InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

De Slag van de Masten (Dhat al-Sawari)

De slag bij Dhat al-Sawari

De vraag die ʿUmar ﵁ niet wilde stellen

Voordat wij in deze slag op de Lycische kust komen, dienen wij terug te gaan naar een brief die jaren eerder uit Medina werd verzonden, naar een antwoord dat uit Egypte terugkwam, en naar een beslissing die ʿUmar ibn al-Khattab ﵁ in zijn Khilafah heeft genomen en die hij niet voor zijn opvolger heeft willen achterlaten. Suyuti ﵀ noteert deze episode op pagina 166 van zijn Tarikh al-Khulafa, in een korte digressie die hij An observation noemt en die hij plaatst tussen de berichten van de verovering van Cyprus in 27 AH. De passage is in haar beknoptheid van groot gewicht, omdat zij ons toont waarom de Islamitische zeevaart pas in de Khilafah van ʿUthman ﵁ tot ontplooiing kwam, en niet eerder.

Het was Muʿawiyah ibn Abi Sufyan ﵁, in die jaren gouverneur van Syrië, die de zaak bij ʿUmar ﵁ herhaaldelijk had aangedragen. De Byzantijnse marine maakte vanuit haar bases op Cyprus en Rhodos invallen langs de Syrische kust. Zij overviel havensteden, zij liep landingen tegen de moslimse garnizoenen, zij hield de moslimse handelsroutes in onzekerheid. Muʿawiyah ﵁ had bij ʿUmar ﵁ vergunning gevraagd om een veldtocht ter zee te ondernemen, met name tegen Cyprus, dat als springplank van de Byzantijnse vloot diende. ʿUmar ﵁ had geaarzeld. Hij had de zaak niet uit zijn eigen oordeel willen beslissen. Hij had aan ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁, die destijds in Egypte gouverneur was en die de Middellandse Zee van nabij kende, een brief gericht met één vraag: beschrijf mij de zee, en beschrijf mij de mens die op haar reist.

Het antwoord van ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁ is door Suyuti ﵀ op pagina 166 woordelijk opgenomen, en het verdient herlezen te worden. ʿAmr ﵁ was een meester van de Arabische welsprekendheid, en in dit antwoord verenigt hij in een korte spanwijdte een hele zeekunde.

ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁ aan ʿUmar ﵁: Ik heb een grote schepping gezien, die een kleine schepping bestijgt. Wanneer zij stil ligt, doorboort zij de harten; wanneer zij beweegt, ontzet zij de verstanden. Op haar groeien de verstanden in kleinheid, en de wandaden in veelvoud. Op haar zijn zij als maden op een houten balk. Wanneer hij overhelt, zinkt hij; en wanneer hij snel is, gaat hij de golf in en duikt hij erin.

Toen ʿUmar ﵁ deze beschrijving las, schreef hij aan Muʿawiyah ﵁ terug met de bondige woorden die Suyuti ﵀ in dezelfde passage overlevert.

ʿUmar ﵁ aan Muʿawiyah ﵁: Bij Allah, ik zal nooit een moslim op haar vervoeren.

Deze woorden van ʿUmar ﵁ waren niet uit angst gesproken, en evenmin uit onvertrouwen in de strijders. Zij waren gesproken uit de waakzaamheid die hem in al zijn besluiten had gekenmerkt. Hij was, zoals Suyuti ﵀ in zijn algemene karakteristiek van ʿUmar ﵁ heeft genoteerd, een Khalief ﵁ die de gemeenschap nooit aan een risico blootstelde dat hij niet eerst had gewogen. De zee was hem onbekend; haar grote schepping bestegen door een kleine schepping was hem te onzeker. Hij liet de zaak rusten. Hij beval de moslimse legers naar het oosten en het zuiden, over de gebaande wegen. Het zeefront wachtte.

Het besluit van ʿUthman ﵁

Wat ʿUmar ﵁ had geweigerd, gaf ʿUthman ﵁ in zijn Khilafah door. Suyuti ﵀ vermeldt op pagina 166, in dezelfde Observation-passage, dat Ibn Jarir gezegd heeft: Muʿawiyah ﵁ voerde de veldtocht tegen Cyprus uit tijdens de tijd van ʿUthman ﵁, en haar bevolking sloot met hem een verdrag op de basis van de jizyah. Het is de overgang die wij in deze passage zien. Wat onder ʿUmar ﵁ was uitgesteld, werd onder ʿUthman ﵁ in werking gezet. Muʿawiyah ﵁ vroeg opnieuw vergunning, en ditmaal ontving hij haar.

ʿUthman ﵁ legde één voorwaarde op, en Suyuti ﵀ overlevert haar elders in de bronnen waaruit hij put: niemand zou onder dwang aan de zeeveldtocht deelnemen. Alleen vrijwilligers. Wie de zee niet wilde betreden, hoefde haar niet te betreden. Wie zich vrijwillig aanmeldde, werd opgenomen. Het was een voorwaarde die de geest achter de aarzeling van ʿUmar ﵁ eerbiedigde, en die tegelijk de weg vrijmaakte voor wat in de jaren die volgden tot een van de grootste maritieme ondernemingen van de zevende eeuw zou uitgroeien.

In het jaar 27 van de Hijra, dat in de Gregoriaanse jaartelling overeenkomt met 647–648, voer Muʿawiyah ﵁ vanuit de Syrische havens uit. Suyuti ﵀ vermeldt dit op pagina 166. Hij voegt eraan toe dat ʿUbadah ibn as-Samit ﵁, de Sahabi ﵁ uit de Ansar die op de avond van al-ʿAqabah aan de Profeet ﷺ trouw had gezworen, bij deze expeditie aanwezig was, en dat zijn vrouw Umm Haram bint Milhan al-Ansariyah ﵂ met hem mee was. Op Cyprus aangekomen, viel zij van haar rijdier, en zij stierf daar als shahidah. De Profeet ﷺ had jaren tevoren voor haar gesmeekt dat zij van deze eerste vloot zou zijn. Suyuti ﵀ vermeldt dat zij in Cyprus begraven werd. Het was de eerste martelares van het Islamitische zeefront, en haar graf werd voor de moslims een teken dat de zee niet vreemd land bleef maar Islamitisch land werd.

Wat in 27 AH met de tocht naar Cyprus begon, ontwikkelde zich in de jaren die daarop volgden tot een vloot die de Byzantijnse zeeheerschappij voor het eerst kon uitdagen. Werven in Akka, in Tyrus, in Sidon. Scheepsbouwers die uit de Arabische zeevarende stammen werden geworven. Recruten uit Egypte onder ʿAbdullah ibn Saʿd ibn Abi Sarh ﵁, gouverneur van dat gewest. Recruten uit Syrië onder Muʿawiyah ﵁. Twee jonge zeemachten die ieder afzonderlijk uitvoeren tegen Byzantijnse posities, en die in het jaar 34 van de Hijra voor het eerst gezamenlijk een grote slag zouden leveren.

Wat Suyuti ﵀ in zijn hoofdstuk niet uitvoerig noteert

Het is hier het moment om de strikte beperking van ons artikel te benoemen, een beperking die wij in alle artikelen van deze periode hebben aangehouden. Suyuti ﵀ noteert in zijn Tarikh al-Khulafa, in het hoofdstuk over ʿUthman ﵁, niet de uitvoerige beschrijving van de slag bij Dhat al-Sawari. Hij noemt het zeefront, hij noemt de uitkomst van de zeeveldtochten, hij noemt de bevelhebbers, maar hij gaat niet de fase voor fase in van de aanloop, de opstelling, de tactiek en de uitkomst. Voor wie de slag in haar volledige fasen wenst te bekijken, hebben wij in de cyclus van Siera Kaart een afzonderlijke kaart en battle-story samengesteld, op basis van de overleveringen van Tabari ﵀ en Ibn Kathir ﵀, waarin elke fase met geografische precisie en met de chronologie van de zes fasen kan worden gevolgd. In dit artikel houden wij ons aan wat Suyuti ﵀ ons over de jaren 27 tot 34 van de Hijra ten aanzien van het zeefront geeft, en aan de strikte historische plaatsing van de slag bij Dhat al-Sawari in de bredere reeks van veroveringen van die jaren.

Veldslag laden...

De bevelhebber: ʿAbdullah ibn Saʿd ibn Abi Sarh ﵁

ʿAbdullah ibn Saʿd ibn Abi Sarh ﵁ was de gouverneur van Egypte sinds het jaar 27 van de Hijra. Suyuti ﵀ noteert zijn aanstelling op pagina 166 met de korte mededeling dat ʿUthman ﵁ ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁ van Egypte ontsloeg en dat hij ʿAbdullah ibn Saʿd ﵁ over dat gewest aanstelde. ʿAbdullah ﵁ was de pleegbroer van ʿUthman ﵁; zij waren samen gezoogd door dezelfde min. Zijn geschiedenis was er een met scherpe randen. Hij was in de Mekkaanse jaren een van de schrijvers van de openbaring geweest, hij was in een crisis van geloof daarvan teruggetreden, hij was in de jaren na de opening van Mekka teruggekeerd tot de Islam onder bemiddeling van ʿUthman ﵁ zelf, en hij was door de Profeet ﷺ aanvaard. In zijn Egyptische jaren bleek hij een veldheer van uitzonderlijke moed en organisatievermogen. Hij was de man die de eerste grote veldtocht in Noord-Afrika leidde en die Suyuti ﵀ op pagina 166 vermeldt: hij opende Noord-Afrika voor de Islam, zowel op de vlaktes als in de bergen, en iedere man in het leger ontving duizend dinars, en sommigen zeggen drieduizend.

Het is dezelfde ʿAbdullah ﵁ aan wie ʿUthman ﵁ vervolgens de leiding van de zeeveldtocht toevertrouwde die in 34 AH op de Lycische kust haar hoogtepunt vond. Hij verzamelde de Egyptische vloot in de havens van Alexandrië, hij liet zijn scheepsbouwers door de Koptische ambachtslieden bijstaan die in de eeuwen ervoor de Byzantijnse vloot hadden gebouwd en die nu in Egyptische dienst stonden, en hij voer noordwaarts om zich met de Syrische vloot onder Muʿawiyah ﵁ te verenigen. De gezamenlijke vloot, naar de tellingen die in de bredere bronnen zijn overgeleverd, telde ongeveer tweehonderd schepen. Tegenover hen zou een Byzantijnse vloot komen van vijfhonderd tot zevenhonderd schepen, onder persoonlijke leiding van keizer Constans II, die zelf uit Constantinopel was uitgevaren om de Islamitische opmars op zee te stoppen.

Kaart laden...

De Lycische kust

Het zeegebied waar de twee vloten elkaar in 34 AH ontmoetten, ligt voor de zuidwestelijke kust van wat vandaag Turkije heet, ter hoogte van het oude Lycische havenstadje Phoenix, dat in onze tijd Finike heet. De Lycische kust is een kust van smalle havens, hoge cliffs en plotselinge winden. De stadjes van Phoenix, Patara, Myra en Andriake hadden in de eeuwen voordien de Romeinse vloten herbergd; nu herbergden zij de Byzantijnse opvolgers van die vloten. Het was hier dat Constans II zijn ontmoetingspunt koos. Hij hoopte de Islamitische vloot, die uit het zuiden naderbij voer, in de baai van Phoenix in de hoek te drijven, en haar daar door de overmacht aan schepen tot overgave te dwingen.

Wat Constans II niet had voorzien, was de tactiek die ʿAbdullah ibn Saʿd ﵁ had voorbereid. De Byzantijnse vloot was gebouwd voor de ramming en voor de boogtechniek op afstand. Haar grote galeien beschikten over zware metalen rammen aan de voorsteven, en haar bemanningen waren getraind in het opbouwen van een formatie waarin zij de tegenstander op afstand konden afmaken met pijlen en met Grieks vuur. ʿAbdullah ﵁ besefte dat hij in beide opzichten in het nadeel was. Hij beschikte over kleinere schepen, over minder boogschutters, en over geen Grieks vuur. Wat hij wel had, was een leger van strijders die in de man-tegen-man-strijd geen meerderen kenden. De Arabische soldaten, opgegroeid in de woestijn en getraind in de jihad-veldtochten van de afgelopen vijfentwintig jaar, waren in de close-combat met zwaard en speer onverslaanbaar. De vraag was alleen: hoe zou hij hen op de Byzantijnse schepen krijgen, zonder dat hij de Byzantijnse rammen en pijlen eerst zou moeten doorstaan.

De tactiek van het touwwerk

Wat ʿAbdullah ﵁ uitdacht, was een tactiek die in de zeegeschiedenis van de oudheid niet eerder op deze schaal was toegepast. Hij beval dat de moslimse schepen, eenmaal in de slaglinie, met touwwerk aan elkaar zouden worden vastgemaakt. Boeg aan boeg, achtersteven aan achtersteven, in clusters van vijf, zes of zeven vaartuigen. De clusters zouden zich in het water als drijvende forten gedragen. Geen ram zou hen uit elkaar kunnen rijden, want zodra een Byzantijnse galei één Islamitisch schip ramde, zou zij door de touwen aan de aangrenzende schepen worden vastgehouden, en zou zij zelf in een vergelijkbare omklemming raken. Eenmaal vastgehouden, zou de strijd niet langer ter zee maar op het dek worden gevoerd. En op het dek zouden de Arabische soldaten hun voordeel hebben.

Het was een gewaagde keuze. Het hield in dat de moslimse vloot haar manoeuvreervrijheid opgaf. Het hield in dat zij niet zou kunnen vluchten wanneer de strijd ongunstig liep. Maar het hield ook in dat de Byzantijnse vloot, met al haar overmacht in aantal, niet de strijd kon voeren waarvoor zij gebouwd was, en dat zij gedwongen werd in de strijd te treden waarvoor zij niet was getraind.

De aanloop

In de lente van 34 AH voer de Islamitische vloot vanuit de Levantijnse havens uit. Suyuti ﵀ vermeldt de chronologie van dit jaar op pagina 166 en 167 in het kader van het bredere bestuur van ʿUthman ﵁. Het was hetzelfde jaar waarin de inwoners van Kufa Saʿid ibn al-ʿAs ﵁ uit hun stad verjoegen en Abu Musa al-Ashʿari ﵁ aan zijn plaats stelden. Het was hetzelfde jaar waarin in Medina de eerste tekenen van wat in 35 AH tot het beleg van het huis van ʿUthman ﵁ zou leiden, zichtbaar werden. Het Islamitische rijk stond op een tweesnijdend moment. Binnen haar grenzen begonnen de spanningen, daarbuiten verlegde zij haar grenzen tot in de Middellandse Zee. Het is in deze paradox dat de slag bij Dhat al-Sawari haar plaats inneemt: een grote overwinning aan de buitengrens, in een jaar waarin het centrum reeds wankelde.

De vloot voer westwaarts langs de Cyprische kust, scheerlangs Rhodos, en bereikte de Lycische wateren in de vroege zomer. Verkenners brachten bericht dat Constans II met zijn vloot reeds in de baai van Phoenix lag. ʿAbdullah ﵁ liet zijn schepen verzamelen op een afstand van enkele mijlen ten zuiden van de baai. Hij gaf zijn bevelhebbers het bevel om de touwen in gereedheid te brengen. In de nacht voor de slag liet hij zijn mannen Soera Yasin reciteren, en in de morgen, voor de eerste ontmoeting, leidde hij de Fajr-gebed op het dek van zijn vlaggenschip.

De ontmoeting

Wat in de baai van Phoenix gebeurde, vertellen wij in detail in de battle-story die boven dit artikel staat gelinkt. Het volstaat hier om de grote lijn samen te vatten. De twee vloten naderden elkaar. De Byzantijnse vloot vormde haar gebruikelijke wassen-maan-formatie, met de zware galeien in het centrum en de lichtere schepen op de vleugels. De moslimse vloot voer recht op het Byzantijnse centrum af, en op het moment dat de eerste ramming begon, wierpen de moslimse zeelui de touwen uit en bonden hun schepen aan elkaar en aan de Byzantijnse schepen die hen hadden willen rammen.

In een ogenblik veranderde de aard van de slag. Wat een zeeslag had moeten zijn, werd een man-tegen-man-strijd op een drijvend slagveld dat zich over de gehele baai uitstrekte. De moslimse strijders sprongen op de Byzantijnse dekken. De Byzantijnse mariniers, getraind voor het verdedigen van hun positie achter een rij schilden, waren niet voorbereid op de stoot en hadden geen ruimte om zich terug te trekken. Vier tot zes uur lang werd er met zwaard en speer gevochten. De Byzantijnse vleugels probeerden in te grijpen, maar zij konden niet doordringen tot de kern, omdat de aaneengeknoopte schepenmassa een ondoordringbare blokkade vormde. Tegen het einde van de dag was de Byzantijnse vloot gebroken. Constans II trok zich met zijn vlaggenschip en met een kleine eskader terug, en wist ternauwernood naar Constantinopel te ontkomen, terwijl achter hem honderden van zijn schepen ofwel waren gezonken, ofwel waren genomen, ofwel als wrakken op de zeebodem lagen.

De slag kreeg haar Arabische naam van de vele masten die daar samenkwamen: Dhat al-Sawari, de slag van de masten. In de Arabische bronnen wordt overgeleverd dat de overlevenden, terugkerend uit de baai, vertelden dat de masten van de vijand de zee zelf bedekten.

De vrouwen en de Profeet ﷺ

De aanwezigheid van Umm Haram bint Milhan ﵂ in de eerste Cyprus-veldtocht onder Muʿawiyah ﵁ in 27 AH is door Suyuti ﵀ op pagina 166 met opmerkelijke nadruk vermeld. Hij overlevert dat zij van haar rijdier viel en als shahidah stierf, en dat zij in Cyprus werd begraven. En hij voegt eraan toe wat in haar geval de essentie is: de Profeet ﷺ had jaren tevoren voor haar gesmeekt dat zij van het eerste leger dat ter zee uitvoer, zou zijn. Het is een detail dat in de chronologie van het zeefront alleen aan haar persoon is gehecht, en dat met zijn enkele zin in de tekst van Suyuti ﵀ een hele theologie van het zeefront tot uitdrukking brengt: wat onder ʿUmar ﵁ niet werd uitgevoerd, was niet uit gebrek aan moed; wat onder ʿUthman ﵁ werd uitgevoerd, was niet uit gebrek aan voorzichtigheid. Beide Khaliefen ﵃ handelden naar de waakzaamheid die hun ambt vereiste, en in beide gevallen sloot hun handelen aan op een profetie die de Profeet ﷺ had uitgesproken.

Wat in Dhat al-Sawari in 34 AH werd voltrokken, was de vervulling van de tweede profetie van de Profeet ﷺ die hierop betrekking had. In de bredere overleveringen wordt vermeld dat de Profeet ﷺ aan Umm Haram ﵂ had gezegd dat een eerste leger van zijn oemma de zee zou doorkruisen, en dat een tweede leger na haar zou volgen. Het eerste leger was dat van Muʿawiyah ﵁ in 27 AH; het tweede leger was dat van ʿAbdullah ﵁ in 34 AH. Tussen die twee jaren lag het werk van de werven, het werk van de scheepsbouwers, het werk van de organisatie van een Islamitische zeemacht. En daaroverheen lag, voor de gelovigen die deze geschiedenis lazen, de wetenschap dat de Profeet ﷺ deze ontwikkeling reeds in zijn leven had voorzien.

De martelaren en de buit

Suyuti ﵀ noemt in zijn behandeling van het zeefront geen lijst van martelaren voor Dhat al-Sawari, omdat hij de slag niet in een afzonderlijke passage behandelt. Wat hij wel doet, en wat in zijn werkwijze van groot belang is, is het noteren van de algemene welvaart die uit de overwinningen van die jaren voortvloeide. Op pagina 166 schrijft hij, in de passage die op de opening van Khurasan onmiddellijk volgt, dat de inkomsten van ʿUthman ﵁ overvloedig werden, dat rijkdom uit elke richting naar hem kwam, en dat hij schatkamers oprichtte en voorzieningen overvloedig liet stromen. Dhat al-Sawari maakte deel uit van die golf van overwinningen die de schatkist in Medina volliepen. Het Byzantijnse zeegoud, dat in de eeuwen voordien de keizerlijke vloot had bekostigd, kwam ditmaal in de handen van de moslimse veroveraars, en werd door ʿAbdullah ibn Saʿd ﵁ via Egypte naar Medina overgemaakt.

De vraag wie van de Sahaba ﵃ en de tabiʿun in de zeeslag het martelaarschap behaalden, is in de bredere overleveringen behandeld, en wij noemen hier geen namen die in Suyuti’s Tarikh al-Khulafa niet expliciet worden gegeven. Dat de zeeveldtocht haar tol heeft geëist, lijdt geen twijfel; dat zij van de moslimse zeelui en zeesoldaten een ongekende offervaardigheid vroeg, lijdt evenmin twijfel. Maar Suyuti ﵀ behoudt de bondigheid die hij in zijn werk steeds bewaart, en wij doen hetzelfde.

Het zeefront na 34 AH

Wat Dhat al-Sawari in 34 AH had vastgelegd, ontwikkelde zich in de jaren die volgden tot een blijvende Islamitische aanwezigheid in de oostelijke Middellandse Zee. Cyprus, dat in 27 AH onder verdrag was gekomen en in de jaren daarna soms als bondgenoot van Byzantium, soms als neutraal eiland, soms als doelwit van nieuwe veldtochten gold, werd langzaam in de Islamitische invloedssfeer ingelijfd. Rhodos zou in latere jaren onder Muʿawiyah ﵁ als Khalief ﵁ worden ingenomen. De Lycische en Cilicische kusten werden vatbaar voor moslimse landingen. Wat onder ʿUmar ﵁ was uitgesteld, was onder ʿUthman ﵁ tot een nieuwe orde van macht gegroeid, en de zeevaart vormde van toen af aan een onderdeel van de Islamitische krijgsmiddelen dat de gemeenschap voorgoed had verworven.

De gevolgen

Suyuti ﵀ noteert de slag bij Dhat al-Sawari niet in een eigen passage in het hoofdstuk over ʿUthman ﵁. Hij noteert wel, op pagina 166, het algemene karakter van de zeevaartoffensief en de overgang van Cyprus naar de jizyah van de Byzantijnse provincie. En hij noteert op pagina 166, in de passage over de inkomsten uit de veroveringen, dat toen deze uitgebreide provincies werden ingenomen, de inkomsten van ʿUthman ﵁ overvloedig werden, en rijkdom kwam naar hem uit elke richting, totdat hij schatkamers oprichtte en voorzieningen overvloedig liet stromen. Dhat al-Sawari maakte van deze rijkdom een werkelijkheid op zee. Het Byzantijnse rijk dat in de honderd jaren ervoor de zeeheerschappij in de oostelijke Middellandse Zee onbetwist had bezeten, verloor deze heerschappij in één enkele dag, en zou haar in de eeuwen die volgden niet meer kunnen herwinnen.

Voor Constans II betekende de slag een persoonlijke nederlaag van een ongekende omvang. Hij keerde naar Constantinopel terug met de wetenschap dat zijn Anatolische kusten van nu af aan voor Islamitische landingen openstonden. Hij hervatte in de jaren die volgden de pogingen om de moslimse vloten op te houden, maar geen van die pogingen herstelde de positie die hij voor 34 AH had bezeten. In de strategische geschiedenis van de zevende eeuw vormt Dhat al-Sawari het kantelpunt waarop de zee niet langer een Romeinse zee was, en waarop zij voor het eerst sinds de Punische oorlogen onder de heerschappij van een macht uit het zuiden viel.

Wat Suyuti ﵀ ons in deze geschiedenis aanbiedt

Wij hebben in dit artikel ons aan de strikte beperking gehouden: het verhalende lichaam volgt wat Suyuti ﵀ in zijn Tarikh al-Khulafa op pagina’s 165 tot en met 167 over het zeefront, over Cyprus, over Umm Haram ﵂, en over de bevelhebber ʿAbdullah ibn Saʿd ﵁ heeft genoteerd. Voor de uitgebreide fasen van de slag bij Dhat al-Sawari hebben wij verwezen naar de battle-story die op de overleveringen van Tabari ﵀ en Ibn Kathir ﵀ is gebaseerd. Wat ons rest, is de samenvatting die Suyuti ﵀ door zijn keuze van overleveringen impliciet biedt: de gemeenschap die onder Abu Bakr ﵁ over land was beginnen uit te breiden, die onder ʿUmar ﵁ haar grenzen tot aan de Eufraat en de Nijl had verlegd, breidde onder ʿUthman ﵁ haar grenzen uit tot in de wateren van de Middellandse Zee. Zij deed dat met de waakzaamheid van twee Khaliefen ﵃ in haar geheugen, en met de moed van een derde Khalief ﵁ die de zaak in handen nam.

In het volgende artikel keren wij van de zee terug naar Medina, naar de schatkamers van ʿUthman ﵁ die overvol raakten, naar de kritiek die door de Sahaba ﵃ op de verdeling van die rijkdom werd geuit, en naar de eerste tekenen van wat in 35 AH tot het beleg en het martelaarschap zou leiden.