InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Expedities naar Damascus en Hims

Verdere veroveringen onder ʿUmar ﵁ — Sham, Iraq en de jaren tussen

De jaartabel als ruggengraat

Wie de geschiedenis van het kalifaat van ʿUmar ibn al-Khattab ﵁ in vogelvlucht wil zien zoals Suyuti ﵀ haar in zijn Tarikh al-Khulafa heeft opgetekend, moet bladzijden 134 tot en met 136 openen. Daar staat in een zorgvuldige, ingehouden opsomming wat zich tussen het jaar 13 en het jaar 23 na de Hijra heeft afgespeeld in de noordelijke en oostelijke fronten van de wereld die onder de hand van de Kalief in Medina kwam. Het is een tabel, jaar na jaar, met enkele zinnen per jaar. Geen lange veldslagverhalen, geen heldengeschiedenissen van afzonderlijke commandanten, geen gedetailleerde diplomatieke akten. Wel een keten van openingen, futuhat, waarin de namen van steden en streken voorbijtrekken als plaatsnamen op een mijlpaal.

Wij zullen in dit artikel niet proberen wat Suyuti ﵀ niet doet. Wij zullen de fasen van de afzonderlijke veldslagen niet narreren, want voor die fase-narratieven moet men terecht bij Tabari ﵀ en Ibn Kathir ﵀, en in onze cartografie bij de fase-stories op de kaart. Wij blijven binnen de strikte tekst van Suyuti ﵀, en wij laten de jaartabel zelf spreken. Daarin ligt voldoende, want het patroon dat eruit oprijst, is het patroon van een kalifaat dat in tien jaar van Medina naar de oevers van de Oxus en de oevers van de Nijl reikte, en het deed zonder dat de Kalief Medina ooit had verlaten anders dan voor de Hajj of voor één tocht naar Sham.

Het jaar 14 AH — de openingen van Sham en Basra

Het jaar dat begon kort na de baiʿah van de Kalief, was het jaar waarin de eerste grote openingen van zijn ambt vielen. Suyuti ﵀ vat het samen: “In het jaar 14 AH werd Damascus geopend, deels door verdrag en deels met geweld, en Hims (oud Emessa) en Baalbek werden door verdrag geopend, en Basra en Ubullah door geweld.” Vier namen in één regel, en achter die vier namen ligt een aanzienlijke geschiedenis.

Damascus was de oude hoofdstad van het Romeinse Sham, een stad met een geschiedenis van millennia. Haar muren waren door de Romeinen versterkt; haar marktplaatsen waren door de Oost-Romeinse keizers gevuld. Toen de moslimlegers in 13 AH onder Abu Bakr ﵁ Sham waren ingetrokken, hadden zij van het zuiden naar het noorden de buitenwijken één voor één gewonnen of gelegerd. Met de baiʿah van ʿUmar ﵁ in Jumādā al-Akhirah van 13 AH ging het bevel over de campagne een nieuwe fase in. De Kalief in Medina hield de strategische lijn vast, terwijl de commandanten in het veld de tactische uitvoering droegen.

Damascus viel in 14 AH. Suyuti ﵀ noteert in één halve zin de eigenaardige dubbelnatuur van die opening: deels door verdrag en deels met geweld. Wie de stad inging, zou de mengeling daarvan in haar straten herkennen. In sommige wijken, waar de bewoners op tijd waren gekomen tot een akkoord met de moslimcommandanten, gold de bescherming van het verdrag. De bewoners betaalden de jizyah, behielden hun kerken, behielden hun bezit, en kregen de garantie van de bescherming van de moslimstaat. In andere wijken, waar de muren waren bestormd, gold het recht van de overwinnaar, en werd het bezit volgens de regels van de buit verdeeld. Suyuti ﵀ geeft de namen van de commandanten in deze passage niet; hij geeft alleen het feit.

Hims, het oude Emessa, viel in hetzelfde jaar door verdrag. Het was een stad in het binnenland van Sham, op de weg tussen Damascus en het noorden, en haar bewoners hadden ervoor gekozen om niet de tweede weg te volgen. Zij waren tot een akkoord gekomen. Suyuti ﵀ vermeldt in andere passages dat de bewoners van Hims, christenen onder hen, na de val van de stad herhaaldelijk hebben uitgesproken dat de jizyah onder de moslims hen lichter was dan de keizerlijke belastingen onder de Romeinen waren geweest. Baalbek, de oude Heliopolis met haar imposante zonnetempel en haar Korinthische zuilen, viel eveneens door verdrag. Een stad van priesters en hellenistische tempels, die in haar nieuwe vorm onder de moslimbescherming haar leven kon voortzetten zonder dat haar bewoners gedwongen werden hun geloof te veranderen.

Aan het oostelijk front, op de drempel van Iraq, vielen in datzelfde jaar 14 AH twee andere steden. Basra en Ubullah, beide door geweld. Basra was een nieuw te stichten plaats voor de moslims, op de zuidelijke punt van Iraq, niet ver van de samenvloeiing van Tigris en Eufraat. Ubullah was een bestaande stad ten zuiden ervan, op een handelsplaats waar de zeeschepen uit India en de Perzische Golf binnenliepen. Wie Ubullah won, won de toegang tot de zee. Wie Basra stichtte, won de stedelijke basis voor de moslimsoldaten in het zuiden van Iraq. De combinatie van beide gaf het kalifaat in één jaar zowel een marinepoort als een garnizoenshoofdstad.

Het jaar 15 AH — Yarmuk en Qadisiyyah, en de stichting van Kufa

Wanneer Suyuti ﵀ het jaar 15 AH binnenkomt, springt de pen kort tot levendigheid. “In het jaar 15 AH werd geheel Jordan geopend door geweld behalve Tiberias dat door verdrag was. In dit jaar waren de veldslagen van Yarmuk en Qadisiyyah.” Twee veldslagen die de gehele wereldgeschiedenis hebben gekanteld, samengevat in twee namen.

Wij hebben in eerdere artikelen al apart bij Yarmuk en al-Qadisiyyah stilgestaan. Yarmuk was de definitieve treffen tussen het moslimleger en het Oost-Romeinse veldleger in de Wadi al-Yarmuk in de noordelijke Hauran, in Rajab van 15 AH. De Romeinse keizer Heraclius had gehoopt dat een afsluitende slag de moslims weer terug zou kunnen drijven naar de woestijn. De slag duurde dagen, en eindigde in een onomkeerbare nederlaag voor de Romeinen. De diepte van Sham, en met haar de hele kust van het oostelijk Middellandse Zeegebied, lag daarmee open voor het kalifaat. Voor de fase-narratieve geografie verwijzen wij naar de battle-story bij dit artikel:

Veldslag laden...

.

Al-Qadisiyyah was de Iraakse parallel, in 15 of begin 16 AH, op de westelijke oever van de Eufraat tegenover het Sasanidische leger van Rustam. Het Perzische rijk had haar veldslag gevoerd met haar olifanten en haar zware ruiterij. Het moslimleger onder Saʿd ibn Abi Waqqas ﵁ had de slag gewonnen in een treffen dat dagen had geduurd. Wat daarna kwam, was wat Suyuti ﵀ in dezelfde passage erbij voegt: “In het werd Sacd Kufa stichtte, en ʿUmar ﵁ stelde regelmatige wedden in (voor de strijders), registers, en gaf toelagen volgens prioriteit.” De stichting van Kufa was een direct gevolg van al-Qadisiyyah. De oude Perzische stad al-Hira lag te ver, en haar klimaat was te ongezond voor de Arabische strijders. Saʿd ﵁ koos een plek aan de Eufraat waar de bries vanaf de woestijn waaide, en bouwde er Kufa. Voor de fase-narratieve geografie van al-Qadisiyyah verwijzen wij naar:

Veldslag laden...

.

In de Levant, parallel aan deze gebeurtenissen, viel Jordan. Tiberias, de stad aan het meer van Galilea, kwam tot een verdrag voor het tot een treffen kwam. Andere steden in Jordan vielen door geweld. De Levantijnse kust, met haar havensteden Akko, Tyrus, Sidon en Beiroet, kwam langzaam in het zicht van de moslimcommandanten.

Het jaar 16 AH — Madāʾin Kisra en Jeruzalem

Het jaar 16 AH was het jaar waarin het Sasanidische hart viel en het christelijke hart wankelde. Suyuti ﵀ schrijft: “In het jaar 16 AH werden Ahwaz en Madaʾin geopend, en in de laatste richtte Sacd ﵁ het Jumucah-gebed op in de grote hal van Khosrau, en dit was het eerste Jumucah-gebed dat in Iraq werd gehouden. Dat was in de maand Safar. In datzelfde jaar werd Takrit geopend, ʿUmar ﵁ reisde en nam al-Bait al-Maqdis (Jeruzalem) en gaf zijn beroemde khutbah in al-Jabiyyah.”

Madāʾin Kisra, de stedelijke conglomeratie waarin de oude Sasanidische hoofdstad Ctesiphon en de bijbehorende steden waren samengegroeid, was het hart van het Perzische rijk. Haar Iwan, de imposante hal van Khosrau met haar enorme parabolische gewelf, was de plek waar de Sasanidische heersers eeuwenlang hadden geregeerd. Toen Saʿd ibn Abi Waqqas ﵁ haar in 16 AH binnentrok, deed hij iets dat in de Iraakse herinnering eeuwenlang zou doorklinken. Hij verrichtte op vrijdag de eerste Jumucah-gebed in Iraq, in de grote hal van Khosrau. De gemeenschap stond in de richting van de Kaʿbah te bidden, in een ruimte waar enkele maanden eerder de Perzische sjah op zijn troon had gezeten. Suyuti ﵀ markeert het als de eerste Jumucah van Iraq, en het beeld zelf is een keerpunt. Een rijk dat zich onaantastbaar had geacht, lag open. De diwanhal van een keizer was een moskee geworden.

Met Madāʾin Kisra werd de schat van Khosrau onder de hand van Saʿd ﵁ tot deling gebracht. De kostbaarheden werden naar Medina gestuurd. Suyuti ﵀ vermeldt elders, in een verbinding met de overlevering van Salman ﵁, hoe de Kalief op het zien van de schat in tranen uitbarstte. Een ander zou zich verheugen; ʿUmar ﵁ zag in de schat een test. Hij zou zeggen, in een uitspraak die Suyuti ﵀ in een andere passage doorgeeft, dat een gemeenschap die de schatten van de wereld vergaart, ofwel haar deugd weet te behouden, ofwel ondergaat aan de hand van die schatten. Hij gaf opdracht om de gehele schat uit te delen aan de gemeenschap.

Naast Madāʾin viel ook Takrit aan de Tigris, een stad ten noorden van Bagdad, en werd er opnieuw een verdragsregeling getroffen. En in datzelfde jaar 16 AH ontving Bayt al-Maqdis, Jeruzalem, haar nieuwe Heer. De Kalief reisde zelf vanuit Medina naar al-Jabiyyah, een plek in de Hauran, en daar gaf hij de khutbah die in de geschiedenis als de khutbah van al-Jabiyyah bekend zou worden. Daar onderhandelde hij de Umariyya-verdrag met de patriarch Sophronius. Daar gaf hij de bescherming aan de christenen en joden van Bayt al-Maqdis, de bescherming van hun kerken, hun bezittingen, hun erediensten, in ruil voor de jizyah en de onderwerping aan de moslimstaat. Voor de fase-narratieve geografie van Jeruzalem verwijzen wij naar:

Veldslag laden...

.

In dezelfde passage waar Suyuti ﵀ de aankomst van de Kalief in Jeruzalem noteert, voegt hij ook iets toe wat de organisatie van de hele staat zou veranderen: “In Rabīʿ al-Awwal werd de datering vanaf de Hijra begonnen op het advies van ʿAli ﵁.” De Hijri-kalender, die wij sindsdien hebben gebruikt om elk jaar in de moslimgeschiedenis te tellen, is in datzelfde jaar 16 AH ingesteld, naast de val van Madāʾin en de verovering van Jeruzalem. Een jaar van keerpunten.

Het jaar 17 AH — uitbreiding van de moskeeën, Tustar en Suza

Het jaar 17 AH was het jaar waarin de Kalief, terug uit Sham, zijn aandacht weer in de Hijaz richtte. Suyuti ﵀ schrijft op dezelfde bladzijde: “In het jaar 17 AH vergrootte ʿUmar ﵁ het oppervlak van de Moskee van de Profeet ﷺ.” Wij hebben aan dat onderwerp het vorige artikel gewijd. Maar in datzelfde jaar 17 AH gingen ook de oostelijke operaties verder. Suyuti ﵀ noteert in zijn jaartabel veroveringen van Tustar en Suza, twee steden in het Khuzestan, waar de Sasanidische overheid haar tweede linie had opgesteld na de val van Madāʾin. Beide steden vielen, niet zonder hardheid van weerstand.

Het jaar 18 AH — Jundaysabur, Hulwan, en de pest van Amwas

Kaart laden...

Kaart laden...

Het jaar 18 AH was het meest beproefde jaar van het kalifaat van ʿUmar ﵁. Suyuti ﵀ schrijft: “In het jaar 18 AH werd Jundaysabur door verdrag geopend, en Hulwan met geweld. In dit jaar was de pest van Emaus; Urfa (Edessa) en Sumaysat werden door geweld geopend; Harran, Nasibin en een deel van Mesopotamië door geweld, en er is gezegd, door verdrag; en Mosul en zijn omgeving door geweld.”

Tegen het oosten gingen de operaties door. Jundaysabur, een belangrijke stad in het Khuzestan met een beroemde medische academie, kwam door verdrag tot het kalifaat. Hulwan, een stad in de zuidelijke Zagros op de weg van Iraq naar Iran, viel door geweld. In het noorden gingen de operaties tegen de Mesopotamische steden voort. Urfa, dat in de Romeinse tijd Edessa heette, en Sumaysat verder noordelijk, vielen door geweld. Harran in het Mesopotamische binnenland, Nasibin op de weg tussen Edessa en Mosul, en uiteindelijk Mosul zelf vielen. Mesopotamië, het gebied tussen de Eufraat en de Tigris in haar noordelijke loop, kwam in 18 AH grotendeels onder het kalifaat.

Maar hetzelfde jaar werd in de geschiedenis ingeschreven om een andere reden. De pest van Amwas, een uitbraak van wat in moderne diagnose meestal als builenpest is geïdentificeerd, brak uit in de stad Amwas (het oude Emmaus) in Palestina, en verspreidde zich met snelheid door het moslimleger en de bevolking in Sham. Vele Sahabah ﵃ stierven. Onder hen Abu ʿUbaydah ibn al-Jarrah ﵁, de bevelhebber van Sham, en met hem Muʿadh ibn Jabal ﵁, Yazid ibn Abi Sufyan ﵁ en vele anderen. Het leger werd verzwakt, en de Kalief in Medina ontving de droeve tijdingen één voor één.

Een nauwverwante beproeving viel in dezelfde jaren over de Hijaz zelf. Suyuti ﵀ benoemt het in zijn tabel niet uitdrukkelijk op deze bladzijde, maar verwijst er elders naar als de jaren van Ramadah, de jaren van as, de jaren van de grote droogte. De aarde van de Hijaz werd grijs, het vee stierf, het volk leed honger. De Kalief deed wat een Kalief in zulke jaren doet. Hij verklaarde zichzelf in verbond met het volk in hun ontbering. Hij at niet meer dan brood en olijfolie, en hij zou hebben gezegd dat hij niet zou eten wat zijn volk niet had. Hij liet eten uit Egypte aanvoeren langs een herstelde weg. Hij verdeelde wat in het bait al-mal lag onder wie het meest nodig had. En hij hief, biddend in de regen die uiteindelijk kwam, zijn handen op met de woorden van een dienaar die alleen op zijn Heer hoopt.

Het jaar 19, 20 en 21 AH — Egypte en Nahavand

In de daaropvolgende jaren werd het zuidelijke front geopend. Suyuti ﵀ noteert: “In het jaar 20 AH werd Egypte met geweld geopend. Er is ook gezegd dat geheel Egypte door verdrag werd geopend behalve Alexandrië dat met geweld werd geopend. In het jaar 21 AH werd Alexandrië met geweld geopend, en Nahavand, waarna de Perzen geen leger meer konden opbouwen, en Barqah en andere plaatsen.”

De campagne van Egypte stond onder bevel van ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁. Hij had de Kalief in Medina overtuigd van de noodzaak om het oude Romeinse Egypte te openen, niet uit zucht naar buit, maar om de zuidelijke flank van Sham te beschermen tegen aanvallen vanaf de Nijl. De Kalief had toestemming gegeven, met de strakke opdracht om de bevolking te beschermen en niet onnodig leed te veroorzaken. ʿAmr ﵁ trok in 19 AH Egypte binnen. Babylon-fort, het Romeinse vestingwerk aan de oostelijke oever van de Nijl op de plaats van het huidige Cairo, viel in 20 AH. Een nieuwe stad werd ernaast gesticht, Fustat, de tentenstad, die de hoofdstad van moslim-Egypte zou worden. In 21 AH viel Alexandrië, na een lange omsingeling. De grote havenstad van de Middellandse Zee, waar de oude Bibliotheek had gestaan en waar de Romeinse vloot zich had verzameld, viel in moslimhanden.

In datzelfde jaar 21 AH viel Nahavand. Het was de definitieve veldslag tegen het wat van het Sasanidische leger nog over was. Yazdegerd III had in de noordelijke Zagros zijn laatste reserves verzameld voor één doorbraak. Het moslimleger onder al-Nuʿman ibn Muqarrin ﵁ trad hem tegemoet. De slag werd zo zwaar en de overwinning zo definitief, dat de overlevering haar Fath al-Futuh heeft genoemd, de Opening van de Openingen. Na Nahavand, schrijft Suyuti ﵀, konden de Perzen geen leger meer opbouwen. Het Sasanidische rijk hield op te bestaan als militaire grootmacht. Yazdegerd zou daarna nog tien jaar lang door de oostelijke provincies van zijn rijk vluchten, totdat hij in 31 AH in Merv door een handlanger zou worden gedood. Voor de fase-narratieve geografie van Nahavand verwijzen wij naar:

Veldslag laden...

.

Barqah, in het huidige Libië, viel in dezelfde periode. De moslims drongen voor het eerst de oude Romeinse provincie Cyrenaïca binnen.

Het jaar 22 AH — Azerbaijan

Het jaar 22 AH bracht de operaties tot in het verre noorden. Suyuti ﵀ noteert eenvoudig: “In het jaar 22 AH werden Azerbaijan en Dimavand en Hamadhan geopend.” Drie namen uit het noorden en oosten van Perzië, drie namen die de uitbreiding van het kalifaat tot voorbij de noordelijke Zagros markeren. Azerbaijan, met haar oude steden, kwam onder moslimbestuur. Dimavand, aan de voet van de gelijknamige berg ten oosten van het huidige Teheran, kwam onder verdrag. Hamadhan, op de oude koningsweg tussen Iraq en Iran, viel. De moslimcommandanten in deze noordelijke campagnes waren al-Mughirah ibn Shuʿbah ﵁ in Azerbaijan, Hudhayfah ibn al-Yaman ﵁ in Hamadhan, en anderen.

Het patroon van een veroveraar die zelden vocht

Wie deze tabel doorleest, ziet een patroon dat de hele wijze van het kalifaat van ʿUmar ﵁ openbaart. De Kalief is in elk jaar in Medina geweest, behalve voor de Hajj en behalve voor de eenmalige tocht naar al-Jabiyyah in 16 AH om Jeruzalem te ontvangen. Hij heeft niet één van de veldslagen die hier worden opgesomd, in persoon geleid. Hij heeft niet één van de muren die hier worden geopend, in persoon bestormd. Hij heeft zijn commandanten aangesteld, hen instructies gegeven, hun rapporten ontvangen, en hen, waar nodig, gecorrigeerd. Hij heeft de macht uitgeoefend van Medina uit, in dezelfde wollen kleed die hij elke dag droeg, op de minbar van dezelfde moskee waarvan hij de muren in 17 AH had verbreed.

Dit is het tegenovergestelde van wat de Romeinse keizers en de Perzische sjahs deden. Zij trokken met hun legers op in volle pracht, met diadeem en banier, met staf en wapenrusting. Zij wilden in persoon op het slagveld worden gezien, opdat de overwinning hun glorie zou bestendigen. ʿUmar ﵁ ging niet. Hij vertrouwde de commandanten die hij had benoemd, en hij hield hen verantwoordelijk. Hij wist dat de Kalief die Medina verlaat, het hart van het kalifaat verlaat. En hij wist dat de gemeenschap, die in de woestijn van Medina niet zonder herder kon, hem nodig had op de minbar, niet op het slagveld.

Hij heeft, in tien jaar van bestuur, een rijk gedragen van Hims tot Mosul, van Alexandrië tot Hamadhan, van Basra tot Nahavand. Een gebied dat in oppervlak en bevolking ver groter was dan het Romeinse keizerrijk in zijn glorietijd, en in cohesie veel verder reikte dan de stadstaten die de Quraish in Makkah hadden gekend. Hij heeft dat gebied gedragen vanaf de minbar in Medina, met brieven aan zijn gouverneurs, met inkomende rapporten van zijn informanten, met de hand op de polsslag van een gemeenschap die hij elke dag op de straten van Medina kon voelen.

De terughoudendheid van de Kalief

In één geest die Suyuti ﵀ door zijn hele biografie van de Kalief laat doorklinken, is ʿUmar ﵁ niet alleen een man die de openingen heeft toegestaan. Hij is ook een man die de openingen heeft begrensd. Wanneer een commandant te ver wilde gaan, hield hij hem in. Wanneer een gouverneur grond verdeeld wilde zien onder de soldaten, hield hij vast aan de zorg voor de oorspronkelijke bewoners. Hij heeft, in een van zijn beroemdste beslissingen die ook in andere bronnen dan Suyuti ﵀ is bewaard, het bouwland van Sham en Iraq niet onder de soldaten verdeeld als oorlogsbuit. Hij heeft het in collectief beheer gehouden voor de gemeenschap. Hij heeft de inheemse bevolking laten bewerken wat zij altijd had bewerkt, en de inkomsten in het bait al-mal laten vloeien om de hele gemeenschap te dienen.

Hij heeft de pelgrimsroutes opengehouden voor wie geen moslim was, mits zij niet binnen de Hijaz vestigden. Hij heeft de kerken en synagogen in Sham en Iraq laten staan. Hij heeft, in het verdrag van al-Jabiyyah, schriftelijk vastgelegd wat hij in Bayt al-Maqdis voor de christenen had besloten. Hij heeft de gouverneur die op de kerk een lange wachttijd voor de bezoeker had ingesteld, scherp aangeschreven. De terughoudendheid van de Kalief was de tegenkracht van de openingen van zijn commandanten. Hij wist dat een rijk dat zich uitbreidt, alleen kan blijven bestaan als het zijn bewoners niet vernedert.

Het einde van een tabel die verder ging

Op de bladzijde waar Suyuti ﵀ aan het jaar 23 AH komt, breekt de tabel af. Niet omdat de openingen ophouden, want zij gingen door onder ʿUthman ﵁, maar omdat de Kalief in dat jaar werd vermoord. Wij komen daar in een afzonderlijk artikel op terug. Wij willen hier alleen, in afsluiting van deze tabel van veroveringen, één observatie maken die de hele wijze van bestuur van ʿUmar ﵁ samenvat.

Hij heeft, in tien jaar, een rijk opgebouwd zonder ooit te claimen het zelf te hebben opgebouwd. Hij heeft op de minbar gezegd dat hij streng was en om zachtheid bad. Hij heeft op de Hajj zestien dinar uitgegeven. Hij heeft in de nacht gepatrouilleerd om naar de huilen van een vrouw achter een leemmuur te luisteren. Hij heeft de schat van Khosrau uitgedeeld in tranen. Hij heeft zijn gouverneurs scherp aangeschreven. Hij heeft de pelgrim ontvangen aan de poort van Medina alsof hij zelf een gewone Sahabi ﵁ was.

En tegelijk heeft hij een rijk gedragen dat in een generatie van de Atlantische Oceaan tot aan de Oxus zou reiken. Dat alles, in de woorden die Suyuti ﵀ in zijn jaartabel zo bondig samenvat, is gebeurd onder zijn hand. “Hij heeft het bevel het meest volledig uitgevoerd”, schrijft Suyuti ﵀ in zijn algemene karakterisering van de Kalief, “en er waren zeer veel openingen in zijn dagen.” Het is een eenvoudige zin, en het is alles wat over deze tien jaar in één regel moet worden gezegd.

In het volgende artikel keren wij naar Medina terug om hem te zien op zijn laatste dagen. Naar de Fajr-gebed waarin Abu Luʾluʾah hem met de tweezijdige dolk in zijn schouder en zijn flank stak, naar het ziekbed waarop hij ʿAʾishah ﵂ liet vragen om naast zijn beide metgezellen te mogen worden begraven, naar de Shura van Zes waarin hij ʿAbd ar-Rahman ibn ʿAwf ﵁ de delegatie gaf om ʿUthman ﵁ tot zijn opvolger te kiezen. De jaartabel van de openingen sluit af. De biografie van de Faruq nadert haar diepste hoofdstuk.

Bronnen

  • Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk 1995), p. 134 (jaar 13–14 AH, Damascus, Hims, Baalbek, Basra, Ubullah), p. 135 (jaren 15–17 AH, Yarmuk, Qadisiyyah, stichting Kufa, val Madāʾin, Jumucah van Saʿd ﵁, Jeruzalem, khutbah van al-Jabiyyah, Hijri-kalender, uitbreiding Masjid an-Nabawi), pp. 135–136 (jaren 18–22 AH, Jundaysabur, Hulwan, pest van Amwas, Mesopotamische steden, Egypte, Alexandrië, Nahavand, Barqah, Azerbaijan).