Welvaart en kritiek
Het jaar waarin de schatkamers overvol raakten
In het jaar 30 van de Hijra, dat in de Gregoriaanse jaartelling overeenkomt met 650–651, gebeurde er in de financiën van het Islamitische rijk iets dat zonder voorgaande was. Suyuti ﵀ noteert het op pagina 166 van zijn Tarikh al-Khulafa in enkele zinnen die in hun beknoptheid de omvang van de gebeurtenis bevatten. Hij schrijft dat in dat jaar Jur werd ingenomen, en daarmee vele provincies van het land Khurasan. Naysabur werd ingenomen door verdrag, en in sommige bronnen door geweld. Tus en Sarkhas werden ingenomen door verdrag, en zo ook Marw en Bayhaq. Eén jaar, een hele rij van provincies. Een hele rij van schatkamers die hun goud en zilver naar Medina lieten stromen.
In het vorige artikel volgden wij ʿUthman ﵁ door zijn beslissing om Muʿawiyah ﵁ ter zee uit te laten varen, en door de keerpuntige slag bij Dhat al-Sawari die de Middellandse Zee voor de oemma openlegde. In dit artikel keren wij naar de andere zijde van diezelfde ontwikkeling. Want de uitbreiding aan de buitengrenzen had een gevolg dat zich naar binnen liet voelen. De inkomsten uit de pas geopende provincies, de buit uit de overwinningen op land en op zee, de jizyah uit de niet-moslimse bevolkingen onder Islamitisch bestuur, kwamen samen in een bait al-mal dat onder Abu Bakr ﵁ nog een eenvoudig huishouden had gevoerd en dat onder ʿUmar ﵁ de instelling van het Diwan had vereist, maar dat onder ʿUthman ﵁ in zijn omvang en in zijn complexiteit een nieuwe orde van vraag op tafel legde. Wie ontvangt wat. Hoe wordt verdeeld. Op welke gronden. Met welke voorrang.
Het is in deze vragen, en in de antwoorden die ʿUthman ﵁ daarop gaf, dat de kritiek ontstond die in de laatste zes jaar van zijn Khilafah zou aanzwellen tot de roep die hem in 35 AH het leven kostte. Wij volgen in dit artikel Suyuti ﵀ in zijn behandeling van deze materie, en wij hechten ons strikt aan wat hij ons in pagina’s 166 tot en met 168 heeft genoteerd, met de overleveringen van az-Zuhri ﵀ en Saʿid ibn al-Musayyab ﵀ als de twee dragende getuigen.
Kaart laden...
De rijkdom in cijfers
Suyuti ﵀ geeft in dezelfde passage op pagina 166 een beeld van de schaal van de inkomsten dat in zijn concreetheid het uitsprekt. Hij schrijft, in de Clarke-vertaling: Toen deze uitgebreide provincies werden ingenomen, werden de inkomsten van ʿUthman ﵁ overvloedig, en rijkdom kwam naar hem uit elke richting, totdat hij schatkamers oprichtte en voorzieningen overvloedig liet stromen. Hij zou voor een man honderdduizend zakken bestellen, in elk waarvan zich vierduizend ounces zilver bevonden.
Honderdduizend zakken. Vierduizend ounces zilver in elke zak. De cijfers zijn van een orde die de eenvoudige verdelingen van de eerdere Khaliefen ﵃ ver te boven gaat. Onder Abu Bakr ﵁ was de schatkist in zijn huis in as-Sunh leeg gevonden op de dag van zijn overlijden, omdat alles wat binnenkwam ook weer was uitgedeeld. Onder ʿUmar ﵁ was de instelling van het Diwan een antwoord geweest op de vraag hoe een groeiende staatsinkomst tussen de strijders en hun gezinnen kon worden verdeeld. Onder ʿUthman ﵁ ontstond een nieuwe vraag, die in de tijd van Abu Bakr ﵁ en in de tijd van ʿUmar ﵁ nog niet in deze schaal had bestaan. Wat doet een Khalief ﵁ wanneer de inkomsten zo groot zijn geworden dat zij niet meer in één enkel jaar over de strijders en hun gezinnen kunnen worden verdeeld, en wanneer er reserves ontstaan die in schatkamers moeten worden bewaard.
ʿUthman ﵁ koos voor een aanpak die in zijn eigen ijtihad lag, en die in de overleveringen die Suyuti ﵀ via az-Zuhri ﵀ en Ibn al-Musayyab ﵀ heeft opgenomen, in twee tegengestelde aspecten wordt belicht.
De getuigenis van az-Zuhri ﵀
Suyuti ﵀ opent zijn behandeling van de bestuurskritiek op pagina 167 met een lange overlevering van az-Zuhri ﵀, de grote Madinaanse traditionist die de eerste systematische samensteller van de profetische biografie is geweest. Az-Zuhri ﵀ levert een oordeel dat in zijn balans van het grootste gewicht is. Hij prijst de eerste zes jaren van Uthmans Khilafah; hij bekritiseert de laatste zes. En hij benoemt nauwkeurig wat in die laatste zes was veranderd.
Az-Zuhri ﵀: ʿUthman ﵁ heeft de Khilafah twaalf jaar geleid. Zes jaar lang regeerde hij zonder dat de mensen hem in iets bekritiseerden. Voor de Quraysh was hij de voorkeur boven ʿUmar ibn al-Khattab ﵁, omdat ʿUmar ﵁ streng tegen hen was geweest, terwijl ʿUthman ﵁ toen hij over hen regeerde, zachtmoedig met hen omging en zijn banden met hen nauw maakte. Daarna verflauwde hij in hun zaak, en hij stelde zijn familieleden en verwanten aan in de laatste zes jaren van zijn bewind. Hij beschikte voor Marwan ﵁ de khums, het vijfde aandeel van de buit van de jihad dat de heerser toebehoort, van Noord-Afrika, en hij gaf zijn familieleden en gezinnen rijkdom. Daarmee legde hij uit het banden van bloedverwantschap onderhouden dat Allah ﷻ heeft bevolen.
ʿUthman ﵁: Abu Bakr ﵁ en ʿUmar ﵁ hebben opgegeven en achtergelaten wat hen daarvan toekwam, en ik heb het genomen en onder mijn familieleden verdeeld.
Az-Zuhri ﵀: Maar de mensen verwierpen het van hem en weigerden het.
Wij dienen deze passage zorgvuldig te lezen. Az-Zuhri ﵀ is geen vijand van ʿUthman ﵁; hij is integendeel een grote prijzer van zijn karakter en van de eerste zes jaren van zijn bewind. Maar hij is ook geen verdediger die de feiten verzwijgt. Hij benoemt het keerpunt: de verandering die in de laatste zes jaren intrad. Hij benoemt de inhoud: de aanstelling van familieleden, het toekennen van de khums aan Marwan ﵁. En hij benoemt het standpunt van ʿUthman ﵁: niet dat de Khalief ﵁ in onrecht handelde, maar dat hij in zijn eigen ijtihad een ander oordeel had dan de twee voorgaande Khaliefen ﵃ over een passage uit het Boek van Allah ﷻ.
Wat de khums betekende
Om de zwaarte van de kritiek te begrijpen, dienen wij stil te staan bij wat de khums in de Islamitische rechtsorde inhoudt. Wanneer de moslimse legers een gebied veroverden en buit binnenbrachten, werd die buit volgens de regel die in Soera al-Anfal is vastgelegd, in vijf gelijke delen verdeeld. Vier vijfden gingen naar de strijders en hun gezinnen, naar evenredigheid van hun aandeel in de strijd. Eén vijfde, de khums, kwam toe aan een specifieke categorie ontvangers: Allah ﷻ en Zijn Boodschapper ﷺ, de naasten van de Profeet ﷺ, de wezen, de armen, en de reiziger zonder middelen. Na het overlijden van de Profeet ﷺ ontstond de juridische vraag over de uitleg van het eerste deel, het deel dat in de tekst wordt toegeschreven aan Allah ﷻ en Zijn Boodschapper ﷺ. Wat behoorde aan dat deel toe te komen.
Abu Bakr ﵁ en ʿUmar ﵁ hadden in hun bewind hierover een eenduidige uitleg gegeven. Wat aan Allah ﷻ en Zijn Boodschapper ﷺ toekwam, viel met het overlijden van de Profeet ﷺ aan het algemene bait al-mal van de moslims, en werd in hun bewind aan de algemene zaken van de oemma besteed: bewapening, fortificaties, voorzieningen voor strijders zonder eigen middelen, ondersteuning van armen. Zij hadden van dit deel niets aan zichzelf of aan hun families gegeven; zij hadden het in zijn geheel ingelijfd bij het bezit van de moslims als geheel.
ʿUthman ﵁ koos voor een andere uitleg. In zijn uitleg, die hij in de woorden die Suyuti ﵀ overlevert op pagina 167 zelf rechtvaardigt, behoorde een deel van wat de heerser toekwam, te worden aangewend voor het onderhouden van de familieband, die in de Quran herhaaldelijk is geboden. En hij gaf van de khums van de Noord-Afrikaanse veroveringen, die ʿAbdullah ibn Saʿd ﵁ vanaf 27 AH naar Medina liet sturen, een deel aan Marwan ibn al-Hakam ﵁, zijn neef en zijn secretaris. Hij gaf ook aan andere leden van de Banu Umayyah, zijn eigen clan, rijkdom uit de schatkist.
Suyuti ﵀ sluit de overlevering van az-Zuhri ﵀ af met de zin: [Het was zijn ijtihad]. Ibn Saʿd narrateerde het. Het is een zin die in de literaire conventie van Suyuti ﵀ veel betekent. Hij plaatst de keuze van ʿUthman ﵁ niet in het kader van een fout of een zonde, maar in het kader van een rechterlijke afweging waarover een Khalief ﵁ de bevoegdheid heeft. Tegelijk laat hij door de stem van az-Zuhri ﵀ doorklinken dat het oordeel van de gemeenschap die ijtihad niet aanvaardde. Twee waarheden naast elkaar, in evenwicht gehouden door de pen van de overleveraar.
De getuigenis van Ibn al-Musayyab ﵀
Op pagina 167 en 168 geeft Suyuti ﵀ een tweede overlevering, ditmaal van Saʿid ibn al-Musayyab ﵀, een van de zeven grote juristen van Medina van de generatie na de Sahaba ﵃. Az-Zuhri ﵀ vraagt hem rechtstreeks: hoe was de moord op ʿUthman ﵁, wat waren de mensen aan het doen, wat was hij aan het doen, en waarom faalden de Sahaba ﵃ van Muhammad ﷺ om hem te helpen.
Ibn al-Musayyab ﵀ antwoordt met een formulering die de hele zaak in één zin samenbrengt en die voor de oemma in de eeuwen daarna richtinggevend is geweest.
Saʿid ibn al-Musayyab ﵀: ʿUthman ﵁ werd onrechtvaardig gedood, wie hem doodde was in onrecht, en wie hem niet hielp is vrij van blaam.
Het is een uitspraak die in haar precisie het oordeel van de Madinaanse jurisprudentie weergeeft. De moord werd ondubbelzinnig veroordeeld: zij was onrecht, en degenen die haar volbrachten waren in onrecht. Maar het niet-helpen van degenen die getuige waren van de fitnah, was vrij van blaam, want in een chaotische volksopstand waarin de Khalief ﵁ zelf zijn metgezellen had verboden om met zwaarden voor hem op te treden, kon het uitblijven van geweld niet als nalatigheid worden gerekend. Het is een fijngevoelig oordeel, en het is door Suyuti ﵀ in zijn werk met opzet vooropgesteld voordat hij de gedetailleerde geschiedenis van het beleg en het martelaarschap geeft.
Vervolgens geeft Ibn al-Musayyab ﵀, in dezelfde passage, de historische opbouw van de kritiek. Hij doet dit in een chronologische schets die de bron is voor wat in de moderne historiografie de “twee fasen van Uthmans Khilafah” wordt genoemd.
Saʿid ibn al-Musayyab ﵀: Toen ʿUthman ﵁ werd aangesteld, hield een groep van de Sahaba ﵃ niet van zijn aanstelling, omdat ʿUthman ﵁ van zijn mensen hield. Hij regeerde de mensen twaalf jaar. Hij stelde mensen uit Bani Umayyah aan die geen gezelschap met de Profeet ﷺ hadden gehouden. Zijn gouverneurs brachten zaken voort die de Sahaba ﵃ van Muhammad ﷺ verwierpen. ʿUthman ﵁ vroeg de mensen om hen welwillend te zijn en hij wilde hen niet verwijderen.
Het is in deze enkele zinnen dat de hele kritiek besloten ligt. Niet alle aangestelden waren Sahaba ﵃; sommigen hadden de Profeet ﷺ niet gekend. Hun handelingen waren niet altijd in overeenstemming met de wijze waarop de Sahaba ﵃ de bestuurszaken zouden hebben behandeld. En de Khalief ﵁ zelf bleef hen vragen om geduld in plaats van de gewraakte gouverneurs te ontslaan. Het was deze laatste keuze, het niet-ontslaan onder druk, die in de loop van de jaren 30 tot 35 AH de spanning in Medina, in Kufa, in Basra en in Fustat tot het kookpunt bracht.
De namen die in de kritiek terugkomen
Suyuti ﵀ noemt in de overlevering van Ibn al-Musayyab ﵀ op pagina 168 drie namen waarmee de kritiek zich verbond, en hij plaatst hen in de context van de stammen die zich rond hun grieven hadden gevormd. Er waren reeds slights geweest van ʿUthman ﵁ tegen ʿAbdullah ibn Masʿud ﵁, Abu Dharr ﵁ en ʿAmmar ibn Yasir ﵁. Banu Hudhayl en Banu Zuhrah hadden in hun harten wat zij hadden vanwege de toestand van Ibn Masʿud ﵁. Banu Ghifar, hun bondgenoten en wie boos was vanwege Abu Dharr ﵁, hadden in hun harten wat zij in hen hadden. Banu Makhzum waren woedend op ʿUthman ﵁ vanwege de toestand van ʿAmmar ibn Yasir ﵁.
Wij dienen deze passage met de terughoudendheid te lezen die Suyuti ﵀ ons in zijn behandeling oplegt. Hij noemt de drie namen, hij noemt de stammen, hij noemt het bestaan van slights. Maar hij geeft geen detail van de specifieke incidenten. In de strikte trouw aan zijn werk, die wij in deze artikelen aanhouden, beperken wij ons daarom tot wat hij heeft gegeven: er waren spanningen tussen ʿUthman ﵁ en deze drie senior Sahaba ﵃; die spanningen werden door hun stammen in Medina aangenomen als gemeenschappelijk gevoeld onrecht; en deze stammen vormden samen met de Banu Taym, de stam van Muhammad ibn Abi Bakr ﵁ over wie in een latere passage uitvoerig wordt gesproken, de eerste kern van wat tot het beleg van het huis van ʿUthman ﵁ zou leiden.
ʿAbdullah ibn Masʿud ﵁ was een van de eerste in Islam aangenomen Sahaba ﵃, een van de vier door de Profeet ﷺ aanbevolen Quran-recitatoren, en de schatbewaarder in Kufa onder ʿUmar ﵁. Suyuti ﵀ vermeldt op pagina 166 dat hij in het jaar 32 AH overleed. Abu Dharr al-Ghifari ﵁ was de Sahabi ﵁ van de uitgesproken afkeer van rijkdom, de man die in de jaren van ʿUthmans Khilafah in Damascus en in ar-Rabadhah was, en die op pagina 167 door Suyuti ﵀ als overleden in datzelfde jaar 32 AH wordt vermeld. ʿAmmar ibn Yasir ﵁ was de Sahabi ﵁ wiens ouders Sumayyah en Yasir de eerste shuhada van de Islam in Mekka waren, een man wiens stem in de kritiek op het bestuur in de laatste jaren herhaaldelijk wordt overgeleverd.
Het is, naar wat Suyuti ﵀ geeft, voldoende vast te stellen dat tussen deze drie Sahaba ﵃ en de Khalief ﵁ spanningen bestonden, en dat die spanningen in de bredere Madinaanse en provinciale Sahaba-kringen ﵃ als reden tot ongenoegen werden ervaren. De specifieke incidenten zijn in andere bronnen overgeleverd; in Tarikh al-Khulafa van Suyuti ﵀ blijven zij als algemene aanduidingen staan. Wij respecteren die terughoudendheid.
Het patroon dat zich uitbreidde
Wat in deze passages bij Suyuti ﵀ samenkomt, is geen aanklacht en geen verdediging. Het is een patroon dat zich gedurende de Khilafah van ʿUthman ﵁ uitbreidde, en dat in de laatste zes jaren een eigen dynamiek kreeg. Vijf elementen dragen het patroon. Ten eerste, de uitbreiding van de inkomsten tot een schaal die voorafgaande Khaliefen ﵃ niet hadden gekend. Ten tweede, een eigen uitleg van ʿUthman ﵁ over de besteding van een deel van die inkomsten aan de eigen familie, gebaseerd op een tekstpassage in de Quran over het onderhouden van familiebanden. Ten derde, de aanstelling van familieleden uit Bani Umayyah aan gouvernoraten, waarvan sommigen geen Sahaba ﵃ waren. Ten vierde, het ongenoegen van de senior Sahaba ﵃ over de daden van enkele van deze gouverneurs, met name in Egypte onder ʿAbdullah ibn Abi Sarh ﵁ en in Kufa onder al-Walid ibn ʿUqbah ﵁. Ten vijfde, de weigering van ʿUthman ﵁ om de bekritiseerde gouverneurs te ontslaan op de manier waarop ʿUmar ﵁ dat in zijn tijd onmiddellijk had gedaan.
Elk van deze vijf elementen is op zichzelf verdedigbaar binnen het kader van de Khilafah, en elk wordt in de overleveringen die Suyuti ﵀ aanhaalt, met respect behandeld. Maar in hun cumulatie, in hun samenkomst over zes jaren, bouwden zij een spanning op die de gemeenschap in haar bredere lagen begon te raken. Wat in Medina onder elkaar werd besproken, werd doorverteld naar Kufa, naar Basra, naar Fustat. Wat in de moskeeën van de provincies werd gehoord, werd doorverteld in de markten en in de garnizoenen. In het jaar 34 AH, hetzelfde jaar waarin op zee de slag bij Dhat al-Sawari werd gestreden, verjaagden de inwoners van Kufa hun gouverneur Saʿid ibn al-ʿAs ﵁ uit hun stad, en eisten zij dat Abu Musa al-Ashʿari ﵁ aan zijn plaats werd gesteld. Suyuti ﵀ vermeldt deze gebeurtenis op pagina 167 in één zin, en hij plaatst haar als de directe inleiding tot het volgende jaar: In het jaar 35 AH vond de moord op ʿUthman ﵁ plaats.
Het persoonlijke leven van ʿUthman ﵁ tegenover de rijkdom
Het is een element dat in de bredere getuigenissen die Suyuti ﵀ in zijn werk opneemt herhaaldelijk terugkeert, en dat in zijn betekenis voor de geschiedenis niet over het hoofd mag worden gezien. ʿUthman ﵁ zelf leefde in deze jaren van overvloed niet anders dan hij in zijn vroege jaren had geleefd. Suyuti ﵀ overlevert op pagina 177 en 178, in de passage van Section die op de korte zin over de Mushaf onmiddellijk volgt, twee getuigenissen die het persoonlijke leven van de Khalief ﵁ in deze jaren toelichten. Musa ibn Talhah ﵀ overlevert via Ibn Saʿd ﵀ dat hij ʿUthman ﵁ op een Jumuʿah-dag op de minbar zag uitgaan in twee gele gewaden, en dat de Khalief ﵁ vóór het gebed op de minbar zat en met de mensen sprak over hun prijzen en over hun zieken. ʿAbdullah ar-Rumi ﵀ overlevert dat ʿUthman ﵁ in de nacht zelf voor zijn wudu’ zorgde, en toen iemand voorstelde dat één van de dienaren dat voor hem zou doen, hij antwoordde:
ʿUthman ﵁: Nee. De nacht is voor hen om in te rusten.
Het is in deze enkele zinnen dat het hele patroon waarvan az-Zuhri ﵀ en Ibn al-Musayyab ﵀ in hun overleveringen spraken, een laatste laag krijgt. ʿUthman ﵁ deelde uit van de bait al-mal aan zijn familie, en hij behield voor zichzelf de gestrengheid en de bescheidenheid die hij in zijn vroege Mekkaanse en Medinaanse jaren had verworven. Het was niet zijn eigen levensstijl die bekritiseerd werd; de bekritiseerden waren zijn ijtihad over de besteding van de khums, en zijn weigering om bekritiseerde gouverneurs te ontslaan. De Khalief ﵁ in zijn persoon bleef de man die in de nacht zijn eigen wudu’ deed.
Het oordeel van Suyuti ﵀ in zijn keuze van overleveringen
Wij hebben in dit artikel ons strikt gehouden aan wat Suyuti ﵀ in zijn Tarikh al-Khulafa op pagina 166, pagina 167 en pagina 168 over de welvaart en de kritiek heeft genoteerd. Wij hebben de getuigenis van az-Zuhri ﵀ in haar volledige bondigheid laten staan. Wij hebben de getuigenis van Ibn al-Musayyab ﵀ in haar voorzichtige formulering laten staan. Wij hebben de namen die hij noemde, ʿAbdullah ibn Masʿud ﵁, Abu Dharr ﵁ en ʿAmmar ibn Yasir ﵁, in de algemene context behandeld die Suyuti ﵀ ons geeft, zonder in te gaan op specifieke incidenten waarover hij in deze passage niet uitwijdt.
Wat Suyuti ﵀ door zijn keuze van overleveringen impliciet ons vertelt, is dat de welvaart die onder ʿUthman ﵁ over de oemma kwam, een gave en een toetsing tegelijk was. Een gave, omdat zij voortvloeide uit de jihad-veroveringen die de gemeenschap onder de leiding van Allah ﷻ had behaald. Een toetsing, omdat zij vragen voor het bestuur opwierp die in de eenvoudige jaren van Abu Bakr ﵁ en zelfs onder ʿUmar ﵁ niet in dezelfde mate hadden bestaan. ʿUthman ﵁ beantwoordde die vragen met zijn eigen ijtihad. Een deel van de gemeenschap aanvaardde zijn antwoord; een ander deel verwierp het. En in de spanning tussen beide ontstond, geleidelijk, de fitnah die het centrum van zijn Khilafah in 35 AH zou breken.
In het volgende artikel volgen wij de opbouw van die fitnah van nabij, in de getuigenis van Ibn al-Musayyab ﵀ die Suyuti ﵀ ons op pagina 168 en de volgende geeft, met de slaaf op de kameel, met de brief in de waterkruik, met de schrik van Medina toen de inhoud van die brief werd uitgesproken.