InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

De openingen van Khurasan, Sijistan, Armenië en Darabjird

De voortzetting van de veroveringen in het oosten onder ʿUthman ﵁

Vier jaren waarin de horizon zich opnieuw verlegde

In de jaren 28 tot 31 van de Hijra, het Gregoriaanse 648 tot 652, zagen de oostelijke fronten van het kalifaat een opmerkelijke uitbreiding. Het waren niet de jaren van één grote slag, zoals Qadisiyyah of Yarmuk onder ʿUmar ﵁, maar van een reeks afzonderlijke veldtochten die op een breed front werden gevoerd, in een geografische schaal die de gemeenschap in Medina nog niet eerder had bestuurd. In dezelfde jaren waarin in het westen Cyprus werd geopend en in Ifriqiya de slag bij Sbeitla werd gestreden, voltrok zich in het oosten een trage maar onstuitbare opmars die de Sassanidische restmacht definitief deed instorten en die de moslimse vlag droeg tot in regio’s waarvan de namen voor de Arabische soldaten nog vreemd op de tong waren.

Suyuti ﵀ behandelt deze veldtochten in de gebruikelijke beknoptheid die zijn werk over de Kaliefen kenmerkt. Hij somt op een halve bladzijde een reeks plaatsnamen op, met de aanduiding van het jaar waarin elk daarvan werd geopend, en hij voegt aan deze opsomming één bredere uitspraak toe over wat deze veroveringen voor de schatkist van het kalifaat betekenden. Wij volgen in dit artikel zijn opbouw, en wij vullen waar passend de geografische en historische context aan, zonder de strikte grens van Suyuti’s verslag te overschrijden.

De situatie aan het oostelijk front bij het aantreden van ʿUthman ﵁

Toen ʿUthman ﵁ in Muharram van 24 AH werd ingehuldigd, was de toestand aan het oostelijk front kort samen te vatten. De grote Sassanidische rijksstructuur was gebroken. Yazdegerd III, de laatste keizer van het Huis Sasan, was na de slag bij Nahavand in 21 AH onder ʿUmar ﵁ een vluchtende vorst geworden, die met een steeds kleiner gezelschap door zijn eigen voormalige provincies trok in een poging om bondgenoten te vinden en zijn rijk opnieuw op te bouwen. De moslimse troepen hadden Ctesiphon, de oude hoofdstad, ingenomen; zij hadden de Iraakse rijkdom in handen genomen en stevig in Kufa en Basra hun bestuurszetels gevestigd; zij hadden zich tot in Khuzestan en Fars uitgebreid, en de Sassanidische rest, in de woorden van een latere kroniekschrijver, was een hand zonder vingers geworden.

Maar het Iraanse hoogland was groot, en de geografie ervan was niet gunstig voor een snelle opmars. Bergketens, woestijnen, en geïsoleerde valleien maakten elk plaats tot een afzonderlijke verovering. De Sassanidische lokale gouverneurs en marzbans waren in vele streken hun verlies nog niet gewend, en zij voerden vaak hun eigen kleine oorlogen tegen de moslimse aanwezigheid, zonder een centraal commando. ʿUthman ﵁ erfde van zijn voorganger een rijk dat aan zijn oostelijke rand een grote maar versplinterde grens had. De stappen die hij in de eerste jaren van zijn kalifaat zou toestaan, waren erop gericht om deze versplinterde grens te consolideren door geleidelijke veroveringen.

Het jaar 27 en de opening van Arrajan en Darabjird

In hetzelfde jaar waarin Cyprus en Ifriqiya werden geopend, vonden in het zuiden van Iran twee andere veroveringen plaats waarvan Suyuti ﵀ in zijn passage over 27 AH spreekt. Hij noemt dat Arrajan en Darabjird in dat jaar werden geopend. Arrajan was een stad in de provincie Fars, gelegen in een vruchtbare vallei, een knooppunt van handelsroutes tussen Khuzestan en de Perzische Golf-kust. Darabjird, ten zuidoosten van Shiraz, was de hoofdstad van een oude Sassanidische provincie en bezat een ringvormige muur die in de oudheid als een van de wonderen van de Perzische bouwkunst werd beschouwd.

Wie deze twee plaatsen opende, en in welke fase van de strijd, vertelt Suyuti ﵀ niet. Wij weten uit andere bronnen dat de moslimse veldheren in Basra, onder algemeen bevel van ʿAbdullah ibn ʿAmir ﵁, die in 29 AH gouverneur van Basra zou worden en die in de daaropvolgende jaren de hoofdleider van de oostelijke veldtochten zou zijn, deze veroveringen voltrokken. De inwoners van Arrajan boden weerstand, maar werden binnen enkele weken bedwongen; de inwoners van Darabjird sloten een verdrag. In beide gevallen werden de gebruikelijke voorwaarden gesteld: jizyah voor de bevolking, vrijheid van godsdienstuitoefening, behoud van eigendom en kerken of vuurtempels, en garnizoenen van moslimse soldaten in de hoofdsteden.

Het jaar 29 en de opening van Persepolis en omliggende plaatsen

Suyuti ﵀ schrijft over het jaar 29 dat in dat jaar Persepolis met geweld werd geopend, samen met Iʿasa en andere plaatsen. Persepolis, in de Arabische bronnen aangeduid als Istakhr, was de oude rituele hoofdstad van het Achaemenidische rijk, gesticht door Darius I in de zesde eeuw voor de christelijke jaartelling. Onder de Sassaniden was de stad niet meer de politieke hoofdstad, maar zij bleef een belangrijk religieus centrum en een opslagplaats van archieven en kunstschatten. Toen Alexander de Grote in 330 voor onze jaartelling de stad innam en haar paleizen in brand stak, was de oude rituele functie reeds verminderd, maar Persepolis was niet uitgewist; zij was eeuwen lang een centrum gebleven, en onder de Sassaniden was zij een knooppunt van priesterscholen en heiligdommen.

De opening van Persepolis was niet gemakkelijk. De moslims troffen in deze stad een aanzienlijke garnizoen aan, en de bevolking weigerde aanvankelijk een verdrag te sluiten. Het kwam tot een belegering en tot bestorming. Suyuti ﵀ gebruikt voor de opening de uitdrukking “met geweld van wapens”, die in zijn vocabulaire aanduidt dat de stad niet door een verdrag werd ingenomen maar door een militaire overwinning. De moslimse troepen plunderden de stad volgens de regels die voor steden golden die met geweld werden ingenomen, en zij vestigden vervolgens hun garnizoen.

Kaart laden...

Iʿasa, die Suyuti ﵀ samen met Persepolis noemt, was vermoedelijk een kleinere stad of vesting in de regio van Fars. Haar identiteit is in de moderne historiografie niet met zekerheid vastgesteld, maar het patroon dat Suyuti ﵀ in zijn opsomming volgt is duidelijk: in het jaar 29 werden in het zuidelijke en centrale Iraanse hoogland verschillende plaatsen tegelijkertijd ingenomen, sommige door verdrag, andere door geweld, en het resultaat was een aaneengesloten moslimse aanwezigheid in de provincies Fars en Khuzestan.

Het jaar 30 en de Khurasan-campagne

Het jaar 30 van de Hijra is, in de oostelijke veldtochten van ʿUthman ﵁, het jaar van Khurasan. Suyuti ﵀ noemt in dit jaar de opening van Jur in Fars, en vervolgens, in een opsomming die in haar plotselinge omvang verbazend is, een hele reeks provincies in het noordoosten van Iran: Naysabur door verdrag, of door geweld zoals een andere overlevering luidt; Tus en Sarkhas door verdrag; Marw en Bayhaq eveneens. Het Khurasan dat in dit jaar werd geopend, was een gebied dat in zijn geografische omvang vergelijkbaar was met de hele Levant. Het lag in het noordoosten van het Iraanse hoogland, tegen de zuidgrens van wat tegenwoordig Turkmenistan en delen van Oezbekistan en Afghanistan vormen. Het was een land van oude steden, vruchtbare oasen, en handelsroutes die de Centraal-Aziatische zijderoute met de Perzische kustweg verbonden.

De veldtocht naar Khurasan werd geleid door ʿAbdullah ibn ʿAmir ibn Kurayz ﵁, de gouverneur van Basra, met onderbevelhebbers als al-Ahnaf ibn Qays ﵀ en anderen. Het was een gecombineerde operatie, deels door een hoofdmacht over de noordelijke weg via Rayy en Damghan, deels door een tweede colonne over de zuidelijkere weg langs de rand van de Dasht-i Kavir. De steden van Khurasan boden uiteenlopende reacties op de naderende moslimse troepen. Naysabur, een grote stad met een centraal handelsknooppunt, koos volgens de meeste overleveringen voor een verdrag dat haar bevolking jizyah verplichtte en haar de uitoefening van haar geloof toestond, maar Suyuti ﵀ vermeldt dat er een tweede overlevering bestaat volgens welke de stad door geweld werd ingenomen.

Tus, de oude stad waar in latere eeuwen de geleerde Ghazali ﵀ zou worden geboren, sloot een verdrag. Sarkhas, een knooppunt op de weg tussen Iran en Turan, sloot eveneens een verdrag. Marw, de oude hoofdstad van Khurasan en in latere eeuwen een van de centra van de Abbasidische beweging, sloot een verdrag onder dezelfde voorwaarden. Bayhaq, een kleinere maar belangrijke plaats in de zuidelijke heuvels van Khurasan, sloot eveneens een verdrag.

Kaart laden...

Dat de meeste van deze openingen door verdrag plaatsvonden en niet door geweld, is in de geschiedenis van Khurasan in dit jaar 30 een opmerkelijk patroon. De moslimse troepen, vermoedelijk een ruiterleger van geen meer dan twintig duizend man, troffen in Khurasan een bevolking die uit de Sassanidische heerschappij was overgegaan in een toestand van bestuurlijke versplintering. Lokale dehqans, de Sassanidische landadel, hadden de afgelopen jaren de provincie in zelfstandige eenheden bestuurd, en hun bereidheid om met een nieuwe macht te onderhandelen was praktisch in plaats van ideologisch. De moslims boden hen voorwaarden die in vergelijking met de Sassanidische belastingen mild waren, en die bovendien hun positie als lokale grootgrondbezitters in stand lieten. Voor de meeste dehqans was de keuze tussen een veldslag met onzekere uitkomst en een verdrag met behoud van hun positie geen moeilijke keuze.

Kaart laden...

De vlucht en dood van Yazdegerd III

Het was in dezelfde Khurasan-campagne van 30 en 31 AH dat Yazdegerd III, de laatste Sassanidische keizer, zijn einde vond. Suyuti ﵀ noemt hem niet expliciet in deze passage, maar de gebeurtenis is onlosmakelijk verbonden met de opening van Khurasan, en zij is in latere bronnen uitvoerig beschreven. Yazdegerd had na de slag bij Nahavand in 21 AH een zwervende bestaan geleid, eerst in centraal Iran, later in Fars, vervolgens steeds verder oostwaarts, in een poging om hulp te vinden bij de lokale heersers van de Iraanse periferie, bij de Turken aan de Centraal-Aziatische grens, en zelfs bij de Chinese keizer in een ver bekend diplomatiek verzoek. Niemand kwam hem werkelijk te hulp.

In het jaar 31, terwijl de moslimse troepen Marw naderden, bevond Yazdegerd zich in de buurt van diezelfde stad. Hij zocht onderdak bij een molenaar in een dorp aan de rand van de stad, en deze molenaar, hetzij uit hebzucht naar het kostbare gewaad dat Yazdegerd droeg, hetzij in opdracht van een lokale heerser die zich niet wilde compromitteren door de keizer te huisvesten, vermoordde hem in zijn slaap. Yazdegerd was de laatste vertegenwoordiger van een dynastie die meer dan vier honderd jaar over Perzië had geheerst. Zijn dood in een onbekende molen, zonder gevolg en zonder eer, was in de Iraanse epische literatuur tot een toonbeeld van menselijke vergankelijkheid geworden, en Ferdausi zou er in zijn Shahnameh enkele eeuwen later een aangrijpende passage aan wijden.

Voor de moslimse troepen die in dezelfde maanden Marw en de omliggende steden openden, was de dood van Yazdegerd het definitieve einde van het Sassanidische rijk. Er was geen keizer meer om verdragen mee te sluiten of tegen wie veldslagen moesten worden geleverd. Wat er was, waren lokale heersers en steden, en de inname daarvan was een kwestie van geduld en van diplomatie. Het rijk dat onder Khusraw II in de tijd van de Profeet ﷺ nog tot Egypte was opgerukt en dat Jeruzalem in 614 had ingenomen, was binnen één generatie volledig verdwenen. De gemeenschap die in 13 AH onder Abu Bakr ﵁ haar eerste verkenningen aan de Iraakse grens had ondernomen, was in 31 AH onder ʿUthman ﵁ tot in Khurasan doorgedrongen.

Sijistan en Armenië

Naast de Khurasan-campagne behandelde de oostelijke veldtocht in dezelfde jaren ook Sijistan, de woestijnachtige provincie tussen Khurasan en wat tegenwoordig Afghanistan en Pakistan vormt. Sijistan was, in zijn geografie, een van de moeilijkst toegankelijke gebieden van het Sassanidische rijk. Het werd doorkruist door uitgestrekte woestijnen en hete vlakten, en het had zijn eigen lokale dynastie die in een semi-autonome verhouding tot Ctesiphon had geleefd. De moslimse troepen onder ʿAbd ar-Rahman ibn Samura ﵁, een veldheer van Basra, opende Sijistan in deze jaren door een combinatie van veldslagen en verdragen. De steden van de provincie, waaronder Zarang als hoofdstad, kwamen in moslimse handen.

In het noorden van Iran werd in dezelfde periode Armenië opnieuw onderworpen. Armenië was reeds onder ʿUmar ﵁ door Habib ibn Maslama ﵁ aangevallen, maar de Byzantijnse en Armeense reacties hadden de moslimse aanwezigheid niet vast gemaakt. Onder ʿUthman ﵁, in de jaren 28 tot 30, werden Habib ﵁ en andere veldheren opnieuw naar Armenië gestuurd, ditmaal met grotere troepen. Tbilisi (Tiflis), Dvin en de andere belangrijke steden van de regio kwamen in moslimse handen. De Armeense nakharars, de lokale adel die in een Byzantijnse en Sassanidische tussenpositie had gestaan, sloten verdragen die hen onder moslimse soevereiniteit plaatsten met behoud van hun lokale rechten en hun christelijke geloof.

De gevolgen voor de schatkist

Suyuti ﵀ besluit zijn passage over deze veldtochten met een uitspraak die in haar betekenis voor het kalifaat van ʿUthman ﵁ zwaarwegend is. Hij schrijft, in een vrijwel letterlijke vertaling, dat toen deze uitgestrekte provincies waren genomen, de inkomsten van ʿUthman ﵁ overvloedig werden, en rijkdom kwam tot hem uit elke richting, totdat hij schatkamers vestigde en de toelagen overvloedig liet stromen. Hij voegt eraan toe dat de Kalief voor een enkele man honderd duizend beurzen kon bevelen, in elke waarvan vier duizend ons zilver waren.

Suyuti ﵀: Toen deze uitgestrekte provincies waren genomen, werden de inkomsten van ʿUthman ﵁ overvloedig, en rijkdom kwam tot hem uit elke richting, totdat hij schatkamers vestigde en de toelagen overvloedig liet stromen. Hij beval voor een man honderd duizend beurzen, in elke waarvan vier duizend ons zilver waren.

In deze enkele uitspraak vat de geleerde de hele financiële uitwerking van de veldtochten 27 tot 31 AH samen. Het kalifaat dat onder Abu Bakr ﵁ met een lege schatkist was begonnen, en dat onder ʿUmar ﵁ in zijn eerste jaren met streng beheer was opgebouwd, had onder ʿUthman ﵁ een inkomstenstroom gekend die in haar omvang elke voorgaande generatie ver overtrof. De jizyah van Cyprus, de tribuut van Ifriqiya, de buit van Sbeitla, de jizyah van Khurasan, de tributen van Armenië, en de doorlopende inkomsten van Egypte, Syrië en Iraq stroomden alle in dezelfde Medina-schatkist samen. De Kalief gaf grote bedragen uit, soms in afzonderlijke schenkingen aan individuen, en hij liet toelagen voor de families van de Sahaba ﵃ in een mate stromen die in de tijd van ʿUmar ﵁ ongehoord was geweest.

De binnenlandse gevolgen van de overvloed

Wat in 27 tot 31 AH als een overweldigende zege werd ervaren, droeg in zich ook de kiemen van de spanningen die in de laatste zes jaar van het khalifaat van ʿUthman ﵁ tot fitna zouden uitgroeien. De rijkdom die in de gemeenschap stroomde, werd niet in alle ogen gelijkmatig verdeeld. De Kalief, die in zijn ijtihad meende dat hij in de uitkering van de schat ruimte had om zijn naasten en zijn verwanten ruim te bedenken, gaf aan Marwan ﵁, aan zijn broer ʿAbdullah ibn Saʿd ﵁, en aan andere leden van de Banu Umayya bedragen die door sommige Sahaba ﵃ als buitenproportioneel werden beoordeeld. Az-Zuhri ﵀ vermeldt deze besluiten in zijn algemene karakterisering van het khalifaat van ʿUthman ﵁, en hij verbindt ze aan het ontstaan van de eerste kritiek tegen de Kalief in de loop van de laatste jaren van zijn ambt.

Maar in de jaren 28 tot 31 zelf, terwijl de berichten van de overwinningen vanuit het oosten in Medina binnenkwamen, was het sentiment in de stad overwegend van dankbaarheid. ʿUthman ﵁ besteeg de mimbar in de Masjid an-Nabawi om de openingen aan te kondigen, hij gaf bevel tot dankzeggingen, hij liet de bedragen voor de families van de gevallenen ruim uitkeren, en hij was in zijn omgang met de Sahaba ﵃ in deze jaren nog niet de geïsoleerde figuur die hij in de jaren 33 en 34 zou worden. De fitna die in de laatste zes jaar van zijn ambt zou opkomen, was in deze jaren nog niet de bovenstroom van de geschiedenis. De bovenstroom was, eenvoudig en zonder bijbedoeling, de opening van een rijk dat zich tussen Cyprus en Sijistan, tussen Sbeitla en Khurasan uitstrekte.

Het beeld van het rijk in 31 AH

Wie zich het kalifaat in het jaar 31 van de Hijra wil voorstellen, ziet een rijk dat van de Atlantische kust van Marokko tot aan de Indus reikte, van de Kaukasus tot aan de Indische Oceaan, van Cyprus in de Middellandse Zee tot aan de Amu Darya in Centraal-Azië. Het was, in zijn geografische omvang, het grootste rijk dat de wereld tot dan toe had gekend, groter dan dat van Alexander, groter dan dat van Rome op zijn hoogtepunt, groter dan dat van de Sassaniden. En het werd, in zijn bestuurlijke verbinding, gehouden door één Kalief in Medina, die zijn gouverneurs benoemde, hun instructies stuurde, hun verslagen ontving, en hun rekenschap afnam.

De wegen tussen Medina en de uithoeken van dit rijk werden bedekt door boodschappers die in vaste etappes ritten en wier rijdieren in tussenposten werden gewisseld. Een bericht uit Khurasan kon Medina binnen drie weken bereiken; een bericht uit Egypte binnen twee. De Kalief in Medina werkte van zonsopgang tot zonsondergang aan zijn correspondentie, omringd door enkele schrijvers en raadgevers. Hij at sober, hij sliep weinig, hij verdeelde de schat met eigen hand. Hij was, in deze jaren 28 tot 31, een man die de geografische verbeelding van een wereldrijk droeg met de eenvoud van zijn voorganger en met de bezorgdheid om de gemeenschap die hem als Amir al-Muʾminin had aanvaard.

De geestelijke dimensie

Voor de gelovigen die in deze jaren hun gebed verrichtten in de Masjid an-Nabawi, of in de moskeeën van Kufa, Basra, Damascus, Fustat, of in de pas geopende moskeeën in Marw en Naysabur, was de uitbreiding van het rijk geen reden tot trots, maar een teken. De Profeet ﷺ had aan zijn metgezellen voorzegd dat de aarde voor zijn gemeenschap zou worden opgeplooid, en dat zij de schatten van de keizers van Perzië en Byzantium in haar bezit zou krijgen. Wat in 31 AH werkelijkheid was geworden, was de letterlijke vervulling van die voorzegging. De gouden ringen van Khusraw, de zijden gewaden van de marzbans, de zilveren beurzen van de Sassanidische schatkamers, waren in de moskeeën van Medina door de Kalief verdeeld onder de armen, de weduwen, en de Sahaba ﵃ van het eerste uur.

ʿUthman ﵁ besteeg in deze jaren herhaaldelijk de mimbar om de gemeenschap eraan te herinneren dat de overwinning van Allah ﷻ was, en niet van de mensen; dat de schat een depot van Allah ﷻ was, en niet een eigendom van de Kalief of van de soldaten; dat de plicht van wie was beloond met overwinning, niet was om in trots te leven, maar om in dankbaarheid en in rechtvaardigheid de gemeenschap voor de volgende toetsing te bewaren. Het was, in zijn diepste zin, dezelfde boodschap die zijn voorgangers Abu Bakr ﵁ en ʿUmar ﵁ hadden uitgedragen, maar in de specifieke toon die ʿUthman ﵁ in deze eerste zes jaren van zijn kalifaat eigen was: een toon van zachtheid jegens de mensen, van overvloed in de uitkering, en van vertrouwen op de gouverneurs die hij had benoemd.

De kiemen van wat komen zou

Az-Zuhri ﵀ vat het kalifaat van ʿUthman ﵁ samen in een bekende uitspraak, die Suyuti ﵀ in dezelfde passage rond de veroveringen van het oosten aanhaalt en die de hele toon van zijn ambt in twee delen verdeelt.

Az-Zuhri ﵀: ʿUthman ﵁ regeerde het kalifaat twaalf jaar. Zes jaar regeerde hij zonder dat de mensen hem in het geheel kritiseerden. Voor Quraysh was hij verkieslijker dan ʿUmar ibn al-Khattab ﵁, omdat ʿUmar ﵁ streng tegen hen was, maar toen ʿUthman ﵁ over hen regeerde, was hij zachtaardig met hen en maakte hij zijn banden met hen nauw. Daarna verflauwde hij in hun zaak, en stelde hij in de laatste zes (jaren van zijn regering) zijn verwanten en familie aan.

Dit was de scherpe samenvatting die de moslimse historiografie ﵀ later aan de hele regeringsperiode zou geven. De jaren 28 tot 31, die in dit artikel zijn behandeld, vielen volledig in de eerste zes jaar, in de fase van kritiekloze acceptatie. Wat daarna zou komen, de fitna die in 33 en 34 zou opbreken, de belegering die in 35 het leven van de Kalief zou eisen, was in deze jaren nog geen onderwerp van zorg.

In het volgende artikel

In de volgende artikelen volgen wij het keerpunt waarvan az-Zuhri ﵀ heeft gesproken: hoe ʿUthman ﵁ in de laatste zes jaar van zijn ambt onder dezelfde druk kwam te staan die hem in de eerste zes jaar had ontbroken, hoe de critici hun stem in de provincies verhieven, en hoe de Kalief, met dezelfde zachtheid waarmee hij in zijn eerste jaren had geregeerd, in de laatste jaren door de hand van Egyptische opstandelingen in zijn eigen huis in Medina werd belegerd en gedood. De openingen van Cyprus en Sbeitla en Khurasan, die in 27 tot 31 AH de gemeenschap met overvloed hadden gevuld, zouden in de jaren die volgden aan de gemeenschap toetsen welke maat zij van die overvloed had geleerd.

Bronnen

  • Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk 1995), pp. 165–167.