Het kantelpunt na zes stille jaren
In de voorgaande artikelen volgden wij de Khilafah van ʿUthman ibn ʿAffan ﵁ van zijn bayʿah in Muharram van het vierentwintigste jaar tot aan zijn uitbreidingen van de twee heilige moskeeën, de zeevaart naar Cyprus, de openingen van Sbeitla en Ifriqiya, en de aanwas van het rijk tot in Khurasan, Sijistan en Armenië. Zes jaar lang stroomde de welvaart de schatkist binnen en bewoog de gemeenschap zich naar buiten. Zes jaar lang, zo schrijft Suyuti ﵀ op het gezag van az-Zuhri ﵀, regeerde hij zonder dat iemand hem in iets bekritiseerde. Zes jaar van rust en groei die in de geschiedenis van de Islam tot dan toe ongekend waren.
Maar in het drieëndertigste jaar van de Hijra begon de toon van die geschiedenis te veranderen. De welvaart die in de eerste helft van zijn Khilafah als gunst was ontvangen, werd in de tweede helft als ongelijk verdeeld ervaren. De gouverneurs die in de eerste helft als bekwame veroveraars werden geprezen, werden in de tweede helft als familie van de Khalifah verworpen. En de grieven die in de eerste helft door overleg werden weggenomen, kristalliseerden zich in de tweede helft tot deputaties die in een formele klacht aan de poorten van Medina kwamen aankloppen.
In dit artikel volgen wij de opbouw van die fitna zoals Suyuti ﵀ haar in zijn werk verzamelt. Wij volgen het oordeel van az-Zuhri ﵀ over de twee helften van de Khilafah van ʿUthman ﵁. Wij volgen het verhoor dat Suyuti ﵀ via Saʿid ibn al-Musayyab ﵀ overlevert, waarin de scherpste samenvatting van de gebeurtenissen van het vijfendertigste jaar wordt gegeven. Wij volgen de grieven van de stammen Banu Hudhayl en Banu Zuhrah en Banu Ghifar en Banu Makhzum die hun mannen ﵃ zagen vernederd. Wij volgen de zevenhonderd Egyptenaren die naar Medina afdaalden en de masjid bezetten. Wij volgen de toespraak waarin Talha ibn ʿUbaydullah ﵁ de Khalifah hard tot de orde riep, en wij volgen de brief waarmee ʿAʾishah ﵂ hem aanspoorde tot rechtzetting. Wij volgen de tussenkomst van ʿAli ibn Abi Talib ﵁ en de schikking die hij voor de Egyptenaren bedong. En tenslotte volgen wij het besluit waarmee de opstandelingen Medina weer verlieten met Muhammad ibn Abi Bakr als hun nieuwe gouverneur, een besluit waarvan zij echter geen vier dagen later weer zouden terugkeren met een aanklacht die de geschiedenis van de Islam voor altijd zou splijten.
Az-Zuhri ﵀ over de twee helften
Az-Zuhri ﵀, de eerste grote verzamelaar van hadith in de generatie na de tabiʿun, heeft van het bestuur van ʿUthman ﵁ een samenvatting nagelaten die Suyuti ﵀ in een van de scherpste passages van zijn hele werk overneemt. Zij staat op pagina honderdachtenzestig, en zij is, in de mond van een man die de Khalifah zelf nooit heeft gekend maar wiens informanten hem nog hadden meegemaakt, een onbevooroordeelde rekening van de twee helften:
Az-Zuhri ﵀: ʿUthman ﵁ heeft de Khilafah twaalf jaar bestuurd. Zes jaar lang heerste hij zonder dat de mensen hem ergens om bekritiseerden. Voor Quraysh was hij verkiezelijker boven ʿUmar ibn al-Khattab ﵁, omdat ʿUmar ﵁ streng tegen hen was geweest, terwijl ʿUthman ﵁ zachtmoedig tegen hen was en banden van familieliefde met hen aanknoopte. Later verflauwde hij in hun zaak, en in de laatste zes jaar van zijn regering benoemde hij zijn familieleden en de zonen van zijn stam. Hij stond de khums, het vijfde aandeel van de buit dat aan de heerser toekomt, in Noord-Afrika aan Marwan ﵁ toe, en hij gaf zijn verwanten en familieleden rijkdom. Hij legde dat uit als het onderhouden van de familiebanden die Allah ﷻ heeft bevolen, en hij zei: “Abu Bakr ﵁ en ʿUmar ﵁ hebben afgezien van wat hun in dezen toekwam, maar ik heb het genomen en het onder mijn verwanten verdeeld.” De mensen verwierpen en repudieerden dat van hem.
In één paragraaf wordt het hele probleem van de tweede helft van de Khilafah uiteengezet. Aan de ene kant het besluit van de Khalifah: hij vatte de khums op als legitieme middelen waarmee hij zijn familie kon ondersteunen, en hij beriep zich op de Koranische verplichting tot het onderhouden van de banden van bloed. Aan de andere kant de ontvangst van de gemeenschap: zij accepteerden zijn interpretatie niet. Zij zagen dat zijn twee voorgangers Abu Bakr ﵁ en ʿUmar ﵁ in dezelfde positie het tegenovergestelde besluit hadden genomen. Zij hadden hun aandeel van de khums verworpen, juist om geen voorbeeld te scheppen waarop hun opvolgers zich konden beroepen. ʿUthman ﵁ koos voor de andere interpretatie, en die keuze, hoe binnen de openbaring ook verantwoord, werd in de gemeenschap niet aanvaard.
Az-Zuhri ﵀ voegt aan zijn oordeel geen veroordeling toe. Hij schrijft over de zaak alsof het om een tussen twee geleerden onenigheid gaat, niet alsof het om een onrechtmatigheid gaat. Wat de Khalifah deed, was binnen het kader van de ijtihad, de eigen rechtsoordeel van de heerser. Wat de gemeenschap voelde, was geen rebellie maar een afwijzing van zijn ijtihad. Tussen die twee posities lag de spanning die in de laatste zes jaar zou opbouwen tot het punt waarop zij geen verbale oplossing meer toeliet.
Het verhoor door Saʿid ibn al-Musayyab ﵀
Door een andere keten levert Suyuti ﵀ een gesprek over dat az-Zuhri ﵀ in een latere ontmoeting had met Saʿid ibn al-Musayyab ﵀, een van de meest gezaghebbende geleerden van Medina in de tweede helft van de eerste eeuw. Az-Zuhri ﵀ vroeg hem onomwonden hoe ʿUthman’s dood was geschied, waarom de gemeenschap zo verdeeld was geraakt, en hoe de metgezellen ﵃ van de Profeet ﷺ hadden gefaald om hem te beschermen. Het antwoord van Saʿid ibn al-Musayyab ﵀ is door zijn helderheid en zijn evenwichtigheid een ankerpunt geworden voor alle latere geleerden die zich met deze gebeurtenissen hebben beziggehouden:
Saʿid ibn al-Musayyab ﵀: ʿUthman ﵁ is onrechtmatig gedood. Wie hem doodde, deed onrecht, en wie hem niet hielp, is vrij van blaam.
Drie samenstellende oordelen in één enkele zin. Het eerste oordeel betreft de daad zelf: zij was zulm, onrecht. Het tweede oordeel betreft de daders: zij waren in fout. Het derde oordeel betreft de toeschouwers, de metgezellen ﵃ die de zaak hadden afzonderlijk gelaten in de verwachting dat ʿUthman ﵁ zelf zijn afdoening zou kiezen: zij waren niet medeplichtig. Saʿid ibn al-Musayyab ﵀ trok daarmee de scheidslijn tussen wie de wandaad pleegde en wie haar passief had laten geschieden.
Op de vraag van az-Zuhri ﵀ hoe dit alles in zijn werk was gegaan, vervolgde Saʿid ibn al-Musayyab ﵀ met de uiteenzetting die Suyuti ﵀ in dezelfde passage opneemt: “Toen ʿUthman ﵁ werd aangesteld, was een groep van de metgezellen ﵃ ontevreden over zijn aanstelling, want ʿUthman ﵁ had de gewoonte om zijn eigen mensen te beminnen. Hij regeerde de mensen twaalf jaar. Hij stelde mannen uit Banu Umayyah aan die geen gezelschap met de Profeet ﷺ hadden gehouden. Zijn gouverneurs brachten zaken voort die de metgezellen ﵃ van de Profeet ﷺ verwierpen. ʿUthman ﵁ vroeg de mensen om de gouverneurs in goede wil te bejegenen en hij wilde hen niet ontslaan.” Dat was, voegde hij eraan toe, in het jaar vijfendertig. In de laatste zes jaar had de Khalifah zijn voorkeur voor de stam van zijn vader laten gelden zonder dat hij iemand anders met hen wilde laten delen.
De gouverneurs en hun feilen
Wat de gouverneurs hadden gedaan, hoeft hier niet opnieuw te worden uiteengezet. Wij hebben in een voorgaand artikel de afzonderlijke aanstellingen behandeld: de vervanging van Saʿd ibn Abi Waqqas ﵁ door al-Walid ibn ʿUqbah ﵁ in Kufa, met het beruchte voorval van de dronkenschap waarin al-Walid ﵁ het dawn-gebed met vier rakaʿat had geleid en daarna had gevraagd of hij er nog meer aan zou toevoegen. Wij hebben de vervanging van al-Walid ﵁ door Saʿid ibn al-ʿAs ﵁ behandeld. Wij hebben de aanstelling van Marwan ibn al-Hakam ﵁ als secretaris en de verlening van de khums van Ifriqiya aan hem behandeld. Wij hebben de aanstelling van ʿAbdullah ibn Saʿd ibn Abi Sarh ﵁ over Egypte behandeld, dezelfde ʿAbdullah ﵁ die de Ifriqiya-campagne had geleid en die nu in Fustat zetelde.
Wat in het drieëndertigste en vierendertigste jaar gebeurde, was dat de optelsom van deze aanstellingen voor de provincies onverdraaglijk werd. Niet door de daden van één enkele gouverneur, maar door het patroon dat de stammen zich begonnen te realiseren. Wie ging er over Kufa: Saʿid ibn al-ʿAs ﵁, een Umayyad. Wie ging er over Basra: ʿAbdullah ibn ʿAmir ﵁, een neef van de Khalifah van zijn moederszijde. Wie ging er over Egypte: ʿAbdullah ibn Saʿd ﵁, een melkbroer van de Khalifah. Wie ging er over Sham: Muʿawiyah ibn Abi Sufyan ﵁, ook een Umayyad. Wie zat naast de Khalifah in Medina als zijn secretaris: Marwan ibn al-Hakam ﵁, een neef van de Khalifah die door ʿUmar ﵁ uit Medina verbannen was geweest en die door ʿUthman ﵁ was teruggeroepen. De gemeenschap zag het patroon, en het patroon werd voor haar de zaak.
De grieven van de stammen
Saʿid ibn al-Musayyab ﵀ noemt op pagina honderdachtenzestig vier stamverbanden waarin de wrok zich het scherpst had gevormd, omdat in elk daarvan een prominent metgezel ﵁ door ʿUthman ﵁ in moeilijkheden was gebracht.
De eerste was Banu Hudhayl, samen met Banu Zuhrah. In hen broeide de pijn over ʿAbdullah ibn Masʿud ﵁, een van de eerste die de Islam had aanvaard, een geleerde wiens kennis van de Koran door de Profeet ﷺ zelf was geprezen, een metgezel die naar Kufa was gestuurd om er onderricht te geven. ʿUthman ﵁ had hem in een geschil over de eenheid van de Koranische tekst hard behandeld en hem zijn pensioen ingehouden. Voor de stam van Ibn Masʿud ﵁ was dat een belediging die met geen enkele formele verzoening werd weggenomen.
De tweede was Banu Ghifar, samen met de bondgenoten die zich rond Abu Dharr al-Ghifari ﵁ hadden geschaard. Abu Dharr ﵁ was de meest uitgesproken kritiseerder van de welvaart van de gouverneurs en in het bijzonder van Muʿawiyah ﵁, in wiens hof in Damascus hij de gloednieuwe rijkdom met afkeer had gezien. ʿUthman ﵁ had hem, op verzoek van Muʿawiyah ﵁, uit Sham teruggeroepen naar Medina en hem daarna naar het kleine en arme Rabadhah verbannen, waar hij in eenzaamheid was overleden. Voor Banu Ghifar was zijn verbanning een vernedering die zij hun stam niet konden vergeven.
De derde was Banu Makhzum, de stam van ʿAmmar ibn Yasir ﵁. ʿAmmar ﵁ was een van de eerste martelaren-in-spe van Mekka geweest, een man wiens vader en moeder onder de marteling van de Quraysh waren gestorven, een metgezel die door de Profeet ﷺ persoonlijk was getroost. ʿUthman ﵁ had hem in een woordenwisseling laten slaan, en de slagen waren zo zwaar geweest dat ʿAmmar ﵁ een tijdlang het bewustzijn had verloren. Banu Makhzum, die ʿAmmar ﵁ als hun zoon beschouwden ook al was hij een mawla, kookten van woede.
Saʿid ibn al-Musayyab ﵀ vat de drie grieven in één regel samen: “Banu Hudhayl en Banu Zuhrah hadden in hun harten wat zij hadden vanwege de staat van Ibn Masʿud ﵁. Banu Ghifar en hun bondgenoten en wie boos was vanwege Abu Dharr ﵁, hadden in hun harten wat zij hadden. Banu Makhzum waren woedend op ʿUthman ﵁ vanwege de conditie van ʿAmmar ibn Yasir ﵁.” Drie stamverbanden, drie verwondingen, en de wrok groeide in stilte tot zij de vorm van een politieke beweging aannam.
De zevenhonderd Egyptenaren
Onder de provincies was Egypte de meest onstabiele. De gouverneur ʿAbdullah ibn Saʿd ﵁ had de gemeenschap daar in zijn eerste jaren met succes bestuurd, maar zijn manier van bestuur was hard en zijn schatkist-administratie was streng. De Egyptenaren die naar Medina afdaalden om over hem te klagen, vonden bij de Khalifah aanvankelijk een welwillend oor. ʿUthman ﵁ schreef een brief aan ʿAbdullah ibn Saʿd ﵁ waarin hij hem dreigde met sancties. Maar ʿAbdullah ﵁ weigerde de instructie te accepteren. Hij sloeg een van de Egyptische klagers die uit Medina was teruggekeerd, en de slag was zo hard dat de man stierf.
Zevenhonderd mannen vertrokken daarop uit Egypte. Zij namen niet de weg naar Medina als pelgrims maar als deputatie, en bij aankomst trokken zij niet in als gasten maar als bezetters. Zij verbleven in de Masjid an-Nabawi, op de matten en achter de pilaren, ʿs nachts en overdag, in afwachting van de uitkomst van hun klacht. Op de tijdstippen van de salah, wanneer de gemeenschap van Medina zich verzamelde, gebruikten zij de wachttijden om de metgezellen ﵃ aan te spreken over wat ʿAbdullah ibn Saʿd ﵁ had gedaan. Het werd, in moderne termen, een staking-en-bezetting in het hart van de heilige stad van de Profeet ﷺ.
Talha ﵁ spreekt streng tot de Khalifah
In die dagen klom Talha ibn ʿUbaydullah ﵁, een van de tien aan wie de Profeet ﷺ het paradijs had beloofd, een lid van de Shura van Zes die ʿUthman ﵁ tot Khalifah had aangewezen, in de Masjid an-Nabawi op de minbar en sprak hij ʿUthman ﵁ in zeer scherpe bewoordingen toe. Wat hij precies zei, geeft Suyuti ﵀ ons niet woordelijk; maar hij vermeldt dat het een toespraak was die geen verzachting kende en die niemand voor de Khalifah verborg. Dat een man van de rang van Talha ﵁ in de openbaarheid de Khalifah aansprak met strengheid en zonder verbloeming, was voor de gemeenschap een signaal dat de zaak van de Egyptenaren niet door een paar opstandige provincialen werd gedragen, maar door de top van de metgezellen ﵃ zelf werd gedeeld.
Vlak daarna kwam een brief van ʿAʾishah ﵂, de Moeder der Gelovigen, die de zaak in nog scherpere bewoordingen aan de Khalifah voorlegde. Zij verkeerde op dat moment in Medina, en haar boodschap aan ʿUthman ﵁ wordt door Suyuti ﵀ als volgt overgeleverd:
ʿAʾishah ﵂: De metgezellen ﵃ van Muhammad ﷺ zijn naar u gekomen en hebben u gevraagd deze man te ontslaan, en u hebt geweigerd. Deze man heeft nu een man van hen gedood, dus behandel hen met rechtvaardigheid tegen uw gouverneur.
Niet als een verzoek, maar als een eis. De Moeder der Gelovigen sprak namens de metgezellen ﵃ omdat zij wist dat haar stem in Medina niet kon worden afgewezen, en haar stem zou ook niet worden afgewezen. Voor ʿUthman ﵁ was zij een eerbiedwaardige weduwe van de Profeet ﷺ; voor de gemeenschap was zij de stem van het profetisch erfgoed dat over de Khalifah waakte. Wanneer ʿAʾishah ﵂ zich uitsprak, kon de Khalifah de zaak niet meer onder tafel houden.
De tussenkomst van ʿAli ﵁
Tussen de geschillen werd ʿAli ibn Abi Talib ﵁ de bemiddelaar. Hij kwam naar ʿUthman ﵁ en sprak hem aan in een taal die zowel het juridische principe als de praktische uitweg combineerde. Suyuti ﵀ levert zijn woorden op pagina honderdnegenenzestig:
ʿAli ﵁: Zij vragen u alleen om een man in ruil voor (in vergelding voor) een man, en zij hebben van hem (vergelding voor) bloed opgeëist. Ontsla hem dus van over hen, en geef een rechtvaardige uitspraak tussen hen. Als er iets aan hen verschuldigd is, wees dan rechtvaardig tegen hen.
Wat ʿAli ﵁ voorstelde, was de procedure waarin de Islam in zaken van bloedwraak voorziet. De Egyptenaren beweerden dat hun stamgenoot door de gouverneur was gedood. De zaak hoorde dus voor een rechter te worden gebracht. Maar de rechter kon niet de Khalifah zelf zijn want de gouverneur was zijn aanstelling; en de rechter kon ook niet de gouverneur zijn want hij was de beschuldigde. De voor de hand liggende oplossing was: ontsla de gouverneur, stel een onpartijdige rechter aan, en laat de zaak via de gewone procedure verlopen. Indien de bewijzen tegen de gouverneur staan, moet vergelding worden geleverd. Indien zij niet staan, moet de klager genoegen nemen.
ʿUthman ﵁ luisterde naar ʿAli ﵁ en gaf hem voorzichtig gelijk. Hij wendde zich tot de Egyptenaren met de uitspraak die Suyuti ﵀ overlevert: “Kies uit jullie midden een man die ik in zijn plaats over jullie zal aanstellen.” Een open mandaat: de Egyptenaren mochten zelf hun voorkeur uitspreken, en de Khalifah zou hun keuze ratificeren.
Muhammad ibn Abi Bakr aangewezen
De Egyptenaren wezen Muhammad ibn Abi Bakr aan. Zijn vader was Abu Bakr as-Siddiq ﵁, de eerste Khalifah; zijn moeder was Asma’ bint ʿUmays ﵂, een van de eerste muhajirat. Hij was, met andere woorden, een man van zuiver vroeg-islamitische afkomst, een man wiens naam in elke kring van metgezellen ﵃ aanvaard werd, een man wiens politieke onafhankelijkheid de Egyptenaren een waarborg gaf tegen een herhaling van de fouten van zijn voorganger. Hij was bovendien in nabije betrekking tot ʿAli ﵁, die met Asma’ bint ʿUmays ﵂ na de dood van Abu Bakr ﵁ was getrouwd en die Muhammad in zijn huishouden had opgevoed.
ʿUthman ﵁ schreef de aanstellingsbrief. Hij zegelde haar met zijn signetring. Hij overhandigde haar aan Muhammad ibn Abi Bakr. Een aantal Muhajirun ﵃ en Ansar ﵃ besloot mee te trekken om de zaak van het geschil tussen de Egyptenaren en Ibn Abi Sarh ﵁ ter plaatse te onderzoeken. Op het oog had de Khalifah de fitna ontmanteld. Hij had de Egyptenaren een rechter gegeven, hen hun keuze gegund, een nieuwe gouverneur aangesteld, en een delegatie van metgezellen ﵃ meegestuurd om de procedure ter plaatse te bewaken. Wie op dat moment Medina zou hebben verlaten, zou hebben gemeend dat het ergste was bezworen.
De ontmoeting met de zwarte slaaf
Drie dagreizen ten zuiden van Medina kwam de delegatie op weg naar Egypte een zwarte slaaf tegen op een kameel. Hij sloeg het dier met de drift van iemand die hetzij iemand achtervolgde, hetzij door iemand werd achtervolgd. De metgezellen ﵃ van Muhammad ibn Abi Bakr riepen hem aan en vroegen wat zijn zaak was. Het verloop van het gesprek dat volgt, is door Suyuti ﵀ in detail bewaard, omdat het in deze passage was dat de geschiedenis van de Khilafah opnieuw kantelde:
De metgezellen ﵃: Wat is uw verhaal? Wat is uw zaak? Het is alsof u op de vlucht bent of iemand achtervolgt.
De slaaf: Ik ben de slaaf van de Amir al-Muʾminin, en hij heeft mij naar de gouverneur van Egypte gezonden.
Een man uit de delegatie: Dit hier (Muhammad ibn Abi Bakr) is de gouverneur van Egypte.
De slaaf: Het is niet deze die ik zoek.
Muhammad ibn Abi Bakr werd over de zaak ingelicht, liet de slaaf grijpen en bij zich brengen. Hij vroeg hem wie hij was. De slaaf antwoordde nu eens: “Ik ben de slaaf van de Amir al-Muʾminin,” dan weer: “Ik ben de slaaf van Marwan ﵁.” Tot één man hem herkende: hij was de slaaf van ʿUthman ﵁. Muhammad vroeg hem naar wie hij was gezonden. Naar de gouverneur van Egypte. Waarmee. Met een boodschap. Hadt u een brief bij u. Nee. Hij werd doorzocht, maar zij vonden geen brief. Hij had een kruik bij zich, een droge kruik waarin iets bewoog. Zij schudden haar om eruit te halen wat erin zat, maar het kwam er niet uit. Zij braken de kruik. Daarbinnen lag een brief, en de brief was van ʿUthman ﵁ aan ʿAbdullah ibn Saʿd ﵁.
De inhoud van de brief
Muhammad ibn Abi Bakr verzamelde de Muhajirun ﵃, de Ansar ﵃ en de anderen die in de delegatie waren. Hij opende de brief in hun aanwezigheid. Suyuti ﵀ levert de inhoud woord voor woord:
De brief: Wanneer Muhammad en die en die naar u toe komen, zoek dan een manier om hen te doden, en verklaar zijn brief (van aanstelling) tot ongeldig. Beschouw uzelf als bevestigd in uw gouverneurschap totdat mijn nadere bericht u bereikt, en gevangen wie ook tracht naar mij te komen om u van wandaden te beschuldigen. Mijn nadere bericht zal u zeker bereiken, als Allah ﷻ het wil.
Een instructie tot moord. Niet alleen op Muhammad ibn Abi Bakr, maar op iedereen in de delegatie. Een instructie tot het annuleren van de officiële aanstellingsbrief die ʿUthman ﵁ zelf nog geen tien dagen daarvoor had verzegeld. Een instructie tot het in vasthouden van de gouverneur die de Egyptenaren juist hadden willen wegkrijgen. Een instructie tot het opsluiten van iedereen die naar Medina zou trachten te reizen om over de hele zaak rapport uit te brengen. Voor de Egyptenaren betekende dit dat de Khalifah die hen had gehoord en die hun verzoening had toegestaan, zijn handtekening had gezet onder een tegengestelde brief. Twee teksten met dezelfde zegel: een openlijke aanstelling en een geheime opdracht tot moord.
Suyuti ﵀ voegt eraan toe wat er met de delegatie gebeurde toen zij de brief lazen: “Toen zij de brief lazen, waren zij bevreesd. Daarna verzamelden zij zich vastberaden en keerden naar Medina terug. Muhammad verzegelde de brief met de zegelringen van de groep die bij hem was, en vertrouwde haar daarna toe aan een man die bij hen was. Toen gingen zij naar Medina.” Het geheim van de brief moest worden bewaard tot het ogenblik waarop zij in de masjid van de Khalifah haar in zijn gezicht konden ontvouwen.
Terug naar Medina
Bij hun aankomst in Medina verzamelden zij Talha ﵁, az-Zubayr ﵁, ʿAli ﵁, Saʿd ﵁ en wie ook van de metgezellen ﵃ van de Profeet ﷺ in de stad aanwezig was. Muhammad ibn Abi Bakr brak de zegels van de brief in hun aanwezigheid en vertelde hen het verhaal van de slaaf. Hij las hen de brief voor. En niemand van de inwoners van Medina bleef over die niet woedend was op ʿUthman ﵁.
Wat in de stilte van de stam-grieven had liggen broeden, vatte nu vlam. Wie reeds boos was vanwege Ibn Masʿud ﵁, vanwege Abu Dharr ﵁, vanwege ʿAmmar ﵁, vond in de brief de bevestiging dat de Khalifah hen niet meer slechts in zijn gouverneurs onrecht had gedaan, maar persoonlijk een opdracht tot moord op zeven nederzettings-genoten op schrift had gesteld. De metgezellen ﵃ van de Profeet ﷺ stonden op en trokken zich terug in hun huizen. Niemand van hen was rustig genoeg om de brief koud te lezen.
ʿUthman ﵁ ondervraagd
Toen ʿAli ﵁ die ontwikkeling zag, riep hij Talha ﵁, az-Zubayr ﵁, Saʿd ﵁, ʿAmmar ﵁ en een groep metgezellen ﵃ van wie elk een Badr-veteraan was. Tezamen gingen zij ʿUthman ﵁ binnen, met de brief, de slaaf en de kameel als bewijsstukken. Het verhoor dat ʿAli ﵁ leidde, geeft Suyuti ﵀ ons woord voor woord:
ʿAli ﵁: Deze slaaf, is dat uw slaaf?
ʿUthman ﵁: Ja.
ʿAli ﵁: En de kameel, is dat uw kameel?
ʿUthman ﵁: Ja.
ʿAli ﵁: Dan heeft u deze brief geschreven?
ʿUthman ﵁: Nee. En hij zwoer een eed: Bij Allah ﷻ, ik heb deze brief niet geschreven, ik heb haar niet bevolen, en ik heb er geen kennis van.
ʿAli ﵁: Het zegel, is dat uw zegel?
ʿUthman ﵁: Ja.
ʿAli ﵁: Hoe gaat dan uw slaaf op uw kameel op weg, met een brief waarop uw zegel staat, terwijl u er niets van weet?
ʿUthman ﵁: Bij Allah ﷻ, ik heb deze brief niet geschreven, ik heb haar niet bevolen, en ik heb deze slaaf nooit naar Egypte gezonden.
Eens te meer een dubbele eed. Eens te meer een ontkenning die door iedereen die ʿUthman ﵁ kende, geloofd werd, omdat ʿUthman ﵁ geen man was die met de eed in zijn naam zou liegen. Maar tegelijk een zaak waarvan de feiten niet konden worden ontkend. De slaaf was van hem. De kameel was van hem. Het zegel was van hem. Wie had de brief dan geschreven.
Marwan ﵁ herkend in het schrift
Wat het handschrift betreft, herkenden de aanwezigen dat het van Marwan ibn al-Hakam ﵁ was. Marwan ﵁ was de secretaris van de Khalifah. Hij had toegang tot zijn zegelring. Hij verbleef in zijn huis. Hij had bovenal een politiek belang bij het in stand houden van het bestuur dat de Egyptenaren hadden bestreden, want Ibn Abi Sarh ﵁ was zijn bondgenoot en de val van Ibn Abi Sarh ﵁ zou de positie van de Umayyaden in alle provincies verzwakken.
De metgezellen ﵃ verlieten het huis van ʿUthman ﵁ in woede en in twijfel over zijn zaak. Zij wisten dat ʿUthman ﵁ geen valse eed zou hebben gezworen; maar zij zeiden zoals Suyuti ﵀ overlevert: “ʿUthman ﵁ zal in onze harten nooit van schuld vrij zijn, tenzij hij Marwan ﵁ aan ons overlevert voor ondervraging, opdat wij de zaak van de brief kennen en hoe hij kon bevelen om een metgezel ﵁ van de Profeet ﷺ zonder recht te doden. Als ʿUthman ﵁ haar zelf had geschreven, dan zullen wij hem uit het ambt verwijderen. Als Marwan ﵁ haar in de naam van ʿUthman ﵁ heeft geschreven, dan zullen wij ons ernstig moeten beraden over wat wij met Marwan ﵁ zullen doen.”
De weigering om Marwan ﵁ uit te leveren
Hier kwam de Khalifah op de grens van wat hij bereid was te geven. Marwan ﵁ uitleveren betekende dat hij zijn eigen secretaris, een man die hij in zijn huis had ontvangen en bewapend had, in de handen van een opstandige menigte zou overgeven. Het betekende dat hij, indien zou worden bewezen dat Marwan ﵁ inderdaad de brief had geschreven, een lid van zijn eigen huishouden door de gemeenschap zou laten executeren, want voor een moord op een metgezel ﵁ van de Profeet ﷺ was de straf bekend.
ʿUthman ﵁ weigerde Marwan ﵁ uit te leveren. Hij vreesde, schrijft Suyuti ﵀, dat Marwan ﵁ door de menigte zou worden gedood zonder behoorlijk proces. Hij weigerde een neef in handen te geven van mannen wier woede hij vreesde. Dat was, in zijn ogen, geen onrechtmatigheid maar bescherming van een verwant die nog niet was berecht. Voor de gemeenschap echter was die weigering het bewijs dat de Khalifah niet bereid was zijn familie aan de procedure te onderwerpen die hij voor anderen wel zou hebben gevolgd.
Het beleg begint
De Egyptenaren, en met hen de Kufanen en de Basranen die in dezelfde dagen in Medina waren aangekomen om hun eigen gouverneur-klachten in te dienen, hielden zich aan hun huizen niet meer. Zij omsingelden het huis van ʿUthman ﵁. Zij richtten posten aan elke deur. Zij verhinderden dat iemand er binnen of buiten kon. Suyuti ﵀ vat de overgang in één korte zin samen die in zijn werk als een omslagpunt staat: “De mensen belegerden ʿUthman ﵁ in het jaar vijfendertig, en Muhammad ibn Abi Bakr hitste Banu Taym en anderen tegen hem op.” Met die zin verlaat de geschiedenis van Suyuti ﵀ de fase van de politieke onenigheid en betreedt zij de fase van het beleg.
Wat in het volgende artikel zal worden gevolgd, is dat beleg in zijn details. Hoe het water werd afgesneden. Hoe ʿAli ﵁ zijn zonen al-Hasan ﵁ en al-Husayn ﵁ aan de deur zette met hun zwaarden. Hoe pijlen werden afgevuurd. Hoe al-Hasan ﵁ aan zijn deur met bloed werd doortrokken. Hoe ʿUthman ﵁ van de bovenverdieping naar de menigte toesprak en hen herinnerde aan zijn deugden in de eerste jaren van de Islam. Hoe de Egyptische ringleiders besloten dat zij niet langer via het beleg, maar via het binnendringen van het huis hun zaak zouden afdwingen. En hoe een dolksteek in de masjid de tweede Khalifah niet had kunnen voorzien, een sluipmoord in het huis nu de derde Khalifah zou treffen.
Voor ditzelfde artikel staan wij stil bij het kantelpunt zelf. De Khalifah die zes jaar lang zonder enige kritiek had geregeerd, kwam in de laatste zes jaar in een spiraal van klacht en verbittering terecht waarin elke poging tot verzoening op een nieuwe beschuldiging stuitte. De gemeenschap die de Khalifah eens als zachtmoediger dan zijn voorganger ʿUmar ﵁ had geprezen, ervoer hem nu als te zachtmoedig tegenover zijn eigen familie. Het was niet één misstap die de fitna voortbracht. Het was de geleidelijke ophoping van bestuursbeslissingen die ʿUthman ﵁ als binnen zijn ijtihad rechtvaardig achtte en die de gemeenschap als buiten haar verwachtingen onrechtmatig ervoer.
Az-Zuhri ﵀, die het hele oordeel met de afstand van een latere geleerde uitsprak, sloot zijn samenvatting af met de erkenning dat dit ʿUthman’s ijtihad was. Maar ijtihad-en-erkenning waren in het vijfendertigste jaar niet genoeg om de Egyptenaren weer naar huis te sturen. Wat de Khalifah aan deze gemeenschap nog te geven had, en wat zij van hem nog wilden nemen, zou in de volgende dagen tot het beleg van zijn huis worden bewogen. Voor hem persoonlijk, en voor de Ummah als geheel, zou wat in dit artikel was opgebouwd, in het volgende artikel tot zijn climax komen.