InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

De verbanning van Abu Dharr ﵁

De verbanning van Abu Dharr ﵁ naar Rabadha

In het jaar 32 van de Hijra stierf in een armoedig gehucht aan de rand van de Hijaz een man die door de Profeet ﷺ persoonlijk was geprezen om zijn waarachtigheid. Hij was Abu Dharr Jundub ibn Jinadah al-Ghifari ﵁, vijfde of zesde bekeerling tot de Islam, een metgezel die geen rijkdom kon zien zonder eraan te denken hoe zij in de Dag der Opstanding zou wegen. Hij was twee jaar daarvoor uit Damascus teruggeroepen en naar Rabadha gezonden, en zijn dood in eenzaamheid vervulde een Profetisch ﷺ woord dat hij zelf jaren tevoren had gehoord en niet was vergeten. In dit artikel volgen wij zijn weg vanuit Damascus naar het kleine gehucht aan de pelgrimsroute, zoals Suyuti ﵀ haar bij de behandeling van de tweede helft van de Khilafah van ʿUthman ﵁ bewaart.

Kaart laden...

Wie was Abu Dharr ﵁?

Voordat wij hem in Damascus tegenkomen in zijn botsing met de gouverneur Muʿawiyah ibn Abi Sufyan ﵁, moet zijn naam worden teruggevolgd tot de eerste jaren van de Islam. Abu Dharr ﵁ was van de stam Ghifar, een Bedoeïenenstam die in de tijd van Jahiliyyah leefde van de overvallen op de karavanen die tussen Mekka en Sham reisden. Zijn stam had een slechte reputatie. Wie te Mekka woonde, wist dat een ontmoeting met Ghifar op de weg naar het noorden zelden zonder verliezen verliep. Maar Abu Dharr zelf, zo levert de overlevering, had reeds in de Jahiliyyah de afgoden afgewezen en zich bezig gehouden met een soort van eigen monotheïsme, lang voordat hij van de boodschap van de Profeet ﷺ had gehoord.

Toen het bericht van een nieuwe Profeet ﷺ te Mekka hem bereikte, zond hij eerst zijn broer Unays om de zaak te onderzoeken. Unays keerde terug met de melding dat de man in Mekka aanspoorde tot edel gedrag en dat zijn spreken op geen poëzie leek. Dat antwoord stelde Abu Dharr niet tevreden. Hij ging zelf naar Mekka. Hij vond de Profeet ﷺ niet aanstonds, want de boodschap was nog geheim en de bekeerlingen werden door Quraysh achtervolgd. Hij sliep dagen in de Masjid al-Haram, levend van het water van Zamzam, totdat ʿAli ibn Abi Talib ﵁, die in zijn jeugd de eenzame man had opgemerkt, hem in stilte naar de Profeet ﷺ leidde.

Bij die ontmoeting bekeerde Abu Dharr ﵁ zich. De Profeet ﷺ noemde hem in latere jaren onder de eerste vier of vijf die de Islam hadden aanvaard. Sommige bronnen plaatsen hem als de vierde, andere als de vijfde, weer andere als de zesde. Suyuti ﵀ noemt hem op pagina 167 bij de doden van het tweeëndertigste jaar met de waardering die in de tijd van Abu Dharr ﵁ door de hele Ummah werd gedeeld: de waarachtige in spreken. Dat was niet een formule maar een diagnose. Wat Abu Dharr ﵁ zei, zei hij zonder verbloeming, en wat hij geloofde, leefde hij zonder verzachting.

De Profeet ﷺ had hem, kort na zijn bekering, teruggezonden naar zijn stam in plaats van hem in Mekka te laten blijven. Hij ging terug en bracht binnen korte tijd de halve stam van Ghifar tot de Islam. De andere helft volgde in een tweede ronde. Daarmee werden de oude rovers van de karavanen tot een stam waarvan de Profeet ﷺ in latere jaren zou zeggen: Ghifar, moge Allah ﷻ hen vergeven; Aslam, moge Allah ﷻ vrede aan hen schenken. Het was Abu Dharr ﵁ die zijn stam in twee fasen naar de Islam had gebracht.

Na de Hijrah voegde Abu Dharr ﵁ zich bij de Profeet ﷺ in Medina. Hij was niet aanwezig bij Badr, omdat hij in die tijd nog tussen zijn stam verkeerde, maar hij was aanwezig in vele latere veldslagen. Wat hem echter onderscheidde, was niet zijn aanwezigheid op de slagvelden, maar de strengheid van zijn levenswijze. Hij sliep op een mat van palmbladeren. Hij at wat hij had en gaf weg wat hij niet aanstonds nodig had. Hij hield geen voorraad. Hij geloofde, op grond van Koranische verzen die hij steeds aanhaalde, dat een gelovige die ʿs morgens met meer voorraad opstond dan hij die dag zou gebruiken, op het oordeel van de Dag van Opstanding daarvoor verantwoording schuldig was. Het was die overtuiging die hem in de welvaartsdagen van de derde Khalifah in conflict zou brengen met de gouverneur van Sham.

De prediking tegen rijkdom-opstapeling

In de eerste tien jaar na de dood van de Profeet ﷺ leefde Abu Dharr ﵁ tussen Medina en de noordelijke garnizoenen. Onder Abu Bakr ﵁ en onder ʿUmar ﵁ kwam er weinig wrijving tussen zijn levenswijze en de omstandigheden van de Ummah. De inkomsten waren bescheiden, de verdeling streng, en wie meer ontving dan hij die maand kon gebruiken, gaf het aan wie minder had. Maar in de Khilafah van ʿUthman ﵁, zoals wij in een voorgaand artikel hebben gevolgd, vermeervoudigden de inkomsten zich. Goud en zilver kwamen uit Khurasan, uit Ifriqiya, uit Armenië en uit Sijistan. De gouverneurs in de provincies ontvingen sommen die in hun omvang in de tijd van de eerste twee Khaliefen ﵁ niet hadden bestaan. Wie van bouwen hield, bouwde paleizen. Wie van paarden hield, kocht stallen. Wie van handel hield, vermeerderde zijn voorraden. De welvaart was reëel, en zij vond haar weg ook naar de huizen van de metgezellen ﵃ die in Medina waren gebleven, en in nog grotere mate naar de huizen van de gouverneurs en hun secretarissen in de provincies.

Abu Dharr ﵁ verzette zich daartegen in een vorm die ondubbelzinnig was. Hij beriep zich op het vers uit Surat at-Tawbah, dat in de mushaf nummer 34 en 35 van het negende hoofdstuk draagt, waarin Allah ﷻ over hen die goud en zilver oppotten en het niet besteden op de weg van Allah ﷻ verkondigt:

En zij die goud en zilver opstapelen en het niet besteden op de weg van Allah, kondig hen een pijnlijke straf aan. Op de dag waarop dit goud en zilver in het vuur van de Jahannam zal worden verhit, en hun voorhoofden, hun zijden en hun ruggen ermee zullen worden gebrandmerkt, dit is wat jullie voor jezelf hebben opgestapeld; smaak dus wat jullie hebben opgestapeld.

Voor Abu Dharr ﵁ was deze waarschuwing geen historisch document over de gierige bezitters in de tijd van de openbaring, maar een actuele aanklacht tegen iedereen die in zijn eigen dagen meer goud of zilver in zijn huis bewaarde dan hij voor het levensonderhoud van die dag en de volgende dag nodig had. Zijn uitleg liet geen ruimte voor het sparen van een reserve. Wie meer had dan hij die dag besteedde, viel onder de waarschuwing.

Andere metgezellen ﵃ legden het vers anders uit. Zij betoogden, met evenzeer Koranische argumenten, dat het vers betrekking had op hen die de zakat niet voldeden. Wie de verplichte zakat afdroeg, zo betoogden zij, viel niet onder de waarschuwing van vers 34 en 35, ook al bezat hij grote sommen goud of zilver. Hun uitleg was die van de meerderheid, en zij was de uitleg die in de fiqh van de latere generaties als de geldende werd aanvaard. Maar Abu Dharr ﵁ liet zich niet door de meerderheid binden. Hij hield vol dat de waarschuwing onbeperkt was en dat de gelovige zijn bezit moest zien als een depot dat dezelfde dag of de dag erna moest worden uitgedeeld.

Zolang Abu Dharr ﵁ zijn uitleg te Medina verkondigde, bleef de zaak binnen de grenzen van de privé-debat. Wanneer hij echter naar Damascus reisde, waar Muʿawiyah ibn Abi Sufyan ﵁ als gouverneur over Sham zetelde, kreeg zijn prediking een ander gewicht. Want het hof van Muʿawiyah ﵁ in Damascus was van een welvaart die te Medina niet werd geëvenaard. De gouverneur ontving daar de inkomsten van een provincie die zich uitstrekte van de zuidergrens van Anatolië tot de noordergrens van de Hijaz, en de schatkist die hij beheerde was van een omvang die in de eerste tien jaar van de Islam ondenkbaar was geweest.

De botsing met Muʿawiyah ﵁

Abu Dharr ﵁ begon in Damascus aan een prediking die naar de overlevering van Suyuti ﵀ en de bronnen die hij volgt, op de bazaars en bij de poort van de hoofdmoskee de massa toesprak. Hij las hen vers 34 en 35 van Surat at-Tawbah voor. Hij wees op de schatten in de schatkist van de gouverneur. Hij waarschuwde dat wie deelnam aan de opstapeling, deelnam aan de straf. Hij sprak niet abstract maar concreet: Deze brokken goud die u in uw schatkamers bewaart, deze zullen op de dag der opstanding worden verhit en uw voorhoofden zullen ermee worden gebrandmerkt. Voor de gewone mensen van Damascus, voor wie de welvaart van de gouverneur even ver buiten bereik was als zij zichtbaar was, sloeg de boodschap aan. Voor de gouverneur zelf werd zij ondraaglijk.

Muʿawiyah ﵁ liet Abu Dharr ﵁ ontbieden. Het gesprek dat tussen de twee plaatsvond, is in de tradities op verschillende manieren overgeleverd, maar de kern komt in alle versies overeen. Muʿawiyah ﵁ stelde de vraag waarop hij meende dat Abu Dharr ﵁ geen sluitend antwoord kon geven: of het vers van het oppotten op hem en op de gemeenschap van Sham betrekking had, of slechts op de Joden en de Christenen van de Ahl al-Kitab tot wie Surat at-Tawbah primair was gericht. Abu Dharr ﵁ gaf geen ruimte:

Muʿawiyah ﵁: O Abu Dharr, dit vers van het oppotten van goud en zilver, betreft het ons of betreft het de Mensen van het Boek?

Abu Dharr ﵁: Het betreft hen en het betreft ons.

Muʿawiyah ﵁: Het is op de Mensen van het Boek geopenbaard; wij zijn niet onder de aangesprokenen.

Abu Dharr ﵁: Wie zakat geeft, valt niet onder de waarschuwing. Maar wie meer in zijn huis bewaart dan hij die dag besteedt en dat tot de morgen overlegt, hij is onder de oppotters van wie Allah ﷻ heeft gesproken. Dit goud dat u in uw schatkamers ophoopt, op de Dag der Opstanding zal het in het vuur van de Jahannam worden verhit, en uw voorhoofden, uw zijden en uw ruggen zullen ermee worden gebrandmerkt.

Muʿawiyah ﵁ liet de zaak niet daarbij. Hij stelde Abu Dharr ﵁ een proef die de bronnen ons hebben overgeleverd in de vorm van een aanbod dat hij hem op een avond deed. Hij liet hem in de schemering duizend dinars in goudstukken naar zijn verblijfplaats brengen, met de boodschap dat dit een geschenk was van de gouverneur. Abu Dharr ﵁ nam de dinars aan zonder verzet. De volgende ochtend, voor het zonopgaan, deelde hij echter alles uit tot de laatste dinar onder de armen van Damascus, en toen Muʿawiyah ﵁ hem liet vragen wat van het geschenk was geworden, antwoordde Abu Dharr ﵁ dat hij die nacht niet had geslapen omdat hij nog dinars in huis had, en dat hij voor de morgendageraad alles had uitgedeeld zodat hij zonder voorraad de nieuwe dag kon ingaan.

Voor Muʿawiyah ﵁ stond hiermee vast dat Abu Dharr ﵁ niet door verzoening of door geschenken zou worden gewonnen. Zijn prediking in Damascus zou doorgaan, en zij zou de gewone mensen in de bazaars en de moskeeën blijven beroeren. Voor een gouverneur die de stabiliteit van zijn provincie diende, was dat een politiek probleem dat hij niet meer met eigen middelen kon oplossen. Hij schreef daarom aan de Khalifah te Medina, en hij verzocht ʿUthman ﵁ om Abu Dharr ﵁ uit Sham te laten terugroepen.

De terugroeping naar Medina

ʿUthman ﵁ schreef in antwoord op de brief van Muʿawiyah ﵁ een instructie aan zijn gouverneur waarin hij hem opdroeg Abu Dharr ﵁ met een schicht-rijdier en met de noodzakelijke begeleiding naar Medina te zenden. De reis door de woestijn van Sham naar de Hijaz was lang en in de zomer zwaar. Abu Dharr ﵁ aanvaardde de instructie zonder verzet, en hij vertrok met de begeleiders die Muʿawiyah ﵁ hem had toegewezen.

Toen hij in Medina aankwam, ontving ʿUthman ﵁ hem in eerste instantie met de eerbied die de oude metgezel ﵁ van de Profeet ﷺ toekwam. De Khalifah was niet ongevoelig voor de status van Abu Dharr ﵁. Hij wist dat hij voor zich een man had die door de Profeet ﷺ persoonlijk de waarachtige in spreken was genoemd. Het gesprek dat tussen hen plaatsvond, is door de bronnen overgeleverd in de vorm van een poging tot wederzijds begrip die op een impasse uitliep.

ʿUthman ﵁ vroeg Abu Dharr ﵁ of hij bereid was zijn uitleg van vers 9:34 te verzachten. Hij wees Abu Dharr ﵁ erop dat de meerderheid van de metgezellen ﵃ het vers anders uitlegde dan hij, en dat zijn strenge uitleg in de provincies tot onrust leidde. Abu Dharr ﵁ antwoordde dat hij niet van zijn uitleg zou afwijken, omdat hij de uitleg had geleerd van de Profeet ﷺ zelf en omdat hij wat hij van de Profeet ﷺ had gehoord, niet zou verzwakken om de gouverneurs te behagen. ʿUthman ﵁ vroeg hem of hij bereid was zijn prediking in elk geval niet in de bazaars en niet in de moskeeën te houden, maar haar te beperken tot de privé-kring van wie hem opzocht. Abu Dharr ﵁ antwoordde dat hij de waarheid niet zou verbergen voor wie haar nodig had en dat hij waar hij ook woonde, zou spreken zoals hij dat tot dan toe had gedaan.

De Khalifah stond daarmee voor een keuze. Hij kon Abu Dharr ﵁ in Medina laten blijven en aanvaarden dat zijn prediking in de stad van de Profeet ﷺ tot dezelfde wrijvingen zou leiden als zij in Damascus had gedaan. Hij kon hem terug naar zijn stam Ghifar zenden, maar daarmee zou hij hem niet werkelijk tot rust hebben gebracht. Of hij kon hem aanwijzen om zich terug te trekken naar een plaats waar hij zonder publieke gehoor zou kunnen leven volgens zijn eigen overtuigingen.

De rit naar Rabadha

ʿUthman ﵁ koos voor de derde weg. Hij wees Abu Dharr ﵁ Rabadha aan als de plaats waar hij voortaan zou wonen. Rabadha was een gehucht aan de pelgrimsroute tussen Medina en Kufa, ongeveer drie dagreizen oostnoordoost van Medina. Het was geen stad. Het was geen oase van betekenis. Het was een halteplaats voor karavanen, met een handvol huizen, een put, en een veld waar de kuddes van de Ghifar-stam in de winter graasden. Wie naar Rabadha trok, trok naar de rand van de bewoonde wereld.

Of de aanwijzing een verbanning was of een vrijwillige terugtrekking, daarover lopen de tradities uiteen. Suyuti ﵀ houdt zich op pagina 168, in de samenvatting van Saʿid ibn al-Musayyab ﵀ over de stam-grieven, aan de neutrale formulering dat Abu Dharr ﵁ naar Rabadha was gebracht. Sommige bronnen leggen het besluit als een formele verbanning bij de Khalifah; andere bronnen leggen het als een vrijwillig vertrek bij Abu Dharr ﵁ zelf, die had ingezien dat zijn prediking in Medina niet zonder gevolgen kon blijven en die het beste vond zich zelf naar de rand van de woestijn terug te trekken. Wat in alle versies overeenkomt, is dat Abu Dharr ﵁ niet in opstand kwam. Hij aanvaardde de aanwijzing en vertrok.

Zijn vrouw vergezelde hem, en in sommige overleveringen ook zijn dienaar. Hij nam met zich mee wat hij in Medina aan persoonlijke bezittingen had, dat was niet veel. Een mantel, een kameel, een handvol gerechten. De rit door de woestijn naar Rabadha duurde drie dagen. Bij aankomst betrok hij een eenvoudig onderkomen, en hij begon daar het leven te leiden dat hij in Medina al niet zo veel anders had geleid: gebed, vasten, eenvoudige maaltijden, het delen van wat hij had met wie minder had. Het verschil was dat hij nu geen gehoor meer had. De pelgrims die op weg waren naar Mekka, kwamen langs en hoorden hem, en gingen weer voort. Wie in Medina was, hoorde hem niet meer.

De dood te Rabadha

Twee jaar verbleef Abu Dharr ﵁ in Rabadha. In het jaar 32 van de Hijra, zo schrijft Suyuti ﵀ op pagina 167, stierf hij daar. In dat jaar stierf Abu Dharr Jundub ibn Jinadah al-Ghifari, de waarachtige in spreken. In één regel vat Suyuti ﵀ de dood samen, en die regel is in de Tarikh al-Khulafa de enige plaats waar hij de overlijdensdatum van Abu Dharr ﵁ noemt.

De omstandigheden van de dood zijn echter in de tradities buiten Suyuti ﵀ met meer detail bewaard, en zij vervullen een Profetisch ﷺ woord dat Abu Dharr ﵁ jaren tevoren van de Profeet ﷺ had gehoord. Toen Abu Dharr ﵁ in de tijd van de Profeet ﷺ nog in Medina verbleef, had de Profeet ﷺ hem eens een uitspraak gedaan die hij niet was vergeten. Hij had gezegd:

De Profeet ﷺ: O Abu Dharr, het zal je gegeven worden om alleen te leven, om alleen te sterven, om alleen te worden opgewekt, en om alleen het Paradijs binnen te gaan. Mensen uit Irak zullen door jou worden gezegend bij het wassen van je lichaam, het wikkelen van je in een lijkkleed en het neerleggen van je in je graf.

Abu Dharr ﵁ had bij het horen van die uitspraak gezwegen. In de jaren daarna had hij haar overgegeven aan zijn vrouw en aan de mensen om hem heen, met het bericht dat hij niet wist wanneer of waar het zou geschieden, maar dat hij wist dat het geschieden zou.

In de laatste dagen van zijn leven te Rabadha werd hij ziek. Hij wist dat hij niet zou herstellen. Hij liet zijn vrouw weten dat hij was wat de Profeet ﷺ had voorzegd. Hij vroeg haar om zijn lichaam te wassen, hem te wikkelen, en hem aan de rand van de weg te leggen, opdat de eerste karavaan die voorbijkwam, hem zou kunnen begraven. Toen zij hem vroeg of er nog iemand te Rabadha was die hem zou helpen, antwoordde hij dat zij allen verspreid waren en dat er niemand was. Hij zei haar dat zij niet bevreesd hoefde te zijn, want dat de Profeet ﷺ had voorzegd dat mensen uit Irak hem zouden ontmoeten en hem zouden verzorgen.

Hij stierf. Zijn vrouw deed wat hij haar had opgedragen. Zij waste hem zo goed zij kon, wikkelde hem in een kleed, en legde hem aan de rand van de weg. Daar lag hij. Eerst kwam er niemand. Toen, naar de overlevering, kwam een karavaan voorbij die uit Irak op weg was naar de Hajj. Aan het hoofd van de karavaan ging ʿAbdullah ibn Masʿud ﵁, een van de eerste metgezellen ﵃ van de Profeet ﷺ, een man die zelf met de Khalifah in geschil was geweest en die in Kufa de officiële mushaf in eerste instantie had geweigerd. ʿAbdullah ibn Masʿud ﵁ zag het lichaam aan de rand van de weg, herkende het, en toen hij hoorde dat dit Abu Dharr ﵁ was, brak hij in tranen uit. Hij riep uit: Waar is de uitspraak van de Profeet ﷺ gebleven die zei dat u alleen zou leven, alleen sterven en alleen worden opgewekt? Hij liet de janazah-salat verrichten, hij waste opnieuw of bevestigde de waswerken die de weduwe had gedaan, en hij begroef Abu Dharr ﵁ in de aarde van Rabadha.

Het Profetisch ﷺ woord werd in al zijn delen vervuld. Hij had alleen gewoond in zijn laatste jaren. Hij was alleen gestorven, want er was niemand bij hem die hem ﷺ van nabij kende. En hij werd begraven door mensen uit Irak, zoals de Profeet ﷺ in Medina had voorzegd in een tijd waarin Irak nog niet eens veroverd was en waarin niemand van Bani Adam zich kon voorstellen dat een man uit Ghifar zijn graf in de zandige aarde van Rabadha aan een Iraakse karavaan zou danken.

Nalatenschap

Voor de Khilafah van ʿUthman ﵁ was de verbanning van Abu Dharr ﵁ niet zonder gevolg. Suyuti ﵀ noemt op pagina 168, in de overlevering van Saʿid ibn al-Musayyab ﵀ over de stamverbanden die in hun harten de wrok hadden gevormd die in 35 AH tot de fitna zou uitbreken, Banu Ghifar uitdrukkelijk als één van de vier stammen wier verbittering zich rond een specifiek metgezel ﵁ had gevormd. Banu Ghifar en hun bondgenoten en wie boos was vanwege Abu Dharr ﵁, hadden in hun harten wat zij hadden. In één korte zin werd duidelijk dat de aanwijzing van Rabadha niet door Banu Ghifar was geaccepteerd als een louter persoonlijke schikking tussen de Khalifah en de oude metgezel ﵁. Zij was door de stam ervaren als een vernedering van een van haar grootste zonen, en die vernedering werd in de jaren tot 35 AH niet vergeten. Toen de Egyptenaren en de Kufanen in Medina aankwamen met hun klachten over hun gouverneurs, was Banu Ghifar onder de stammen die in stilte de zaak van de opstandelingen deelden, omdat zij in de Khalifah de man zagen die hun Abu Dharr ﵁ had verbannen.

Voor de bredere Islamitische traditie werd Abu Dharr ﵁ niet door zijn verbanning verkleind, maar door haar vergroot. In de generaties na hem werd hij gezien als het prototype van de zahid, de asceet die niet door welvaart te corrumperen was en die de waarschuwing van Surat at-Tawbah letterlijk had toegepast. Latere geleerden namen zijn uitleg van vers 9:34 niet over als de geldende fiqh, maar zij behielden haar als de strengste mogelijkheid, als de norm waaraan elke gelovige zich kon meten al was hij niet verplicht haar te volgen. De uitspraak die hij steeds had aangehaald, dat een gelovige die ʿs morgens met meer voorraad opstond dan hij die dag zou gebruiken, daarvoor verantwoording zou afleggen, werd in de literatuur van de tasawwuf eeuwenlang als een toetssteen van de innerlijke gerechtigheid bewaard.

De Profeet ﷺ had over Abu Dharr ﵁ verschillende uitspraken gedaan die in de hadith-bundels zijn opgenomen. De meest geciteerde is de uitspraak waarin hij zei: De hemel heeft geen schaduw gegeven en de aarde heeft geen voet gedragen die waarachtiger spreekt dan Abu Dharr. Dat woord werd in alle latere overleveringen aangehaald wanneer over hem werd gesproken, en het was die uitspraak die Suyuti ﵀ in zijn beknopte regel op pagina 167 tot de waarachtige in spreken heeft samengevat.

Voor wat de Islamitische geschiedschrijving betreft, blijft de figuur van Abu Dharr ﵁ aan twee polen verbonden. Aan de ene pool de pool van de zuiverheid: de man die in elke welvaart het opgepotte goud zag dat hem in de Dag van Opstanding zou brandmerken, en die zichzelf nooit toestond meer te bewaren dan hij die dag besteedde. Aan de andere pool de pool van de eenzaamheid: de man die door de Profeet ﷺ was voorzegd dat hij alleen zou wonen, alleen zou sterven en alleen zou worden opgewekt, en die deze voorzegging in elk deel had aanvaard zonder van de waarheid die hij verkondigde een handbreed af te wijken.

Wij sluiten dit artikel af met de erkenning dat zijn graf in Rabadha tot in de eeuwen na zijn dood door pelgrims werd bezocht die op weg naar Mekka een omweg namen om bij de aarde te bidden waarin de eenzame metgezel ﵁ van de Profeet ﷺ was begraven. Wie vandaag de pelgrimsroute tussen Medina en de oostelijke woestijn volgt, kan op de kaart de plaats Rabadha aanwijzen waar in het tweeëndertigste jaar van de Hijra een man stierf wiens uitspraak de Profeet ﷺ had voorzegd, wiens waarachtigheid de Profeet ﷺ had geprezen, en wiens stamgenoten de Khalifah in 35 AH zijn verbanning niet hebben vergeven.

Bronnen

  • Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa, vertaling Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, Londen 1995, pp. 166–175.
    • p. 167: het overlijden van Abu Dharr ﵁ in het jaar 32 AH, met de aanduiding de waarachtige in spreken.
    • p. 168: de overlevering van Saʿid ibn al-Musayyab ﵀ over Banu Ghifar en hun bondgenoten als één van de stamverbanden wier verbittering rond Abu Dharr ﵁ was gegroeid.
    • pp. 166–168: de bredere context van de welvaart in de tweede helft van de Khilafah die de prediking van Abu Dharr ﵁ tegen het oppotten van goud en zilver in haar volle scherpte zichtbaar maakt.
  • Surat at-Tawbah 9:34–35, de Koranische waarschuwing tegen het oppotten van goud en zilver waarop Abu Dharr ﵁ zijn prediking in Damascus baseerde.
  • Het Profetisch ﷺ woord over zijn eenzame leven, dood en opwekking, en het Profetisch ﷺ woord over zijn waarachtigheid, zoals door de latere hadith-bundels overgeleverd en in de biografische literatuur over de metgezellen ﵃ samengevat.