InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Abu Bakr Al-Siddiq ﵁ vóór de khilafah
De Rechtgeleide KhaliefenAbu Bakr as-Siddiq ﵁

Abu Bakr Al-Siddiq ﵁ vóór de khilafah

Zijn volle naam is: Abu Bakr ʿAbdullah ibn Abi Quhafah ʿUthman ibn ʿAmir ibn ʿAmr ibn Kaʿb ibn Saʿd ibn Taym ibn Murrah ibn Kaʿb ibn Luʾayy ibn Ghalib al-Qurashi at-Taymi. Banu Taym was niet de grootste tak van Quraish. Banu Hashim had de zorg voor het eten en drinken van de pelgrims, Banu ʿAbd ad-Dar bewaakte de Kaʿbah en bond de banier van de oorlog wanneer Quraysh ten strijde trok. Banu Taym had geen van deze ceremoniele posten. Zij stonden bekend om hun handel en het oplossen van geschillen.

Loading family tree...

Zijn vader was Abu Quhafah ʿUthman ﵁, hij zou pas in het veertiende jaar van de Hijra overlijden, op 97-jarig leeftijd. Zijn moeder was Salma bint Sakhr ibn ʿAmir ibn Kaʿb ﵂, een vrouw uit dezelfde Banu Taym. Zij droeg de bijnaam Umm al-Khayr, de Moeder van het Goede, een naam die haar leven samenvatte voordat haar zoon de zijne had geleefd.

ʿAbdullah die ʿAteeq werd

ʿAteeq, betekent letterlijk de Vrijgemaakte, de Vrijgelatene, hij die uit slavernij is gehaald. Hoe hij die naam kreeg, daarover verschillen de geleerden. De sterkste, die Suyuti ﵀ uit meerdere overleveringsketenen verzamelt, gaat terug op de Profeet ﷺ zelf: dat hij ﷺ zijn metgezel ﵁ omkeek en zei: “Jij bent ʿAteeq, vrijgemaakt door Allah ﷻ van het Vuur.” Dat moment, gaf hem een naam die geen mens hem kon afnemen. Vrijgemaakt van het Vuur. Niet omdat hij in zijn jeugd wijn had geweigerd, niet omdat hij zijn dochter met de Profeet ﷺ had gehuwd, niet omdat hij zijn rijkdom had uitgegeven aan vrijkoop van slaven. Vrijgemaakt omdat de Profeet ﷺ het had uitgesproken op gezag van de Openbaring die door hem sprak.

De andere uitleg, die ʿAʾishah ﵂ overlevert en die Suyuti ﵀ niet uitsluit, is dat ʿAteeq simpelweg de oudste naam was waaronder Banu Taym hem kende, omdat hij van een lange ononderbroken lijn van vrije Arabieren afstamde. Maar de sterkere lezing, de lezing die de eeuwen heeft doorgegeven, is die van de Profeet ﷺ.

Na de Nacht van al-Isra’ kreeg hij een derde naam, en die naam was niet uit een menselijke mond. Toen de Profeet ﷺ na de Nachtreis terugkeerde en aan zijn volk vertelde dat hij in één nacht naar Bayt al-Maqdis was gebracht en daarvandaan naar de hemelen was opgestegen, lachte Quraysh hem uit. Sommige van de nieuwe bekeerden wankelden. Men zocht ʿAbdullah ibn Abi Quhafah ﵁ op om hem te confronteren met de buitensporigheid van het verhaal, in de overtuiging dat hij, de bedachtzame, de kalme, hier wel zou aarzelen. Hij aarzelde niet. Hij vroeg slechts of de Profeet ﷺ dit werkelijk had gezegd. Toen zij dat bevestigden, antwoordde hij dat als de Profeet ﷺ het had gezegd, het waar was.

Vanaf die dag noemde Allah ﷻ hem op de tong van Jibril ﵇ en op de tong van de Profeet ﷺ as-Siddiq, de Getuige van de Waarheid, de Bekrachtiger, hij wiens woord het waar-zijn van een ander vasthoudt. Geen andere mens in de hele Islamitische traditie zou ooit met die titel worden vereerd. Suyuti ﵀ benadrukt dat ash-Shaʿbi ﵀ zelfs zegt dat dit een van vier eigenschappen is waarmee Allah ﷻ hem alleen heeft uitverkozen, naast zijn metgezelschap in de grot, zijn nabijheid op de Hijra en zijn aanstelling om de gebeden te leiden in de laatste ziekte.

De jonge jaren in Jahiliyya

Hij groeide op in een Makkah dat nog niet wist dat het op het keerpunt van zijn geschiedenis stond. Een Makkah van afgoden, van wijn, bloedvetes en handelskaravanen die naar Al-Shaam en Jemen vertrokken. Een Makkah waarin een jonge man van familie en eer geacht werd zijn deel te nemen van het ritueel en het gezelschap, te drinken bij de pelgrims, te dichten bij de dichters, te lachen bij de dwazen. Hij deed geen van deze dingen.

Er wordt overgeleverd dat Abu Bakr ﵁ nooit een dichtregel gesproken, noch in de Jahiliyya, noch in de Islam, en hij en ʿUthman ﵁ het drinken van wijn hadden opgegeven in de Jahiliyya.

De vraag werd hem zelfs een keer in een gezelschap van metgezellen voorgelegd, jaren later, toen de hele kwestie van wijn en Jahiliyya tot het verleden behoorde. Iemand zei tot hem: “Hebt u in de Jahiliyya wijn gedronken?” Hij antwoordde: “Ik zoek mijn toevlucht bij Allah ﷻ.” Iemand vroeg: “Waarom?” Hij zei:

Abu Bakr ﵁: Ik trachtte mijn eer te beschermen en mijn manlijkheid te bewaken, want wie wijn drinkt, verliest zijn eer en zijn manlijkheid.

Toen dit de Profeet ﷺ bereikte, zei hij twee maal: “Abu Bakr ﵁ heeft de waarheid gesproken, Abu Bakr ﵁ heeft de waarheid gesproken.”

Hij hield zich verre van wat de mannen om hem heen verlaagde, omdat hij voelde dat een mens niet voor verlaging is gemaakt. Hij was, in zijn eigen woorden, niet uit een religieuze drift hanif maar uit een diepere instinct van eerbied voor zichzelf en voor wat in hem werd bewaard. En dat is, in de wijsheid van de overlevering, juist de voorbereiding waardoor hij later zonder aarzeling het hele idee van Islam in zich kon opnemen.

Hij was handelaar van beroep, nadat hij was aangesteld als khalifah en zelfs op de ochtend na de baiʿah had ontvangen, had hij de gewoonte zijn lappen stof op zijn rug te laden en richting de markt te vertrekken. ʿUmar ﵁ sprak hierop en met de woorden dat de moslims hem nu nodig hadden voor andere zaken. Een koopman in stoffen, een man wiens vingers de wol kenden en de zijde, wiens reputatie in Makkah die was van een handelaar bij wie men niet hoefde te onderhandelen omdat zijn eerste prijs ook zijn laatste was.

Ibn Saʿd ﵀ overlevert van ʿAʾishah ﵂ een fysieke beschrijving die opmerkelijk gedetailleerd is: een blanke man, slank gebouwd, met holle wangen en een lichte gebogenheid van de schouders; hij kon zijn onderkleed niet behouden boven zijn lendenen, het gleed steeds af; mager van gelaat, met diepliggende ogen, een vooruitstekend voorhoofd en handen waarvan de ruggen vrijwel zonder vlees waren. Geen krijger van uiterlijk, geen reus van gestalte. Een tengere man, zonder kostbaarheden, met handen die werkten en een blik die ver was.

Hij verfde later, vermeldt Anas ﵁, zijn haar en baard met henna en katam, het indigo van de Arabieren, omdat hij grijsharig werd en de Profeet ﷺ hem aanmoedigde dit gebruik. Een detail dat de man zichtbaar maakt. Een veertiger met witte haren, gekleurd in henna en indigo, lopend door de stoffige straten naar de stof-soeq, met onder zijn arm zijn lappen.

De eerste die geloofde

Wanneer de eerste openbaring kwam in de grot van Hira, was Abu Bakr ﵁ niet in de grot. Hij was in Makkah, in zijn huis, of in zijn winkel, of bij Khadijah ﵂ thuis, want hij was een vriend van het huishouden van zijn neef Muhammad ﷺ. Toen de Profeet ﷺ zijn ervaring deelde met Khadijah ﵂, en zij hem naar Waraqah ibn Nawfal bracht, en de boodschap zich in de stilste kring begon te verspreiden, kwam de tweede die geloofde uit zijn eigen vriendenkring.

De Profeet ﷺ heeft het later zelf gezegd, en Ibn Ishaq ﵀ overlevert het van Muhammad ibn ʿAbd ar-Rahman ibn ʿAbdullah ibn al-Husayn at-Tamimi ﵀:

De Profeet ﷺ: Ik heb nooit iemand uitgenodigd tot Islam, of hij voelde er een afkeer voor en aarzelde en bedacht zich, behalve Abu Bakr ﵁. Hij aarzelde niet toen ik hem eraan herinnerde, en hij was niet besluiteloos.

Al-Bayhaqi ﵀ verklaart waarom: omdat hij de bewijzen van het profeetschap van de Boodschapper van Allah ﷺ al had gezien, en de sporen ervan al had gehoord vóór de uitnodiging, zodat hij toen hij werd uitgenodigd al gereflecteerd en nagedacht had, en hij onderwierp zich en aanvaardde de Islam onmiddellijk.

Suyuti ﵀ noemt nog een tweede overlevering, die de zaak persoonlijker maakt. Abu Maysarah ﵀ vertelt dat de Profeet ﷺ, voordat het profeetschap hem werd toegekend, soms een stem hoorde die hem riep: “Muhammad!” wanneer hij op een afgelegen plaats liep. Hij vluchtte dan terug, en het enige hart waaraan hij dat in vertrouwen vertelde was dat van Abu Bakr ﵁, zijn vriend uit de Jahiliyya. De ene man was de andere al onthuld voordat de openbaring viel.

Ibn ʿAbbas ﵁ overlevert van de Profeet ﷺ zelf: “Ik sprak nooit tot iemand over Islam, of zij weigerden mij en wezen mijn woorden af, behalve de zoon van Abu Quhafah. Ik sprak nooit tot hem over iets, of hij aanvaardde het en stond standvastig daarin.” En in de bekende hadith van Abu’d-Darda’ ﵁, overgeleverd door Al-Bukhari ﵀, citeerde de Profeet ﷺ zelf in een ruzie tussen zijn metgezellen ﵃: “Wilt u mij mijn metgezel laten? Ik zei, ‘Mensen, ik ben de Boodschapper van Allah ﷻ tot u allen,’ en u zei, ‘U liegt.’ Abu Bakr ﵁ zei, ‘U hebt de waarheid gesproken.’”

Of hij de allereerste was, daarover hebben de geleerden verschillende posities ingenomen die Suyuti ﵀ zorgvuldig naast elkaar zet. Sommigen zeiden ʿAli ﵁, sommigen Khadijah ﵂, sommigen Abu Bakr ﵁. Suyuti ﵀ neemt over wat Imam Abu Hanifah ﵀ als eerste zou hebben geformuleerd: Khadijah ﵂ was de eerste vrouw die geloofde, ʿAli ﵁ de eerste van de kinderen, en Abu Bakr ﵁ de eerste van de vrije volwassen mannen. Die verzoening hield stand omdat zij de feiten droeg en geen van de getuigenissen tekort deed.

Maar één getuigenis snijdt door alle disputen heen, en Suyuti ﵀ stelt het centraal. Het is van Muhammad ibn al-Hanafiyyah ﵀, de zoon van ʿAli ﵁, die werd gevraagd door Salim ibn Abi’l-Jaʿd: “Was Abu Bakr ﵁ de eerste die de Islam aanvaardde?” Hij antwoordde: “Nee.” Salim vroeg: “Hoe komt het dan dat Abu Bakr ﵁ zo uitblonk en de anderen voorbijging dat niemand anders dan hij genoemd wordt?” Hij zei:

Muhammad ibn al-Hanafiyyah ﵀: Omdat hij de beste van hen was in Islam vanaf het moment dat hij de Islam aanvaardde tot het moment dat hij zijn Heer ﷻ ontmoette.

Daarin ligt het hele geheim. Niet wanneer hij begon, maar hoe hij eindigde. Niet de chronologie van bekering, maar de standvastigheid van een leven dat geen breuken kende, geen aarzelingen, geen tweede gedachten.

De vroege da’wa en de bekering van de zeven

In de eerste dagen na zijn bekering ging hij niet thuiszitten. Hij was, schrijft Suyuti ﵀, een man wiens reputatie zo gevestigd was in Makkah dat zijn woord deuren opende die voor de Profeet ﷺ zelf nog gesloten waren. Hij was bemind. Hij was vertrouwd. Hij wist welke vriend hij waarop kon aanspreken, welk huis hij om welk uur kon binnenstappen. En hij gebruikte die kennis als een wapen voor wat hij nieuw had aanvaard.

Suyuti ﵀ vermeldt in de openingsbladzijden van zijn relaas een lijst die de geschiedenis van de vroege Islam vormt. Hij somt op dat door Abu Bakr ﵁ tot Islam werden geleid: ʿUthman ibn ʿAffan ﵁, az-Zubayr ibn al-ʿAwwam ﵁, Talha ibn ʿUbaydillah ﵁, ʿAbd ar-Rahman ibn ʿAwf ﵁, Saʿd ibn Abi Waqqas ﵁.

Vijf mannen, en wat een vijf. De latere derde khalifah, de neef van de Profeet ﷺ die in Badr en in al-Jamal nog grote rollen zou spelen, de man die uiteindelijk de schoonzoon van de Profeet ﷺ zou worden en de eerste van de tien zou zijn die de Tuin werd beloofd. Vijf van de tien die de Tuin werd beloofd in één leven, gevoed door één paar handen. Dit is wat een vriend van Makkah kon doen toen hij eenmaal had gekozen voor de waarheid: hij bracht zijn vrienden mee.

Ibn ʿAsakir ﵀ overlevert van ʿAli ﵁ zelf: “Toen Abu Bakr ﵁ de Islam aanvaardde, was hij open over zijn Islam en hij nodigde mensen uit tot Allah ﷻ en tot Zijn Boodschapper ﷺ.” Hij was niet de geheime gelovige. Hij was niet de aangepaste handelaar die in stilte bleef bidden. Hij sprak. En toen het aantal van de moslims achtendertig was gegroeid, schrijft ʿAʾishah ﵂, drong Abu Bakr ﵁ de Profeet ﷺ aan om openbaar te worden. De Profeet ﷺ zei: “Abu Bakr ﵁, wij zijn weinigen.” Maar Abu Bakr ﵁ liet niet af, totdat de Profeet ﷺ instemde.

De moslims gingen toen elke uithoek van de Moskee van Makkah binnen, elke man bij zijn eigen verwanten, en Abu Bakr ﵁ stond op tussen het volk en sprak hen toe, zodat hij de eerste publieke spreker werd die mensen uitnodigde tot Allah ﷻ en Zijn Boodschapper ﷺ. De afgodendienaars sprongen toen op Abu Bakr ﵁ en op de moslims, en zij sloegen hen in elke hoek van de Moskee, zeer hevig.

De eerste publieke khutbah in de geschiedenis van de Islam was niet van de Profeet ﷺ. Hij was van Abu Bakr ﵁. De eerste man die er voor stond, die de slagen ontving, wiens gezicht bebloed werd door de vuisten van Quraysh in de Heilige Moskee zelf, was de tengere koopman met de holle wangen.

Maar zijn da’wa stopte niet bij vrije mannen van Quraysh. Zij ging dieper, naar de mensen die de samenleving van Makkah liefst niet zag.

De vrijgekochten

Op een dag, vermeldt Ibn Jarir ﵀ via ʿAmir ibn ʿAbdullah ibn az-Zubayr ﵀, kwam Abu Quhafah ﵁, de oude vader van Abu Bakr ﵁, naar zijn zoon en zei tegen hem:

Abu Quhafah ﵁: Zoon, ik zie dat u zwakke mensen vrijkoopt. Waarom koopt u geen sterke mannen vrij die u zouden steunen, u zouden beschermen en aanvallers van u zouden afweren?

Abu Bakr ﵁: Vader, ik wil dat wat bij Allah ﷻ is.

Een vader die in handelsoogmerk dacht. Een zoon die in eeuwigheidsoogmerk dacht. En tussen die twee perspectieven lag het hele drama van de Hijaz.

Suyuti ﵀ noemt het bedrag dat Abu Bakr ﵁ bij zijn bekering bezat: veertigduizend dinars, of in een andere versie veertigduizend dirhams. Tegen de tijd dat hij naar Medina emigreerde, bleven hem nog vijfduizend dirhams. Hij had het verschil uitgegeven aan het vrijkopen van slaven en aan het ondersteunen van de zaak van de Islam. Vijfendertigduizend dirhams die door zijn handen waren gegaan, niet naar handelswinst, niet naar paleizen, niet naar uitbreidingen van zijn eigen huis, maar naar de bevrijding van mensen die door Makkah niet meer als mensen werden behandeld.

ʿUrwah ﵀ vermeldt dat Abu Bakr ﵁ zeven slaven heeft vrijgekocht, elk van wie werd gemarteld omwille van Allah ﷻ. Suyuti ﵀ noemt geen volledige lijst in de openingsbladzijden, maar de traditie heeft de namen bewaard. De eerste was Bilal ibn Rabah ﵁, de Abessijnse slaaf van Umayyah ibn Khalaf, die op het hete zand van Makkah werd vastgebonden met een rotsblok op zijn borst, brandend onder de zon, en die toch bleef herhalen: “Ahad, Ahad.” Een, Een. Eén God. Eén Heer. Abu Bakr ﵁ kwam langs, zag wat er gebeurde, en kocht hem onmiddellijk vrij. Ibn Masʿud ﵁ overlevert dat hij Bilal ﵁ kocht van Umayyah ibn Khalaf en Ubayy ibn Khalaf voor een mantel en tien stukken zilver (ongeveer een ons elk). Daarna stelde hij hem vrij omwille van Allah ﷻ.

Toen werd over hen geopenbaard, vertelt Ibn Masʿud ﵁: “Bij de nacht wanneer zij bedekt…” tot de woorden: “…waarlijk uw inspanningen zijn verschillend,” verwijzend naar de inspanningen van Abu Bakr ﵁, Umayyah en Ubayy. Het is het einde van Soera al-Layl, dat ook het rijkste eerbetoon aan zijn vrijgevigheid bevat:

وَسَيُجَنَّبُهَا الْأَتْقَى ۝ الَّذِي يُؤْتِي مَالَهُ يَتَزَكَّىٰ ۝ وَمَا لِأَحَدٍ عِندَهُ مِن نِّعْمَةٍ تُجْزَىٰ ۝ إِلَّا ابْتِغَاءَ وَجْهِ رَبِّهِ الْأَعْلَىٰ ۝ وَلَسَوْفَ يَرْضَىٰ

"En verre daarvan zal worden gehouden wie het meest godvrezend is, die zijn rijkdom geeft om zich te louteren, en niemand bij hem heeft een gunst die hem vergolden zou moeten worden, behoudens het zoeken van het Aangezicht van zijn Hoogste Heer. En waarlijk, hij zal tevreden zijn."

Soera al-Layl 92:17–21

Ibn al-Jawzi ﵀ schrijft: zij stemmen unaniem in dat dit over Abu Bakr ﵁ werd geopenbaard. Een vers in de Quran. Een vers dat tot aan het Uur over hem zal worden gereciteerd, dat hem voor altijd noemt zonder zijn naam te noemen, dat hem aanduidt met een definitief lidwoord, al-Atqā, de Meest Godvrezende.

Behalve Bilal ﵁ kocht hij vrij wie de traditie als ʿAmir ibn Fuhayrah ﵁ kent, de herder die later met hen op de Hijra de schapen langs de sporen zou drijven om de voetafdrukken te wissen. En de vrouwen Zinnirah ﵂, Umm ʿUbays ﵂, en al-Nahdiyyah ﵂ met haar dochter, vrouwen die nooit op straat een man hadden weerstaan, die nu door hun meesters werden gemarteld om hun geloof. Hij kocht hen vrij, gaf hen hun naam terug, en zond hen naar het huis van Allah ﷻ.

De moed in de schaduw van de Profeet ﷺ

Wanneer in een gezelschap van metgezellen ﵃ later de vraag opkwam wie de moedigste van de mensen was, vroeg ʿAli ﵁ hen ronduit te zeggen wie volgens hen die titel verdiende. Zij zeiden: “U, Abu’l-Hasan.” Hij antwoordde:

ʿAli ﵁: Wat mij betreft, ik kwam nooit iemand tegen, of ik nam mijn recht van hem. Maar zeg mij, wie is de moedigste van de mensen?

De aanwezigen: Dat weten wij niet. Wie is het?

ʿAli ﵁: Abu Bakr ﵁. Op de Dag van Badr maakten wij een schuilplaats van de zon voor de Boodschapper van Allah ﷺ, en toen zeiden wij, “Wie zal bij de Boodschapper van Allah ﷺ zijn, zodat geen van de afgodendienaars op hem kan vallen?” Bij Allah ﷻ, geen van ons kwam naderbij, behalve Abu Bakr ﵁, die een zwaard zwaaide boven het hoofd van de Boodschapper van Allah ﷺ. Niemand viel hem aan, of hij viel terug op hem. Dus hij is de moedigste van de mensen.

Suyuti ﵀ vervolgt deze woorden van ʿAli ﵁ met een tweede getuigenis: “Ik zag de Boodschapper van Allah ﷺ, en Quraysh greep hem. De een hield hem vast en een ander wierp hem neer en zij zeiden, ‘Bent u de gene die de goden tot één god heeft gemaakt?’ Bij Allah ﷻ, geen van ons kwam naderbij behalve Abu Bakr ﵁, die de een sloeg en de andere terughield en weer een ander neerwierp, zeggend, ‘Wee u! Zult u een man doden omdat hij zegt: Mijn Heer ﷻ is Allah?’” Toen, vervolgt ʿAli ﵁, hief hij een mantel die hij droeg op en weende totdat zijn baard nat was, en zei: “Ik bezweer u bij Allah ﷻ, is de gelovige van het volk van Firʿawn beter, of Abu Bakr ﵁?” De mensen zwegen. ʿAli ﵁ zei: “Zult u niet antwoorden? Bij Allah ﷻ, een uur van Abu Bakr ﵁ is beter dan duizend uren van de gelovige van het volk van Firʿawn. Hij was een man die zijn iman verborg, en deze was een man die openlijk uitkwam voor zijn iman.”

Twee scènes in één getuigenis. Een schuilplaats van takken op Badr, waar de Profeet ﷺ rustte terwijl Abu Bakr ﵁ met getrokken zwaard tussen hem en de woestijn stond. En een straat in Makkah waar de Profeet ﷺ door zijn eigen verwanten bij zijn keel werd gegrepen, en waar diezelfde tengere koopman met de holle wangen zichzelf tussen hun handen en zijn vriend wierp. Hij was de man die op de Dag van Uhud, toen iedereen vluchtte, de eerste was die terugkeerde, zoals hij zelf in een hadith bij al-Haytham ibn Kulayb ﵀ heeft overgeleverd: “Op de Dag van Uhud vluchtte iedereen van de Boodschapper van Allah ﷺ, en ik was de eerste die terugkeerde.”

De engelen, vermeldt Abu Hurayrah ﵁, verheugden elkaar op de Dag van Badr en zeiden tegen elkaar: “Ziet u as-Siddiq niet bij de Boodschapper van Allah ﷺ in de schuilplaats?” En de Profeet ﷺ zelf zei tegen ʿAli ﵁ en Abu Bakr ﵁ op de Dag van Badr: “Met een van u is Jibril ﵇ en met de andere is Mikaʾil ﵇.” De moed van Abu Bakr ﵁ was geen woeste moed, geen krijgersmoed van de oude Arabier die het zwaard van zijn voorvaders zwaaide. Het was de moed van iemand die wist wat hij beschermde en waarom, en die zonder verheffing van stem voor zijn vriend ging staan zoals een muur voor een schat staat.

De rijkdom die hij gaf

Wat ʿAli ﵁ over zijn moed zei, herhaalde de hele umma in de eeuwen daarna over zijn vrijgevigheid. De Profeet ﷺ zelf zou over hem zeggen, zoals Ahmad ﵀ overlevert van Abu Hurayrah ﵁: “Geen rijkdom heeft mij ooit zo veel gebracht als de rijkdom van Abu Bakr ﵁.” Abu Bakr ﵁ weende en zei: “Zijn ik en mijn rijkdom voor iemand anders dan u, Boodschapper van Allah ﷺ?”

De beroemdste scène uit zijn vrijgevigheid speelt zich af op de avond voor het vertrek naar Tabuk, in het negende jaar van de Hijra, wanneer de Profeet ﷺ zijn volgelingen oproept om bij te dragen voor de uitrusting van het leger dat naar de Byzantijnse grens zou trekken. ʿUmar ibn al-Khattab ﵁ heeft zelf overgeleverd, in een hadith die door Abu Dawud ﵀ en at-Tirmidhi ﵀ als hasan sahih is geclassificeerd:

ʿUmar ﵁: De Boodschapper van Allah ﷺ beval ons sadaqah te geven, en dat viel samen met wat ik aan rijkdom bezat, dus ik zei: “Vandaag zal ik Abu Bakr ﵁ overtreffen, als ik hem ooit zal overtreffen.” En ik bracht de helft van mijn rijkdom.

De Profeet ﷺ: Wat heeft u voor uw familie achtergelaten?

ʿUmar ﵁: Hetzelfde als wat ik heb gebracht.

ʿUmar ﵁ (vervolgend): Toen kwam Abu Bakr ﵁ met alles wat hij had.

De Profeet ﷺ: Abu Bakr ﵁, wat hebt u voor uw familie achtergelaten?

Abu Bakr ﵁: Ik heb voor hen Allah ﷻ en Zijn Boodschapper ﷺ achtergelaten.

ʿUmar ﵁: Ik zal hem nooit ofte nimmer in iets overtreffen.

Hier is alles. Hier is wat de hele biografie tot deze zin wilde komen. Een man die zijn hele rijkdom in één keer overhandigt aan de zaak van Islam, en die wanneer hem wordt gevraagd wat hij voor zijn vrouw en zijn kinderen heeft achtergelaten, niet aarzelt, niet preekt, niet uitlegt. Hij geeft de enige waarachtige boekhouding die hij kent. Allah ﷻ en Zijn Boodschapper ﷺ. Een vermogen dat niet weg te schenken is. Een nalatenschap die niet kan worden geërfd door dieven, niet kan worden geroofd door de tijd. Voor zijn familie was dat genoeg.

In een andere overlevering van al-Hasan al-Basri ﵀ via Abu Nuʿaym ﵀ in al-Hilyah komt Abu Bakr ﵁ met zijn sadaqah en verbergt hem, en zegt: “Boodschapper van Allah ﷺ, dit is mijn sadaqah, en Allah ﷻ kan tot mij terugkeren voor meer.” ʿUmar ﵁ komt openlijk en zegt: “Boodschapper van Allah ﷺ, dit is mijn sadaqah, en ik kan tot Allah ﷻ terugkeren voor meer.” De Profeet ﷺ zei: “Het verschil tussen uw twee sadaqahs is hetzelfde als het verschil tussen uw woorden.”

En in een aandoenlijk detail dat Ibn Shahin ﵀ overlevert van Ibn ʿUmar ﵁: er kwam een dag dat Jibril ﵇ tot de Profeet ﷺ neerdaalde en Abu Bakr ﵁ in een grove geitenharen mantel zag, vastgemaakt op zijn borst met een spies omdat hij geen knoop meer had. Jibril ﵇ vroeg waarom Abu Bakr ﵁ er zo uitzag. De Profeet ﷺ zei: “Jibril ﵇, hij heeft zijn rijkdom op mij uitgegeven voor de Opening (van Makkah).” Jibril ﵇ zei: “Allah ﷻ zendt vredegroeten aan hem en zegt tot hem: ‘Bent u tevreden met Mij in deze armoede van u, of ontevreden?’” Abu Bakr ﵁ antwoordde, alsof hij zelf het Goddelijke aanspraak hoorde door de keel van Jibril ﵇:

Abu Bakr ﵁: Zou ik ontevreden zijn met mijn Heer? Ik ben tevreden met mijn Heer ﷻ. Ik ben tevreden met mijn Heer ﷻ. Ik ben tevreden met mijn Heer ﷻ.

Suyuti ﵀ merkt op dat de isnad zwak is, maar dat de overlevering veel paden heeft en dat zij de geest van wat over Abu Bakr ﵁ bekend is volledig getrouw weergeeft. Een man wiens armoede zijn glorie was, omdat hij die armoede had gekocht met zijn rijkdom, en die rijkdom had besteed aan de Boodschapper van Allah ﷺ.

De kennis en de droomuitleg

Zijn vrijgevigheid en zijn moed waren bekend bij iedereen die hem zag. Zijn kennis was bekend bij de Profeet ﷺ alleen. Suyuti ﵀ wijdt een hele sectie aan de waarheid dat Abu Bakr ﵁ de meest geleerde van de metgezellen ﵃ was, en dat zijn kennis breder en dieper was dan zijn weinig sprekende mond zou doen vermoeden.

An-Nawawi ﵀ verzamelt het in zijn Tahdhib: de metgezellen ﵃ kwamen tot hem voor fatwa. Wanneer hen een geschil werd voorgelegd, keek Abu Bakr ﵁ eerst in het Boek van Allah ﷻ. Vond hij daar een grondslag voor een oordeel, dan oordeelde hij op die grondslag. Vond hij in het Boek geen aanwijzing maar kende hij een Sunnah van de Boodschapper van Allah ﷺ over die kwestie, dan oordeelde hij op die grondslag. Kon hij geen weg vinden, dan ging hij uit en vroeg de moslims: “Zus en zo is mij voorgelegd. Weet u of de Boodschapper van Allah ﷺ daarover een oordeel heeft gegeven?” Soms verzamelde zich dan een groep om hem heen, ieder van hen een oordeel van de Boodschapper van Allah ﷺ noemend. Abu Bakr ﵁ zei dan: “Lof zij Allah ﷻ, Die onder ons hen heeft geplaatst die behoud en onthoud wat van onze Profeet ﷺ komt.”

Hij was de meest geleerde van de Arabieren in genealogie, vooral van Quraysh. Hij was de meest bekwame in de uitleg van dromen. Muhammad ibn Sirin ﵀, die zelf de grootste droomuitlegger van de volgende generatie zou zijn, getuigde door algemene consensus: “Abu Bakr ﵁ was de meest bekwame van deze umma na de Profeet ﷺ om een betekenis uit een droom te trekken.”

De Profeet ﷺ zelf zei, zoals ad-Daylami ﵀ overlevert van Samurah ﵁: “Mij is bevolen de droom uit te leggen en hem aan Abu Bakr ﵁ te onderwijzen.” Een onderwijzing van Profeet aan metgezel ﵁, niet zomaar in een randwetenschap maar in een tak van inzicht die in de Quran zelf is verbonden met Yusuf ﵇ en de gevangenis. Dat de Profeet ﷺ hem onderwees, was zelf een onderwijzing voor de hele umma over wie Abu Bakr ﵁ was.

Bij Hudaybiyyah, toen ʿUmar ﵁ vol zorg naar de Profeet ﷺ ging om te vragen waarom de moslims een schijnbare vernedering moesten aanvaarden, en de Profeet ﷺ hem had geantwoord, ging ʿUmar ﵁ vervolgens naar Abu Bakr ﵁ en stelde hem dezelfde vraag. Abu Bakr ﵁ antwoordde hem precies zoals de Profeet ﷺ hem had geantwoord, woord voor woord. Hij had niet gehoord wat de Profeet ﷺ had gezegd. Hij wist het uit dezelfde bron. Niet dat hij de openbaring ontving, maar dat zijn hart zo afgestemd was op de Profeet ﷺ dat hetzelfde water uit twee verschillende kranen kwam.

En An-Nawawi ﵀ besluit met de meest aangrijpende detail. Toen de Profeet ﷺ in zijn laatste preek vertelde over “een slaaf aan wie Allah ﷻ de keuze heeft gegeven tussen de wereld en dat wat bij Hem is, en die slaaf heeft gekozen voor dat wat bij Allah ﷻ is,” weende alleen Abu Bakr ﵁. De andere metgezellen ﵃ waren verbaasd over zijn tranen, want zij dachten dat de Profeet ﷺ over een willekeurige slaaf sprak. Maar Abu Bakr ﵁ had begrepen dat de Profeet ﷺ zelf de slaaf was, en dat hij ﷺ koos om Allah ﷻ te ontmoeten. Hij was de enige die het had begrepen.

De grot van Thawr

En toen kwam de Hijra. Toen Quraysh besloten dat de Boodschapper van Allah ﷺ moest sterven, en de jongelingen van elke stam werden samengeroepen om gezamenlijk de slag uit te delen zodat geen enkele clan de schuld zou dragen, vertelde Jibril ﵇ aan de Profeet ﷺ dat de tijd om Makkah te verlaten was gekomen. Hij ging naar het huis van Abu Bakr ﵁ op een ongebruikelijk uur. Abu Bakr ﵁ zag aan zijn gezicht dat er een belangrijke aanleiding moest zijn, en hij wist het toen hij hoorde wat het was.

Wat in die nacht en in de dagen daarna gebeurde, is bekend bij ieder kind dat Islam leert. Twee mannen, één Profeet ﷺ en één metgezel ﵁, die het paleisbastion van Quraysh achterlieten en zich verborgen in de grot van Thawr ten zuiden van Makkah, in de tegenovergestelde richting van Medina, om de verwachte vluchtroute te misleiden. Drie nachten lang in een nauwe holte. Het gevolg vermeldt Suyuti ﵀ niet in details, want hij citeert de Quran zelf als zijn primaire bron voor wat zich daar afspeelde:

إِلَّا تَنصُرُوهُ فَقَدْ نَصَرَهُ اللَّهُ إِذْ أَخْرَجَهُ الَّذِينَ كَفَرُوا ثَانِيَ اثْنَيْنِ إِذْ هُمَا فِي الْغَارِ إِذْ يَقُولُ لِصَاحِبِهِ لَا تَحْزَنْ إِنَّ اللَّهَ مَعَنَا ۖ فَأَنزَلَ اللَّهُ سَكِينَتَهُ عَلَيْهِ وَأَيَّدَهُ بِجُنُودٍ لَّمْ تَرَوْهَا

"Als u hem niet helpt, dan heeft Allah hem reeds geholpen toen degenen die ongelovig waren hem hadden verdreven, als de tweede van twee, toen zij beiden in de grot waren, toen hij tot zijn metgezel zei: 'Wees niet bedroefd, waarlijk Allah is met ons.' En Allah zond Zijn rust op hem neer en versterkte hem met legers die u niet zag."

Soera at-Tawbah 9:40

De moslims, schrijft Suyuti ﵀, zijn unaniem overeengekomen dat de metgezel ﵁ die hier wordt genoemd Abu Bakr ﵁ is, en er bestaat een overlevering van Ibn Abi Hatim ﵀ via Ibn ʿAbbas ﵁ over de woorden van Allah ﷻ “toen zond Allah Zijn rust op hem neer”: dat dit op Abu Bakr ﵁ sloeg, want wat de Profeet ﷺ betreft, de rust was altijd op hem.

In dit vers, één vers in heel de Quran, wordt een mens die geen profeet is gevangen in een goddelijke benoeming. “Zijn metgezel.” Sāhibihi. Een woord dat verwantschap en nabijheid en deelgenootschap omvat. Ibn ʿAsakir ﵀ vermeldt dat aanhangers van Ibn ʿUyaynah ﵀ deze gevolgtrekking maken: Allah ﷻ heeft alle moslims berispt over de Boodschapper van Allah ﷺ, behalve Abu Bakr ﵁ alleen, want hij is uitdrukkelijk uitgesloten van de berisping. Toen reciteerde hij: “Als u hem niet helpt, dan heeft Allah hem reeds geholpen toen degenen die ongelovig waren hem hadden verdreven, als de tweede van twee, toen zij beiden in de grot waren.”

Hassan ibn Thabit ﵁ heeft het in poëzie gevangen, en de Profeet ﷺ zelf, vermeldt Ibn Saʿd ﵀ van az-Zuhri ﵀, lachte er om totdat zijn achterste tanden zichtbaar werden, en zei tegen Hassan ﵁: “U hebt de waarheid gezegd, Hassan; hij is zoals u zegt.” De verzen, die Suyuti ﵀ in vertaling weergeeft, luiden:

Hassan ibn Thabit ﵁: “En de ‘tweede van de twee’ in de glorieuze grot, De vijand ging rondom toen hij de berg beklom. De liefde van de Boodschapper van Allah ﷺ voor hem, die kenden zij reeds, Geen mens hield hij gelijk aan hem.”

De Profeet ﷺ zou later, zoals Ibn al-Musayyab ﵀ overlevert via al-Hakim ﵀, Abu Bakr ﵁ noemen als zijn tweede in alles: tweede in Islam, tweede in de Grot, tweede in de schuilplaats op de Dag van Badr, tweede in het graf. Vier keer tweede aan dezelfde man, en in elk van die vier scènes was hij niemand anders dan Abu Bakr ﵁.

De Hajj van het negende jaar en de keuze voor de salat

De jaren in Medina gingen voorbij in oorlog, in vrede, in openbaring, in stilte. Badr, Uhud, de Loopgraaf, Bani Quraydhah, Hudaybiyya, Khaybar, de Opening van Makkah, Hunayn, Tabuk. In al deze beproevingen was Abu Bakr ﵁ aanwezig, zoals Suyuti ﵀ in een lange passage samenvat: “Hij vergezelde de Profeet ﷺ vanaf het moment dat hij Islam aanvaardde tot zijn dood, hem niet verlatend op reis noch in residentie, behalve voor dat waartoe hij ﷺ hem machtigde om uit te gaan, zoals de Hajj en de strijdexpedities. Hij was aanwezig bij al de slagen met hem, emigreerde met hem, zijn familie en zijn kinderen achterlatend, verlangend naar Allah ﷻ en Zijn Boodschapper ﷺ.”

In het negende jaar na de Hijra, het jaar dat als het Jaar van de Delegaties bekend zou worden, koos de Profeet ﷺ om zelf niet naar Makkah te trekken voor de Hajj. De Kaʿbah was gezuiverd van afgoden, de stad was in moslimhanden, en de tijd was gekomen om de hele Arabische Hajj te islamiseren. Maar hij ﷺ bleef in Medina en zond Abu Bakr ﵁ vooruit als leider van de Hajj.

Suyuti ﵀ vermeldt het in zijn samenvatting van Abu Bakr’s khilafah-loopbaan: “Toen de Boodschapper van Allah ﷺ stierf en Abu Bakr ﵁ werd aangesteld als khalifah, zette hij ʿUmar ﵁ aan het hoofd van de leiding van de Hajj, en het volgende jaar verrichtte Abu Bakr ﵁ zelf de Hajj.” Maar wat eerder gebeurde, in het jaar negen, wordt op andere plaatsen door Suyuti ﵀ in herinnering geroepen: dat Abu Bakr ﵁ in dat jaar de hele moslim-Hajj leidde in opdracht van de Profeet ﷺ. Het was de eerste Hajj in de geschiedenis van de Islam waarop de openbare verkondiging van Soera at-Tawbah plaatsvond, met ʿAli ﵁ als bode die de openingsverzen reciteerde namens de Profeet ﷺ.

Dat moment, een handvol maanden voor de afscheidshajj, plaatste Abu Bakr ﵁ in de positie van een soort representant. Hij sprak namens de Profeet ﷺ. Hij leidde de gelovigen op de heilige plekken namens de Profeet ﷺ. En toen het jaar daarna, in het tiende jaar, de Profeet ﷺ zelf naar Makkah ging voor zijn Hajj al-Wada’, was de toon al gezet. De umma had al gezien wat het was om Abu Bakr ﵁ aan zijn hoofd te hebben in een ceremonieel-religieuze context.

De definitieve aanwijzing kwam echter niet uit een Hajj, maar uit een ziekenkamer. In de laatste tien dagen van zijn leven, toen de koorts hem niet meer toeliet om persoonlijk de gemeenschap te leiden, zond de Profeet ﷺ Bilal ﵁ naar Abu Bakr ﵁ met de opdracht dat hij de salat zou leiden. ʿAʾishah ﵂, zelf de dochter van Abu Bakr ﵁ en de vrouw die zich het meest direct met zijn beproevingen identificeerde, hield bezwaar uit zorg. Zij wilde haar vader die last besparen, omdat zij wist dat hij zou wenen voor de mihrab, en omdat zij wist dat als hij de plek van de Profeet ﷺ zou innemen, de mensen daarna nooit dezelfde gevoelens voor die plek konden hebben. Abu Musa al-Ashʿari ﵁ overlevert dat de Profeet ﷺ haar antwoord onderbrak:

De Profeet ﷺ: Beveel Abu Bakr ﵁ en laat hem de mensen voorgaan in het gebed.

ʿAʾishah ﵂: Boodschapper van Allah ﷺ, hij is een man met een teder hart. Als hij in uw plaats staat, zal hij de mensen niet kunnen voorgaan in het gebed.

De Profeet ﷺ: Beveel Abu Bakr ﵁ en laat hem de mensen voorgaan in het gebed.

ʿAʾishah ﵂ (herhaalde haar bezwaar):

De Profeet ﷺ: Beveel Abu Bakr ﵁ en laat hem de mensen voorgaan in het gebed; waarlijk u bent de vrouwelijke metgezellen van Yusuf ﵇.

Drie keer. En de derde keer met een vergelijking die ʿAʾishah ﵂ moet hebben getroffen als een veroordeling: u bent als de vrouwen rondom Yusuf ﵇, vasthoudend aan een uiterlijke vrees terwijl de werkelijkheid een andere is. Suyuti ﵀ classificeert deze hadith als mutawatir, overgeleverd door ʿAʾishah ﵂, Ibn Masʿud ﵁, Ibn ʿAbbas ﵁, Ibn ʿUmar ﵁, ʿAbdullah ibn Zamʿah ﵁, Abu Saʿid ﵁, ʿAli ﵁ en Hafsah ﵂. Een van de meest zorgvuldig overgeleverde tradities in de hele islamitische geschiedenis.

In een variant van Ibn Zamʿah ﵁: toen Abu Bakr ﵁ niet aanwezig was en ʿUmar ﵁ voortrad om de salat te leiden, hoorde de Profeet ﷺ zijn takbir, hief in toorn zijn hoofd op en zei: “Waar is Ibn Abi Quhafah? Nee, nee, nee. Allah ﷻ en de moslims weigeren wie dan ook behalve Abu Bakr ﵁. Laat Abu Bakr ﵁ de mensen voorgaan in het gebed.”

De geleerden hebben in dit moment de duidelijkste aanwijzing van de khilafah gelezen. Niet omdat de Profeet ﷺ een testament dicteerde, niet omdat hij ﷺ openlijk Abu Bakr ﵁ benoemde, maar omdat hij ﷺ in zijn laatste dagen het ene ambt aan hem overdroeg dat alle andere zou omvatten: het ambt van de man die voor de mensen staat in de ontmoeting met Allah ﷻ. Wie de salat leidde, leidde de gemeenschap. Wie de gemeenschap leidde in haar belangrijkste daad, was geschikt om haar in alles te leiden.

Het uur van de afscheid en het breken van de stam

Acht dagen voordat hij ﷺ overging tot dat wat bij Allah ﷻ is, was Abu Bakr ﵁ de Imam van de moslims in de Profetische Moskee zelf. De Profeet ﷺ luisterde naar zijn recitatie vanuit zijn kamer. Hij ﷺ had de keuze gemaakt waarover hij in zijn voorlaatste preek had gesproken, de keuze van een slaaf aan wie Allah ﷻ de keus tussen deze wereld en die bij Hem had gegeven. Hij koos voor de plaats bij zijn Heer ﷻ. En Abu Bakr ﵁, alleen onder de metgezellen ﵃, had gehuild bij die preek omdat hij wist wat hij hoorde.

Toen de Profeet ﷺ kwam te overlijden in de armen van ʿAʾishah ﵂, op een maandag in Rabīʿ al-Awwal van het elfde jaar, was Abu Bakr ﵁ niet in de moskee. Hij was in zijn huis in as-Sunh, aan de rand van Medina. Een bode haalde hem. Toen hij de stad inreed, zag hij de moslims in groepjes staan, vol verbijstering, niet wetend wat zij moesten geloven. ʿUmar ﵁ was bij de moskee aan het spreken, woedend over wie het waagde te zeggen dat de Profeet ﷺ was gestorven. Hij zwoer dat hij wie zoiets zei de tong zou afsnijden, want Allah ﷻ zou Zijn Boodschapper ﷺ niet eerder wegnemen dan dat hij over hen had gezegevierd zoals Musa ﵇ over zijn volk had gezegevierd.

Abu Bakr ﵁ ging eerst naar het huis van ʿAʾishah ﵂. Hij opende de doek over het gezicht van de Profeet ﷺ, kuste zijn voorhoofd, en zei: “Bij mijn vader en mijn moeder, u was goed in leven en u bent goed in dood.” Hij bedekte hem weer en kwam naar buiten, en liep langs ʿUmar ﵁ heen die nog steeds tegen de menigte sprak. Hij vroeg ʿUmar ﵁ te zwijgen. ʿUmar ﵁ ging door. Toen klom Abu Bakr ﵁ op de plaats waar hij gewoonlijk de mensen toesprak, prees Allah ﷻ, en zei woorden die de hele umma haar adem teruggaven en die de bridge zouden vormen tussen de tijd van het profeetschap en de tijd van de khilafah die hierna zou volgen. Het waren niet zijn woorden alleen. Het waren de woorden waarmee hij de Quran zelf binnenbracht in een crisis die de hele Arabische ziel dreigde te breken:

وَمَا مُحَمَّدٌ إِلَّا رَسُولٌ قَدْ خَلَتْ مِن قَبْلِهِ الرُّسُلُ ۚ أَفَإِن مَّاتَ أَوْ قُتِلَ انقَلَبْتُمْ عَلَىٰ أَعْقَابِكُمْ ۚ وَمَن يَنقَلِبْ عَلَىٰ عَقِبَيْهِ فَلَن يَضُرَّ اللَّهَ شَيْئًا ۗ وَسَيَجْزِي اللَّهُ الشَّاكِرِينَ

"En Muhammad ﷺ is slechts een boodschapper. Reeds voor hem zijn boodschappers heengegaan. Als hij dan sterft of wordt gedood, zoudt u zich dan op uw hielen omkeren? En wie zich op zijn hielen omkeert, hij zal Allah in niets schaden. En Allah zal de dankbaren belonen."

Soera Āl ʿImrān 3:144

Hij vervolgde, in woorden die in elke verzameling sahih zijn opgenomen en die Suyuti ﵀ samenvat in zijn eigen formuleringen over deze nacht: “Wie van u Muhammad ﷺ aanbad: Muhammad ﷺ is gestorven. Wie van u Allah ﷻ aanbidt: Allah ﷻ leeft en sterft niet.”

ʿUmar ﵁ zou later zeggen dat het was alsof hij dat vers nooit eerder had gehoord. Het was er, het had jaren in de Quran gestaan, maar het kwam tot hem op die dag voor de eerste keer alsof het zojuist was geopenbaard. Hij zou zijn benen niet meer kunnen dragen en op de grond zinken. Heel de moslims hoorden hetzelfde vers, en heel de moslims wisten op datzelfde moment dat de Profeet ﷺ inderdaad was overgegaan, en dat de geschiedenis nu hun zaak was geworden.

Onder de poort van die overgang stond Abu Bakr ﵁. Niet als kandidaat voor de khilafah, niet als troonpretendent, niet als man met een plan. Als de tweede van twee, voor de laatste keer in die hoedanigheid, terwijl het lichaam van de eerste nog niet was gewassen. Hij stond daar zoals hij in de grot van Thawr had gestaan, zoals hij in de schuilplaats van Badr had gestaan, zoals hij naast de Profeet ﷺ door alle jaren van openbaring had gestaan. En hij sprak het ene woord dat in dat uur kon worden gesproken: het woord van de Quran zelf.

De umma luisterde. De Saqifah lag enkele honderden meters verderop, in de wijk van de Banu Saʿidah. Daar zouden binnen enkele uren de mannen van Medina samenkomen om de toekomst van de Islam te bepalen, en daar zou Abu Bakr ﵁ binnen die zelfde dag zijn handen worden uitgestrekt door ʿUmar ﵁ en door de Muhajirun en door de Ansar, en zou hij de tweede helft van zijn naam verdienen.

Maar dit moment, dit moment voor de moskee terwijl het lichaam in de kamer lag te wachten, is het laatste moment van zijn leven vóór de khilafah. Hij stond hier nog als de metgezel, niet als de leider. Hij stond hier als de man die wist wat hij moest zeggen omdat hij het had geleerd uit de mond van degene die voortaan zou rusten in de aarde van Medina. Hij stond hier als de man wiens hele leven, vanaf het moment dat hij ʿAbdullah was geweest in een huis van Banu Taym, vanaf het moment dat hij in de Jahiliyya de wijn had geweigerd, vanaf het moment dat hij in zijn winkel zijn lappen had gevouwen en niet had gedicht, vanaf het moment dat hij Bilal ﵁ van de hete stenen had gehaald, vanaf het moment dat hij in de grot van Thawr de Profeet ﷺ had gerustgesteld dat Allah ﷻ met hen was, vanaf het moment dat hij in de schuilplaats van Badr het zwaard had gezwaaid boven het hoofd van de slapende Profeet ﷺ, vanaf het moment dat hij in Tabuk alles had achtergelaten behalve Allah ﷻ en Zijn Boodschapper ﷺ, vanaf het moment dat hij de Hajj van het negende jaar had geleid, vanaf het moment dat hij in de laatste tien dagen de salat had geleid, een lang noviciaat had gevormd voor deze ene minuut.

Hij had op deze minuut zijn hele leven gewacht zonder het te weten. En toen de minuut kwam, was hij gereed. De geschiedenis van de Islam kantelde over de schouder van een tengere man met holle wangen, een verfde baard in henna en katam, en een hart dat zoals az-Zuhri ﵀ heeft gezegd nooit een uur over Allah ﷻ heeft getwijfeld.

De khilafah was op het punt zich aan hem te tonen. De Saqifah wachtte. Maar zijn levensgeschiedenis tot aan die drempel, alles wat in de bladzijden van Suyuti ﵀ van pagina één tot pagina vijftig staat opgetekend, was nu voltooid. De zoon van Abu Quhafah ﵁ stond in volle wapenrusting van een leven dat geen breuken had gekend, geen aarzelingen, geen tweede gedachten. De umma had haar tweede vader.

Bronnen

  • Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk 1995), pp. 1–50.