InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Het overlijden van Abu Bakr ﵁

Een jaar voor de dood

Het had een gewone maaltijd moeten zijn. Een schaal, een paar gasten, een dadelpoeder van het seizoen, een dunne saus van geitenvet en kruiden. In de eerste maanden van zijn kalifaat had Abu Bakr ﵁ in as-Sunh een keer een maaltijd genuttigd in gezelschap van al-Harith ibn Kaladah ﵁, de oude geneesheer van de Arabieren, een van de weinige mannen op het schiereiland die de geneeskunde van de Perzen en de Yemenitische heelmeesters in zijn hoofd droeg. Hij was bekeerd in het zuiden van Hijaz en had zich na Mekka in Medina gevestigd. Aan tafel, terwijl de Kalief zijn hand naar de schaal bracht, sloeg de geneesheer ineens met een schreeuw zijn arm beet.

al-Harith ibn Kaladah ﵁: Hef uw hand op van de schaal, Khalifah van de Boodschapper van Allah ﷺ. Bij Allah, in deze schaal zit een jaargif. Ik en u zullen op dezelfde dag sterven.

Wie het gif erin had gedaan, wist hij niet. Wie de schaal had bereid, kon hij niet bewijzen. Het was een Bedoeïenenmaaltijd geweest, aangeboden door iemand uit een verre streek waar de naam van Abu Bakr ﵁ niet werd gezegend. Het schiereiland was net door de Ridda gegaan. Er waren stammen die de Kalief liever dood dan levend zagen. De geneesheer kende uit zijn studie de geur en de kleur van een gif dat in het lichaam jaren kan dragen voordat het zijn dodelijke werk doet. Hij rook het, en hij sprak.

Abu Bakr ﵁ hief zijn hand op. Hij had reeds een hap genomen. Misschien een, misschien twee. De geneesheer ook. Geen van beiden trok zich verder terug; de Kalief omdat ʿAʾishah ﵂ later zou getuigen dat haar vader zijn gezicht had behouden alsof er niets gebeurd was, de geneesheer omdat een arts geen drama maakt aan andermans tafel. Maar tussen hen tweeën was iets uitgesproken dat in hun ogen bleef hangen. Ik en u zullen op dezelfde dag sterven. Een woord, in het uur van een gewone maaltijd, dat het uur van een dood reeds vastlegde.

Een jaar verstreek. Het was het jaar van al-Yamamah, het jaar van de Mushaf, het jaar van de Hajj van 12 AH, het jaar van Ubullah en Ajnadayn aan de horizon. De Kalief deed zijn werk. Hij sprak vanaf de minbar, hij ontving afgevaardigden, hij stuurde legers, hij melkte de geiten van de weduwen. En het gif werkte. Langzaam, onmerkbaar, het sloop door zijn aderen en zette zich vast in zijn organen. In het laatste jaar van zijn leven werd hij magerder dan hij ooit was geweest. Zijn gezicht trok. Zijn handen werden ijl. Wie hem zag, dacht aan het werk van het kalifaat. Wie hem kende, vermoedde meer.

Een jaar later, op de tweede maand van 13 AH, zou de geneesheer al-Harith ibn Kaladah ﵁ overlijden. Op dezelfde dag, of in dezelfde nacht, gaf Abu Bakr ﵁ zijn ziel terug.

De koude maandag

Het begon op een koude maandag. Het was de zevende van Jumādā al-Ākhirah van het jaar 13 na de Hijra. Een windvlaag was van het noorden over Medina getrokken, een die de oude mensen in de stad kenden als de wind die voor de winter uitgaat. Op zo’n dag baadde een vrouw haar kind alleen in lauw water. Op zo’n dag bleef een man met grijze haren in de moskee in plaats van zelf naar de soek te gaan. Maar Abu Bakr ﵁ verrichtte op die maandag zijn ghusl, de volledige rituele wassing, met water dat geen warmte hield. Hij wist niet dat het de wassing van zijn lijden zou inluiden.

Diezelfde nacht kwam de fever. Eerst een rilling die niet wegging, dan een hitte die opnam, dan een afkoeling die door de huid leek te trekken. Hij hield het de eerste dag voor zichzelf. De tweede dag merkte ʿAʾishah ﵂ het, en zij vroeg haar moeder Asmaʾ bint ʿUmays ﵂ erbij. Op de derde dag werd duidelijk dat het geen voorbijgaande verkoudheid was. Hij at niet meer. Hij dronk weinig. Hij viel in slaap zoals een mens valt, niet zoals een mens slaapt. Op de vierde dag besloten ʿAʾishah ﵂ en Asmaʾ ﵂ dat de fever niet zou wijken voordat hij zou wijken.

Vijftien dagen lag hij ziek. Veertien volle nachten in een kamer waarvan de wanden uit gestapeld leem waren, met een houten deurpost en een vloer van vastgetreden aarde. Hij hield de Quran vast, de losse bladen die hij in eigen bewaring had genomen na de compilatie, en liet zich nu en dan een vers voorlezen door ʿAʾishah ﵂. Hij zat soms rechtop, leunend tegen een rug, en sprak met de bezoekers die werden toegelaten. Hij lag soms uren onbeweeglijk. Tussen die twee toestanden ging de gemeenschap aan de overkant van de muur door met haar bestaan, terwijl in de kamer een ander bestaan zich aan het beëindigen was.

Iemand vroeg hem op een van die dagen of hij naar een dokter had laten kijken. Hij antwoordde:

Een bezoeker: Zal er geen dokter naar u gezien hebben, o Khalifah van de Boodschapper van Allah ﷺ?

Abu Bakr ﵁: De Dokter heeft naar mij gezien.

Bezoeker: Wat heeft Hij gezegd?

Abu Bakr ﵁: Hij heeft gezegd: Ik ben Doend wat Ik wil.

Het was een citaat. Faʿʿālun limā yurīd, Doend wat Hij wil, een formule die in de Quran tweemaal voorkomt: in Soera Hūd 11:107 en in Soera al-Burūj 85:16. De Kalief sprak het uit zoals een man een dagvers oplepelt, met de rust van iemand die zijn eigen ziekte als een opdracht uit een hogere kanselarij ervaart. Geen klagen. Geen bidden om herstel. Geen vragen waarom. Slechts een citaat, en een glimlach.

De vraag van de opvolging

Op de derde of de vierde dag van zijn ziekte, toen het duidelijk werd dat de fever niet snel zou wijken, riep Abu Bakr ﵁ ʿAbd ar-Rahman ibn ʿAwf ﵁ bij zich. Hij was een van de Tien aan wie de Profeet ﷺ het Paradijs had beloofd, een van de oudste metgezellen, een man wiens oordeel hij vertrouwde. De Kalief had iets te bespreken, en hij wilde er een raadgever bij hebben.

Abu Bakr ﵁: Vertel mij hoe u ʿUmar ibn al-Khattab ﵁ ziet.

ʿAbd ar-Rahman ibn ʿAwf ﵁: Bij Allah, hij is beter dan uw mening over hem. Maar er is een hardheid in hem.

Abu Bakr ﵁: Hij, bij Allah, is beter dan uw mening over hem. De hardheid van ʿUmar ﵁ is omdat hij ziet dat ik zacht ben. Als hij de last zou dragen, zou hij veel hiervan opgeven.

Een tweede gesprek voerde Abu Bakr ﵁ met ʿUthman ibn ʿAffan ﵁. Hij vroeg hetzelfde. ʿUthman ﵁ antwoordde dat ʿUmar ﵁ inwendig beter was dan uitwendig, en dat er geen mens onder hen aan hem gelijk was. De Kalief knikte. Hij riep daarna nog Saʿīd ibn Zayd ﵁ en Usayd ibn Hudayr ﵁, en hij vroeg ook hen. Geen consultatie was lichtvaardig. Geen besluit werd genomen voordat de oude metgezellen ﵃ hun hart hadden gegeven.

Toen kwam een man uit de moskee aan de poort van het huis. Hij had iets gehoord. Hij wilde de Kalief op het hart drukken dat hij voorzichtig zou zijn met ʿUmar ﵁, want de mensen waren bang voor zijn hardheid. Abu Bakr ﵁ liet hem binnen. Hij hoorde hem aan. En toen, met de stem die zwak was geworden maar nog steeds zijn oude scherpte droeg, sprak hij:

De bezorgde metgezel: Wat zult u tegen uw Heer zeggen wanneer Hij u vraagt naar uw aanstelling van ʿUmar ﵁ over ons, terwijl u ziet hoe hardvochtig hij is?

Abu Bakr ﵁: Bij Allah, probeert u mij angst aan te jagen? Ik zal zeggen: O Allah, ik heb als khalifah over hen aangesteld de beste van Uw mensen.

Geen aarzeling. Geen weifeling. Hij wist wat hij deed, en hij wist voor Wie hij het deed. De aanstelling van ʿUmar ﵁ was geen politieke berekening, en hij was geen vriendendienst. Het was, in de overtuiging van de stervende Kalief, eenvoudig de juiste keuze, en daar moest hij later voor instaan op een plek waar geen retoriek meer telde.

Het testament

Toen hij voelde dat het einde naderde, riep Abu Bakr ﵁ ʿUthman ibn ʿAffan ﵁ bij zich met een schrijfstift en perkament. Hij wilde een testament dicteren. Niet over geld, niet over goederen, want er was niets. Een testament over het ambt. Een schriftelijke aanstelling, zwart op wit, opdat na zijn dood geen tweede Saqifah meer hoefde te bestaan. Wat in Saqifah ten goede was gegaan door de wijsheid van het uur, hoefde niet opnieuw aan de wijsheid van het uur te worden overgelaten.

ʿUthman ﵁ zette zich neer en doopte zijn riet in de inkt.

Abu Bakr ﵁: Schrijf: In de naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. Dit is het testament van Abu Bakr ibn Abi Quhafah ﵁ aan het einde van zijn tijd in de wereld, op het punt van uitgaan ervan, op het tijdstip waarop de ongelovige zal geloven en de zondaar zich zal verzekeren en de leugenaar de waarheid zal spreken: ik heb na mij over u tot khalifah aangesteld ʿUmar ibn al-Khattab ﵁, dus hoort hem aan en gehoorzaamt hem. Indien hij rechtvaardig is, dan is dat wat ik weet van hem en wat ik over hem meen. Indien hij verandert, dan zal aan ieder mens toekomen wat hij heeft verworven. Het goede heb ik gewild, en het verborgene weet ik niet, en zij die onrecht doen zullen weten naar welke plaats van omkering zij zullen worden gebracht.

De laatste woorden, en zij die onrecht doen zullen weten naar welke plaats van omkering zij zullen worden gebracht, waren een citaat uit Soera ash-Shuʿarāʾ 26:227. De Kalief sloot zijn testament niet met een eigen formulering. Hij sloot het met de Quran, in een vers waarvan de waarschuwing zich uitstrekte tot wie ook na hem onrecht zou doen onder de paraplu van het ambt. Zelfs in het laatste schriftstuk van zijn leven gaf hij het laatste woord niet aan zichzelf, maar aan het Boek waarvan hij de bewaring had ondernomen.

Tijdens het dicteren, vlak na het noemen van de naam van ʿUmar ﵁, ging Abu Bakr ﵁ buiten bewustzijn. Hij kon niet verder spreken. ʿUthman ﵁ schreef wat hij wist dat hij ging zeggen, want de Kalief had de naam al uitgesproken. Toen Abu Bakr ﵁ bij bewustzijn kwam, vroeg hij wat ʿUthman ﵁ had geschreven. ʿUthman ﵁ las het voor. De Kalief glimlachte zwak en zei: “U vreesde dat de mensen zouden twisten als ik zonder voltooiing zou heengaan. Moge Allah ﷻ u daarvoor belonen.” En hij voegde toe: “En dit had ik gedaan in uw plaats.” Het was een lof van de hoogste orde voor de man die acht jaar later zelf de derde Kalief zou worden.

ʿAlī ibn Abi Talib ﵁ in het binnenplein

Voor de poort van het huis verzamelden zich de metgezellen die niet binnen waren toegelaten. Onder hen ʿAlī ibn Abi Talib ﵁. Hij stond stil. Hij wist welke vragen er onder de menigte gefluisterd werden. Hij had zelf in Saqifah twee jaar tevoren een eigen overweging gehad, en sommigen vreesden dat hij nu, met de Kalief op zijn sterfbed, een eigen claim zou laten klinken.

ʿUmar ﵁ stond op een verhoging in de moskee toen de naam uit het testament aan de menigte werd voorgelezen. Hij riep de mensen tot stilte. En ʿAlī ﵁ stond op uit de menigte en sprak met een stem die ieder kon horen:

ʿAlī ibn Abi Talib ﵁: Wij zullen niet tevreden zijn tenzij het ʿUmar ﵁ is.

Hij zei het hardop. Hij wilde dat niemand zou kunnen beweren dat hij in stilte een andere wens koesterde. Wat in Saqifah twee jaar geleden door de omstandigheid was getekend, werd nu, in het zicht van het einde van Abu Bakr ﵁, door ʿAlī ﵁ zelf bevestigd in het openbaar. De keuze van de Kalief was geen aanstelling tegen een meerderheid in, geen pacificatie van een tegenstander. Zij was de keuze die de gemeenschap, op het uur dat zij beslissen moest, met haar hart wenste.

Toen het testament was voltooid, droeg de Kalief ʿUthman ﵁ op om naar buiten te gaan en het de mensen voor te lezen. ʿUthman ﵁ las. De mensen luisterden. Toen er ergens een stem opging die vroeg of er onder hen iemand was die niet instemde, zwegen de aanwezigen. Niemand maakte bezwaar. ʿUmar ibn al-Khattab ﵁ was, voor de tweede maal in twee jaar en drie maanden, door consensus aanvaard als de man die hierna zou leiden.

De dag van de Boodschapper ﷺ

Op een van zijn laatste dagen, toen zijn krachten haast geweken waren, vroeg Abu Bakr ﵁ aan ʿAʾishah ﵂ welke dag het was.

Abu Bakr ﵁: Welke dag is dit?

ʿAʾishah ﵂: Maandag.

Abu Bakr ﵁: Welke nacht stierf de Boodschapper van Allah ﷺ?

ʿAʾishah ﵂: In een maandag.

Abu Bakr ﵁: Indien ik vannacht sterf, wacht dan niet tot morgen, want de meest geliefde van dagen en nachten voor mij is degene die het dichtst bij de Boodschapper van Allah ﷺ ligt.

Hij wilde geen statige uitvaart. Hij wilde geen plechtigheden, geen verzameling van afgevaardigden, geen dagen van rouw. Hij wilde dichter bij de Profeet ﷺ zijn, in tijd en in plaats. Indien hij in een maandagnacht zou sterven, dan moest hij ook in die maandagnacht worden gewassen, gekist, en begraven. De meest geliefde van dagen en nachten voor mij is degene die het dichtst bij de Boodschapper van Allah ﷺ ligt.

In de oude liefde tussen die twee zat een eigen logica. Abu Bakr ﵁ had de Profeet ﷺ gediend van de eerste dag van zijn missie. Hij was de eerste man uit de vrije Quraysh die geloofde toen er nog niets te geloven viel behalve een ongelooflijke man. Hij was met hem in de grot van Thawr geweest, drie dagen lang, terwijl Quraysh aan de mond van de grot voorbij was getrokken. Hij was met hem in Badr geweest, in Uhud, op de Khandaq, in Hudaybiyyah, in de Hajj van het Afscheid. Hij was de man over wie de Profeet ﷺ in zijn laatste khutbah had gezegd dat alle deuren naar de moskee gesloten moesten worden behalve de deur van Abu Bakr ﵁. Hij had niet anders willen leven dan in zijn nabijheid. Hij wilde niet anders sterven dan in zijn nabijheid.

Het laatste vers

Het was de avond van de dinsdag, of zoals Suyuti ﵀ het in de Arabische rekening noemt, de nacht van dinsdag de achtste-tot-laatste dag van Jumādā al-Ākhirah van het jaar 13 na de Hijra. Het overeenkomstige Gregoriaanse jaar was 634. Hij was drieënzestig jaar oud, exact dezelfde leeftijd waarop de Profeet ﷺ was overleden. De koorts steeg. Asmaʾ bint ʿUmays ﵂, zijn laatste vrouw, zat aan zijn voeten. ʿAʾishah ﵂ zat aan zijn hoofd, naast de muur. Buiten was Medina al stilgevallen in de nachtelijke rust.

ʿAʾishah ﵂ had in haar pijn een oud vers uit haar geheugen opgehaald. Het was een regel uit de pre-Islamitische poëzie, een klaagregel die de Arabieren wel vaker aan een sterfbed lieten klinken. Zij sprak hem zachtjes, niet wetend dat haar vader haar woorden zou horen:

“Wat baat rijkdom een jongeman, wanneer op een dag de doodsstrijd hem inhaalt en de borst hem verstikt?”

Abu Bakr ﵁ hoorde haar. Hij opende zijn ogen. Hij sprak haar tegen, niet hard, maar duidelijk:

Abu Bakr ﵁: Zeg dat niet, mijn dochter. Zeg liever wat Allah ﷻ heeft gezegd.

En hij reciteerde, met een stem die in de stilte van de kamer hoorbaar was, het vers dat hij zelf in zijn doodsstrijd in zijn hart had bewaard:

وَجَاءَتْ سَكْرَةُ الْمَوْتِ بِالْحَقِّ ۖ ذَٰلِكَ مَا كُنتَ مِنْهُ تَحِيدُ

"En de doodsstrijd komt in waarheid, dat is waarvan jij placht weg te draaien."

Soera Qāf 50:19

In dit moment ligt alles wat Abu Bakr ﵁ was. Hij stierf met de Quran op zijn lippen. Niet de poëzie van zijn volk, niet de wijsheid van zijn voorouders, niet de overlevering van zijn vader. Het vers dat hij koos om als laatste te spreken, was geen vers van troost. Het was een vers van confrontatie, een vers dat de stervende met de waarheid in het gezicht laat kijken. De doodsstrijd komt in waarheid. Dat is wat de mens placht te ontwijken. Wie de waarheid heeft gediend, ontwijkt zijn eigen sterven niet, want sterven is de laatste waarheid die hem ontmoet.

Met dat vers nam hij ʿAʾishah ﵂ niet alleen haar oude poëzie af; hij gaf haar de juiste taal voor het uur. Dit was geen pre-Islamitische klacht aan een lot dat zijn werk deed. Dit was een ontvangst van wat Allah ﷻ in waarheid had aangekondigd. De Kalief stierf niet met de woorden van de jahiliyya, maar met de woorden van Hem die de openbaring had doen neerdalen.

Het laatste woord

Nadat hij het vers had gesproken, sloot hij zijn ogen weer. ʿAʾishah ﵂ huilde stil. Asmaʾ ﵂ bewoog niet. Een lange stilte hing over de kamer. Dan opende hij nog eenmaal zijn ogen en sprak hij een laatste duʿaʾ. Suyuti ﵀ overlevert hem zoals hij in de overlevering bekend is:

“O Allah, laat mij sterven als moslim, en voeg mij toe aan de rechtschapenen.”

Het was geen oratie. Het was de bondige duʿaʾ van een man die geen ogenblik meer wilde verspillen aan iets anders dan zijn Heer. Met die woorden ging hij. Suyuti ﵀ noteert het in de korte taal die de oude historici aan zulke momenten verlenen: hij stierf op de avond van dinsdag, acht dagen voor het einde van Jumādā al-Ākhirah van 13 AH, op drieënzestigjarige leeftijd, hetzelfde aantal jaren waarop de Boodschapper van Allah ﷺ was heengegaan.

De wassing

Hij had Asmaʾ bint ʿUmays ﵂ opgedragen wie zijn lichaam zou wassen. “U zult mij wassen, samen met mijn zoon ʿAbd ar-Rahman ibn Abi Bakr ﵁.” Het was een ongewone keuze. Volgens de gewoonte werd een man door mannen gewassen. Maar Asmaʾ ﵂ was zijn echtgenote, en in de Sunnah is overgeleverd dat een man door zijn vrouw mag worden gewassen. Hij wilde dat zij het deed.

Asmaʾ ﵂ stond op. Zij was zelf nog niet vroeg in haar verdriet, want het was nog datzelfde uur, maar zij deed wat zij was opgedragen. ʿAbd ar-Rahman ﵁ kwam binnen. Zij wasten hem samen, met het water dat in het huis stond. Drie maal, met de zorg waarmee een moslim een moslim wast. Zijn lichaam was mager geworden, lichter dan het ooit was geweest. Hij was een dunne man die met een leven van vasten en bidden was uitgesleten, en de fever van vijftien dagen had nog meer van hem genomen. Asmaʾ ﵂ zou later zeggen dat zij hem gemakkelijk kon optillen, alsof zij een kind tilde.

Het kleed dat zij voor de begrafenis kozen, was niet nieuw. Het was, in overeenstemming met zijn nadrukkelijke wens, een tweemaal gewassen hemd dat hij in de laatste maanden had gedragen. Op de vraag van ʿAʾishah ﵂ of een nieuw kleed niet beter was, had hij geantwoord: “De levenden hebben er meer recht op dan de doden. Dit hemd is voldoende voor mij. Het zal binnenkort toch stof zijn, zoals ik stof zal zijn.” Geen man die ooit Kalief was, werd in eenvoudiger doek aan de aarde teruggegeven.

Het gebed tussen het graf en de minbar

Bij het aanbreken van de nacht na zijn overlijden, want hij had het uitdrukkelijk geboden om niet tot de volgende dag te wachten, droeg men hem in zijn baar de straat in. Van as-Sunh naar de Masjid an-Nabawi. Het was kort genoeg dat de dragers het in een korte mars konden afleggen. ʿUmar ibn al-Khattab ﵁, nu de tweede Kalief van de moslims, stond op en deed wat de gewoonte van de Profeet ﷺ vereiste bij het overlijden van een gelovige.

Hij plaatste de baar tussen het graf van de Profeet ﷺ en de minbar van de Masjid an-Nabawi. De plek tussen die twee was, in een hadith die hij goed kende, een van de tuinen van het Paradijs. Tussen mijn graf en mijn minbar is een tuin uit de tuinen van het Paradijs. Daar plaatste hij de baar van Abu Bakr ﵁. Daar trad hij voor. En hij verrichtte het gebed met vier takbirs.

Kaart laden...

Vier takbirs. Geen verbuigingen, geen knielingen, geen prostraties. Het salat al-janazah is een gebed van staan. Vier maal Allahu akbar. Tussen elke takbir het lofprijzen van Allah ﷻ, het zegenen van de Profeet ﷺ, het bidden voor de overledene, het bidden voor de levenden. Toen ʿUmar ﵁ het laatste salam sprak, was Abu Bakr as-Siddiq ﵁ in het gebed van de gemeenschap aan Allah ﷻ teruggegeven.

De schouder van de Profeet ﷺ

Toen het gebed was verricht, vroeg men waar het graf zou worden gegraven. ʿAʾishah ﵂ had haar antwoord al voorbereid, want haar vader had het haar in zijn laatste dagen aangewezen. Het zou in de kamer zijn, in al-Hujrah ash-Sharifah, waar de Profeet ﷺ begraven lag. In dezelfde kleine ruimte die haar woning was. Zij had die kamer aan haar vader afgestaan, zoals zij ooit haar ruimte naast de Profeet ﷺ had afgestaan toen hij in haar kamer was overleden en daar was begraven.

De grafdelvers, ʿAbd ar-Rahman ibn Abi Bakr ﵁ en enkele anderen, betraden de kamer. Zij groeven naast het graf van de Profeet ﷺ. Het werk was niet groot, want de aarde was los van het eerdere graven. Toen het diep genoeg was, brachten zij het lichaam binnen.

ʿAbd ar-Rahman ibn Abi Bakr ﵁ daalde in het graf om zijn vader te ontvangen. Hij legde het hoofd van Abu Bakr ﵁ exact op de plaats die was uitgekozen: bij de schouder van de Boodschapper van Allah ﷺ. “Zij groeven hem een graf en zetten zijn hoofd bij de schouder van de Boodschapper.” Zo formuleert Suyuti ﵀ het, in een zin die alles zegt over de orde van die kamer. Voor de Profeet ﷺ uit, een handbreed achter zijn hoofd, lag nu het hoofd van zijn dichtste metgezel. Wie achterin de kamer kwam, zag ze beiden liggen, de een voor de ander uit, de schouder van de een onder het hoofd van de ander.

Het was alles wat Abu Bakr ﵁ in de laatste maanden had verlangd. Hij had niet om een paleis gevraagd, hij had niet om een grafmonument gevraagd, hij had niet om gegraveerde stenen gevraagd. Hij had om een schouder gevraagd. En zelfs die was, in zijn opzicht, niet zijn eigen recht. Hij was, zoals hij heel zijn leven had verklaard, de tweede van de twee. Tweede in de grot. Tweede in de openbare oproep. Tweede in al wat hij ooit met de Profeet ﷺ had gedeeld. En nu, in het graf, opnieuw tweede.

De stilte van de nacht

Het was diepe nacht toen zij de kamer verlieten en het graf afdichtten. Buiten was Medina in de slaap die het had geweigerd aan de levenden van de avond ervoor. Een enkele lantaarn brandde in de moskee. ʿUmar ﵁ stond een lange tijd bij het graf, zonder iets te zeggen. ʿAlī ﵁ stond naast hem. Talhah ﵁ en az-Zubayr ﵁ stonden iets verderop. Asmaʾ ﵂ en ʿAʾishah ﵂ waren binnen, achter de wand, en huilden geen luide huilen meer; zij waren in de stilte die op het lange weeklagen volgt.

Iemand brak de stilte met een eenvoudige zin. “De banner van de waarheid is gevallen, en wij wandelen in een land dat door zijn voetstappen is bezegeld.” Niemand weet zeker wie dat zei. Suyuti ﵀ noteert het niet woordelijk. Maar het was, in de stemming van die nacht, het ware woord.

Wat de gemeenschap voelde, was niet alleen rouw om een mens. Het was rouw om een tijdvak. De Profeet ﷺ was twee jaar en drie maanden tevoren heengegaan. Abu Bakr ﵁ was, in zekere zin, de schaduw geweest die de licht van die heengegane zon nog op de aarde van Medina had laten vallen. Hij was de man die in 11 AH was opgestaan en had gezegd dat wie de Boodschapper aanbad, moest weten dat hij was overleden, en dat wie Allah ﷻ aanbad, moest weten dat Hij leeft en niet sterft. Wie zal nu, met dezelfde stem, in de volgende crisis opstaan? ʿUmar ﵁ kon en zou. Maar zijn stem zou anders klinken. Een tijdperk had zich gesloten in de nacht waarin de schouder van de Profeet ﷺ een tweede hoofd had ontvangen.

Het bericht aan Abu Quhafah ﵁

Een paar weken later kwam het bericht in Makkah aan. Abu Quhafah ʿUthman ﵁, de vader van Abu Bakr ﵁, was bekeerd geweest sinds de verovering van Mekka in 8 AH. Hij was oud, zeer oud, ergens in de zevenennegentig jaar. Hij was blind geworden door zijn leeftijd, en zijn benen droegen hem nauwelijks. Hij zat op een mat voor zijn huis aan de voet van de heuvels, en wachtte op wat zou komen.

Een boodschapper uit Medina kwam aan en groette hem. Hij vroeg om binnen te komen. Hij sprak met de oude man, en bracht hem het nieuws. Abu Quhafah ﵁ schrok niet. Hij hief zijn handen op, en in een zachte stem zei hij:

Abu Quhafah ﵁: Inna lillahi wa inna ilayhi rajiʿun. Een groot ongeluk. Wie heeft het ambt na hem overgenomen?

De boodschapper: ʿUmar ibn al-Khattab ﵁.

Abu Quhafah ﵁: Zijn metgezel.

Zijn metgezel. Twee woorden. Een vader die zijn zoon overleeft, hoort welke man het ambt overneemt, en herkent in die ene naam de oude band tussen zoon en metgezel. ʿUmar ﵁ was de metgezel van Abu Bakr ﵁ geweest in elk uur. In de Hijra niet, want toen had ʿUmar ﵁ openlijk gemigreerd terwijl Abu Bakr ﵁ in stilte vertrok. Maar in elk uur daarna had ʿUmar ﵁ aan zijn zijde gestaan. In Badr, in Uhud, in Hudaybiyyah, op de minbar, in de raadzaal van as-Sunh. Wanneer Abu Quhafah ﵁ in Makkah, een blinde oude man op een mat, hoorde dat ʿUmar ﵁ het ambt had aanvaard, dan was er voor zijn besef niets veranderd. Het ambt was, op een wezenlijke manier, gewoon overgegaan naar de man die er reeds in had gestaan, naast zijn zoon, in alle uren waarop het er werkelijk toe deed.

Hij liet zijn handen zakken. Hij vroeg waar zijn zoon was begraven. Men vertelde hem: naast de Boodschapper van Allah ﷺ. Hij knikte, en hij zweeg lange tijd. Toen hief hij zijn handen op en bad de oude bedoeïenenduʿaʾ voor de doden, in de korte woorden die elke vader in Arabië voor zijn gestorven zoon kende. Geen extra woorden. Geen omslachtig verdriet. Een vader die zijn zoon overleeft, weet dat alle taal in zo’n uur klein is.

Abu Quhafah ﵁ leefde nog zes maanden. Hij stierf in Muharram van het jaar 14 na de Hijra, op zevenennegentigjarige leeftijd. Hij werd in Mekka begraven, ver van zijn zoon, ver van de schouder van de Profeet ﷺ. Maar in een land waarvan zijn zoon de Kalief was geweest, en waar zijn zoons metgezel het bestuur in handen had genomen. Wat hij in dat laatste half jaar dacht over de keten van dingen, is niet door enige bron opgetekend. Maar in zijn ene woord, zijn metgezel, klonk al wat hij in stilte begreep.

Het kalifaat is overgegaan

In Medina ging het bestuur door. ʿUmar ibn al-Khattab ﵁ trad op de minbar de morgen na de begrafenis. Hij sprak de mensen aan met de bondige nederigheid die zijn voorganger hem had voorgedaan. Hij zei dat hij niet de gelijke van Abu Bakr ﵁ kon zijn, en hij vroeg de gemeenschap om hem, zoals zij Abu Bakr ﵁ had gesteund, ook hem te steunen wanneer hij goed handelde en hem terecht te wijzen wanneer hij verkeerd handelde. Hij beloofde dat de standaard die zijn voorganger had opgelegd, niet zou worden verlaagd. En hij sprak de naam van Abu Bakr ﵁ uit met een eerbied die de aanwezigen niet was ontgaan.

Het bait al-mal in as-Sunh werd, zoals reeds verteld, opengemaakt. Het was leeg. ʿUmar ﵁ huilde. Hij zei wat hij eerder al had gezegd: “Hij heeft het zwaar gemaakt voor wie na hem komen.” En hij zwoer dat hij niet beneden de norm zou leven die zijn voorganger had achtergelaten. De toelage die hij voor zichzelf vaststelde, zou even bescheiden zijn. Het huis waarin hij woonde, zou even eenvoudig blijven. Hij zou de geiten van de weduwen niet meer melken, want de tijden waren anders, maar hij zou de oude vrouwen ontvangen aan zijn poort zoals zijn voorganger ze had ontvangen.

De erfenis van twee jaar en drie maanden

Het kalifaat van Abu Bakr ﵁ had twee jaar en drie maanden geduurd. Suyuti ﵀ rekent het precies: vanaf de dag na het overlijden van de Profeet ﷺ in Rabīʿ al-Awwal van 11 AH tot de avond van dinsdag in Jumādā al-Ākhirah van 13 AH. Korter dan men zou denken. Korter dan veel slechts maandlange feldtochten van de Romeinen of de Perzen. Korter dan de kalifaten die zouden volgen.

Maar in die korte tijd was alles bepaald. Het schiereiland was van de Ridda gered. De Mushaf was tussen twee houten plaatjes verzameld. De legers waren over de grenzen gezet, naar Iraq en naar Syrië. De shura was als bestuursvorm bevestigd. De bayʿah was, in twee opeenvolgende voorbeelden, als de wijze van successie vastgelegd. Het bait al-mal was als een leidsel ingericht, niet als een opslagplaats. De relatie tussen Kalief en gemeenschap was, zonder dat het in een grondwet stond, voor de eeuwen geijkt: de Kalief is een dienaar, niet een vorst; hij vraagt correctie, niet onderwerping; hij voedt zich zoals zijn mensen, niet boven hen.

Wat hij in twee jaar en drie maanden had gegeven, zou de ummah nog veertien eeuwen lang als norm voor zich houden. Hij zou genoemd worden in elke vrijdagpreek, geciteerd in elke standwerk over bestuur, herinnerd in elke rouwklacht over een Kalief die niet aan hem voldeed. En zijn graf zou worden bezocht door miljoenen, naast het graf van zijn metgezel ﷺ, in de hoek van de moskee in Medina waar de muren van de oude kamer nog de ruimte aangeven van wat ooit een huis was, het huis waarin de Profeet ﷺ was overleden en waarin Abu Bakr ﵁ aan zijn schouder was begraven.

De kamer

In de kamer, in al-Hujrah ash-Sharifah, lagen zij naast elkaar. De Profeet ﷺ in zijn richting, met zijn gezicht naar de qibla. Abu Bakr ﵁ achter hem, met zijn hoofd bij de schouder van de Profeet ﷺ. Een hand-breedte afstand tussen het hoofd van de een en het hoofd van de ander. Twee mannen die in het leven onafscheidelijk waren geweest, en die in de dood diezelfde nabijheid hadden bewaard. De grot van Thawr, de Hijra, de jaren in Medina, de Hajj van negen, de Hajj van tien, de twee jaar en drie maanden van het kalifaat: alles wat tussen hen tweeën had gespeeld, was hier verdicht tot een kleine, donkere kamer met een aarden vloer en twee verheven graven.

En een paar jaar later zou er een derde plek worden vrijgelaten. ʿUmar ibn al-Khattab ﵁ zou, op zijn eigen sterfbed, aan ʿAʾishah ﵂ vragen of hij ook in die kamer mocht worden begraven. Zij zou toestemmen, in de wetenschap dat haar vader het zo had gewild. De drie zouden samen liggen. De Boodschapper ﷺ aan de zijde van de qibla, Abu Bakr ﵁ aan zijn schouder, ʿUmar ﵁ aan de schouder van Abu Bakr ﵁. Drie mannen in een kleine kamer, een keten van leiderschap zo dicht ineengeschoven dat de bezoeker van later eeuwen niet meer wist waar de schouder van de een eindigde en het hoofd van de ander begon.

Maar dit alles lag nog in de toekomst. In de nacht waarin Abu Bakr as-Siddiq ﵁ werd begraven, was de kamer nog half vol. Twee graven, en een hele ruimte tussen hen en de muur. En in die ruimte, in stilte, ging een eerste hoofdstuk van het kalifaat ten einde.

Slot

Wanneer Suyuti ﵀ aan het einde van zijn passage de aanvulling van Abu Quhafah ﵁ noteert, doet hij dat zonder commentaar. Hij geeft het bericht. Hij geeft het antwoord. Hij rekent vooruit naar Muharram van 14 AH en noteert het overlijden van de oude vader. En dan keert hij zich naar het volgende hoofdstuk van zijn boek, het kalifaat van ʿUmar ibn al-Khattab ﵁.

Maar wij, lezers van het einde van de eeuwen, blijven nog even staan bij dat woord van een blinde oude man op een mat in Makkah. Zijn metgezel. Het is geen lange zin. Het is geen volle zegen. Het is een herkenning. De vader herkent in de naam van de opvolger de oude band met zijn zoon. De gemeenschap, zonder dat zij het op zoveel woorden zette, herkende hetzelfde. Wat Abu Bakr ﵁ had gedragen, ging niet over op een vreemde. Het ging over op zijn metgezel.

In de stilte van die overgang, in de nacht tussen Jumādā al-Ākhirah van 13 AH en de morgen waarop ʿUmar ﵁ de minbar opging, lag de hele zin van het kalifaat dat was begonnen op de morgen na het overlijden van de Profeet ﷺ. Het was geen koningschap dat aan een opvolger werd nagelaten als bezit. Het was een verantwoordelijkheid die werd doorgegeven aan een metgezel. En zo zou het zijn, in het verlangen van wie naar later zou kijken, dat het kalifaat zou moeten blijven: geen erfenis, maar een doorgeven; geen bezit, maar een dienst; geen koningschap, maar de keten van metgezellen die elkaar in waarheid en in vrees voor Allah ﷻ opvolgen.

Hij stierf, en hij gaf het door. Aan zijn schouder lag de Boodschapper ﷺ. Aan zijn voet stond zijn metgezel. En zo, in de simpele woorden van een blinde vader in Makkah, was het kalifaat in geen vreemde handen overgegaan.

Bronnen

  • Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk 1995), pp. 69–76, met aansluiting bij pp. 67 (bait al-mal leeg na zijn dood) en p. 54 (de inauguratierede in retrospect).