Een minbar, een dag na de stilte
De ochtend na de Saqifah brak aan over Medina alsof de stad zelf een lang ingehouden adem uitblies. De zon stond pas net boven de palmen toen mensen zich in stilte verzamelden voor de Masjid an-Nabawi. Het lichaam van de Boodschapper van Allah ﷺ lag nog binnen, in de kamer van ʿAʾishah ﵂, gewikkeld in drie witte doeken, wachtend op de begrafenis die diezelfde nacht zou volgen. Buiten, in de open ruimte van de moskee, was de gemeenschap van de Islam bijeen. Mannen en vrouwen, vrijen en vrijgelatenen, Muhajirun en Ansar. Zij waren gekomen voor wat in de geschiedenis van enig volk zelden voorkomt: de openbare bevestiging van een opvolger op de dag nadat de stichter is heengegaan.
ʿUmar ibn al-Khattab ﵁ ging als eerste de minbar op. Hij wist wat hij gisteren bijna had aangericht met zijn zwaard en zijn weigering te aanvaarden wat zijn ogen hadden gezien. Hij wist ook dat hij vanmorgen iets moest rechtzetten. Hij stond voor de gemeenschap en sprak zonder omhaal. Hij erkende dat hij de avond ervoor in zijn schok had gesproken vanuit een hoop in plaats van een geloof. Hij verklaarde dat Allah ﷻ Zijn Boodschapper ﷺ had laten heengaan zoals Hij Zijn andere boodschappers had laten heengaan, en dat het geloof van de gemeenschap niet aan een sterfelijk lichaam hing maar aan een levende waarheid. En toen draaide hij zich om en wees naar de man die naast hem stond.
ʿUmar ﵁: Allah ﷻ heeft uw zaak in handen gegeven van de beste onder u, de metgezel van de Boodschapper van Allah ﷺ, de tweede van twee toen zij beide in de grot waren. Sta op, geef hem trouw.
Hij verwees met die woorden naar het vers in Soera at-Tawbah, vers veertig, waarvan ieder kind in Medina de inhoud kende: de tweede van twee toen zij beide in de grot waren. De gemeenschap had nu de woorden waarop zij wachtte. De Saqifah had zich snel voltrokken, in een rieten zaal, voor een handvol mannen. Dit was anders. Dit was de moskee waarin de Profeet ﷺ jarenlang had voorgegaan in het gebed. Dit was de zaal waarin de openbaring was neergedaald. En vanmorgen zou voor het oog van iedereen de hand worden gegeven, en de stem worden uitgesproken.
Kaart laden...
De minbar bestegen, één trede lager
Toen ʿUmar ﵁ zijn plaats had verlaten, ging Abu Bakr ﵁ op de minbar. Hij ging niet op de bovenste trede zitten. Daar had de Profeet ﷺ gezeten, en die plek bleef leeg uit eerbied voor wie hem niet meer zou bestijgen. Abu Bakr ﵁ ging op de tweede trede. Het was geen wettelijke regel, geen overgeleverd voorschrift; het was een gebaar van een man die niet uit zichzelf op de hoogte van zijn voorganger wilde gaan zitten. Hij zou zijn hele khilafah lang op die tweede trede blijven. ʿUmar ﵁ zou na hem op de derde gaan. De afstand tussen de minbar van de Profeet ﷺ en de minbar van degenen die hem opvolgden, was geen architecturale afstand. Zij was een innerlijke afstand, en zij werd door deze twee mannen in hun lichaam zichtbaar gemaakt voor de hele gemeenschap.
Abu Bakr ﵁ keek over de zaal heen. Hij zag de Muhajirun van de eerste dag, de mannen met wie hij in Mekka onder de zweep van Quraysh had gestaan. Hij zag de Ansar die hen hadden ontvangen, die hun huizen hadden opengezet, die hun bloed in Badr hadden vergoten. Hij zag de stamhoofden van de woestijn die tijdens de afgelopen jaren in Medina waren neergestreken, hij zag de vrijgelaten slaven met hun ogen op zijn gezicht gericht, hij zag Bilal ﵁ in een hoek staan met diens zware ademhaling, hij zag ʿAʾishah ﵂ en de andere moeders van de gelovigen niet rechtstreeks, want zij waren binnen in hun kamers, maar hij voelde hun aanwezigheid door de muren heen. Hij prees Allah ﷻ. Hij zond zegen op de Profeet ﷺ. En toen sprak hij de woorden die in de hele geschiedenis van het islamitische gezag de eerste verklaring zijn van de aard van dat gezag.
De woorden zelf
Abu Bakr ﵁: O mensen, ik ben in gezag over u gesteld en ik ben niet de beste van u. Wanneer ik dus juist handel, helpt mij. Wanneer ik onjuist handel, zet mij recht. Waarachtigheid is een heilig pand, en liegen een verraad.
Het is een aankondiging in vier zinnen. Iedere zin draagt een verschuiving in de structuur van het gezag. Ik ben in gezag over u gesteld: er is een gezag, en het is overgedragen, niet veroverd. Ik ben niet de beste van u: het gezag is geen erkenning van superioriteit, het is een dienst. Wanneer ik juist handel, helpt mij: gehoorzaamheid is geen blind volgen, zij is actieve steun aan rechtvaardig bevel. Wanneer ik onjuist handel, zet mij recht: kritiek is geen ondermijning maar een verplichting van de gemeenschap jegens haar leider. Waarachtigheid is een pand, liegen een verraad: de transactie tussen heerser en geleide rust op woord, niet op zwaard.
Een man die zojuist het commando van een gemeenschap heeft aanvaard, opent zijn ambtsperiode met de erkenning dat hij niet onfeilbaar is, dat hij correctie kan ontvangen, dat zijn gezag voorwaardelijk is op zijn rechtvaardigheid. Geen koning op aarde sprak zo. Geen keizer van Byzantium of Perzië gaf zijn onderdanen het recht hem recht te zetten. Geen malik van Yemen gaf zijn raad de bevoegdheid tegen hem op te treden. Maar de eerste khalifah van de moslims, op de eerste dag van zijn ambt, gaf zijn gemeente die bevoegdheid uit eigen mond, in vier zinnen, op de minbar van zijn Profeet ﷺ.
De zwakke en de sterke
Hij liet de stilte komen na de eerste verklaring. Hij wist dat een toespraak die te lang duurt, vergeten wordt; een toespraak die te kort is, niet ingrijpt. Hij gaf zijn gemeente vier zinnen om in zich op te nemen. Toen ging hij door.
Abu Bakr ﵁: De zwakke onder u is sterk bij mij totdat ik hem zijn recht heb teruggegeven, inshāʾ Allah. En de sterke onder u is zwak bij mij totdat ik van hem heb genomen wat hem toekomt af te dragen.
Wat hij hier in twee zinnen samenvat, is de hele juridische omkering die de Islam in de Arabische werkelijkheid heeft aangebracht. In de jahiliyyah was het anders. De sterke nam wat hij wilde, omdat hij sterk was. De zwakke verloor wat hij had, omdat hij zwak was. Het bloed van de aanzienlijke werd duur betaald, het bloed van de eenvoudige werd nauwelijks aangevochten. Het was een orde van macht, niet van recht.
Abu Bakr ﵁ keerde de schaal om. In zijn ambt zou de zwakke door zijn ambt versterkt worden, niet langer in de positie van prooi maar in de positie van houder van een recht dat de khalifah zelf voor hem zou opeisen. En de sterke zou door zijn ambt verzwakt worden, niet langer in de positie van uitbuiter maar in de positie van hem die rekenschap aflegt over wat hij anderen schuldig is. Dit is geen retorische omkering. Dit is een staatsrechtelijke verklaring. De bait al-mal zou onder zijn bewind niet door de grote handen worden gestuurd, maar door de hand van de khalifah zelf, die afnam van de bezittende en gaf aan de behoeftige, zonder onderscheid van stam, afkomst of relatie.
In de jaren die zouden volgen, zou Abu Bakr ﵁ deze zin in praktijk omzetten op manieren die zijn tijdgenoten verbaasden en zijn opvolgers tot voorbeeld dienden. Hij zou geiten melken voor weduwen omdat geen functionaris dit verzuim zou begaan zonder berispt te worden. Hij zou voor een eenvoudige Ansari opstaan in de moskee omdat een recht moest worden teruggegeven. Hij zou zijn eigen toelage uit het bait al-mal op een half schaap per dag stellen, niet omdat hij niet meer kon nemen, maar omdat hij niet meer wilde nemen. De zin op de minbar was niet retorisch; zij was een leefregel, en hij zou er zijn hele khilafah lang aan vasthouden.
De voorwaardelijke gehoorzaamheid
Toen kwam de derde verklaring, en zij is misschien de meest revolutionaire van de drie. Geen heersersleer in de geschiedenis van de oude wereld had de eigen omkering van het gezag zo helder geformuleerd.
Abu Bakr ﵁: Gehoorzaam mij zolang ik Allah ﷻ en Zijn Boodschapper ﷺ gehoorzaam. Wanneer ik Allah ﷻ en Zijn Boodschapper ﷺ niet gehoorzaam, dan zijt u mij geen gehoorzaamheid verschuldigd.
Hier ligt de juridische ziel van de Islamitische staat. Het gezag van de khalifah is niet absoluut. Het is afgeleid. Het is afgeleid van een hoger gezag, en wanneer het tegen dat hogere gezag ingaat, vervalt het. De gemeenschap is niet aan de persoon van Abu Bakr ﵁ verbonden; zij is aan Allah ﷻ en Zijn Boodschapper ﷺ verbonden, en Abu Bakr ﵁ is dat ook, als eerste onder hen.
Deze zin draagt twee gevolgen. Het eerste is dat de gemeenschap een recht heeft, en in sommige gevallen een plicht, om de khalifah te corrigeren wanneer hij van het pad afdwaalt. Het tweede is dat de khalifah zelf, door deze formulering te aanvaarden, zichzelf onder het oordeel van Allah ﷻ en Zijn Boodschapper ﷺ plaatst. Hij is geen wetgever; hij is wetuitvoerder. Hij voert wetten uit die in de Quran en de Sunnah zijn vastgelegd. Het is niet zijn commando dat de gemeenschap volgt; het is het commando van Allah ﷻ, door hem heen.
In de eeuwen die volgden, hebben moslims op deze drie zinnen teruggegrepen telkens wanneer een heerser zichzelf boven de Wet wilde plaatsen. Imam Malik ﵀, Imam Ahmad ﵀, ash-Shafiʿi ﵀, al-Awzaʿi ﵀, allen hebben de eerste khutbah van Abu Bakr ﵁ aangehaald als een grondnorm. Een heerser die zegt: Ik ben de wet, is geen heerser in de Islamitische zin. Een heerser die zegt: Gehoorzaam mij zolang ik Allah ﷻ gehoorzaam, is in de lijn van de eerste khalifah.
De stille belofte
Suyuti ﵀ vermeldt dat na deze drie verklaringen de gemeenschap stilviel. Niet uit verwarring, maar uit erkenning. Wat zij zojuist had gehoord, was geen toespraak. Het was een grondwet, in vier alinea’s, zonder een enkele paragraaf, zonder een enkele clausule, zonder een enkele verwijzing naar precedent of voorbeeld. Vier zinnen op de minbar. En zij zouden de eeuwen doorstaan.
Abu Bakr ﵁ sloot zijn toespraak met een gebed. Hij vroeg Allah ﷻ om hulp, want hij wist wat hem te wachten stond. De stammen van Banu Asad rommelden in het noorden. Musaylimah in al-Yamamah liet zich al rasūl noemen. Het leger van Usama ﵁ stond ten noorden van Medina te wachten op een bevel dat alleen een khalifah kon geven. Het Boek dat de Boodschapper ﷺ had achtergelaten, was nog niet tussen twee boeken samengebracht. De woestijnen brouwden hun stormen. En boven dit alles had Abu Bakr ﵁ zijn vrouwen en kinderen, zijn vader die hem zou overleven, een eigen gezondheid die niet sterk was, en een ambt waarvan hij wist dat het hem niet zou ontslaan tot zijn dood.
Hij stapte van de minbar af. De mannen kwamen één voor één naar hem toe, legden hun hand op de zijne, en gaven de baiʿah ook openbaar, voor het oog van wie het zien wilde. ʿAli ibn Abi Talib ﵁ kwam, en az-Zubayr ibn al-ʿAwwam ﵁, en zij gaven hem de hand met de woorden waarmee zij hem de avond ervoor in privé al hadden bevestigd. Er is geen blaam op u, Khalīfah van de Boodschapper van Allah ﷺ. Saʿd ibn ʿUbadah ﵁ kwam niet uit zijn huis. Abu Bakr ﵁ liet hem met rust. De baiʿah die gegeven werd, werd vrijwillig gegeven; de baiʿah die niet werd gegeven, werd niet afgedwongen. Dit was de Islamitische orde, vanaf de eerste morgen van haar bestaan zonder Profeet ﷺ.
De houding van de gemeenschap
Het was geen kleine zaak voor de mensen die in de moskee stonden om naar deze woorden te luisteren. Zij hadden, de meesten van hen, de Profeet ﷺ persoonlijk gekend. Zij hadden uit zijn mond de openbaring gehoord, op deze zelfde minbar, in dezelfde ruimte, soms op dezelfde dag van de week. Hun verlies was vers, hun verdriet was rauw, en hun bereidheid om iemand anders op die plek te zien zitten kostte hen iets dat zij niet konden benoemen. En toch luisterden zij. Niet uit beleefdheid, niet uit gewoonte, maar omdat zij in elke zin die Abu Bakr ﵁ uitsprak iets herkenden dat zij hadden geleerd in de drieëntwintig jaar dat hun Boodschapper ﷺ onder hen had geleefd.
De sahabah hadden gezien hoe de Profeet ﷺ zijn eigen sandalen repareerde. Zij hadden gezien hoe hij water haalde voor zijn vrouwen, hoe hij brood at met de vrijgelaten slaven, hoe hij in een vergadering nooit ging zitten op een hogere plaats dan zijn metgezellen. Ik ben niet de beste van u, sprak Abu Bakr ﵁, en zij hoorden de echo van een man die had gezegd Ik ben slechts een dienaar; spreek over mij zoals u over een dienaar spreekt. De zwakke is sterk bij mij, sprak Abu Bakr ﵁, en zij hoorden de echo van een Profeet ﷺ die was opgestaan voor een Joodse begrafenis omdat een ziel is heengegaan. Gehoorzaam mij zolang ik Allah ﷻ gehoorzaam, sprak Abu Bakr ﵁, en zij hoorden de echo van een Boodschapper ﷺ die zijn eigen gezag voortdurend onder dat van de openbaring had geplaatst.
De Saqifah had de hoofden bezig gehouden; de minbar van vandaag stelde de harten gerust. Niet omdat een charismatisch man hun had verteld wat zij wilden horen, maar omdat een teruggetrokken man hun had verteld wat zij dienden te horen. Zij gaven hem de baiʿah, en zij gaven het hem in tranen, en zij gaven het hem in geloof.
Wat de eerste khutbah niet zegt
Het is even tekenend wat Abu Bakr ﵁ in zijn eerste toespraak niet zei. Hij beloofde geen veroveringen. Hij beloofde geen rijkdom. Hij beloofde geen verlichting van de lasten van de Quraysh of een uitbreiding van privileges voor de Ansar. Hij sprak niet over zijn eigen verdiensten in de Hijra, in Badr, in Uhud, in Hudaybiyyah of Tabuk. Hij noemde zijn eigen titel as-Siddiq niet. Hij wees niet op het feit dat hij de tweede van twee in de grot was geweest; ʿUmar ﵁ had dat zojuist gedaan, maar Abu Bakr ﵁ deed het zelf niet. Hij prees zichzelf niet, hij legitimeerde zichzelf niet, hij beriep zich op geen enkel persoonlijk meritocratisch gegeven.
Dit zwijgen is de andere helft van zijn boodschap. Een khalifah die zijn ambt niet aan zichzelf maar aan de zaak verbindt, hoeft zijn eigen naam niet groot te maken. Een dienaar van de gemeenschap heeft zijn cv niet nodig; hij heeft zijn werk nodig. En een man die op de minbar zegt Ik ben niet de beste van u, sluit met die zin alle deuren naar elke vorm van zelfverheerlijking.
In de jaren die zouden volgen, zou Abu Bakr ﵁ deze houding bewaren. ʿAʾishah ﵂, zijn dochter, overlevert dat hij in privé tegen haar zei dat hij zijn ambt nooit had gezocht en het bij elke ochtend van zijn khilafah als een last beschouwde, niet als een eer. Hij wenste, zei hij, dat hij een eenvoudige slaaf van een goede meester was geweest, zodat hij rekenschap zou moeten afleggen voor één leven en niet voor honderdduizend. Zulke uitspraken klinken in de mond van de meeste machthebbers vals. In zijn mond klonken zij waar, omdat zijn leven ze bevestigde.
De juridische erfenis
Voor de moslims die in de eeuwen na hem zouden komen, werd de eerste khutbah van Abu Bakr ﵁ een toetssteen. Wanneer een latere heerser pretendeerde dat hij boven de Wet stond, werd hem de eerste zin van Abu Bakr ﵁ voorgehouden: Ik ben niet de beste van u. Wanneer een latere heerser pretendeerde dat zijn bevel onaantastbaar was, werd hem de derde zin voorgehouden: Gehoorzaam mij zolang ik Allah ﷻ gehoorzaam. Wanneer een latere heerser pretendeerde dat de zwakke geen recht had tegen de sterke, werd hem de tweede zin voorgehouden: De zwakke onder u is sterk bij mij.
Het is daarom dat de geleerden van later, van al-Mawardi ﵀ in zijn al-Ahkam as-Sultaniyyah tot Ibn Taymiyyah ﵀ in zijn as-Siyasah ash-Sharʿiyyah, deze khutbah als constitutionele tekst behandelen. Niet wettekst in de zin dat hij artikelen geeft die uitwerking behoeven, maar wettekst in de zin dat hij beginselen geeft die de hele uitwerking dragen. De rechtvaardigheid is geen ornament van de khilafah; zij is haar wezen. De gehoorzaamheid is geen onderwerping aan een persoon; zij is steun aan de Wet door een persoon heen. De zwakke is geen lastige randfiguur; hij is de toetsteen aan wie de rechtvaardigheid van het gezag wordt afgelezen.
Suyuti ﵀ haalt later, in zijn lange biografische bespreking, een hadith aan waarin de Profeet ﷺ zegt dat zijn gemeenschap zal worden voorgegaan door rechtgeleide khaliefen. Vier mannen, in de meest gangbare overlevering. Abu Bakr ﵁, ʿUmar ﵁, ʿUthman ﵁, ʿAli ﵁. Op deze dinsdagochtend in Rabīʿ al-Awwal van het elfde jaar, op de minbar van de Profeet ﷺ, in een moskee waar het lichaam van de overledene nog binnen lag, begon de eerste van die vier zijn ambt. Hij begon het met vier zinnen die de hele aard van het islamitische gezag definitief zouden vastleggen. En de gemeenschap stond op, gaf hem de baiʿah, en de Islam stapte zonder haar Profeet ﷺ de nieuwe dag in.
In de avond van diezelfde dag werd het lichaam van de Boodschapper ﷺ in de aarde gelegd, in de kamer waar hij was gestorven. Abu Bakr ﵁ stond in de moskee, kort daarna, en zou de volgende ochtend zijn eerste bestuursdaad verrichten: het bevel doorzetten waarover heel Medina sprak en waarover sommige van zijn naasten ernstige bedenkingen hadden. Het leger van Usama ibn Zayd ﵁ moest uittrekken, zoals de Profeet ﷺ had bevolen, en geen tegenslag mocht het bevel ongedaan maken. Maar dat behoort tot het verhaal van de volgende morgen, en tot het verhaal van een khalifah die met zijn eerste praktische beslissing toonde wat zijn drie eerste verklarende zinnen werkelijk betekenden.
Bronnen
- Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk 1995), pp. 54, 57–58.
