Het Internationale Oriëntalistencongres
22 april 1883, Leiden
Het proefschrift waarmee het vorige hoofdstuk eindigde, had inmiddels zijn weg gevonden. Het Mekkaansche Feest stond op de planken van de oriëntalistische bibliotheken van Europa, was besproken in de Zeitschrift der Deutschen Morgenländischen Gesellschaft, was geciteerd in correspondentie tussen geleerden die Snouck nog nooit had gezien maar wier namen hij kende uit voetnoten en titelpagina’s. Het proefschrift had gedaan wat een goed proefschrift doet: het had zijn auteur geïdentificeerd als iemand om in de gaten te houden.
En nu, in het voorjaar van 1883, kwamen die geleerden naar Leiden voor het Zevende Internationale Oriëntalistencongres. Snouck stond klaar om hen te ontvangen. Hij was zevenentwintig jaar en secretaris van de Arabische sectie.
De rol paste hem. Hij was precies, systematisch, beheerst in sociale situaties. Hij kon de grote namen vleien zonder kruiperig te zijn en de jongere deelnemers betrekken zonder intimiteit te fingeren. Hij was ook iemand die luisterde. Goed luisterde. En dat is in de wereld van het internationale geleerde congres een zeldzame vaardigheid, hoog gewaardeerd door degenen die graag praten.
Het congres als instelling
Het Internationale Oriëntalistencongres was in 1873 voor het eerst bijeengekomen in Parijs en bood sindsdien een forum voor de geleerden die zich bezighielden met wat men destijds kortweg “het Oosten” noemde: de Arabische wereld, Perzië, India, Turkije, China, Japan. Het congres roteerde tussen de Europese hoofdsteden van de wetenschap: Londen, Sankt-Petersburg, Florence, Berlijn. In 1883 was Leiden aan de beurt. De Leidse oriëntalistiek, internationaal al gerespecteerd door de aanwezigheid van De Goeje en de reputatie van de Arabische collecties in de universiteitsbibliotheek, organiseerde een bijeenkomst die meer dan tweehonderd geleerden bijeenbracht.
Snouck was niet de hoofdorganisator, dat was De Goeje. Maar als secretaris van de Arabische sectie was hij de man die de correspondentie voerde, de programma’s opstelde, de sprekers aanschreef, de logistiek beheerde. Het was administratief werk en het was strategisch tegelijk: hij leerde welke namen ertoe deden, welke scholen er waren, wie bevriend was met wie en wie ruzie had met wie. Het congres was, naast een wetenschappelijk forum, een sociaal en institutioneel netwerk, en Snouck leerde dat netwerk te navigeren met de vanzelfsprekendheid van iemand die er voor lijkt geboren.
Het thema dat de Arabische sectie domineerde, was de editie en interpretatie van Arabische manuscripten. De grote projecten van de Europese oriëntalistiek in die jaren waren tekstkritische ondernemingen: de Tabari-editie waaraan De Goeje leidde, de kritische uitgaven van vroeg-islamitische geschiedschrijvers, de systematische catalogisering van de Arabische handschriftencollecties in Leiden, Berlijn, Parijs en Londen. Het congres was de gelegenheid om voortgang te rapporteren, methoden te bespreken, standaarden af te spreken.
Snouck presenteerde een bijdrage die voortbouwde op zijn proefschrift, een verdere analyse van de rituele structuur van de Hadj in het licht van nieuwe bronnen. De discussie was levendig en welwillend. Hij maakte een goede indruk.
De drie pijlers van het oriëntalisme
Om te begrijpen wat het congres betekende voor Snouck, en wat het betekende voor de productie van kennis over de islamitische wereld, moet men de institutionele architectuur van het Europese oriëntalisme begrijpen. Die architectuur bestond uit drie pijlers die elkaar ondersteunden en versterkten: de leerstoelen, de tijdschriften, de congressen.
De leerstoelen waren de basis. In Leiden, Berlijn, Parijs, Londen, Wenen en Sankt-Petersburg bezetten geleerden leerstoelen in de Arabistiek, de Iranistiek, de Turkologie, de Indologie. Zij onderwezen studenten, begeleidden proefschriften, bouwden bibliotheken op. Zij waren ook de poortwachters van de academische legitimiteit. Wie een leerstoel bekleedde, sprak met gezag. Wie geen leerstoel had, moest zijn gezag nog verdienen. De leerstoel was de institutionele legitimering van de persoon. Zonder haar was men een amateur.
De tijdschriften waren de communicatiekanalen. De Zeitschrift der Deutschen Morgenländischen Gesellschaft, het Journal Asiatique, het Journal of the Royal Asiatic Society: in deze tijdschriften werden artikelen gepubliceerd, besprekingen geschreven, debatten gevoerd. De kwaliteitsnorm werd bepaald door de redacteuren, die zelf geleerden waren en hun eigen scholen en voorkeuren hadden.
De congressen waren de sociale en rituele ruimtes. Hier kwamen de geleerden van aangezicht tot aangezicht bijeen, wisselden zij ideeën uit, sloten zij allianties, beoordeelden zij elkaars werk in real time. De congressen functioneerden ook als markten. Jonge geleerden presenteerden hun werk aan de grote namen, en de grote namen beslisten wie de moeite waard was. De informele dimensie was minstens zo belangrijk als de formele. Een gesprek tijdens de lunch, een wandeling door de Leidse binnenstad, een avond in het gezelschap van de congresleiding, dit alles deed mee in de constructie van reputaties.
Snouck bevond zich in 1883 aan de rand van dit systeem. Hij bewoog zich snel naar het centrum. De secretarisrol stelde hem in het middelpunt van de logistiek. Iedereen die naar het congres wilde, moest op enig moment met hem in contact komen. Hij beheerde de agenda, de zalen, de programma’s. Hij was onmisbaar.
Ignaz Goldziher en een vriendschap die een loopbaan zou vormen
Een van de indrukwekkendste aanwezigen op het Leidse congres was de Hongaarse geleerde Ignaz Goldziher. Goldziher was op dat moment al bezig zijn reputatie te vestigen als de scherpste analist van de hadith-literatuur van zijn generatie. Zijn werk aan de overleveringen, zijn onderzoek naar de historische gelaagdheid van de hadith-transmissie, zijn analyse van de islamitische jurisprudentie: dit alles zou hem in de decennia na 1883 benoemen tot een van de grondleggers van de moderne islamwetenschap.
Goldziher had een andere achtergrond dan Snouck. Hij was Joods, geboren in Hongarije, opgegroeid in een religieus milieu dat hem een andere relatie tot de Bijbel gaf dan Snoucks protestantse achtergrond. Hij had zijn eerste Arabische les gekregen als kind van twaalf, had in Berlijn en Leiden gestudeerd voordat Snouck er student was, en had zelfs een periode in Caïro doorgebracht waarbij hij contact had onderhouden met de Al-Azhar, de beroemde islamitische universiteit. Zijn kennis van de islamitische traditie was niet alleen uit boeken.
Goldziher en Snouck ontmoetten elkaar in Leiden, in de marge van een sessie over vroeg-islamitische geschiedschrijving. Het was het begin van een levenslange correspondentie, later uitgegeven door P. Sj. van Koningsveld en zijn medewerkers, die in meer dan vijfhonderd brieven de intellectuele vriendschap vastlegt van twee van de meest invloedrijke islamologen van hun tijd. Goldziher bewonderde Snoucks scherpzinnigheid en zijn vermogen om van bronnen te abstraheren naar patronen. Snouck bewonderde Goldzihers eruditie en zijn genuanceerde oor voor de subtiliteiten van de Arabische traditie. Beiden deelden het historisch-kritische fundament, de overtuiging dat de islamitische traditie verklaarbaar was vanuit haar historische ontwikkeling. Beiden trokken uit die overtuiging consequenties die de islamitische gemeenschap zelf nooit zou accepteren.
De vriendschap was oprecht en intellectueel vruchtbaar. Zij was ook, vanuit islamitisch perspectief, de verbinding van twee geleerden wier werk de islamitische traditie reduceerde tot een historisch fenomeen. De methode was gedeeld. De consequenties voor de islamitische gemeenschap waren ernstig, al formuleerden noch Goldziher noch Snouck het in die termen.
Een geleerd vertoog zonder de bestudeerden
In de Arabische sectie werden papers gepresenteerd over Arabische handschriften, over grammatica, over poëzie, over de geografie van de vroeg-islamitische wereld. Snouck presenteerde zijn bijdrage. De discussies waren levendig, de polemiek vriendelijk, de toon die van geleerden die het onderwerp interessant vinden maar niet bedreigend.
Dat laatste is relevant. De deelnemers aan het Oriëntalistencongres beschouwden de islamitische wereld als hun studieobject. Zij stelden zich niet voor dat islamitische geleerden zouden meedenken, laat staan dat zij bezwaar zouden maken tegen de methoden of conclusies. Het congres was Europees, de methode was Europees, de conclusies waren voor Europees gebruik. De islamitische wereld was aanwezig als tekst, als manuscript, als geografisch fenomeen, maar niet als gesprekspartner.
Dit is niet een bewust xenofobe keuze van de congresorganisatoren. Het was de structurele werkelijkheid van de academische wereld van 1883. De islamitische universiteiten van Caïro, Istanbul en Delhi hadden andere tradities, andere methoden, andere doelstellingen. Zij produceerden geen papers voor de Zeitschrift der Deutschen Morgenländischen Gesellschaft. Zij verwierven geen leerstoelen in Europese universiteiten. Zij verschenen niet op het congres te Leiden. De twee werelden waren gescheiden, en de Europese wetenschap beschreef de islamitische wereld met de vanzelfsprekendheid van iemand die weet dat zijn beschrijving nooit weersproken zal worden door het object zelf.
Snouck organiseerde dit systeem, faciliteerde het, droeg eraan bij. Hij was goed in zijn werk. Maar zijn werk was de productie van kennis over de islam voor Europees gebruik, en de asymmetrie tussen producent en object was zo ingebakken dat niemand haar als problematisch ervoer.
De institutionele beloning
Het mechanisme waarmee het oriëntalistische establishment zichzelf reproduceerde, was elegant en gesloten. Een goed proefschrift leidde tot een aanstelling als assistent of docent. Een goed congrespaper leidde tot uitnodigingen voor andere congressen. Uitnodigingen leidden tot publicaties in de goede tijdschriften. Publicaties leidden tot leerstoelen. Leerstoelen leverden studenten op die zelf proefschriften schreven en congrespresentaties hielden.
Snouck bevond zich in 1883 in het tweede stadium van dit proces. Hij had het proefschrift. Nu bouwde hij het netwerk. De leerstoel zou later komen, maar hij zag hem al.
De congresrol gaf hem ook iets anders. Zichtbaarheid bij de mensen die de grote opdrachten vergaven. In de Leidse context waren die mensen deels academisch, maar deels ook staatsrechtelijk: het Ministerie van Binnenlandse Zaken, dat de koloniale belangen mede beheerde, had contacten bij de universiteit. De Goeje kende de beleidsmakers. Via De Goeje kende Snouck hen.
Het ontbrekende: de levende werkelijkheid
Want wat de Leidse oriëntalistiek miste, wat Snouck miste, wat al zijn briljante analyse miste, was directe kennis van het levende onderwerp. Hij had de Arabische manuscripten gelezen, de vroeg-islamitische geografie geanalyseerd, de rituelen van de Hadj gedeconstrueerd. Maar hij had Mekka nooit gezien. Hij had de Ka’bah nooit omcirkeld. Hij had nooit op de vlakte van Arafat gestaan.
Deze lacune voelde hij. En hij was niet de enige die haar voelde. In de oriëntalistische kringen van de late negentiende eeuw bestond een groeiend besef dat veldonderzoek een noodzakelijke aanvulling was op bibliotheekwerk. Niet dat de handschriften niet voldeden, niet dat de grammatica’s onbruikbaar waren, maar dat de levende werkelijkheid van de islamitische wereld dimensies had die geen manuscript kon overbrengen. De toon van de gesproken taal. De sociale dynamiek van de religieuze gemeenschap. Het rituele leven van de geloofspraktijk.
Dit alles vereiste aanwezigheid, niet alleen lectuur.
Bovendien had de Nederlandse staat een praktisch belang bij experts die niet alleen in de bibliotheek maar ook in het veld konden opereren. De Atjeh-oorlog sleepte voort. Het koloniale bestuur had behoefte aan mensen die begrepen hoe de islamitische gemeenschap werkte, wat de Hadj betekende voor de Indonesische pelgrims, hoe de pan-islamitische netwerken functioneerden. Een islamoloog die Mekka van binnenuit kende, was meer waard dan een islamoloog die alleen boeken had gelezen. Meer waard, in de meest concrete zin van het woord. Dit was de eerste stille koppeling die in 1883 al merkbaar was tussen Leiden en Atjeh, een koppeling die zes jaar later expliciet zou worden.
Na het congres, in de maanden die volgden, begon Snouck de mogelijkheden te verkennen. Hij sprak met De Goeje. Hij correspondeerde met contacten bij het Ministerie. Hij schreef brieven naar Jeddah en Caïro, naar geleerden en diplomatieke contacten in de regio. Hij bereidde zich voor, intellectueel en logistiek.
Het kantelmoment
Het Oriëntalistencongres van 1883 is in de loopbaan van Snouck een kantelmoment, niet dramatisch maar beslissend. Vóór het congres was hij een veelbelovende jonge geleerde met één publicatie. Na het congres was hij opgenomen in het internationale netwerk van de Europese oriëntalistiek, door de grote namen erkend als een collega van het eerste echelon, verbonden met Goldziher en anderen wier steun zijn verdere carrière zou dragen.
De kroning had echter een prijs, niet in geld maar in richting en identiteit. Door zich zo volledig te identificeren met de institutionele oriëntalistiek, door haar methoden zo volkomen te internaliseren, door haar netwerken zo actief te cultiveren, verbond Snouck zich aan haar perspectief. De islamitische wereld was het object. Hij was het subject. De Hadj was een pre-islamitisch feest. Hij had het aangetoond. De islamitische overlevering was historisch verklaarbaar. De methode had bewezen hoe.
En als hij nu naar Mekka zou gaan, dan zou hij er naartoe gaan als geleerde die het object bestudeert, niet als mens die de gemeenschap benadert. Die oriëntatie was in 1883 onwrikbaar. Het congres bevestigde haar. De institutionele wereld beloonde haar. Snouck had geen reden haar ter discussie te stellen.
Caïro als tussenstation
Vóór zijn aankomst in Leiden als congresorganisator had Snouck al de eerste stap gezet richting het Arabisch-sprekende gebied. In de jaren tussen zijn promotie en het congres had hij een studiereis gemaakt naar Caïro, waar hij in contact was gekomen met geleerden van de Al-Azhar en zijn gesproken Arabisch had geoefend op een manier die geen Leidse collegezaal kon bieden. Caïro was voor de Europese oriëntalistiek van de negentiende eeuw een belangrijke tussenhalte: de stad had een actief intellectueel leven, een grote Arabische manuscriptencollectie, en een islamitische universiteit die de oudste ter wereld was en die geleerden trok van over de hele islamitische wereld.
De Al-Azhar was echter ook een instelling die een andere benadering van de islamitische kennis vertegenwoordigde dan wat Snouck in Leiden had geleerd. Waar de Leidse oriëntalistiek de islam historisch-kritisch benaderde, bewaarde de Al-Azhar de traditie van de klassieke islamitische wetenschappen: de overdracht van kennis via isnad van meester op student, de studie van de fiqh, de hadith, de tafsir als religieuze disciplines met een eigen epistemologie, niet als historische bronnen voor seculiere analyse.
Snouck leerde in Caïro hoe de islamitische geleerden werkten. Hij leerde ook dat hun methode en de zijne fundamenteel incompatibel waren. Niet in de zin van vijandig tegenover elkaar. In de zin van twee systemen die dezelfde teksten lazen met verschillende vragen en verschillende doelstellingen. De Al-Azhar-geleerde vroeg: wat leert dit ons over de plichten van de gelovige. Snouck vroeg: wat vertelt dit ons over de historische ontwikkeling van de islamitische gemeenschap.
Deze incompatibiliteit drukte Snouck niet. Zij bevestigde hem in zijn methode. Hij was de wetenschapper met de superieure analytische gereedschappen. De Al-Azhar-geleerde was de gelovige met de overgeleverde kennis. Beide hadden hun waarde, maar de wetenschapper begreep wat de gelovige beleefde, terwijl de gelovige niet begreep wat de wetenschapper analyseerde. De asymmetrie was, in Snoucks ogen, een feit. De Sunna kent geen ondergrondse loyaliteitstest, omdat de shahada zelf de toets is. Snouck zou die logica in Mekka zelf demonteren, maar in 1883 was zij voor hem geen probleem.
De taal als sleutel
Een element dat Snoucks positie in de Europese oriëntalistiek onderscheidde van velen van zijn collega’s, was de kwaliteit van zijn gesproken Arabisch. Waar de meeste Europese oriëntalisten schriftelijk Arabisch beheersten, hadden slechts weinigen het gesproken Arabisch op het niveau dat noodzakelijk was voor echte conversatie. Snouck was een uitzondering. Zijn Arabisch was vloeiend en idiomatisch. Hij kon teksten lezen. Hij kon gesprekken voeren. Hij kon nuances opvangen, de toon en het register van zijn gesprekspartner inschatten.
Deze vaardigheid had hij deels in Leiden verworven, deels in Caïro verdiept, en zij zou hem in Jeddah en Mekka in staat stellen op te gaan in een gemeenschap als geen andere Europese oriëntalist hem voor had gedaan. Op het congres van 1883 was zijn talenkennis al zichtbaar. Hij kon corresponderen in het Arabisch. Hij kon discussiëren met bezoekers die Arabisch als eerste taal hadden. Hij kon de subtiliteiten begrijpen die anderen moesten missen.
Dit was een technisch voordeel, en het had een morele dimensie. De vloeiende taalbeheerser kan de ander op zijn eigen terrein benaderen, kan het vertrouwen winnen dat taaldeling creëert, kan binnenkomen waar anderen aan de deur worden gehouden. In het geval van Snouck was de talenkennis uiteindelijk een instrument voor infiltratie. De vloeiende spreker van het Arabisch kon door de grens van Mekka. De bibliotheekgeleerde kon dat niet.
De prijs van de erkenning
Er is iets melancholisch aan de figuur van de jonge Snouck die in april 1883 door de Leidse collegegangen loopt, de beroemde gasten begeleidt, de papieren verspreidt, de sessies voorzit. Hij is briljant, sociaal vaardig, ambitieus op een verheven manier. Hij wil de beste islamoloog van zijn generatie worden. Hij wil de dingen begrijpen. Hij wil kennis produceren die van belang is. Dit zijn geen lage drijfveren.
Maar de erkenning die hij op het congres vindt, bindt hem aan een systeem dat fundamenteel onrechtvaardig is in zijn structuur. Het systeem beschrijft de islamitische wereld zonder haar te raadplegen. Het systeem produceert kennis die ten dienste staat van koloniale macht. Het systeem beloont degenen die haar methoden beheersen en haar conclusies onderschrijven. Snouck beheerste de methoden. Hij onderschreef de conclusies.
De prijs was niet zichtbaar in 1883. De prijs zou zichtbaar worden in de Atjeh-oorlog, in de onderdrukking van de islamitische beweging in Indonesië, in de generatie koloniale ambtenaren die Snoucks analyses als leidraad gebruikten voor beleid dat moslimgemeenschappen beknotte in hun politieke zelfexpressie. Dat lag allemaal nog voor hem. In april 1883 stond hij op het congres en leerde wie hij wilde worden.
De ulama van Caïro en de stilte van Leiden
Er is een asymmetrie die het hele congres samenvat, en die Snouck als secretaris precies in zijn dossiers vasthield zonder er ooit een principekwestie van te maken. De geleerden van de Al-Azhar, de scholen van Damascus, de madrasa’s van Lucknow, de qarawiyyin van Fez: zij beheersten de Arabische manuscripten beter dan welke Europese oriëntalist ook. Zij kenden de isnad van de hadith van binnenuit. Zij hadden de tafsir geërfd langs een lijn die teruggaat tot de eerste generaties van Medina. En zij waren in Leiden afwezig.
Niet omdat zij geweigerd hadden te komen. Zij waren niet uitgenodigd. Niet omdat de congresorganisatoren actief obstructief waren. Het was domweg niet bedacht. Het idee dat een Egyptische sjeikh ﵀ van de Al-Azhar naast Goldziher en De Goeje zou zitten in de Arabische sectie, dat hij in dezelfde discussie zou meespreken over de overlevering van een hadith of de bronkritiek van een vroeg geschiedwerk, was buiten het bereik van de academische verbeelding van het toenmalige Europa.
Snouck noteerde, in de marge van zijn correspondentie, namen van geleerden in Caïro met wie hij contact onderhield. Hij wisselde brieven met hen. Hij waardeerde hen. Maar als gesprekspartner op het congres, als lid van de internationale geleerdenkring waarvan hij secretaris was, kwamen zij niet in aanmerking. Het congres was, zoals dat heette in de taal van die tijd, een gathering of Orientalists, niet een gathering of Orientals. De namen alleen al maakten het verschil duidelijk.
Jeddah aan de horizon
Een jaar na het congres zou Snouck in Jeddah staan, de havenstad aan de Rode Zee, de poort naar Mekka. Hij was er naartoe gegaan op kosten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, met een opdracht die nooit volledig openbaar werd gemaakt, in een hoedanigheid die nader omschreven moet worden.
Het congres had hem de legitimiteit gegeven. De staat zou hem de middelen verschaffen. En de combinatie van academische legitimiteit en staatsmiddelen zou hem brengen waar hij wilde komen: tot aan de drempel van de heilige stad die hij in zijn proefschrift had beschreven zonder haar ooit te hebben gezien.
De weg van de Leidse congreszaal naar de Jeddah-kade was korter dan zij leek.
Bronnen
- Wim van den Doel, Snouck, Boom (2021)
- C. Snouck Hurgronje, Verspreide Geschriften, 6 dln., K.F. Koehler (1923-1927)
- P. Sj. van Koningsveld e.a. (red.), Scholarship and Friendship: The Goldziher-Snouck Hurgronje Correspondence, Brill (2021)
- Edward Said, Orientalism, Pantheon Books (1978)
- Proceedings of the Seventh International Congress of Orientalists, Leiden (1883)
