Van politiek conflict naar belegerd huis
In het voorgaande artikel volgden wij de opbouw van de fitna zoals az-Zuhri ﵀ en Saʿid ibn al-Musayyab ﵀ haar voor Suyuti ﵀ hebben samengevat. Wij volgden de grieven van Banu Hudhayl en Banu Zuhrah vanwege Ibn Masʿud ﵁, van Banu Ghifar vanwege Abu Dharr ﵁, van Banu Makhzum vanwege ʿAmmar ibn Yasir ﵁. Wij volgden de zevenhonderd Egyptenaren die in de Masjid an-Nabawi bivakkeerden om verhaal te halen tegen ʿAbdullah ibn Saʿd ibn Abi Sarh ﵁. Wij volgden de scherpe toespraak van Talha ibn ʿUbaydullah ﵁ vanaf de minbar, de stem van ʿAʾishah ﵂ die de Khalifah opriep tot rechtvaardigheid, en de bemiddeling van ʿAli ibn Abi Talib ﵁ die Muhammad ibn Abi Bakr als nieuwe gouverneur van Egypte deed aanstellen. Wij volgden de zwarte slaaf met de gebroken kruik op de weg naar Egypte, en wij lazen met de delegatie de brief die in haar binnenste verborgen lag: een instructie tot moord, geschreven door de hand van Marwan ibn al-Hakam ﵁, verzegeld met het zegel van ʿUthman ﵁. Wij volgden de eed van de Khalifah dat hij van de brief geen kennis had en zijn weigering om Marwan ﵁ aan de menigte uit te leveren.
In dit artikel volgen wij wat daarna geschiedde. Saʿid ibn al-Musayyab ﵀ vat de overgang in één zin samen die in het werk van Suyuti ﵀ als een omslagpunt staat: “De mensen belegerden ʿUthman ﵁ in het jaar vijfendertig, en Muhammad ibn Abi Bakr hitste Banu Taym en anderen tegen hem op.” Met die zin verlaat de geschiedenis de fase van de politieke onenigheid en betreedt zij de fase van het beleg. Wij volgen het in zijn dagen, in zijn deuren, in zijn dialogen. Wij volgen ʿAli ﵁ die zijn zonen al-Hasan ﵁ en al-Husayn ﵁ aan de deur zette met hun zwaarden. Wij volgen de pijlen die op de deur regenden tot al-Hasan ﵁ met bloed werd doortrokken en Marwan ﵁ binnenshuis door een schicht werd geraakt. Wij volgen het afgesneden water en de drie waterzakken die ʿAli ﵁ liet zenden. Wij volgen de drie uitwegen die al-Mughirah ibn Shuʿbah ﵁ aan de Khalifah voorstelde en de drie weigeringen waarmee ʿUthman ﵁ hen alle drie afsloeg. Wij volgen de tien deugden die hij van de bovenverdieping aan de menigte opsomde. Wij volgen de mannen die door de tuin van een buurman over de muur klommen omdat zij de poort niet meer konden naderen. En wij stoppen, in dit artikel, op de drempel van het ogenblik waarop het beleg in een sluipmoord overging. Voor wat in het huis zelf gebeurde, en voor wie ʿUthman ﵁ was in het volle leven dat aan dit beleg vooraf was gegaan, is een tweede artikel gereserveerd.
De omsingeling
Kaart laden...
Toen Muhammad ibn Abi Bakr de brief had voorgelezen aan Talha ﵁, az-Zubayr ﵁, ʿAli ﵁, Saʿd ﵁ en de overige metgezellen ﵃ die in Medina aanwezig waren, en toen het verhaal van de zwarte slaaf hen woord voor woord was overgebracht, was niemand van de inwoners van Medina meer rustig. Wie reeds boos was vanwege Ibn Masʿud ﵁, vanwege Abu Dharr ﵁, vanwege ʿAmmar ﵁, vond in de brief de bevestiging dat de Khalifah niet meer slechts via zijn gouverneurs onrecht had gepleegd, maar persoonlijk een opdracht tot moord op schrift had laten zetten. De metgezellen ﵃ van de Profeet ﷺ stonden op en trokken zich terug in hun huizen. Niemand van hen, zo schrijft Suyuti ﵀, was rustig genoeg om de brief koud te lezen.
De Egyptenaren, en met hen de Kufanen en de Basranen die in dezelfde dagen hun eigen gouverneur-klachten in Medina hadden ingediend, hielden zich aan hun huizen niet meer. Zij omsingelden het huis van ʿUthman ﵁. Zij richtten posten aan elke deur. Zij verhinderden dat iemand er binnen of buiten kon. Het is de zin van Suyuti ﵀ zelf, kort en zonder verfraaiing: “De mensen belegerden ʿUthman ﵁ in het jaar vijfendertig, en Muhammad ibn Abi Bakr hitste Banu Taym en anderen tegen hem op.”
Wat dat beleg in zijn eerste vorm betekende, was niet onmiddellijk een aanslag op het leven van de Khalifah. Het was een politieke druk, uitgeoefend door een menigte die zich aan zijn poort had gevestigd, en die door haar aanwezigheid alleen al een eis stelde. De eis was eenvoudig: Marwan ﵁ uit te leveren. Indien Marwan ﵁ de brief had geschreven, moest hij ter ondervraging in handen van de gemeenschap worden gegeven. Indien hij haar in opdracht van ʿUthman ﵁ had geschreven, moest de Khalifah ofwel afstand doen van zijn ambt, ofwel zijn ambt blijven bekleden onder de voorwaarden die de gemeenschap nu aan hem stelde. Voor de belegeraars was de zaak juridisch helder; voor ʿUthman ﵁ was zij een onmogelijke keuze tussen het verraden van een verwant en het buigen voor een drukmiddel.
De weigering om Marwan ﵁ uit te leveren
ʿUthman ﵁ weigerde, zoals reeds in het voorgaande artikel werd aangestipt, Marwan ﵁ uit te leveren. Suyuti ﵀ herhaalt de reden waarom: hij vreesde dat Marwan ﵁ door de menigte zou worden gedood zonder behoorlijk proces. Voor de Khalifah was zijn weigering geen onrechtmatigheid maar bescherming van een verwant die nog niet was berecht. Voor de gemeenschap echter was zij het bewijs dat hij niet bereid was zijn familie aan de procedure te onderwerpen die hij voor anderen wel zou hebben gevolgd. Tussen die twee posities was geen overbrugging, en Marwan ﵁ bleef in het huis van de Khalifah.
In het huis ontstond daardoor een merkwaardige situatie. De Khalifah was tegelijk gastheer en gevangene. Zijn deur was van buitenaf bewaakt door de belegeraars, en van binnenuit bewaakt door zijn eigen familieleden en bedienden die hem niet wilden laten gaan. In de zalen van het huis bewogen zich Marwan ﵁ en de andere Banu Umayya die zich rond de Khalifah hadden gevormd, allen volledig bewust dat indien de poort viel, niet alleen ʿUthman ﵁ maar ook zij in handen van de menigte zouden geraken. Naʾila bint al-Furafisa ﵂, de echtgenote van de Khalifah, deelde de dagen met haar man en bediende hem in de huiselijke dingen.
De drie uitwegen van al-Mughirah ibn Shuʿbah ﵁
In de eerste dagen van het beleg kwam al-Mughirah ibn Shuʿbah ﵁ bij de Khalifah. Hij was niet, schrijft Suyuti ﵀, voor het eerst in zijn aanwezigheid; hij was de oud-gouverneur van Kufa, een man die in de eerste jaren van de Hijra was bekeerd en die de politieke kunst van het mogelijke beter beheerste dan de meeste van zijn tijdgenoten. Hij sprak ʿUthman ﵁ aan met de soort openheid die alleen een politicus tegen een politicus kan gebruiken, en hij legde drie wegen voor hem open. Het gesprek wordt door Suyuti ﵀ op pagina honderdvierenzeventig overgeleverd op gezag van Ahmad ﵀:
Al-Mughirah ﵁: U bent de imam van de mensen, en wat is gebeurd, is u overkomen. Ik bied u drie wegen. De eerste: dat u uitkomt en met hen vecht, want u hebt aantal en kracht, u staat in uw recht en zij staan in hun ongelijk. De tweede: dat wij voor u een andere deur openhakken dan de deur waarvoor zij wachthouden, opdat u op uw rijdier kunt stijgen en uzelf naar Mekka kunt brengen, want zij zullen het niet wettig achten u daar te doden. De derde: dat u uzelf naar Sham brengt, want dat zijn de mensen van Sham, en onder hen is Muʿawiyah ﵁.
Drie politieke uitwegen, elk verstandig in zijn eigen logica. De eerste maakte gebruik van het feit dat ʿUthman ﵁ in het huis een aantal gewapende mannen had en dat onder zijn beschermheren mawlas van Banu Hashim en Banu Umayya zich hadden gevoegd, zodat een uitval naar buiten een gewone strijd zou zijn geweest waarin numeriek en juridisch het recht aan de Khalifah was. De tweede was de uitweg naar Mekka, waar het heilige grondgebied bloedvergieten verbood en de Egyptenaren hun moord niet zonder zelfvervloeking konden voortzetten. De derde was de uitweg naar Sham, naar de loyale provincie waar Muʿawiyah ﵁ stevig in het zadel zat en waar elk leger dat tegen de Khalifah optrok, op de muren van Damascus zou stuiten.
De Khalifah weigerde alle drie de uitwegen, en zijn weigeringen, woord voor woord overgeleverd, zijn de mooiste verklaring die hij over zijn eigen geweten heeft afgelegd:
ʿUthman ﵁: Wat het uitkomen en vechten betreft: ik zal niet de eerste Khalifah van de Boodschapper van Allah ﷺ zijn die in zijn Ummah hun bloed vergiet. Wat het naar Mekka gaan betreft: ik heb de Boodschapper van Allah ﷺ horen zeggen dat een man van Quraysh in Mekka zal twisten en geschillen zal voeren, en dat op hem de helft van de straf van de wereld zal komen. Ik zal die man niet zijn. Wat het naar Sham gaan betreft: ik zal mij nooit afscheiden van de Verblijfplaats van de Hijra en van de buurt van de Boodschapper van Allah ﷺ.
In één korte verklaring zette de Khalifah zijn principes uiteen. Hij wilde niet de eerste Khalifah zijn die zijn eigen Ummah liet bloeden om zijn ambt te redden. Hij wilde niet in Mekka eindigen als de geprofeteerde man wiens fitna de helft van de straf van de wereld op zich nam. En hij wilde de stad van de Hijra niet verlaten, de stad waarin de Boodschapper ﷺ was begraven, de stad waarin hij zelf was bevestigd in zijn ambt. Hij koos voor het beleg boven het bloedvergieten, voor de profetische verbintenis boven de provinciale vlucht, voor de buurt van de Boodschapper ﷺ boven de loyale legers van Sham.
De toespraak van de bovenverdieping
In dezelfde dagen, en mogelijk meer dan eens, klom ʿUthman ﵁ naar de bovenverdieping van zijn huis en sprak van daar uit de mensen toe die zijn poort omsingelden. Suyuti ﵀ heeft van zulke toespraken twee voorbeelden bewaard. Het ene was de aanroep van de Badr-veteranen die nog onder de menigte waren of in haar nabijheid stonden. Hij beriep zich daarin op twee specifieke daden uit zijn jongere jaren waarvan hij de getuigen vroeg zich bekend te maken. De tekst staat op pagina honderdtweeënzestig en wordt door Suyuti ﵀ overgenomen op gezag van Abu ʿAbd ar-Rahman as-Sulami ﵀, op gezag van al-Bukhari ﵀:
ʿUthman ﵁: Ik bezweer u bij Allah ﷻ, en ik bezweer niemand behalve de metgezellen ﵃ van de Profeet ﷺ: weet u niet dat de Boodschapper van Allah ﷺ zei: “Wie het Leger der Moeite (van Tabuk) uitrust, voor hem is de Tuin”? En ik heb het uitgerust. Weet u niet dat de Boodschapper van Allah ﷺ zei: “Wie de put van Rumah laat graven, voor hem is de Tuin”? En ik heb haar laten graven.
De aanwezigen bevestigden wat hij zei. Geen van de Badri-veteranen die het hoorden, kon de geschiedenis ontkennen. Het Leger van Tabuk, de jaysh al-ʿusra waarvan in het negende jaar van de Hijra het tekort dreigde, was door ʿUthman ﵁ uitgerust toen hij driehonderd kamelen met hun zadels en dekens schonk, zoals reeds in een latere passage van Suyuti ﵀ wordt herhaald. De put van Rumah, de enige zoetwaterbron in Medina die in de eerste jaren van de Hijra in handen was van een Jood die haar voor hoge prijzen verhuurde, was door ʿUthman ﵁ uit eigen middelen gekocht en als waqf aan de moslims geschonken. Voor beide daden was hem door de Profeet ﷺ persoonlijk de Tuin beloofd, en de getuigen onder de Badri-veteranen waren nu in zijn omsingeling aanwezig om dat te bevestigen.
In een andere passage, op pagina honderdvierenzeventig, gaf ʿUthman ﵁ een nog uitgebreidere opsomming van zijn verdiensten. Abu Thawr al-Fahmi ﵁ verhaalt:
ʿUthman ﵁: Ik heb tien dingen bij mijn Heer ﷻ opgeborgen. Ik was de vierde van vier in de Islam. Ik heb het Leger der Moeite uitgerust. De Boodschapper van Allah ﷺ trouwde mij aan zijn dochter, en zij stierf bij mij, en hij trouwde mij aan zijn andere dochter, en ik heb haar niet zelf gezocht en haar niet zelf gewenst. Ik heb sinds ik de bayʿah aan de Boodschapper van Allah ﷺ heb gezworen, mijn rechterhand nooit op mijn geslachtsdelen geplaatst. Geen Jumuʿa is mij voorbijgegaan sinds ik de Islam aanvaardde zonder dat ik een slaaf vrijliet, tenzij ik op dat moment in schuld stond, en dan liet ik hem nadien vrij. Ik heb nooit overspel gepleegd, niet in de Jahiliyya en niet in de Islam. Ik heb nooit gestolen, niet in de Jahiliyya en niet in de Islam. En ik heb de hele Koran in de tijd van de Boodschapper van Allah ﷺ uit het hoofd geleerd.
Tien deugden, opgesomd vanaf de bovenverdieping aan een menigte die zijn deur omsingelde. Het was niet een toespraak om de menigte te bewegen tot opgave. Het was de verantwoording die een man voor zijn Heer ﷻ aflegt op de drempel van wat hij vermoedde dat zijn dood zou zijn. De vierde-van-vier in de Islam: na Abu Bakr ﵁, ʿAli ﵁ en Zayd ibn Harithah ﵁ was hij volgens Ibn Ishaq ﵀ de eerste. Het Leger der Moeite: zijn driehonderd kamelen. De twee dochters van de Boodschapper ﷺ: Ruqayya ﵂ in de jaren voor Badr, Umm Kulthum ﵂ in het negende jaar van de Hijra. De wekelijkse vrijlating van een slaaf: een gewoonte van ʿUthman ﵁ zonder bekend evenbeeld onder de metgezellen ﵃. De memorisatie van de Koran in de tijd van de Profeet ﷺ: een verdienste die hem in latere jaren tot het opdragen van het Mushaf-project bekwaam maakte.
De Profeet ﷺ had het voorzegd
Wat ʿUthman ﵁ tijdens het beleg een onverstoorbare rust gaf, was niet alleen de zekerheid van zijn eigen geweten maar ook het besef dat de Profeet ﷺ hem deze beproeving persoonlijk had voorzegd. Aisha ﵂ overlevert volgens at-Tirmidhi ﵀ en al-Hakim ﵀ dat de Profeet ﷺ tegen ʿUthman ﵁ zei:
De Profeet ﷺ tot ʿUthman ﵁: ʿUthman, misschien zal Allah ﷻ u in een gewaad kleden, en als de hypocrieten het van u willen afstropen, trek het dan niet uit totdat u Mij ontmoet.
Het gewaad was de Khilafah. Het afstropen was de afzetting die de menigte hem nu vroeg. Het uittrekken was de afstand-doen die al-Mughirah ﵁ hem als alternatief had voorgesteld. De instructie van de Profeet ﷺ was: trek het niet uit, blijf in het ambt, zelfs als het uw leven kost. ʿUthman ﵁ herinnerde zich het bevel in de dagen van zijn beleg en wist dat hij het ambt niet mocht verlaten omdat het Allah ﷻ Zelf was die door zijn Boodschapper ﷺ over zijn opvolging had beschikt.
In een andere overlevering, gevangen door at-Tirmidhi ﵀, sprak ʿUthman ﵁ op de Dag van het Huis, dat is de dag van zijn beleg, de woorden uit die zijn standvastigheid het scherpst samenvatten:
ʿUthman ﵁: De Profeet ﷺ heeft met mij een verbond gesloten, en ik zal er geduldig in zijn.
Het verbond. Het pact. De afspraak die de Boodschapper ﷺ persoonlijk met zijn schoonzoon had gemaakt, dat hij in de fitna die op zijn Khilafah zou neerkomen, niet zou wijken. ʿUthman ﵁ was niet een man die in de schemering van het beleg zijn houvast verloor. Hij was een man die in de schemering van het beleg de instructie van zijn Boodschapper ﷺ herinnerde en daarnaar handelde. Wat de menigte voor verzet en wat al-Mughirah ﵁ voor een gebrek aan politieke kracht hield, was in werkelijkheid de gehoorzaamheid van een metgezel ﵁ aan een belofte die hij in jonge jaren had afgelegd en die hij in zijn oude dagen niet wilde breken.
Het water afgesneden
In het voortduren van het beleg verscherpte de menigte haar maatregelen. Wat met een omsingeling was begonnen, werd in de loop van de dagen tot een blokkade die zelfs het noodzakelijke afhield. Suyuti ﵀ overlevert het in een passage die ʿAli ﵁ hoorde en op grond waarvan hij zelf optrad: “De mensen bleven ʿUthman ﵁ belegeren en zij verhinderden dat het water hem bereikte. Hij keek over de mensen heen en zei: ‘Is ʿAli ﵁ onder u?’ Zij zeiden: ‘Nee.’ Hij zei: ‘Is Saʿd ﵁ onder u?’ Zij zeiden: ‘Nee.’ Hij was stil en zei toen: ‘Zal niemand ʿAli ﵁ bereiken en hem vragen ons drinkwater te brengen?’ Dat bereikte ʿAli ﵁.”
Het tafereel verdient een ogenblik van stilstand. De Khalifah van de Boodschapper van Allah ﷺ, in zijn eigen huis in Medina, in de buurt van het graf van de Profeet ﷺ, kan geen water meer krijgen omdat zijn poort van buitenaf is gesloten en zijn voorraad uitgeput is. Hij klimt naar boven, hij kijkt over de menigte heen, hij vraagt niet om vrijlating maar om water. Hij noemt niet de Egyptenaren maar twee namen van zijn metgezellen ﵃, twee van de zes uit de Shura van ʿUmar ﵁ in wier nabijheid hij de zekerheid zoekt dat hij niet alleen gelaten is. De menigte zegt dat zij er niet zijn. Hij vraagt om hulp.
De boodschap bereikte ʿAli ﵁. Hij stuurde drie waterzakken vol water in de richting van het huis. Maar zelfs het brengen van die zakken was niet zonder geweld; zij bereikten hem bijna niet. Suyuti ﵀ noteert: “Een aantal van de vrijgelaten slaven van Banu Hashim en Banu Umayya werden gewond in het verloop van het water dat hem bereikte.” Drie waterzakken, en mawlas die wonden opliepen om hen door te krijgen. Het laat zien hoe gespannen de positie tussen de bewakers van de deur en de bewakers van de Khalifah was geworden, en hoe smal de marge waarbinnen ʿAli ﵁ kon ingrijpen zonder zelf op het beleg te worden afgerekend.
De woorden van ʿAli ﵁: “Marwan ﵁ van hem, maar niet zijn dood”
In dezelfde dagen bereikte ʿAli ﵁ het bericht dat het de bedoeling was geworden ʿUthman ﵁ te doden. Wat tot dan toe een politieke druk was geweest om Marwan ﵁ los te krijgen, was in de hoofden van de meest verbitterde ringleiders verschoven naar een eis dat de Khalifah zelf uit het ambt zou verdwijnen, en bij sommigen tot de eis dat hij ook uit het leven zou verdwijnen. ʿAli ﵁ reageerde op dat bericht met woorden die de scheidslijn trokken die hij sindsdien niet meer zou loslaten:
ʿAli ﵁: Wij willen alleen Marwan ﵁ van hem. Wat het doden van ʿUthman ﵁ betreft, nee!
Drie zinnen, scherp als een zwaardslag. De eis was rechtmatig. De zaak van Marwan ﵁ moest aan een procedure worden onderworpen. Indien zou worden bewezen dat hij de brief op eigen gezag had geschreven met gebruikmaking van het zegel van de Khalifah, zou hij volgens de regels van de shariʿa moeten worden bestraft. Maar de Khalifah doden, dat was geen procedure, dat was opstand. ʿAli ﵁ verwierp het en trok daarmee de grens die hij vanaf nu actief zou bewaken.
Al-Hasan ﵁ en al-Husayn ﵁ aan de deur
Onmiddellijk daarna gaf ʿAli ﵁ aan zijn twee zonen een bevel waaraan zij gehoorzaamden zonder vragen te stellen. Suyuti ﵀ overlevert het in dezelfde passage: “Hij zei tegen al-Hasan ﵁ en al-Husayn ﵁: ‘Ga met uw twee zwaarden en sta aan de deur van ʿUthman ﵁ en laat niemand bij hem komen.’”
De twee kleinzonen van de Profeet ﷺ, beiden in de bloei van hun jeugd, namen hun zwaarden en stelden zich op aan de deur van het huis van ʿUthman ﵁. Hun aanwezigheid was niet alleen militair, het was symbolisch. Wie zou de moed hebben om aan een deur die door de twee kleinzonen van de Boodschapper ﷺ werd bewaakt, te trachten zich met geweld een doortocht te verschaffen, zou daarmee niet alleen de Khalifah aanvallen, maar de Profetische familie zelf. Voor de meeste belegeraars was dat een grens die zij niet wilden overschrijden, en hun aanwezigheid was de eerste sterke barrière die het beleg in zijn laatste fase nog kende.
Hun aanwezigheid was niet de enige. Az-Zubayr ibn al-ʿAwwam ﵁ stuurde zijn zoon ʿAbdullah ibn az-Zubayr ﵁. Talha ibn ʿUbaydullah ﵁ stuurde zijn zoon Muhammad ibn Talha ﵁. Een aantal andere metgezellen ﵃ van de Profeet ﷺ stuurden hun zonen om bij de deur te staan en de menigte te verhinderen om bij ʿUthman ﵁ te komen, en de eis tot uitlevering van Marwan ﵁ te ondersteunen. Aan de deur van de Khalifah verzamelde zich daarmee een wacht van zonen van de meest gezaghebbende metgezellen ﵃ van de Profeet ﷺ. De zoon van Fatima ﵂, de zonen van twee van de tien aan wie de Tuin was beloofd, en de zonen van andere veteranen van Badr. Zij stonden, in de woorden van Suyuti ﵀, met hun zwaarden, en zij stonden om niemand bij de Khalifah te laten komen.
De pijlen op de deur
Wat de menigte met de wacht van de zonen niet meer in de borst kon afdwingen, zochten haar meer woedende ringleiders met andere middelen te bereiken. Suyuti ﵀ verhaalt op pagina honderdtweeënzeventig wat er gebeurde toen de belegeraars de wacht in zijn samenstelling zagen: “Toen de mensen dat zagen, schoten zij pijlen tegen de deur van ʿUthman ﵁ totdat al-Hasan ibn ʿAli ﵁ aan zijn deur met bloed werd doortrokken. Een pijl raakte Marwan ﵁ terwijl hij in het huis was. Muhammad ibn Talha ﵁ werd met bloed besmeurd, en Qanbar, de mawla van ʿAli ﵁, werd in het hoofd gewond.”
Bloed aan de deur van de Khalifah van de Boodschapper van Allah ﷺ. Het bloed van de kleinzoon van de Profeet ﷺ, het bloed van een metgezel ﵁, het bloed van een mawla van de neef en schoonzoon van de Profeet ﷺ. In de masjid waarin de Boodschapper ﷺ zijn laatste gebed had geleid, en in zijn directe nabijheid, vielen voor het eerst in de geschiedenis van de Khilafah pijlen op huizen van de profetische familie. Wat het beleg in zijn eerste dagen had aan politieke retoriek, brak in deze schemuts naar een geweld dat tot dan toe in Medina ondenkbaar was geweest.
Marwan ﵁ in het huis was geraakt. Hij overleefde de pijl, maar de wond was zwaar genoeg om hem buiten gevecht te zetten. Voor de belegeraars was dat een aanleiding om te roepen dat de zaak waarvoor zij waren gekomen, was volbracht. Maar voor de meest woedende onder hen was Marwan’s wond niet langer voldoende; zij hadden zich, in de loop van de dagen, vastgezet in de eis dat ook de Khalifah zou worden weggenomen.
De inkeer van de delegatie
Veldslag laden...
In de schemering van wat in dit artikel niet verder zal worden gevolgd, werd door Muhammad ibn Abi Bakr een besluit genomen dat een breuk markeerde tussen wat het beleg tot dan toe was geweest en wat het zou worden. Suyuti ﵀ overlevert zijn eigen woorden, gesproken tot twee mannen die hij in vertrouwen had genomen:
Muhammad ibn Abi Bakr: Indien Banu Hashim komen en zij zien bloed op het gezicht van al-Hasan ﵁, dan zullen zij deze mensen van rond ʿUthman ﵁ verdrijven, en wat wij wilden, zal vergeefs zijn geweest. Laten wij gaan en over de muur van het huis klimmen en hem doden zonder dat iemand het weet.
Het is de eerste keer in het hele verslag dat de woorden voor het doden van de Khalifah door een van de aanvoerders worden uitgesproken. Tot dan toe was het een politieke druk geweest die in beleg was overgegaan en daarna in pijlen op de deur. Nu werd zij een sluipmoord-plan dat de wacht van al-Hasan ﵁ en de zonen van de metgezellen ﵃ moest omzeilen, door het huis langs de zijde van een buurman binnen te dringen. Wat onder de toezicht van de Profetische deur niet mogelijk was, zou onder de stilte van een achtertuin worden gedaan.
Op deze drempel laten wij het verhaal in dit artikel staan. Wat aan deze drempel volgde, en wie ʿUthman ﵁ was in het volle leven dat aan deze drempel was voorafgegaan, wordt in het volgende artikel gevolgd. Daar zullen wij hem het Boek van Allah ﷻ in zijn schoot zien lezen in zijn laatste ogenblikken. Daar zullen wij Naʾila ﵂ haar vingers zien afsnijden in een poging het zwaard te keren dat naar haar man toekomt. Daar zullen wij het bloed van de derde Khalifah op de bladzijden van de Mushaf zien vallen die hij zelf voor de Ummah had laten samenstellen. En daar zullen wij stilstaan bij de man wiens lichaam drie nachten onbegraven bleef liggen voordat een handvol mannen hem in de duisternis tussen de salah van Maghrib en de salah van ʿIsha naar Hash Kawkab op al-Baqiʿ konden brengen, waar hij de eerste was die in dat deel van de begraafplaats werd bijgezet.
De voorzegging van het martelaarschap
Wat in deze dagen door ʿUthman ﵁ in stilte werd gedragen, was niet alleen het besef dat hij in zijn ambt moest blijven omdat de Profeet ﷺ hem dat had opgedragen. Het was ook het besef dat hij in de fitna die hem omringde, zijn dood tegemoet ging. At-Tirmidhi ﵀ overlevert op gezag van Ibn ʿUmar ﵁ dat de Boodschapper van Allah ﷺ over een fitna had gesproken en daarover had gezegd: “Deze zal er onrechtmatig in worden gedood,” doelend op ʿUthman ﵁. At-Tirmidhi ﵀, al-Hakim ﵀ en Ibn Maja ﵀ overleveren van Murra ibn Kaʿb ﵁: “Ik hoorde de Profeet ﷺ een beproeving noemen waarvan hij dacht dat zij nabij was. Een man liep voorbij, in zijn gewaad gewikkeld, en hij ﷺ zei: ‘Deze man zal op die dag op de leiding zijn.’ Ik stond op en ging naar hem toe, en het was ʿUthman ibn ʿAffan ﵁. Ik keerde mij om naar hem ﷺ en zei: ‘Deze?’ Hij zei: ‘Ja.’”
Zayd ibn Thabit ﵁ overleverde: “Ik hoorde de Profeet ﷺ zeggen: ʿUthman ﵁ ging voor mij langs terwijl een van de engelen ﵇ bij mij was, en hij zei: ‘Een martelaar wiens volk hem zal doden. Wij zijn voor hem huiverig.’” Drie verschillende ketens, allen door Suyuti ﵀ verzameld, die hetzelfde bevestigen: ʿUthman’s martelaarschap in zijn eigen huis was door de Profeet ﷺ zelf voorzegd, en de engelen ﵇ wisten ervan voordat de geschiedenis het wist. Wat de belegeraars meenden zelf in beweging te zetten, was in de kennis van de hemel reeds geschreven.
Het laatste teken uit de droom
In de dagen van het beleg, zo wordt overgeleverd door at-Tirmidhi ﵀ op gezag van ʿUthman ﵁ zelf, herinnerde de Khalifah zich zijn pact met de Boodschapper ﷺ in de exacte bewoordingen die de Profeet ﷺ hem op de Dag van het Huis, dat is de dag van zijn beleg, had gegeven:
ʿUthman ﵁ op de Dag van het Huis: De Profeet ﷺ heeft met mij een verbond gesloten, en ik zal er geduldig in zijn.
Met deze zin in zijn hart bleef hij zijn salah verrichten, zijn Mushaf uit het hoofd reciteren, en zijn vrouw Naʾila ﵂ aan zijn zijde houden. Hij wist dat de fitna die om zijn poort gespannen stond, niet door zijn vlucht en niet door zijn aanval, maar door zijn geduld haar einde zou bereiken. Wat in de hemel was geschreven, was niet aan zijn handen ter wijziging gegeven.
De wonden aan de poort opnieuw bekeken
Suyuti ﵀ neemt nog een ogenblik om te benadrukken hoe ernstig de schermutseling aan de deur in zijn afronding was geworden. Al-Hasan ibn ʿAli ﵁, de zoon van Fatima ﵂ en de neef van de Profeet ﷺ, was met bloed doortrokken. Marwan ﵁ was binnenshuis door een pijl getroffen. Muhammad ibn Talha ﵁ was met bloed besmeurd. Qanbar, de mawla van ʿAli ﵁, was in het hoofd gewond. Vier mannen aan de poort van de Khalifah waren in één schermutseling verwond, en onder hen was de kleinzoon van de Boodschapper ﷺ. Wat de schermutseling werd, was niet meer een politieke druk maar een gevecht op gericht geweld, en de wonden waren ernstig genoeg om in de huizen van Banu Hashim alarm te slaan.
Het was deze wond aan het gezicht van al-Hasan ﵁ die Muhammad ibn Abi Bakr deed besluiten zijn plan voor de muur uit te voeren. Hij vreesde dat indien Banu Hashim het bloed van de kleinzoon van de Profeet ﷺ zouden zien, zij gewapend zouden uitrukken en de hele menigte van rond het huis zouden verdrijven. Het is een opmerking die in de psychologie van het beleg onthullend is: de aanvoerders wisten dat hun positie afhankelijk was van de afwezigheid van Banu Hashim van het slagveld. Zodra de profetische clan persoonlijk zou ingrijpen om haar zoon te verdedigen, zou de hele bezetting van het huis worden ontmanteld. Het ogenblik vóór die ingreep was het ogenblik waarop de daad moest worden voltrokken.
ʿAbdullah ibn Salam ﵁ waarschuwt
Op een ogenblik dat in de overlevering van Suyuti ﵀ niet exact is gedateerd maar dat tijdens het beleg viel, kwam ʿAbdullah ibn Salam ﵁, de oud-rabbi die in Medina tot de Islam was bekeerd en wiens kennis van de Boekreligies de Profeet ﷺ had geëerd, naar de belegeraars en sprak hen aan. Suyuti ﵀ overlevert zijn woorden in volle lengte:
ʿAbdullah ibn Salam ﵁: Doodt hem niet, want bij Allah ﷻ, iedere man van u die hem doodt, zal Allah ﷻ ontmoeten zonder hand. Het zwaard van Allah ﷻ zal in zijn schede blijven, maar bij Allah ﷻ, indien jullie hem doden, zal Allah ﷻ het uittrekken en Hij zal het nooit meer in zijn schede steken. Er werd nooit een profeet gedood zonder dat zeventigduizend om zijnentwille werden gedood, noch een Khalifah zonder dat vijfendertigduizend om zijnentwille werden gedood, voordat zij weer werden verenigd.
Een waarschuwing van iemand die de Boekreligies van binnenuit kende, en die wist welke gevolgen het doden van een profetische opvolger in de geschiedenis van de gemeenschappen had gehad. Vijfendertigduizend zouden om zijnentwille worden gedood. Het was een getal dat in de jaren na zijn dood zou worden bewaarheid in de Slag van de Kameel, in de Slag van Siffin, in de strijd om het Kalifaat tussen ʿAli ﵁ en Muʿawiyah ﵁, en in de daaropvolgende vele jaren van bloedvergieten waarin de Ummah om de erfenis van het ambt van haar derde Khalifah verscheurd zou raken.
De waarschuwing werd door de meest woedende belegeraars in de wind geslagen. Wat ʿAbdullah ibn Salam ﵁ aan hen had voorzegd, was hen niet duidelijk genoeg om zich van hun voornemen af te wenden. In het uur waarin Muhammad ibn Abi Bakr zijn twee mannen langs de muur opdroeg het huis binnen te dringen, was de stem van ʿAbdullah ﵁ uit de gesprekken weggestorven.
De erfenis van het beleg
Vóór wij dit artikel afsluiten, moet één observatie worden gemaakt die Suyuti ﵀ zelf op pagina honderdzevenenzeventig overneemt en die over de aard van het beleg het laatste woord geeft. ʿAbd ar-Rahman ibn Mahdi ﵀ overlevert: “Er waren twee eigenschappen die ʿUthman ﵁ had die noch Abu Bakr ﵁ noch ʿUmar ﵁ hadden: zijn zelfbeheersing totdat hij werd gedood, en zijn vereniging van de mensen op één enkele Mushaf.”
Twee eigenschappen, in één zin door een latere geleerde samengevat. De vereniging van de Ummah op één Mushaf hadden wij in een eerder artikel reeds gevolgd, in het werk van Zayd ibn Thabit ﵁ en de delegatie van Suhayl ibn ʿAmr ﵁, ʿAbdullah ibn az-Zubayr ﵁ en ʿAbd ar-Rahman ibn al-Harith ﵁ die de Koran in de dialect van Quraysh hadden verzameld en de andere kopieën hadden verbrand. De zelfbeheersing tot het doden toe is wat in dit artikel werd verteld. Twaalf dagen, of in sommige overleveringen vijftig dagen van beleg, waarin de Khalifah geen wapen tegen zijn belegeraars optilde, waarin hij niet ophield met zijn salah te verrichten, waarin hij geen verraad pleegde aan Marwan ﵁ en geen verraad aan de Boodschapper ﷺ wiens belofte hij in zijn hart bewaarde.
Az-Zuhri ﵀, wiens samenvatting wij in het voorgaande artikel hebben gevolgd, sloot zijn oordeel af met de erkenning dat dit ʿUthman’s ijtihad was. En Saʿid ibn al-Musayyab ﵀ trok in zijn antwoord op de vraag van az-Zuhri ﵀ de drievoudige scheidslijn: “ʿUthman ﵁ is onrechtmatig gedood. Wie hem doodde, deed onrecht, en wie hem niet hielp, is vrij van blaam.” De Khalifah die in dit artikel werd belegerd, was geen man die zijn ambt onrechtmatig bekleedde. Hij was een man wiens ambt door een fitna omsingeld werd en die in die fitna trouw bleef aan twee zaken: aan het verbond dat de Profeet ﷺ met hem had gesloten, en aan de buurt van de Boodschapper ﷺ die hij niet wilde verlaten.
Wat in het volgende artikel volgt, is daarom geen voortzetting van de politieke geschiedenis maar de afsluiting van een leven en de samenvatting van een levensloop. Wij zullen ʿUthman ﵁ vergezellen tot in zijn graf, en wij zullen de man die in dit graf rust, in zijn volle deugden leren kennen. Voor wie hij in zijn jeugd was, voor wat hij in zijn rijpheid heeft betekend, voor de twee dochters van de Profeet ﷺ aan wie hij was getrouwd, voor het Leger der Moeite dat hij heeft uitgerust, voor de put van Rumah die hij heeft gekocht, voor de Mushaf die hij heeft verenigd, en voor de bedaagde schaamte waarmee hij in zijn laatste ogenblik het zwaard zou ontvangen dat naar zijn keel toekwam.