De slag bij Sbeitla en de verovering van Ifriqiya onder ʿUthman ﵁
Een land voorbij de woestijn van Barqa
In hetzelfde Hijra-jaar waarin in het oosten van het rijk de vloot van Muʿawiya ﵁ naar Cyprus uitvoer, vertrok in het westen een leger dat naar een richting bewoog die in de eerste moslimse geografie nauwelijks was beschreven. Vanuit Fustat in Egypte trok in 27 van de Hijra, in de Gregoriaanse jaren 647 en 648, een veldtocht onder bevel van ʿAbdullah ibn Saʿd ibn Abi Sarh ﵁, de gouverneur van Egypte, westwaarts langs de Middellandse kust van Noord-Afrika, voorbij de oasen van Cyrenaïca en de woestenij van Barqa, naar wat de Byzantijnen het Exarchaat van Africa noemden en wat in de Arabische bronnen al spoedig Ifriqiya zou heten. Het was de eerste maal dat een moslimsleger de grenzen van wat onder ʿUmar ﵁ in Egypte was bereikt, zou overschrijden. Het was tevens de eerste moslimsexpeditie naar wat in de oudheid de korenkamer van Carthago was, en wat in de eerste eeuwen van de christelijke jaartelling de provincie was geweest waar Tertullianus, Cyprianus en Augustinus hun werken hadden geschreven.
Suyuti ﵀ behandelt deze opmerkelijke gebeurtenis in twee zinnen. Hij schrijft dat ʿUthman ﵁ ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁ van het gouverneurschap van Egypte verwijderde en ʿAbdullah ibn Saʿd ﵁ in zijn plaats benoemde, en dat deze laatste een expeditie tegen Noord-Afrika ondernam, het land voor de Islam opende, in zowel de vlakten als de bergen, en dat elke man in het leger duizend dinar ontving, met als overlevering ook drie duizend dinar per man. Hij voegt er, in een uiterst korte zin, aan toe dat in datzelfde jaar Andalusië werd geopend. Twee zinnen, en een naschrift over een vrij ongelooflijk geldbedrag per soldaat: meer geeft Suyuti ﵀ aan de hele veldtocht niet. Wat zich in die twee zinnen verbergt, is het verhaal van een mars van duizenden kilometers, een veldslag tegen een tegenstander die in aantal de moslims vele malen overtrof, een dood van een Byzantijnse onderkoning op het slagveld, en een terugtocht met een schat die in de geschiedenis van het kalifaat ongekend was. Wij volgen Suyuti ﵀ voor het kader, en voor de afzonderlijke fasen van de veldslag verwijzen wij naar de battle-story die in onze cyclus afzonderlijk is uitgewerkt.
De wisseling van gouverneur in Egypte
Voordat de veldtocht naar Ifriqiya kan worden begrepen, moet de wisseling van gouverneur in Egypte worden besproken, want Suyuti ﵀ verbindt beide gebeurtenissen direct aan elkaar. ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁ was sinds de verovering van Egypte in 20 AH onder ʿUmar ﵁ gouverneur van die provincie geweest. Hij had het land in vrede gebracht, hij had de jizyah-administratie ingericht, hij had de kanalisatie van de Nijl voortgezet, en hij had Fustat gesticht als bestuurscentrum van de moslimse aanwezigheid in Egypte. Hij was, in de woorden die later van hem werden gezegd, een van de scherpzinnigsten van de Arabieren in zaken van staat en oorlog.
Onder ʿUthman ﵁ vond een wisseling plaats die in de bronnen verschillend wordt verklaard. ʿAmr ﵁ werd uit Egypte teruggehaald, en ʿAbdullah ibn Saʿd ibn Abi Sarh ﵁ werd in zijn plaats benoemd. De redenen zijn niet eenduidig: Suyuti ﵀ noemt geen oorzaak voor de wisseling. In andere bronnen wordt gesproken over een geschil tussen de Kalief en ʿAmr ﵁ over de belastingopbrengsten van Egypte, waarbij ʿUthman ﵁ van mening was dat ʿAmr ﵁ niet de volle som overdroeg aan het centrale bait al-mal in Medina, terwijl ʿAmr ﵁ aanvoerde dat de uitgaven van de provincie zelf hoge kosten met zich meebrachten. ʿUthman ﵁ koos voor een gouverneur uit zijn eigen kring, ʿAbdullah ibn Saʿd ibn Abi Sarh ﵁, die zijn broer was van moederszijde en die in de eerste jaren van het kalifaat reeds had aangetoond in staat te zijn tot zelfstandig bestuur. Het was een van de eerste tekenen van de bestuurspolitiek die in de latere jaren van het khalifaat van ʿUthman ﵁ als nepotisme zou worden bekritiseerd, maar die op dit moment door de Kalief werd verdedigd als een keuze voor een betrouwbaar man.
ʿAbdullah ibn Saʿd ﵁ aanvaardde het ambt en ging naar Fustat. Hij erfde van ʿAmr ﵁ een goed georganiseerde provincie, met een Arabisch garnizoen dat zich in en rond Fustat had gevestigd, met Koptische schrijvers in dienst van de administratie, en met een vlootafdeling in Alexandrië die in de daaropvolgende jaren een belangrijke rol in de Middellandse zeestrategie zou spelen. De gouverneur richtte zijn aandacht al spoedig naar het westen, want voorbij Egypte lag een gebied dat tot dan toe niet was aangeroerd, en waarin volgens berichten van handelaren en bedoeïenen grote rijkdommen lagen.
De voorbereiding van de expeditie
Tegen het begin van het jaar 27 ontving ʿAbdullah ﵁ van ʿUthman ﵁ de toestemming voor een grote militaire expeditie westwaarts. De Kalief had aanvankelijk geaarzeld, want de afstand was buitengewoon en de gemeenschap had reeds aan vele fronten verplichtingen, maar onder de aandrang van de gouverneur en met de toezegging dat een aanzienlijke versterking uit de Levant onder Madin van vrijwillige Sahaba ﵃ zou meekomen, gaf hij zijn goedkeuring. Er werden boodschappers naar Damascus, Hims, Antiochië en de andere Syrische steden gestuurd met de oproep aan vrijwilligers om zich in Fustat te melden voor een veldtocht naar het Westen. Suyuti ﵀ noemt deze gedetailleerde voorbereidingen niet, maar uit andere bronnen is bekend dat het leger dat zich in Fustat verzamelde, in zijn samenstelling een mengeling was van Egyptische Arabische troepen, Levantijnse Sahaba en hun zoons, en een aanzienlijke groep berbers die in de eerste jaren na de verovering van Egypte tot de Islam waren overgegaan.
De omvang van het leger wordt in de bronnen geschat op rond de twintigduizend man, hoewel de cijfers verschillen. Wat in elke bron terugkeert, is dat dit een buitengewoon kleine macht was in vergelijking met wat de tegenstander te velde zou kunnen brengen. Het Byzantijnse Exarchaat van Africa had onder exarch Gregory, de hoogste burgerlijke en militaire ambtsdrager van Constantinopel in Noord-Afrika, een leger dat in latere overleveringen tot honderd twintig duizend man wordt geschat. Realistischer schattingen leggen dit op zestig tot tachtig duizend, maar zelfs dan was de verhouding ongeveer een tegen drie of een tegen vier in het nadeel van de moslims. Het was, in deze numerieke verhouding, een waagstuk dat alleen kon worden ondernomen door een leider die op snelheid, beweeglijkheid en geestelijke gerichtheid van zijn troepen vertrouwde.
De mars westwaarts
In het voorjaar van het jaar 27 vertrok het leger uit Fustat. De route ging via de oasen van Wadi Natrun en Kharga, vervolgens langs de Middellandse kust door Cyrenaïca, voorbij Tobruk en Apollonia, naar Barqa, dat reeds in de jaren onder ʿUmar ﵁ aan de moslims tribuut had betaald. Vanaf Barqa trok het leger verder naar het westen, langs een kustweg die in latere generaties tot de hoofdader van het Arabische Noord-Afrika zou uitgroeien. De mars duurde maanden. De soldaten passeerden Tripolis, en bewogen vervolgens dieper landinwaarts naar de heuvelachtige binnenlanden van het tegenwoordige Tunesië. Onderweg ontmoetten zij de eerste berberstammen, sommigen vijandig, anderen geneigd om verdragen te sluiten of overlopers naar de moslims te leveren. Het leger werd door zijn gidsen onophoudelijk geïnformeerd over de positie van de Byzantijnse troepen, die zich rond een stad concentreerden die de Latijnen Sufetula noemden en die in het Arabisch als Sbeitla bekend zou worden.
Kaart laden...
Exarch Gregory en zijn leger
Gregory, in de Latijnse bronnen Gregorius Magister of Gregorius Patricius genoemd, was de Byzantijnse Exarch van Africa en zetelde te Carthago. Hij was in de jaren voor de moslimse expeditie betrokken geweest bij een open conflict met keizer Constans II in Constantinopel, en hij had zelfs in 646 een eigen titel als augustus aangenomen, in een poging om Noord-Afrika als afzonderlijke politieke macht onder zijn leiding te plaatsen. Toen hij vernam dat een Arabisch leger uit het oosten naderde, besloot hij zijn troepen in Sbeitla te concentreren, een stad die diep in het binnenland lag, in de buurt van wat tegenwoordig de Kasserine-vlakte heet, en die door zijn ligging op een hoogvlakte gemakkelijk te verdedigen was tegen een leger dat uit de woestijn kwam. Hij verzamelde zijn Byzantijnse reguliere troepen, hij riep zijn Berberse tribuutbondgenoten op, en hij stelde een leger samen dat in de eerste rapporten naar de moslims werd opgegeven als overweldigend in aantal.
Gregory was geen onbekwaam veldheer, maar hij was, naar het oordeel van latere historici, te zeer vertrouwd op de numerieke overmacht en op de bescherming van zijn versterkte stellingen. Hij verwachtte een uitputtingsslag, waarin het Arabische leger door de hitte, de afstand en de honger zou worden verzwakt, waarna een grootschalige slag de moslimse opmars definitief zou breken. Hij hield met zijn rekening niet voldoende voldoende met de mobiliteit van een Arabisch ruiterleger, dat in tegenstelling tot zijn voorgangers in de Perzische en Romeinse oorlogen, niet als een log uitrustingsleger maar als een snel uitvallende cavalerie opereerde.
Veldslag laden...
De slag bij Sbeitla
De confrontatie tussen ʿAbdullah ibn Saʿd ﵁ en exarch Gregory vond plaats op de vlakte voor Sbeitla, vermoedelijk in de zomer van het jaar 27, hoewel de exacte maand in de bronnen niet eenduidig is overgeleverd. Het leger van Gregory was opgesteld in een halve maan, met Sbeitla zelf als steunpunt achter de centrale linie. De moslims hadden hun positie verder naar het westen, op een terrein dat hen de mogelijkheid bood tot snelle flankbewegingen. De openingsfase van de slag bestond uit verkenningen door beide kanten, gevolgd door enige geïsoleerde schermutselingen waarin de moslimse ruiters door hun snelheid de zware Byzantijnse cavalerie wisten te ontwijken. Het werd al in deze eerste dagen duidelijk dat de Byzantijnen, ondanks hun aantallen, een moeilijkheid hadden om hun gelederen geordend in beweging te houden, en dat de berberse hulptroepen zich niet eenvoudig in de Byzantijnse tactische schema’s lieten inpassen.
De fasen waarin de slag zich verder ontwikkelde, zijn in de bronnen van Tabari ﵀ en Ibn Kathir ﵀ uitvoerig beschreven en zij vormen het onderwerp van onze battle-story die boven dit artikel is gelinkt. Op de slag zelf volgen wij Suyuti ﵀ slechts in zijn algemene uitkomst: de moslims openden het land, in zowel de vlakten als de bergen, en de buit was van een omvang die elke deelnemer aan de strijd in staat stelde om duizend dinar of meer als zijn aandeel te ontvangen. Wat hierin verborgen zit, is dat de slag op zeker moment in haar verloop de dood van exarch Gregory zelf heeft gezien, en dat de Byzantijnse legermacht na die dood haar samenhang verloor. De berbergeallieerden vluchtten naar hun bergstreken; de Byzantijnse reguliere troepen trokken zich terug op de noordelijke kuststeden en op Carthago zelf. Sbeitla viel in moslimse handen, en met die val viel ook een aanzienlijk deel van de schat die de Byzantijnen in de stad hadden geconcentreerd, in de handen van de overwinnaars.
De Ifriqiya-belasting en het keren van het tij
In de dagen die op de slag volgden, kwamen vertegenwoordigers van de Byzantijnse provincie en van enkele berbersestammen naar het kamp van ʿAbdullah ibn Saʿd ﵁ om over een verdrag te onderhandelen. De moslims, hoewel zij in hun overwinning de overhand hadden, waren in praktische zin niet in staat om Carthago of de noordelijke kuststeden direct in te nemen, omdat hun leger te ver van zijn Egyptische basis was en omdat het aanvullingen van mannen en uitrusting moeilijk waren te organiseren over een afstand die in weken werd gemeten. ʿAbdullah ﵁ koos voor een pragmatische oplossing. Hij sloot een verdrag waarbij de Byzantijnse autoriteiten in Ifriqiya een aanzienlijke schadeloosstelling betaalden, een bedrag dat in latere bronnen wordt opgegeven als twee miljoen tweehonderd vijftig duizend dinar, in ruil voor het vertrek van de moslimse troepen uit het hartland van Ifriqiya. De berbergeallieerden die op het slagveld aan Byzantijnse zijde hadden gestaan, sloten afzonderlijke verdragen waarin zij hun trouw aan de overwinnaars verklaarden zonder zich tot een vaste belasting te verplichten.
Het bedrag van de schadeloosstelling, samen met de buit die op het slagveld zelf was buitgemaakt, vormde de basis voor de buitengewone uitkering van duizend of drieduizend dinar per soldaat, die Suyuti ﵀ in zijn uiterst korte verslag van de gebeurtenis vermeldt. Het was een bedrag dat in de geschiedenis van de Rashidun-veldtochten zonder vergelijking was. Een gemiddelde soldaat van de Arabische legers ontving in deze jaren een vast jaarlijks soldij van enkele honderden dirham; dat hij in één veldtocht duizend dinar zou ontvangen, een veelvoud van zijn gewone inkomen, was een uitzondering die in alle bronnen wordt opgemerkt.
De terugtocht naar Egypte
ʿAbdullah ibn Saʿd ﵁ trok zich met zijn leger en zijn buit terug naar Egypte. Hij liet geen vast moslimsgarnizoen in Ifriqiya achter, en hij richtte geen vaste bestuursinstellingen op in het westen. De verovering van 27 AH was, in praktische zin, een grote raid: zij had de Byzantijnse macht in Ifriqiya gebroken, een aanzienlijke schadeloosstelling opgeleverd, en de berbergsestammen vertrouwd gemaakt met de aanwezigheid van een nieuwe macht uit het oosten, maar zij had Ifriqiya nog niet tot een moslim-provincie gemaakt. Het zou pas in de tijd van Muʿawiya ﵁ als Kalief en van Muʿawiya’s gouverneurs zijn dat Ifriqiya een vast moslims bestuurscentrum kreeg in Kairouan, en het zou pas onder de Umayyaden zijn dat de hele Maghrib tot de Atlantische kust onder moslimse heerschappij kwam.
De terugtocht naar Fustat duurde maanden. Onderweg verdeelden de bevelhebbers de buit, voltrokken zij de begrafenissen van de gevallenen, en stuurden zij voorlopige berichten naar Medina. ʿUthman ﵁ ontving het verslag in de loop van het jaar, en zijn reactie was, evenals bij Cyprus, een uitdrukking van dankbaarheid jegens Allah ﷻ. Hij beval de gebruikelijke verdeling van het khums, het vijfde deel dat aan het bait al-mal toekwam, en hij gaf instructies voor de verzorging van de families van de martelaren. Wat hij later met dat khums van Ifriqiya zou doen, zou in de jaren die volgden een van de twistpunten worden die tegen hem werden gebruikt. Az-Zuhri ﵀ vermeldt in een bekende overlevering, die Suyuti ﵀ in zijn algemene karakterisering van het khalifaat van ʿUthman ﵁ aanhaalt, dat de Kalief het khums van Noord-Afrika aan Marwan ﵁ schonk, en dat dit een van de zaken was waarom de gemeenschap hem later kritiseerde.
Az-Zuhri ﵀: Hij beval voor Marwan ﵁ de khums (het vijfde deel van de oorlogsbuit dat aan de heerser toekomt) van Noord-Afrika, en hij gaf zijn verwanten en familie rijkdom. Daarmee was hij de “naasten verbinden” aan het uitleggen die Allah ﷻ heeft bevolen. Hij zei: Abu Bakr ﵁ en ʿUmar ﵁ hebben afgezien en achtergelaten wat van dat (recht) van hen was, en ik heb het genomen en onder mijn verwanten verdeeld. Maar de mensen verwierpen dat van hem en stootten het af.
In dit punt, dat Suyuti ﵀ uitdrukkelijk vermeldt, ligt een van de kiemen van het latere ongenoegen tegen de Kalief. Maar in het jaar 27 zelf, in de roes van een overwinning op een front waar tot dan toe geen moslim was geweest, was het ongenoegen nog niet uitgegroeid. Wat in 27 AH klonk, was lof en dankbaarheid. Wat in 30 AH en later zou klinken, was kritiek en wrok. De ene en de andere lagen in de aard van dezelfde besluiten besloten.
De zijdelingse opening van Andalusië
Suyuti ﵀ voegt aan zijn passage over Ifriqiya een zin toe die in zijn beknoptheid bedrieglijk is. Hij schrijft dat in datzelfde jaar Andalusië werd geopend. Wie dit leest, denkt onmiddellijk aan de veel latere veldtochten van Tariq ibn Ziyad ﵀ en Musa ibn Nusayr ﵀ in 92 AH onder de Umayyadische Kalief al-Walid I, die tot de eigenlijke verovering van Spanje hebben geleid. Maar Suyuti ﵀, in zijn opmerking over Andalusië in 27 AH, doelt op iets anders. Hij verwijst naar een verkenningstocht of een raid die door enkele moslimse schepen, mogelijk in samenwerking met de Cypriotische operatie van Muʿawiya ﵁, werd uitgevoerd naar de kust van het Iberisch schiereiland in dit zelfde jaar. In andere bronnen wordt deze verkenning toegeschreven aan ʿAbdullah ibn Nafiʿ ibn al-Husayn al-Fihri ﵁ en ʿAbdullah ibn Nafiʿ ibn ʿAbd al-Qays ﵁, die twee moslimse veldheren in Ifriqiya waren en die met een kleine groep een eerste tocht naar de zuidkust van Spanje zouden hebben ondernomen, om de kustlijn en de havens in kaart te brengen.
Het was niet de verovering van Spanje in de zin van bestuurlijke en militaire bezetting; het was een eerste verkenningstocht, een ontmoeting tussen de moslimse expansie en het Visigotische rijk dat over Iberia heerste. Maar het is opmerkelijk dat Suyuti ﵀, met zijn bekende beknoptheid, deze verkenning de woorden van een “opening” waardig keurt. In zijn historiografie was elke contact, elke landing, elke uitwisseling met een gebied dat tot dan toe buiten de moslimse cirkel was gebleven, een opening, zelfs als zij niet onmiddellijk in een bestuurlijke verovering uitmondde. De latere veroveraars van Spanje zouden zich dan ook in een geestelijke zin op deze eerste verkenning kunnen beroepen, zoals de latere veroveraars van Carthago en de Maghrib zich op de slag bij Sbeitla zouden beroepen.
De geestelijke betekenis van de Ifriqiya-expeditie
De gebeurtenis van Sbeitla heeft in de moslimse traditie een eigen geestelijke betekenis. Zij toonde, in dezelfde manier waarop Cyprus de zee voor de moslims had geopend, dat het westen van het rijk geen verre rand was die buiten de zorg van de Kalief stond, maar een werkterrein dat in opdracht van Allah ﷻ moest worden ontsloten. Zij toonde dat een leger van twintigduizend man, in een land dat duizenden kilometers van zijn basis lag, in staat was om een Byzantijnse onderkoning te verslaan en een schat mee te nemen die de gemeenschap voor jaren zou voeden. En zij toonde, voor de mensen van het westen zelf, dat de Arabische soldaten geen ongeordende plunderaars waren, maar krijgers met een eigen tucht en met een specifieke wijze van vrede sluiten die in de bestaande gebruiken van de Levantijnse en Egyptische gebieden reeds bekend waren geworden.
Voor de Berber-stammen die in deze veldtocht voor het eerst in contact kwamen met de Islam, was deze gebeurtenis het begin van een lange weg die in de latere eeuwen zou leiden tot hun massale bekering en hun integratie in de moslimse beschaving. Voor de Byzantijnse overheid in Carthago was zij de eerste serieuze waarschuwing dat het Exarchaat van Africa niet langer onaantastbaar was. En voor het kalifaat in Medina was zij de bevestiging dat de uitbreiding die onder ʿUmar ﵁ in het oosten van het rijk was begonnen, onder ʿUthman ﵁ in het westen werd voortgezet, met dezelfde kracht en met hetzelfde oogmerk.
De terugkeer en de inhuldiging in Medina
Toen ʿAbdullah ibn Saʿd ﵁ uiteindelijk in Fustat aankwam met de bewijsstukken van zijn veldtocht, schreef hij een uitvoerig verslag naar Medina. ʿUthman ﵁ ontving het verslag, las het in aanwezigheid van enkele Sahaba ﵃ van zijn vertrouwde kring, en gaf bevel tot een dankzegging in de Masjid an-Nabawi. Op de volgende vrijdag besteeg de Kalief de mimbar en sprak hij over de openingen die in het oosten en het westen tegelijkertijd in dit jaar 27 hadden plaatsgevonden. Hij dankte Allah ﷻ voor de overwinning op Cyprus en voor de overwinning bij Sbeitla. Hij riep de gemeenschap op om in dankbaarheid te leven, en hij gaf bevel tot de eerlijke verdeling van het khums onder de armen, de weduwen, de wezen en de Banu Hashim, zoals de Quran in Soera al-Anfal had voorgeschreven.
Suyuti ﵀ vat de hele Ifriqiya-passage in de zinnen samen die wij hier in vertaling herhalen.
Suyuti ﵀: ʿUthman ﵁ verwijderde ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁ uit Egypte en benoemde ʿAbdullah ibn Saʿd ibn Abi Sarh ﵁ over haar. Hij leidde een expeditie tegen Noord-Afrika en opende dat voor de Islam, in zowel de vlakten als de bergen, en elke man in het leger ontving duizend dinar, en er is ook gezegd, drie duizend dinar. Daarna werd Andalusië in datzelfde jaar geopend.
In deze enkele zinnen brengt de geleerde uit Caïro de hele veldtocht onder één samenvatting. Het is in haar beknoptheid een opmerkelijke samenvatting, want zij vat in twee zinnen samen wat in werkelijkheid maanden van marsen, dagen van slag, en jaren van consolidatie in zich draagt. Wie de geleerde wil lezen, leze de twee zinnen; wie de fasen wil zien, leze de battle-story die wij in deze cyclus afzonderlijk hebben uitgewerkt.
De latere consolidatie van Ifriqiya
Wat in 27 AH onder ʿAbdullah ibn Saʿd ﵁ was begonnen, werd niet onmiddellijk omgezet in een vast moslims bestuur. De eigenlijke vestiging van een moslimsstad in Ifriqiya, het stichten van Kairouan, het stelselmatige onderwerping van de berber-stammen, en de verovering van Carthago zelf, zouden pas in latere jaren plaatsvinden. ʿUqba ibn Nafiʿ ﵁, die in de tijd van Muʿawiya ﵁ als Kalief Ifriqiya zou besturen, zou Kairouan stichten in 50 AH; Carthago zou pas onder de Umayyadische Kalief ʿAbd al-Malik in 79 AH voor de laatste maal in moslimse handen vallen.
In 27 AH werd dus niet de hele Maghrib veroverd, maar de basis gelegd waarop latere generaties zouden bouwen. Suyuti ﵀, met zijn talent voor de geconcentreerde uitspraak, vat in zijn “openen” niet alleen de slag bij Sbeitla samen, maar het hele proces waarin de moslimse aanwezigheid in Noord-Afrika werd gevestigd, een proces dat tientallen jaren duurde en dat in de latere bronnen in talrijke afzonderlijke passages is beschreven. De gemeenschap die in 27 AH onder ʿUthman ﵁ haar eerste voet in Ifriqiya zette, zou in de generaties die volgden onder de Umayyaden de hele Maghrib en in tijd ook Andalusië in haar geestelijke en bestuurlijke kring opnemen, en de poort van die wijdere geschiedenis werd in 27 AH bij Sbeitla geopend.
In het volgende artikel
In het volgende artikel volgen wij de gelijktijdige opening van de Sassanidische restprovincies in het oosten, in Khurasan, Sijistan, Armenië en Darabjird, in de jaren 28 tot 31 van de Hijra. Het was, in dezelfde periode waarin in het westen Ifriqiya werd geopend, dat in het oosten de laatste verbanden van het Sassanidische rijk werden verbroken en dat de moslimse heerschappij zich uitbreidde tot aan de Indus en de Amu Darya. Het kalifaat van ʿUthman ﵁, in zijn eerste zes jaren waarvan az-Zuhri ﵀ heeft gezegd dat de mensen hem in het geheel niet kritiseerden, droeg geografisch gezien een uitbreiding die zelfs die van zijn voorgangers in haar omvang overtrof.
Bronnen
- Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk 1995), p. 166.
- Voor de fase-narratieven van de slag bij Sbeitla, zie de battle-story
uthman-sbeitlain deze cyclus, die put uit at-Tabari ﵀, Tarikh ar-Rusul wa-l-Muluk en Ibn Kathir ﵀, al-Bidaya wa-l-Nihaya.