De eerste khutbah van ʿUmar ﵁ en de titel Amir al-Muʾminin
De minbar opnieuw bestegen
In het vorige artikel volgden wij de dinsdag waarop Abu Bakr ﵁ overleed en de woensdag waarop de gemeenschap haar bayʿah aan ʿUmar ibn al-Khattab ﵁ gaf. Het verhaal sloot bij de laatste handen die in de moskee van de Profeet ﷺ aan zijn rechterhand waren gelegd, voordat hij zelf het woord nam. Op deze plek begint het volgende deel, want wat ʿUmar ﵁ op die ochtend en in de eerste weken van zijn ambt zou zeggen en doen, vestigde de stijl van zijn hele kalifaat.
De moskee was niet leeggelopen na de bayʿah. De gemeenschap bleef staan; zij wachtte op de woorden van de man die zij zojuist had bevestigd. ʿUmar ﵁ stond op van de derde trede van de minbar. Hij was lang van gestalte, zo lang dat hij in een vergadering boven de hoofden van de meeste mannen uitkwam, en zijn aanwezigheid op de minbar was eerder een onderwerping dan een stijging. Hij prees Allah ﷻ. Hij zond zegen op de Profeet ﷺ. En toen sprak hij, in de woorden die al-Hasan al-Basri ﵀ heeft overgeleverd, de zinnen die zijn ambt openden.
Kaart laden...
Het programma in één paragraaf
ʿUmar ﵁: Goed. Ik ben door u beproefd en u bent door mij beproefd, en ik ben tot de khilafah opgevolgd, onder u, na mijn twee metgezellen. Wie hier aanwezig is, met zijn zaken zullen wij ons persoonlijk bezighouden, en wie niet hier met ons is, over hem zullen wij sterke en betrouwbare mannen aanstellen.
Deze zin, in al-Hasans overlevering, is geen toespraak in de retorische zin. Het is een programma in vier delen. Ik ben door u beproefd en u bent door mij beproefd: het ambt is een wederzijdse beproeving, niet een eenzijdige overheersing. Ik ben tot de khilafah opgevolgd na mijn twee metgezellen: hij plaatst zichzelf in een lijn, en die lijn is de Boodschapper ﷺ en Abu Bakr ﵁. Hij is de derde, en hij weet dat. Met de aanwezigen zullen wij ons persoonlijk bezighouden: de khalifah staat zelf voor de directe zorg van wie hij dagelijks kan bereiken. Over de afwezigen zullen wij sterke en betrouwbare mannen aanstellen: hij erkent in zijn eerste minuut dat de gemeenschap te groot is voor één man, en dat de juiste keuze van gouverneurs het tweede been is van zijn bestuur.
In deze enkele zin staat het hele staatsapparaat dat ʿUmar ﵁ tien jaar lang zou opbouwen. Hij zou in eigen persoon Medina, Mekka en de Hijaz overzien. Hij zou voor Syrië, Iraq, Egypte, Bahrain, Yemen en de andere provincies gouverneurs aanstellen die hij zelf zorgvuldig koos, en die hij even zorgvuldig zou afzetten zodra zij van het pad afdwaalden. Hij zou een diwan, een soldijregister, instellen waarin alle moslims volgens hun voorrang in de Islam een toelage kregen. Hij zou een postdienst tussen de provincies opzetten. Hij zou rechters benoemen die hem schriftelijk verantwoording aflegden. Hij zou jaarlijks tijdens de Hajj zijn gouverneurs uit alle provincies bijeenroepen om met hen openbaar verantwoording af te leggen tegenover de gelovigen die zij bestuurden. Dit alles, dit hele instituut van bestuur dat de Islam in de wereldgeschiedenis als organisatorische vorm zou achterlaten, kondigt zich aan in deze eerste, korte zin op de minbar.
Een ambt dat tot Allah ﷻ wordt opgedragen
Ibn Saʿd ﵀, die in zijn Tabaqat de levens van de Sahaba ﵃ heeft beschreven met een precisie waaraan latere historici zich zouden meten, heeft een ander deel van de eerste khutbah van ʿUmar ﵁ bewaard. Het is geen openbaring naar de gemeenschap toe; het is een smeekbede die hij hoorbaar boven de minbar uitspreekt, gericht aan de Heer over Wie hij hierna namens deze gemeenschap zal regeren.
ʿUmar ﵁: O Allah ﷻ, ik ben streng, maak mij dus zacht; ik ben zwak, dus versterk mij; en ik ben gierig, dus maak mij gul.
Een tricolon, in drie evenwichten. Ik ben streng: hij ontkent niet wat heel Medina van hem wist. Zijn strengheid was berucht; hij had vrouwen, dochters, mannen, slaven, zonen, alleen door zijn aanwezigheid in beweging kunnen brengen. Maak mij zacht: hij vraagt niet om die strengheid te verliezen, want zij is in zijn natuur en in de aard van het ambt benodigd; hij vraagt erbij om de zachtheid die haar in evenwicht houdt. Ik ben zwak: deze man, die de schedels van Quraysh op het slagveld had verbrijzeld, noemde zichzelf zwak. Hij wist wat hij niet kon. Hij wist dat zonder de hulp van Allah ﷻ geen menselijke kracht het ambt zou dragen. Maak mij gul: ʿUmar ﵁ had in zijn jonge jaren onder Quraysh leren rekenen, leren hoeden, leren handelen. Een hand die gehard is door rekenen, opent zich niet vanzelf. Hij vraagt om de hand die opent.
Deze duʿaʾ is, in de hele kanselgeschiedenis van de Islam, de meest verstrekkende erkenning door een heerser van zijn eigen onvolkomenheid. Zij wordt in de eerste minuten van zijn ambt uitgesproken, voor de hele gemeenschap, niet in een privé-vertrek waar niemand het zou horen. Wie zijn gemeenschap zo opent, vraagt haar niet om hem te verheerlijken, maar om hem te helpen. Hij vraagt haar om hem in zijn zwakheden te corrigeren waar zij dat mag, en zich aan zijn rechtvaardigheid te onderwerpen waar zij dat moet.
De erfenis van Abu Bakr ﵁ doorgezet
ʿUmar ﵁ liet de eerste khutbah niet open eindigen. Hij verklaarde wat in de praktijk zou volgen. De richting die Abu Bakr ﵁ had ingezet, werd onverkort doorgezet. De legers die in Syrië en in Iraq stonden, zouden niet worden teruggeroepen. De gouverneurs die Abu Bakr ﵁ had aangesteld, zouden in hun ambt blijven totdat ʿUmar ﵁ persoonlijk reden zag om hen te vervangen. De jizyah en kharaj-regelingen die in de eerste expansie tot stand waren gekomen, zouden worden geëerd zoals zij in de verdragen waren vastgelegd. Wat Abu Bakr ﵁ in twee jaar had opgebouwd, was geen experiment dat met zijn dood eindigde; het was de continuïteit waaraan ʿUmar ﵁ zijn eigen bestuur zou toevoegen.
Hij sprak ook over de gewone moslim die naar Medina zou komen voor recht. Wie aan zijn deur klopte met een grief, zou worden gehoord. Wie tegen een gouverneur klacht had, kon die klacht in Medina indienen, en ʿUmar ﵁ zou zelf de gouverneur ter verantwoording roepen. Wie een schuld bij de bait al-mal had, hetzij omdat hij was achtergebleven in zijn betalingen, hetzij omdat zijn toelage niet was uitbetaald, kon op de minbar van de Profeet ﷺ vragen wat hem toekwam, en hij zou een antwoord krijgen.
Dit was geen retoriek. Tien jaar lang zou ʿUmar ﵁ deze toezeggingen letterlijk naleven. De zuilen van de moskee zouden door de tegenwoordigheid van klagende delegaties uit verre provincies bijna een rechtszaal worden. Een vrouw uit een Bedouïenenstam in Najd kon ʿUmar ﵁ in de straat aanhouden en hem op zijn fout wijzen, en hij zou afstappen, luisteren, zich verontschuldigen en zijn besluit herzien. Dit hoorde bij wat de gemeenschap nu had ontvangen.
De duʿaʾ voor de Muhajirun en de Ansar
In een tweede deel van zijn khutbah, dat Suyuti ﵀ uit dezelfde overlevering put, sprak ʿUmar ﵁ de duʿaʾ voor de twee groepen die de Islam droegen.
ʿUmar ﵁: O Allah ﷻ, ik draag U op de Muhajirun, die hun huizen verlieten omwille van U en omwille van Uw Boodschapper ﷺ; en ik draag U op de Ansar, die hen ontvingen toen zij gehaast naar hen kwamen. Heb erbarmen met hen, en breng degenen van hen die nog op aarde leven naar U met goed en welzijn, en breng degenen van hen die reeds tot U zijn gegaan onder Uw barmhartigheid en welbehagen, en laat het ten ware niet bij hen aan.
Hij begon zijn ambt met de twee groepen die de ruggengraat van zijn gemeenschap vormden. Zonder Muhajirun en Ansar was er geen Hijra, geen Badr, geen Medina, geen Islam in zijn historische gestalte. ʿUmar ﵁ wist dat het bestuur dat hij zojuist op zich nam, op hun schouders rustte. Hij prees hen niet in zijn eerste khutbah door retorische lof; hij prees hen door zijn duʿaʾ. Dit was bovendien een politieke daad, voor zover men deze term op de praktijk van een rechtgeleide khalifah wil toepassen. De Saqifah lag pas twee jaar achter de gemeenschap. De spanning tussen Muhajirun en Ansar over de leiding was destijds zichtbaar geworden. ʿUmar ﵁ herinnerde de gemeenschap eraan dat beide groepen, in dezelfde adem en met dezelfde eerbied, voor Allah ﷻ stonden.
De titel Amir al-Muʾminin
De gemeenschap had, vanaf de dag van de bayʿah aan Abu Bakr ﵁, een aanduiding gehanteerd voor de man die haar bestuurde. Hij heette Khalīfat Rasūl Allah ﷺ, de opvolger van de Boodschapper van Allah ﷺ. Het was een lange titel, en zij paste bij Abu Bakr ﵁, die als directe opvolger inderdaad als de plaatsvervanger van de Profeet ﷺ kon worden aangeduid. Maar zou men ʿUmar ﵁ nu noemen Khalīfat Khalīfat Rasūl Allah ﷺ, de opvolger van de opvolger van de Boodschapper van Allah ﷺ. En een opvolger van een opvolger van een opvolger, wat zou hij dan heten. De titel groeide te lang om praktisch te zijn.
Het was een eenvoudige praktische vraag, en zij werd in de eerste weken van het kalifaat van ʿUmar ﵁ in Medina besproken. Suyuti ﵀ vat de uitkomst samen in een zin die de gemeenschapszin van die discussie laat zien:
Een groep van Sahaba ﵃ tot ʿUmar ﵁: U bent de amir, de bevelvoerder, en wij zijn de muʾminun, de gelovigen.
Met deze woorden vond de titel zichzelf. Amir al-Muʾminin, de bevelvoerder van de gelovigen. Hij is de amir, want hij voert het bevel uit. Zij zijn de muʾminun, want zij dragen het geloof. Tussen hen ligt geen koningschap, geen heersersverhouding, geen meerdere en mindere klassen. Hij heeft het bevel onder hen, en zij hebben het geloof onder hem. Beiden staan voor Allah ﷻ.
Suyuti ﵀ vermeldt nadrukkelijk:
Suyuti ﵀: Hij was de eerste die Amir al-Muʾminin werd genoemd, de eerste die de gebeurtenissen vanaf de Hijra dateerde, de eerste die het nachtelijk patrouilleren instelde, de eerste die de dirrah, de korte tuchtzweep, bij zich droeg, en de eerste die het bait al-mal zo organiseerde dat een register werd bijgehouden voor elk lid van de gemeenschap.
Een lijst van eerstheden, in één zin. Elk van deze eerstheden zou in de eeuwen die volgden, niet alleen in de Islamitische geschiedenis maar in de geschiedenis van het wereldbestuur, een instituut blijven. De Hijri-kalender, die in een afzonderlijk artikel van deze cyclus haar eigen verhaal krijgt, dateert vanaf deze ʿUmar ﵁. Het soldijregister, de diwan, die in een afzonderlijk artikel haar eigen verhaal krijgt, ontstaat onder deze ʿUmar ﵁. De titel Amir al-Muʾminin draagt iedere latere khalifah, van Banu Umayyah tot Banu ʿAbbas tot ʿAbd ar-Rahman ad-Dakhil in Cordoba, en zelfs sultans en emirs in eeuwen waarin de zuivere khilafah verdwenen was, beroepen zich op deze titel of op haar afgeleiden.
De gemeenschap antwoordt
Suyuti ﵀ noteert dat na de eerste khutbah de gemeenschap stilviel. Niet uit onbehagen, maar uit erkenning. ʿUmar ﵁ had hen niet beloofd wat zij wilden horen, en hij had hen niet beloofd wat een gemiddelde heerser belooft: rust, voorspoed, een einde aan zorgen. Hij had hen iets anders aangeboden: een ambt dat hij naar best vermogen zou dragen, een rechtvaardigheid die hij zou afdwingen aan zichzelf en aan zijn gouverneurs, een dienst die hij in de ogen van Allah ﷻ zou afleggen.
De Sahaba ﵃ die deze morgen in de moskee stonden, hadden in de afgelopen jaren menige khutbah van de Boodschapper ﷺ gehoord. Zij hadden in de afgelopen twee jaar de khutbahs van Abu Bakr ﵁ gehoord. Wat zij vandaag hoorden, was niet zo welsprekend als de eerste, niet zo intiem als de tweede; zij was praktisch, programmatisch, kort. ʿUmar ﵁ was geen redenaar. Hij was een bestuurder, en zijn eerste khutbah was reeds een bestuursdaad. Hij gaf zijn gemeenschap precies datgene wat zij van hem op deze ochtend nodig had: duidelijkheid over wat zij van hem mocht verwachten en wat hij van haar verwachtte.
De wending in de stijl van het ambt
Wat in deze eerste week van het kalifaat van ʿUmar ﵁ zichtbaar werd, was niet alleen een verandering van persoon. Het was een verandering van stijl. Abu Bakr ﵁ had in zijn twee jaar de stijl van de Profeet ﷺ zo dicht mogelijk benaderd: zacht waar zacht moest, hard waar hard moest, openhartig in privé en openhartig in publiek, dezelfde man bij de melkemmer als op de minbar. ʿUmar ﵁ zou dezelfde principes dragen, maar in een ander register. Hij zou nadrukkelijker zichtbaar zijn in de straten van Medina dan zijn voorganger had gedurfd. Hij zou nadrukkelijker zijn handelen openbaar maken dan Abu Bakr ﵁ ooit voor zichzelf had willen doen. Hij zou de zweep in eigen hand nemen wanneer een straf moest worden uitgevoerd, niet omdat hij het toezicht aan een ander niet vertrouwde, maar omdat hij voor de ogen van de gemeenschap wilde laten zien dat de khalifah zijn handen niet schuwde voor de praktische gevolgen van zijn besluiten.
De gemeenschap zou aan deze stijl moeten wennen. Sommige Sahaba ﵃, die onder Abu Bakr ﵁ een zekere milde behandeling hadden gekregen, zouden onder ʿUmar ﵁ strenger worden aangepakt. Andere Sahaba ﵃, die onder Abu Bakr ﵁ in de schaduw waren gebleven, zouden onder ʿUmar ﵁ in het volle licht van het bestuur worden gezet. ʿAli ibn Abi Talib ﵁, op wiens raad ʿUmar ﵁ in vele juridische zaken zou steunen, zou een centrale rol krijgen in de raad rond de khalifah. ʿAbd ar-Rahman ibn ʿAwf ﵁ zou geleidelijk meer betrokken raken bij de besluiten over bestuur en financiën, totdat hij later in de Shura van zes de doorslaggevende stem zou krijgen. Maar dat alles lag in een toekomst die op deze eerste woensdag nog niet zichtbaar was.
Waarom deze titel deze betekenis kreeg
De titel Amir al-Muʾminin is, in zijn taalkundige opbouw, niet uitzonderlijk. Het Arabisch kent vele samenstellingen met amir: een amir al-jaysh is een legercommandant, een amir al-hajj is de leider van een pelgrimskaravaan, een amir al-baḥr is een vlootcommandant. Wat de samenstelling Amir al-Muʾminin uitzonderlijk maakt, is niet haar grammaticale vorm maar haar reikwijdte. Hij voert geen bevel over een leger, over een karavaan, over een vloot; hij voert bevel over de gelovigen, dat wil zeggen over de hele gemeenschap die in Allah ﷻ en Zijn Boodschapper ﷺ gelooft, waar zij zich ook op aarde bevindt.
Dit had implicaties die in de eerste jaren van ʿUmar ﵁ misschien nog niet ten volle zichtbaar waren, maar die in latere eeuwen de basis zouden vormen voor de hele fiqh over het khilafah-ambt. De Amir al-Muʾminin is de leider van de gehele Ummah, niet van een stam, niet van een stad, niet van een provincie. Wie zich aan zijn bevel onttrekt zolang hij binnen de Wet handelt, onttrekt zich aan de Ummah. Maar wie hem volgt wanneer hij buiten de Wet handelt, deelt in zijn verantwoordelijkheid voor die overtreding. De titel verheft de drager niet boven de Wet; hij plaatst hem onder de Wet, met de plicht om haar uit te voeren.
De latere geleerden, van Imam Mawardi ﵀ in zijn al-Ahkam as-Sultaniyyah tot Imam al-Juwayni ﵀ in zijn Ghiyath al-Umam, hebben deze betekenis van de titel uitgewerkt. Een Amir al-Muʾminin is geen wetgever, want de Wet is door Allah ﷻ in de Quran en door de Profeet ﷺ in de Sunnah reeds gegeven. Hij is geen rechter, want de rechters spreken recht volgens de Wet, en hij stelt hen aan maar hij vervangt hen niet. Hij is geen priester, want de Islam kent geen priesterschap. Hij is een uitvoerder. Hij voert de Wet uit, hij benoemt de rechters, hij organiseert de gemeenschap, hij verdedigt haar grenzen, hij int en verdeelt haar belastingen. Dit alles in dienst van de Wet, niet in dienst van zichzelf.
ʿUmar ﵁, op deze eerste woensdagmorgen in de moskee van de Profeet ﷺ, was de eerste in de geschiedenis aan wie deze titel werd toegekend. Wie haar na hem droeg, droeg haar in de schaduw van deze ʿUmar ﵁, en moest haar tegen de maatstaf meten die hij in de tien jaar van zijn ambt zou vestigen.
De praktische uitvoering vanaf dag één
Nog dezelfde middag zette ʿUmar ﵁ zijn werk voort. Hij ontving de eerste delegatie van soldaten die uit Iraq terugkeerden met bericht over de stand van de strijd tegen de Sassaniden. Hij hoorde hen aan, vroeg naar de namen van degenen die in de laatste schermutselingen waren omgekomen, gaf opdracht aan zijn diwan om de erfenissen aan de families te laten uitkeren, en gaf in dezelfde ademtocht het bevel dat de troepen aan de Iraakse grens niet zouden worden teruggeroepen maar versterkt. De volgende ochtend ontving hij de gouverneur die voor de Hijaz verantwoordelijk was, en stelde hem vragen over de prijs van het brood in Mekka, over de toestand van de bedoeïenenstammen in Tihamah, over de verdeling van het water in de oasen tussen Medina en Mekka. Hij sliep op een mat in de moskee in plaats van naar huis te gaan. Hij at op de avond van zijn tweede ambtsdag droge dadels en water uit een aarden kruik. Hij wenste, zo overlevert Anas ibn Mālik ﵁, dat hij in zijn ambtsdagen niets at dat een arme bedoeïen niet ook kon eten op dezelfde dag.
Deze stijl, op de eerste twee dagen reeds zichtbaar, zou hem nooit verlaten. Tien jaar lang zou hij in dezelfde sober gehouden mantel rondlopen, zo soberheid in zijn lichaam dragend dat de patriarch van Jeruzalem hem niet zou herkennen wanneer hij voor de eerste keer voor de Heilige Stad zou verschijnen.
Waarom deze twee gebeurtenissen samen behoren
De eerste khutbah en de titel Amir al-Muʾminin zijn op deze plek in één artikel samengebracht, omdat zij niet los van elkaar staan. De eerste khutbah maakt de inhoud van het ambt bekend: rechtvaardigheid, bescheidenheid, verantwoording, dienst aan Muhajirun en Ansar en aan de hele gemeenschap. De titel maakt de aanduiding van het ambt mogelijk: amir voor de bevelvoerder, muʾminun voor de gelovigen, geen koningschap, geen erfopvolging, geen heerlijke heer. Samen vormen zij de constitutie van de khilafah onder ʿUmar ﵁: een ambt met een nieuwe naam, een nieuw karakter, een nieuwe verhouding tot de gemeenschap.
In de twee jaar van Abu Bakr ﵁ was de Islam getoetst op haar samenhang. In de tien jaar van ʿUmar ﵁ zou zij getoetst worden op haar reikwijdte. De gemeenschap die zich op deze woensdagmorgen in de moskee van de Profeet ﷺ verzamelde, telde enkele tienduizenden gelovigen, voor het grootste deel woonachtig op het Arabisch schiereiland en in de pas veroverde delen van Syrië en Iraq. Tien jaar later zou zij miljoenen tellen, verspreid van de Atlantische kust van Egypte tot de Iraanse hoogvlakten, van de Yemenitische kustlijn tot de Levantijnse heuvels. Het ambt dat ʿUmar ﵁ op deze morgen aanvaardde, zou met die uitbreiding meegroeien, en het zou meegroeien zonder zichzelf te verliezen, omdat zijn eerste khutbah het had vastgepind aan een rechtvaardigheid en een bescheidenheid die geen schaalvergroting toelaat.
In het volgende artikel volgen wij de eerste grote militaire krachtmeting van zijn ambt: de slag bij Yarmuk, waarin het Byzantijnse rijk zijn greep op Syrië definitief verliest. De drie maanden tussen de bayʿah van ʿUmar ﵁ in Medina en het uitbreken van de slag aan de Yarmuk-rivier in Jordanië waren een ademtocht in een tijd die zonder ademtocht voortging.
Bronnen
- Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk 1995), pp. 141, 143, 150.
