InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

De eerste bayʿah
De Rechtgeleide KhaliefenAbu Bakr as-Siddiq ﵁

De eerste bayʿah

De middag waarop de wereld stil viel

Het was maandag, de twaalfde van Rabīʿ al-Awwal in het elfde jaar van de Hijra. De zon stond hoog boven Medina, een zon zoals hij elke dag boven Medina had gestaan in de drieëntwintig jaar sinds Jibril ﵇ voor het eerst de naam van Allah ﷻ in de Grot van Hira had uitgesproken. Maar deze middag was geen middag zoals de andere. In de kamer van ʿAʾishah ﵂, in het hart van de Masjid an-Nabawi, lag de Profeet ﷺ op zijn laatste rustbed. Een lichte koorts. Een hoofd dat zwaarder werd. Een ademhaling die schaarser werd. En dan, halverwege de dag, het moment dat geen mens in Medina ooit voor mogelijk had gehouden: hij ging heen.

De boodschap rolde door de straten van de stad als water dat een hellend dak afstroomt. Een man die op weg was naar de markt bleef staan. Een vrouw die een kruik vulde liet hem vallen. Een kind dat een dadel in de hand droeg, droeg hem nog steeds, vergetend dat hij hem hield. ʿUmar ibn al-Khattab ﵁, die in de moskee stond, trok zijn zwaard en zwoer dat wie zou beweren dat de Profeet ﷺ was overleden, het hoofd zou verliezen. Hij sprak in de schok van een hart dat de gedachte niet kon dragen. De Boodschapper van Allah ﷺ is niet gestorven. Hij is gegaan naar zijn Heer zoals Mūsa ﵇ ging, en hij zal terugkeren, en hij zal de handen afhakken van wie heeft gezegd dat hij dood is.

Toen kwam Abu Bakr ﵁ aan. Hij was vanuit zijn huis in as-Sunh naar de moskee gereden, snel en zonder een woord. Hij ging zijn dochters woning binnen, hief de doek van het gezicht van de Profeet ﷺ op, boog zich neer, kuste zijn voorhoofd en sprak woorden die de hele ummah in vier eeuwen niet meer zou vergeten. U bent gestorven en u zult niet nogmaals sterven. Het sterven dat Allah ﷻ voor u heeft geschreven, hebt u ondergaan. Daarna trok hij de doek weer over het gezicht, ging naar buiten, en bekommerde zich om ʿUmar ﵁. Hij sprak hem aan, hij riep de mensen samen, en hij reciteerde de vier verzen waar hij op rekende: Muḥammad is slechts een Boodschapper. Vóór hem zijn er Boodschappers geweest. Wanneer hij dan sterft of gedood wordt, draait u zich dan op uw hielen om? Het volk hoorde de woorden van Allah ﷻ alsof zij die nooit eerder hadden gehoord. ʿUmar ﵁ liet zijn zwaard zakken. De stad gaf de waarheid toe.

Maar terwijl de tranen in de moskee nog niet droog waren, terwijl de wassing van het edele lichaam nog niet was begonnen, terwijl de eerste schop nog niet in de aarde was gezet, voltrok zich tweehonderd passen verderop, in een overdekte binnenplaats in de wijk van Banu Saʿidah, de eerste politieke beraadslaging van een ummah zonder zijn Profeet ﷺ.

De vergadering in de Saqifah

De Ansar, de helpers van Medina, kwamen samen onder het rieten dak dat de Banu Saʿidah als overdekt verzamelpunt gebruikten. Saʿd ibn ʿUbadah ﵁, hun chef, lag ziek in hun midden, gehuld in zijn mantel. Hij was de man rondom wie zijn stam zich verzamelde wanneer er beslist moest worden. Hij sprak gedempt, en zijn zoon Qays ﵁ herhaalde zijn woorden tot voor degenen die ze niet konden horen. De inhoud was duidelijk. De Boodschapper van Allah ﷺ was van hen geweest in zijn jaren van strijd en zege. Medina had hem opgevangen toen Mekka hem verdreef. Medina had het bloed gegeven dat Badr en Uhud en de Sloot hadden doen staan. Wanneer er nu een leider moest komen, dan was het redelijk dat hij uit Medina kwam.

Kaart laden...

Het nieuws van de vergadering bereikte de moskee waar Abu Bakr ﵁ en ʿUmar ﵁ stonden bij het sterfbed. ʿUmar ﵁ stuurde een bode naar Abu Bakr ﵁: de Ansar zijn bijeen in de Saqifah van Banu Saʿidah, en zij beraadslagen over het commando. Kom. Abu Bakr ﵁ kwam onmiddellijk. ʿUmar ﵁ vergezelde hem. Onderweg trof hij Abu ʿUbaydah ibn al-Jarrah ﵁, de man die de Profeet ﷺ ooit Amīn al-ummah had genoemd, de Betrouwbare van deze gemeente. Met zijn drieën liepen zij door de stegen, de stenen warm onder hun voeten, het hart zwaar van twee gewichten tegelijk: een Profeet die nog onbegraven was, en een gemeenschap die zonder hoofd dreigde te raken voor de zon was ondergegaan.

ʿUmar ﵁ overlevert later zelf wat zich onderweg in zijn borst afspeelde. Hij had een toespraak voorbereid. Hij had de woorden gerangschikt, de argumenten geslepen, de retorische bochten al ingestudeerd. Toen zij de Saqifah binnentraden, wilde hij beginnen. Abu Bakr ﵁ legde zijn hand op zijn arm. Wees stil, ʿUmar. En Abu Bakr ﵁ sprak.

De rede van Abu Bakr ﵁ tegen de Ansar

Hij begon zoals hij altijd begon: met lof voor Allah ﷻ en zegen voor de Profeet ﷺ. Daarna deed hij iets wat geen mens in de zaal van hem had verwacht. Hij prees de Ansar. Hij prees hen in zulke bewoordingen dat de oudsten onder hen het hoofd bogen. Hij noemde hun nuṣrah, hun helpen. Hij noemde hun iḥsān, hun voortreffelijkheid. Hij noemde de huizen die zij hadden opengezet, de tafels die zij hadden gedekt, de zwaarden die zij hadden geheven. Hij liet hen weten dat in zijn hart geen sprankje verachting voor wat zij waren leefde.

En toen, in de adem na de lof, zette hij het mes. Nu wat dat goede betreft dat u over uzelf hebt vermeld: u bent het waard. Maar de Arabieren zullen dit commando niet erkennen behalve in deze stam van Quraysh. Hij sprak het uit zonder triomf, zonder hoogmoed, alsof hij een onaangename waarheid mededeelde aan mensen die het niet wilden horen. Hij wist wie hij voor zich had: mannen die hun zwaard hadden getrokken voor de Boodschapper ﷺ. Hij wist ook hoe de Arabische jazīrah in elkaar zat. Mekka was niet zomaar een stad. Quraysh was niet zomaar een stam. De Heilige Moskee was bij hen. Het huis van Ibrahim ﵇ was bij hen. De pelgrimstochten liepen sinds eeuwen door hun handen. De Arabische stammen, van Yemen tot ash-Sham, van Bahrein tot Najd, hadden in de afgelopen jaren de aanvoer van het islamitische bevel uit Quraysh leren aanvaarden. Een commando dat morgen uit Medina kwam zonder Mekkaanse wortel, zou overmorgen niet meer erkend worden in de woestijnen rondom Yamamah, in de oases van Hadramawt, in de dorpen van Yemen.

Hij ging verder. Wij zijn de emirs en u bent de wezirs. De aanvoerders uit Quraysh, de raadgevers uit de Ansar. Niet één hand alleen, maar twee handen die elkaar steunen. Hij hief zijn arm en wees naar de twee mannen die hem vergezelden. Ik ben tevreden voor u met één van deze twee mannen. Zweer trouw aan wie u van hen wilt. Hij wees naar ʿUmar ﵁, en hij wees naar Abu ʿUbaydah ﵁. Hij noemde zichzelf niet. Hij plaatste zijn eigen naam niet in de schaal. Hij bood twee mannen aan en stelde zich tevreden met wie de zaal zou kiezen.

De stemmen van de Ansar

Toen Abu Bakr ﵁ stilviel, stond een spreker uit de Ansar op. Suyuti ﵀ bewaart zijn woorden zonder zijn naam altijd te noemen, maar de strekking is duidelijk en de pijn er onder ook.

Een spreker uit de Ansar: Wij zijn de Ansar van Allah ﷻ en het bataljon van de Islam, en u, Muhajirun, bent een handvol van ons. Een groep van u is op zijn gemak gekomen, in de wens ons te ontwortelen en ons uit het commando uit te sluiten.

De zaal hield zich stil. De man had iets uitgesproken dat in alle harten van de Ansar leefde maar dat tot dat moment niet was uitgesproken. Wij zijn meer dan u. Wij hebben de moskee gebouwd toen u onder het zand kroop. Wij hebben Badr gewonnen met onze speren. Wij hebben Uhud gehouden met onze borsten. En u komt nu, op uw gemak, en u zegt: wij zijn de emirs en u bent de wezirs? Het was een hartekreet, geen redenering. Maar hij stond in de lucht, en hij moest worden beantwoord.

Een ander uit de Ansar nam het woord en deed een voorstel dat in zijn eenvoud bijna logisch klonk.

Een tweede Ansari: Laat er van ons een amīr zijn, en van u een amīr, Quraysh.

Twee emirs. Een uit Medina, een uit Mekka. Twee vlaggen, niet één. Twee gezagsorden, ieder bevoegd over zijn eigen domein. Het voorstel kreeg geluid van instemming uit verschillende hoeken van de zaal. Het was, in zijn oppervlak, een redelijk compromis. Voor wie de aard van het commando in de Islam niet had doordacht, leek het rechtvaardig.

Maar Abu Bakr ﵁ wist wat hij hoorde. Twee emirs zijn geen emir. Twee handen op één zwaard breken het zwaard. Twee hoofden op één lichaam doden het lichaam. De ummah die de Profeet ﷺ had gevormd, was één gemeenschap, ten dienste van mensen, opgericht uit de mensen, voor de mensen. Wat hier dreigde, was de eerste scheur, voordat de eerste week van zijn lichaam zonder Profeet ﷺ ten einde was. Hij hief zijn stem, niet luid, maar vast.

Hij herhaalde. Hij verdiepte. De Arabieren zullen dit commando niet aanvaarden behalve binnen Quraysh. Niet omdat Quraysh meer waard is voor Allah ﷻ, niet omdat Mekka meer geliefd is bij de hemel, maar omdat de structuur van de Arabische werkelijkheid het zo heeft gevormd. Hij verwees naar de Profeet ﷺ zelf, naar zijn woorden over de imams uit Quraysh, naar de gebondenheid van het commando aan de stam waaruit de openbaring was opgestaan. Hij sprak zonder de Ansar te verkleinen, zonder de moed van hun voorouders te ontkennen. Hij sprak als een man die de toekomst van de ummah in zijn handpalm woog, en die wist dat één gebroken vat alle water zou laten weglopen.

Het tussenwoord van Zayd ibn Thabit ﵁

Toen, in het midden van het rumoer, stond een jongeman op die nog niet de leeftijd had om gehoord te worden in de raad van de oudsten. Maar hij was Zayd ibn Thabit ﵁, en hij was niet zomaar een jonge man. Hij was de leerling die voor de Profeet ﷺ de openbaringen had opgetekend. Hij had de Arabische schrift voor het Hebreeuwse en het Syrische geleerd op bevel van de Boodschapper ﷺ, opdat de boeken van de Boekmensen voor hem geen geheim zouden zijn. Hij was een Ansari, geboren in Medina, opgegroeid onder de palmen van Yathrib. Maar wat hij sprak was geen partij voor zijn stam.

Zayd ibn Thabit ﵁: Weet u dan niet dat de Boodschapper van Allah ﷺ een van de Muhajirun was, en dat zijn khalīfah een van de Muhajirun zal zijn? Wij, de Ansar, zijn zijn helpers geweest. Wij zullen de helpers van zijn khalīfah zijn zoals wij de helpers van de Boodschapper ﷺ waren.

Hij sprak kort en hij sprak met de helderheid van een man die uit een tekst leeft. Toen hij ging zitten, was iets in de zaal veranderd. Een jongere Ansari had het standpunt van Abu Bakr ﵁ gesteund, niet uit zelfverloochening, maar uit getrouwheid aan de Boodschapper ﷺ. De vraag was niet meer of de khalīfah uit Mekka of uit Medina moest komen. De vraag was geworden: wie van de Muhajirun.

ʿUmar ﵁ strekt zijn hand uit

Het is op dit punt dat Suyuti ﵀ ʿUmar ﵁ in beweging zet. De zaal was zacht geworden. De stemmen van verdeeldheid waren niet helemaal verstomd, maar zij hadden hun zekerheid verloren. ʿUmar ﵁ stond op. Hij keek niet naar de Ansar. Hij keek naar Abu Bakr ﵁. En hij sprak het woord dat de gemeenschap nodig had om uit haar besluiteloosheid te stappen.

ʿUmar ﵁: Strek uw hand uit, Abu Bakr ﵁.

Abu Bakr ﵁: ʿUmar, jij bent sterker dan ik. Jij bent meer geschikt voor deze last.

ʿUmar ﵁: Mijn kracht ten dienste van jouw voortreffelijkheid. Strek je hand uit.

Abu Bakr ﵁ aarzelde. ʿUmar ﵁ aarzelde niet. Hij greep zijn hand en gaf hem de baiʿah. Eerst Abu ʿUbaydah ﵁. Daarna de stemmen die het dichtst stonden. Daarna Bashir ibn Saʿd ﵁, een van de Ansar zelf, die voor zijn eigen stam uit stapte en als eerste Ansari trouw zwoer aan Abu Bakr ﵁. Toen Bashir ﵁ zijn hand op die van Abu Bakr ﵁ legde, brak de aarzeling in de zaal. De Aws stamde voor de Khazraj uit. De Khazraj stamde voor de Aws uit. De Muhajirun gaven om beurten. Saʿd ibn ʿUbadah ﵁ bleef onder zijn mantel liggen, ziek, niet in beweging te krijgen. Maar de zaal had haar besluit genomen.

ʿUmar ﵁ heeft later, op de minbar van de Boodschapper ﷺ in Medina, deze hele scène opnieuw beschreven. Hij heeft het gedaan met een eerlijkheid die zelden voorkomt in de geschiedenis van staten. Hij heeft gezegd: Laat niemand zichzelf bedriegen door te zeggen, “De baiʿah aan Abu Bakr ﵁ was een plotselinge zaak, een overhaaste zaak.” Zij was zo. Maar Allah ﷻ heeft ons beschermd tegen het kwade ervan. Hij heeft erkend dat de Saqifah niet een geordende verkiezing was, niet een lange overlegproces, niet een formele shūrā zoals later onder ʿUmar ﵁ zelf de zes namen zou worden bijeengeroepen. Het was een snelle beslissing in een acuut moment. En tegelijk: zij was de juiste beslissing. De barakah van Allah ﷻ rustte op de uitkomst, niet vanwege de elegantie van het proces, maar vanwege de kwaliteit van de man die uit het proces oprees.

De afzondering bij Fatimah ﵂

Niet iedereen was bij de Saqifah. ʿAli ibn Abi Talib ﵁ was niet in de zaal. Hij was bij het lichaam van de Boodschapper ﷺ gebleven, bezig met wat moest worden gedaan: het wassen, het hullen, het voorbereiden van de begrafenis. Aan zijn zijde stond az-Zubayr ibn al-ʿAwwam ﵁, neef van de Profeet ﷺ als zoon van diens tante Safiyyah bint ʿAbd al-Muttalib ﵂. Toen het bericht van de baiʿah bij Abu Bakr ﵁ hen bereikte, trokken zij zich, met enkele van hun naasten, terug in het huis van Fatimah bint Muhammad ﵂. Zij waren niet in opstand. Zij waren in rouw. Hun Profeet ﷺ was net van hen heengegaan, hun vrouw en moeder van hun kinderen was zijn dochter, en de wereld was te snel doorgegaan voor hun ademhaling.

Suyuti ﵀ houdt zich hier kort. Geen confrontatie wordt door hem in detail beschreven. Geen geweld, geen breuk. Wat hij wel vasthoudt, is wat enkele dagen later gebeurde. ʿAli ﵁ en az-Zubayr ﵁ kwamen naar Abu Bakr ﵁. Zij wisten wat zij in de Saqifah hadden gemist. Zij wisten ook dat de ummah een hoofd nodig had, en dat de hand van Abu Bakr ﵁ door alle aanwezigen in de zaal was geheven. Zij stapten op hem af, en zij spraken woorden die door hun eenvoud iedere latere verdraaiing van deze gebeurtenis logenstraffen.

ʿAli ﵁ en az-Zubayr ﵁: Er is geen blaam op u, Khalīfah van de Boodschapper van Allah ﷺ.

Zij noemden hem bij de titel die hij van die dag af zou dragen. Khalīfah van de Boodschapper van Allah ﷺ. Niet amīr al-muʾminīn; die titel zou ʿUmar ﵁ later voor zich nemen. Khalīfah. Opvolger, niet in profeetschap, maar in het leiderschap van de gemeenschap die de Profeet ﷺ had gesticht. ʿAli ﵁ gaf hem de hand. Az-Zubayr ﵁ gaf hem de hand. De ummah was één.

Waarom Quraysh, waarom Banu Taym

Het is goed om hier even te vertragen. De vraag van de Saqifah is niet een vraag uit een ver verleden waar de twintigste-eeuwse moslim onverschillig aan voorbij kan gaan. Het is een vraag over de aard van het islamitische gezag.

De redenering van Abu Bakr ﵁ rustte op een dubbel inzicht. Het eerste inzicht: de ummah heeft één hoofd nodig, niet twee. Twee emirs zijn geen emir. De eenheid van het commando is een Sharʿi-noodzaak, niet een politieke gril. Het tweede inzicht: de eenheid van het commando wordt in de Arabische werkelijkheid het beste gediend door verankering in Quraysh, omdat Quraysh het enige punt is waarop alle Arabische stammen, vanaf Yemen tot ash-Sham, één toespraak aanvaarden. Dit is geen claim van rassuperioriteit. Het is een claim van politieke werkbaarheid. De Boodschapper ﷺ zelf was uit Quraysh. De openbaring was tot Quraysh gekomen voordat zij elders ging. Het bevel zou uit Quraysh komen, niet omdat Quraysh beter is, maar omdat de Arabieren rondom zo zijn gegroeid dat alleen Quraysh hen kan samenhouden.

En binnen Quraysh, waarom Abu Bakr ﵁? Hier kwam de man uit Banu Taym in beeld.

Loading family tree...

Abu Bakr ﵁ heette eigenlijk ʿAbdullah ibn Abi Quhafah ʿUthman, en zijn lijn liep terug via Banu Taym ibn Murrah ibn Kaʿb ibn Luʾayy. Murrah ibn Kaʿb was de gemeenschappelijke voorouder die hem aan de Profeet ﷺ verbond. Tussen Banu Taym en Banu Hashim, de stam van de Profeet ﷺ, stond Banu Makhzum, Banu Zuhrah, Banu ʿAdiy. Banu Taym was niet een grote stam binnen Quraysh. Het was geen Banu Umayyah, met haar enorme rijkdom. Het was geen Banu Hashim, met haar profetische opdracht. Het was een middelgrote tak van Quraysh, beroemd om zijn integriteit, zijn vrijgevigheid, en zijn precisie in zaken. De vader van Abu Bakr ﵁, Abu Quhafah ﵁, leefde nog, in Mekka, blind van ouderdom, en hij zou zijn zoon ironisch genoeg zes maanden overleven.

Wat Abu Bakr ﵁ in de baiʿah bracht, was niet de macht van zijn stam. Hij had geen leger achter zich, geen schat, geen netwerk van bondgenoten dat hem op de troon kon zetten. Wat hij in de baiʿah bracht, was wat hij in dertien jaar Mekka en tien jaar Medina had vergaard: het onvoorwaardelijke vertrouwen van de Boodschapper ﷺ. Wanneer de Profeet ﷺ in de grot zat met hem alleen, en de vijand stond op de drempel, zei de Profeet ﷺ niet “wees niet bang voor uzelf”. Hij zei: “Wees niet bedroefd. Allah ﷻ is met ons.” Abu Bakr ﵁ was de tweede van twee. De Quran zelf had hem deze titel in vers 9:40 gegeven. Wie de tweede van twee in de grot was, kon ook de eerste van één in de Saqifah zijn.

إِلَّا تَنصُرُوهُ فَقَدْ نَصَرَهُ اللَّهُ إِذْ أَخْرَجَهُ الَّذِينَ كَفَرُوا ثَانِيَ اثْنَيْنِ إِذْ هُمَا فِي الْغَارِ إِذْ يَقُولُ لِصَاحِبِهِ لَا تَحْزَنْ إِنَّ اللَّهَ مَعَنَا

"Wanneer u hem niet helpt, voorwaar Allah heeft hem geholpen toen zij die ongelovig waren hem verdreven, de tweede van twee toen zij beide in de grot waren, toen hij tegen zijn metgezel zei: 'Wees niet bedroefd, voorwaar Allah is met ons.'"

Soera at-Tawbah 9:40

De ṣāḥib in dit vers, de metgezel in de grot, was niemand anders dan Abu Bakr ﵁. De Quran zelf had zijn naam niet uitgesproken, maar de hele Arabische wereld wist wie de tweede van twee was. Wie aan deze man gehoorzaamheid weigerde, weigerde gehoorzaamheid aan een man die in de openbaring was vereeuwigd. En wie aan deze man gehoorzaamheid gaf, gaf haar aan een metgezel wiens nabijheid tot de Profeet ﷺ in een vers stond dat tot aan de Dag van het Oordeel zou worden gereciteerd.

Suyuti ﵀ wijst er bovendien op dat de Profeet ﷺ Abu Bakr ﵁ in zijn laatste ziekte tot voorganger van het gebed had aangewezen. Toen de koorts hem in bed hield, en de stem niet sterk genoeg meer was om de moskee toe te spreken, had hij Abu Bakr ﵁ doen halen om de gemeenschap voor te gaan in de ṣalāt. ʿAʾishah ﵂, zijn eigen dochter, had hem nog willen beschermen tegen die last met het argument dat haar vader een teerhartig man was die het volk niet zou kunnen toespreken zonder dat zijn tranen hem zouden vermurwen. De Profeet ﷺ had haar verzoek afgewezen. Beveelt Abu Bakr ﵁ de mensen voor te gaan in het gebed, had hij driemaal herhaald. Voorwaar u bent de vrouwen van Yusuf ﵇, een opmerking over hoe vrouwen soms hun eigen voorkeur boven het bevel van de Boodschapper ﷺ wilden laten gelden. De zaal had zijn beslissing aanvaard. Abu Bakr ﵁ was zeventien gebeden lang voorganger geweest in de Masjid an-Nabawi terwijl de Profeet ﷺ nog ademde. Wie zou hem nu de leiding ontzeggen die de Profeet ﷺ hem zelf had toegekend?

De rust van de eerste avond

De zon zakte over Medina. In de moskee bereidde ʿAli ﵁ het lichaam voor de wassing voor. ʿAbbas ﵁ stond met hem. De vrouwen van het huis hielden zich in stille rouw aan hun zijde. Buiten, in de Saqifah, was het al stil. De Ansar hadden hun handen geheven. De Muhajirun hadden hun handen geheven. Abu Bakr ﵁ was hun khalīfah.

Hij ging niet onmiddellijk terug naar zijn huis in as-Sunh. Hij bleef in de moskee, dichtbij de overledene, dichtbij de wassing, dichtbij de plek waar de begrafenis zou plaatsvinden. Hij was zes en zestig jaar oud. Zijn baard was niet wit, maar lichtbruin geworden door de henna en de katam. Zijn lichaam was tenger, zijn schouders smal, zijn buik ingevallen door jaren van vasten. Hij sprak niet veel die avond. Hij at niet veel. Hij wist dat de volgende morgen de openbare baiʿah zou worden afgenomen in de moskee zelf, voor alle ogen, en dat van die ochtend af de last op zijn schouders zou rusten die niemand vóór hem op deze wijze had gedragen. Niet het profeetschap, want dat was niet over te dragen. Maar wel het hoeden van de ummah die de Profeet ﷺ had achtergelaten.

ʿUmar ﵁ stond naast hem. Abu ʿUbaydah ﵁ stond naast hem. ʿUthman ﵁ kwam binnen, zwijgend zoals hij placht te zwijgen. ʿAbd ar-Rahman ibn ʿAwf ﵁, Talhah ﵁, Saʿd ibn Abi Waqqas ﵁: de mannen die de Profeet ﷺ in zijn levensjaren als zijn naaste raad om zich heen had gehouden, schaarden zich nu rond zijn opvolger. Abu Bakr ﵁ keek naar hen, en zijn ogen vulden zich. Hij zei geen woord. Hij hoefde geen woord te zeggen. De gemeenschap had haar hoofd hervonden, op dezelfde dag dat zij haar Profeet ﷺ had verloren.

De openbare bevestiging in de moskee

De volgende ochtend, dinsdag dertien Rabīʿ al-Awwal, ging Abu Bakr ﵁ naar de Masjid an-Nabawi. ʿUmar ﵁ ging hem voor. De moskee was vol. De bewoners van Medina, mannen en vrouwen, oud en jong, Muhajirun en Ansar, hadden zich verzameld onder het rieten dak dat de Profeet ﷺ jaren eerder met eigen handen had helpen bouwen. Het lichaam van de Boodschapper ﷺ lag nog binnen, in de kamer van ʿAʾishah ﵂, gewikkeld in drie witte Yemenitische doeken. De begrafenis zou pas die avond plaatsvinden, op de plek waar hij was overleden, in dezelfde kamer waar hij was gestorven. Maar voordat hij in de aarde zou worden gelegd, moest de ummah zijn nieuwe hoofd ook openbaar bevestigen.

ʿUmar ﵁ stond op de minbar voor Abu Bakr ﵁ uit. Hij sprak eerst, om de gemeenschap voor te bereiden, om zijn eigen woorden van de eerste schokmoment terug te nemen, en om het volk uit te nodigen tot wat zou volgen. Hij sprak met de stem van een man die wist dat hij gisteren bijna te ver was gegaan, en die vandaag de juiste richting wilde geven aan de gevoelens die hij gisteren had aangewakkerd. Allah ﷻ heeft uw zaak in handen gegeven van de beste onder u, de metgezel van de Boodschapper van Allah ﷺ, de tweede van twee toen zij beide in de grot waren. Sta op, geef hem trouw.

Toen stapte Abu Bakr ﵁ naar voren. Hij ging niet op de bovenste trede zitten, waar de Profeet ﷺ placht te zitten. Hij ging één trede lager. De Profeet ﷺ had drie treden gehad; Abu Bakr ﵁ ging op de tweede zitten, en hij zou er heel zijn khilafah blijven zitten. ʿUmar ﵁ zou dezelfde houding aanhouden, en pas decennia later zou een latere khalifah zonder dezelfde schroom op de bovenste trede zitten. Het was een houding van eerbied: de man die mij heeft achtergelaten zit nog boven mij, ook al is hij niet meer onder ons.

Mannen en vrouwen kwamen één voor één naar voren, legden hun hand op de zijne, en zwoeren trouw. ʿAli ﵁ kwam, en az-Zubayr ﵁, en de mannen van de tien wie het Paradijs was beloofd. De Ansar van de Aws en de Khazraj kwamen. De vrijgelaten slaven kwamen. Bilal ﵁, de stem van de oproep tot het gebed, kwam. De handen werden geheven, de stemmen werden gegeven, de zon klom over de muren van de moskee en bracht zijn licht op een ummah die haar Profeet ﷺ had verloren en haar khalifah had gevonden, op één en dezelfde dag.

De stem van Saʿd ibn ʿUbadah ﵁

Eén stem in de stad bleef stil. Saʿd ibn ʿUbadah ﵁, de chef van de Khazraj, lag nog in zijn huis met de koorts die hem in de Saqifah onder zijn mantel had gehouden. Hij gaf de baiʿah niet. Hij weigerde haar niet luid, en hij richtte geen tegenpartij op, maar hij stak zijn hand niet uit. Hij was een van de groten van de Ansar, een van de mannen die de Profeet ﷺ in zijn huis had ontvangen, een gastheer wiens vrijgevigheid spreekwoordelijk was in de oases van Yathrib. En hij was de kandidaat geweest waarvoor zijn eigen stam was bijeengeroepen in de Saqifah. Het was hem niet gemakkelijk dat het commando aan een ander was toegevallen.

Abu Bakr ﵁ verstoorde hem niet. Hij stuurde geen mannen om hem voor de minbar te dwingen. Hij zei eenvoudig: laat hem. Een gemeenschap die haar leider net heeft gevonden, hoeft niet de laatste afwijkende stem te breken; zij hoeft hem alleen te laten zijn. Saʿd ﵁ vertrok later naar ash-Sham, en daar zou hij sterven. Suyuti ﵀ houdt de zaak in deze sectie kort, maar het detail is veelzeggend: de eerste khalifah van de Islam dwong geen baiʿah af. Wie zijn hand niet uitstak, behield zijn hand. Wie zijn woord niet gaf, behield zijn woord. Het commando rustte op vrijwilligheid, niet op vrees.

Het oordeel van de geschiedenis

Eeuwen later zouden mensen, met de luxe van afstand en het tekort aan verantwoordelijkheid, vragen stellen die in de Saqifah niet zijn gesteld. Waarom werd ʿAli ﵁ niet onmiddellijk gekozen? Waarom werd de baiʿah niet uitgesteld tot na de begrafenis? Waarom moest dit op deze dag worden geregeld?

Het antwoord van de oudste bronnen, en Suyuti ﵀ behoort tot de oudsten die het hele dossier samenvatten, is helder. Het kon niet wachten. De Arabische stammen die de Boodschapper ﷺ pas onlangs hadden aanvaard, stonden op het punt af te vallen. Musaylimah was in al-Yamamah bezig met zijn valse claim. Tulayhah was in Banu Asad bezig met de zijne. De Romeinse grens had geluiden van onrust. Het leger van Usama ibn Zayd ﵁ stond ten noorden van Medina opgesteld om uit te trekken. Een ummah zonder hoofd op die dinsdagmorgen zou een ummah zijn die voor het einde van de maand uiteengevallen kon zijn. Abu Bakr ﵁ en ʿUmar ﵁ wisten dit. Zij wisten ook dat de begrafenis van de Profeet ﷺ kon wachten tot zijn opvolger was aangesteld. De Boodschapper ﷺ zelf had hen geleerd dat de salah over een overledene op elk moment kon worden verricht; de eenheid van zijn ummah kon niet op elk moment worden gered.

Daarom werd de baiʿah die middag afgenomen, in een rieten zaal, snel, zonder formele plechtigheid. Daarom liet ʿUmar ﵁ zich later voor de minbar verantwoorden over haar snelheid. Daarom volgde de volgende morgen de openbare baiʿah in de Masjid an-Nabawi, voor het oog van iedere bewoner van Medina. De ruwheid van het proces werd in de helderheid van het resultaat opgevangen. Eén khalīfah. Eén commando. Eén ummah.

En de man die uit de Saqifah opstond als de eerste khalifah van de Islam, was de man van wie de Profeet ﷺ in zijn laatste ziekte had gezegd dat hij de mensen in het gebed moest voorgaan. Hij was de man van wie ʿAʾishah ﵂ overlevert dat de Profeet ﷺ herhaaldelijk had gewenst hem als opvolger op te schrijven, maar het toen niet had gedaan omdat hij wist dat Allah ﷻ en de gelovigen geen ander zouden willen. Hij was de man op wiens schoot de Profeet ﷺ in de Grot van Thawr had geslapen toen de spinnenwebben hen verborgen hielden. Hij was de man die zijn eigen vermogen had uitgegeven om Bilal ﵁ vrij te kopen, en Suhayb ﵁, en ʿAmir ibn Fuhayrah ﵁, en tientallen anderen die onder de tirannie van Mekka kreunden. Hij was as-Siddiq, de Waarachtige, een titel die niet door een mens was bedacht maar door Jibril ﵇ tot de Profeet ﷺ was gebracht na de Nacht van al-Isra’.

En nu was hij de khalifah. De Saqifah was voorbij. De ummah had haar leider gevonden, op de dag dat zij haar Profeet ﷺ verloor. De volgende ochtend zou hij de minbar bestijgen en de woorden uitspreken die de hele aard van het islamitische gezag voor altijd zouden vastleggen: Ik ben in gezag over u gesteld en ik ben niet de beste van u. Maar die woorden behoren tot het verhaal van een nieuwe dag.

Bronnen

  • Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk 1995), pp. 51–55, 57.