruikt voor het werk waarvoor zij geschapen was. Wahshi ﵁ kreeg niet zijn straf kwijtgescholden door een grootmoedige uitspraak. Hij kreeg de gelegenheid om met dezelfde gereedschappen, op dezelfde manier, in dezelfde stof, in de andere richting te lopen.
Wat de Profeet ﷺ in zijn leven niet kon, omdat de wond van Uhud nog te vers was om dagelijks naar Wahshi ﵁ te kijken, voltrok Allah ﷻ na zijn dood. Hij plaatste Wahshi ﵁ op het veld waar de meest gehate vijand van de Boodschap zou vallen, en gaf hem dezelfde speer in de hand. Wie kan de vergeving van Allah ﷻ peilen wanneer Hij haar zo regisseert. De Oemma bewaart deze gebeurtenis niet om Wahshi ﵁ tot een held te maken; zij bewaart het om de poort van tawbah zo wijd te tonen dat geen zondaar er ooit nog langs kan lopen met de waan dat zijn fout te groot is.
De prijs in moslimbloed
De Tuin sloot zich, maar voor de poort lag een rij van shuhada die de Oemma in zijn jonge bestaan nog niet had gekend. Suyuti ﵀ noemt zeventig sahabah die in deze ene veldtocht vielen. Hij geeft een lijst, en wij geven de namen hier niet pad-zoekend door als getallen maar als een rij van zielen die elk op zichzelf een hele weg vertegenwoordigen.
Abu Hudhayfah ibn ʿUtbah ﵁, een van de eerste Muhajirun, gestorven naast zijn vrijgemaakte slaaf Salim mawla Abi Hudhayfah ﵁, twee mannen die in het leven nooit van elkaar waren gescheiden en die in de dood elkaar omhelsden onder dezelfde palm. Hun lichamen werden later naast elkaar gevonden, hand aan hand, in de bloedrode aarde.
Shujaʿ ibn Wahb ﵁, de man die jaren eerder de Profeet ﷺ als gezant naar de Ghassanieden had vergezeld. Zayd ibn al-Khattab ﵁, de oudere broer van ʿUmar ﵁, die zich vóór ʿUmar tot de islam had bekeerd en wiens naam ʿUmar ﵁ nooit meer kon noemen zonder een traan in zijn oog. ʿUmar ﵁ zou later, toen hij zelf khalifa was, tegen iemand zeggen: de wind die mij voorgaat in elke goede zaak is Zayd, want hij is mij voorgegaan in de islam en hij is mij voorgegaan in de shahadah. Zayd ﵁ viel in Yamamah onder de vlag van de Muhajirun.
ʿAbdullah ibn Sahl ﵁; Malik ibn ʿAmr ﵁; at-Tufayl ibn ʿAmr ad-Dawsi ﵁, de poëet uit Daws die zelf jaren eerder zijn stam tot de islam had geroepen, en die nu in al-Yamamah de prijs van zijn eigen leven voor de Oemma neerlegde. Yazid ibn Qais ﵁; ʿAmir ibn al-Bukayr ﵁; ʿAbdullah ibn Makhramah ﵁; as-Saʾib ibn ʿUthman ibn Madhʿun ﵁, neef van Khadijah ﵂ in de bredere lijn van Banu Jumah; ʿAbbad ibn Bishr ﵁; Maʿan ibn ʿAdi ﵁; Thabit ibn Qais ibn Shamas ﵁, de stem van de Ansar, die op de minbar van de Profeet ﷺ had gesproken namens de helpers in Medina. En Abu Dujanah Simak ibn Harb ﵁, de man die naast Wahshi ﵁ de slag aan de mantel van Musaylimah had toegebracht; hij viel in dezelfde gevechten waarin hij de Leugenaar had gedood, en zijn lichaam werd in de avond naast de muur van de tuin gevonden, met zijn zwaard nog in zijn hand.
Onder de zeventig was ook ʿAbdullah ibn Abi Bakr ﵁, zoon van de khalifa zelf. Hij was niet bij Yamamah gestorven in een formele zin maar in Shawwal van datzelfde jaar overleden aan een wond die hij eerder bij Ta’if had opgelopen en die nu opnieuw was opengebroken in de spanning van de veldtocht; in de chronologie van Suyuti ﵀ valt zijn dood in dezelfde maanden, in dezelfde golf, in hetzelfde hoofdstuk van bloed dat de jonge Oemma in zijn vader’s kalifaat had te betalen.
Wat het verlies van zeventig huffaz betekende
De hardste rekening was niet alleen in de hoeveelheid maar in de aard. Onder deze zeventig waren mannen die de Quran van begin tot eind van buiten kenden. Sommigen waren onder de vier of vijf die de Profeet ﷺ zelf in een hadith had genoemd. De Oemma had op dat moment, vele jaren voor de uitvinding van papier op grote schaal, geen ander mechanisme van bewaring dan twee parallelle kanalen: het geschreven fragment in de handen van wahy-schrijvers, en het geheugen in de borst van de huffaz. Beide moesten elkaar bevestigen om zekerheid te brengen. Wanneer een schouderblad verloren ging, was de tekst nog veilig zolang een hafiz hem droeg. Wanneer een hafiz viel, was de tekst nog veilig zolang een schouderblad of perkament hem droeg. Maar wanneer beide samen wegvielen, zonder dat een dubbele getuigenis was zekergesteld, kon iets verschuiven.
In Hadiqat al-Mawt vielen niet alleen mannen; in Hadiqat al-Mawt vielen mondelinge archieven. Elk van deze zeventig droeg in zijn borst een deel of het geheel van de Quran. Elk van hen had de Profeet ﷺ verzen horen reciteren in de moskee, in de strijd, op de minbar, in de nacht, op kamelen, op de hoogten van Mekka. Elk van hen droeg een register dat niet kon worden gedupliceerd. Met zeventig graven onder de palmen van Yamamah was de Oemma een hoeveelheid geheugen kwijtgeraakt die zij niet kon vervangen door simpelweg nieuwe namen toe te voegen.
Khalid ﵁ wist het toen hij de doden telde. ʿUmar ibn al-Khattab ﵁ wist het toen hij de verslagen in Medina las. Maar van alle mannen die het wisten, was er één die het wist als een wond. Zijn naam was ʿUmar ﵁ zelf, en wat hij na de terugkeer van het leger aan Abu Bakr ﵁ zou voorleggen, zou de Oemma voor altijd haar Mushaf geven.
De terugkeer naar Medina
Khalid ﵁ liet Banu Hanifa achter onder de voorwaarden van Abu Bakr ﵁: terugkeer tot de islam, gebed, zakat, hoofden hoog maar gehoorzaam. De gevangenen werden geteld; de buit werd verdeeld volgens de wetten van het Boek; de gewonden werden verzorgd onder de palmen waar de doden waren begraven. Onder de gevangenen was een dochter van Mujjaʿah ibn Murara ﵁, een van de notabelen van Banu Hanifa die het verstandige besluit hadden genomen om met Khalid ﵁ te onderhandelen. Zij zou later worden vrijgelaten, naar Medina worden gebracht, en uiteindelijk Muhammad ibn ʿAli ibn Abi Talib voortbrengen, beter bekend als Muhammad ibn al-Hanafiyyah, de Bani Hanifa-naam in zijn naam dragend tot in de Umayyaden-tijd.
Khalid ﵁ schreef Abu Bakr ﵁ van het slagveld. De brief was kort. Hij gaf de namen van de gesneuvelden voor zover hij ze kon ophalen; hij gaf het aantal van zeventig; hij gaf de naam van Musaylimah als gedood; hij meldde de terugkeer van Banu Hanifa tot de islam. Hij gaf geen verheerlijking van zijn eigen rol. Het waren zijn paarden die de poort waren binnengereden, maar zijn brief liet anderen voor zich spreken: de speer van Wahshi ﵁, de sprong van al-Bara’ ibn Malik ﵁, het hoofd in de hand van Abu Dujanah ﵁.
In Medina las Abu Bakr ﵁ de brief. Hij las hardop, in de moskee, met een stem die niet brak ook al was elke regel een wond. Hij las de namen voor één voor één. Hij stond bij elke naam stil. Hij riep over Zayd ibn al-Khattab ﵁ een du’a uit waarin hij zijn broer in herinnering bracht aan ʿUmar ﵁, die naast hem stond met droge ogen omdat een man die in publiek huilt geen man is, maar wiens hart men kon horen kraken in de stilte tussen de namen.
De stilte na het lezen van de namen
Toen Abu Bakr ﵁ de laatste naam had gelezen, vouwde hij de brief en gaf hem aan zijn klerk. Hij sprak nog een dua. Hij wendde zich tot Allah ﷻ over deze gevallenen die Hem hadden toebehoord, die de Oemma voor een tijd waren geleend en die Hij nu tot Zich had teruggeroepen. Hij vroeg dat het Boek dat zij in hun borsten hadden gedragen door Hem bewaard zou worden, opdat geen letter van wat zij memoriseerden ooit verloren zou gaan.
De woorden waren formuleus, gewone bewoordingen van een gebed bij rouwbericht. Maar in de mond van Abu Bakr ﵁ in dat moment, met de namen van zeventig huffaz nog warm op de pagina, droegen zij een beslissing die nog geen vorm had gekregen. Hij wist iets, en hij wist dat hij het wist. Hij wist dat het Boek dat de Oemma in stukken bij zich droeg, in honderden borsten en op honderden fragmenten, een lichaam had dat nu niet meer onkwetsbaar was. Wanneer zeventig huffaz in één gevecht kunnen vallen, dan kan in een volgend gevecht honderd vallen, en in een volgende oorlog tweehonderd. En tussen één en honderd verzen kan, als beide getuigen tegelijk vallen voordat het schouderblad onder dubbele bevestiging is opgenomen, een lichte rimpeling ontstaan die door de eeuwen heen onverbeterlijk zou worden.
Hij sprak die gedachte nog niet uit. Hij liep terug naar het huis van as-Sunh. Hij at zijn karige maaltijd, hij sliep een korte slaap, hij stond op voor het nachtgebed. Maar in zijn binnenste begon iets dat hij niet kon uitzetten. ʿUmar ﵁, in zijn eigen huis aan de overzijde van de stad, voelde dezelfde druk. De broer die hij had verloren was niet alleen een broer; hij was een drager. En Zayd ﵁ was niet de enige drager die was gevallen. En wie hen samen had gehoord reciteren, wist wat in hen was begraven.
Het hinge dat zich vormde
Enkele dagen later, in de moskee, of misschien in de schaduw van de palmen voor het huis van Abu Bakr ﵁ in as-Sunh, schoven ʿUmar ﵁ en Abu Bakr ﵁ tegenover elkaar. Wat in dat gesprek werd uitgesproken, hoort niet bij dit hoofdstuk maar bij het volgende. Het is daar dat de Oemma haar Mushaf ontvangt, niet bij Khalid ﵁ in de Tuin van de Dood maar bij Zayd ibn Thabit ﵁ in de moskee van Medina. Maar dat gesprek werd door Yamamah mogelijk gemaakt. Zonder de zeventig grafstenen onder de palmen, zonder de namen die Abu Bakr ﵁ in stilte hardop had gelezen, zou ʿUmar ﵁ in zijn eigen huis hebben gerouwd en niet aan de deur van de khalifa hebben geklopt. Zonder de stilte na het lezen van de namen, zou Abu Bakr ﵁ niet de innerlijke ruimte hebben gevonden om eerst te aarzelen en daarna te zeggen bij Allah ﷻ, het is goed.
Yamamah was niet alleen een slag. Yamamah was de poort waaruit het Mushaf van de Oemma naar buiten kwam. Wahshi ﵁ doodde de Leugenaar; al-Bara’ ﵁ sprong over de muur; Abu Dujanah ﵁ viel met zijn zwaard in zijn hand. Maar de eigenlijke vrucht van die dagen rijpte niet onder de palmen van ʿAqraba. Zij rijpte in het hoofd van een jongeman in Medina die nog niet wist dat een berg op hem afkwam. Zijn naam was Zayd ibn Thabit ﵁, en hij was de andere Zayd, niet die in Yamamah was gevallen maar die in Medina aan zijn lessenaar wachtte op een opdracht die hij zelf nooit zou hebben durven vragen.
Het zwijgen van de Tuin
Wie vandaag door de streek van al-Kharj rijdt, ziet niets van wat hier gebeurde. De palmplantage is verdwenen, de muur is in de grond gezakt, de bronnen zijn verlegd. Maar de Oemma draagt de naam Hadiqat al-Mawt in haar geheugen alsof de aarde er gisteren is omgewoeld. Daar viel de eerste valse profeet die de islam met militaire kracht had bestreden. Daar viel Wahshi ﵁ zijn schuld af. Daar vielen zeventig huffaz van wier graven de wind nog draagt wat zij in hun borsten droegen. En daar opende zich, zonder dat iemand toen de woorden had om het te zeggen, de poort waardoor het Boek in zijn definitieve vorm de Oemma zou binnenkomen.
Dat is wat Suyuti ﵀ in zijn ene paragraaf compromisloos heeft bewaard. Een Leugenaar gedood door een vergeven zondaar. Een lijst van namen die elk een geheel leven vertegenwoordigt. Een korte zin over de terugkeer van Khalid ﵁ naar Medina. En daarachter, in stilte, de hinge waarop de tekstgeschiedenis van de Quran kantelt. De volgende bladzijde van zijn boek begint met de woorden van ʿUmar ﵁ tegen Abu Bakr ﵁ over de slachting van de Dag van al-Yamamah, en hoe hij vreest dat de strijd zich nog verder zal uitbreiden tot de reciteurs in deze gevechten, zodat veel van de Quran zal verdwijnen tenzij zij hem verzamelen. Maar dat is de volgende bladzijde. Voor nu, in de stille tuin van ʿAqraba, ligt de aarde over de doden, en het Zwaard van Allah ﷻ wendt zich naar het noorden.
Bronnen
- Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk 1995), p. 63.
