De Consul In Jeddah
24 augustus 1884, Jeddah
Het vorige hoofdstuk eindigde met Snouck die in Leiden de wereld van de oriëntalistische geleerden bouwde tot zijn eigen platform en die in correspondentie met Den Haag de middelen verzamelde om de bibliotheek achter zich te laten. Op 24 augustus 1884 stapte hij van boord op de kade van Jeddah. Het schip dat hem had gebracht, voer terug naar Port Said. Hij bleef achter met zijn bagage, zijn aantekeningen, en een opdracht die hij niet volledig openbaar mocht maken.
Hij was achtentwintig jaar en hij stond aan de drempel van Mekka, of althans zo dicht daarvoor als een niet-moslim kon staan zonder de geheiligde grens te schenden. De stad lag tachtig kilometer landinwaarts, achter de bergen die de Hidjaz omsloten. Hij kon de pelgrims zien die door Jeddah trokken op weg naar de heilige plaatsen. Hij kon de stoeten karavanen volgen met zijn ogen en zijn notitieblok. De Ka’bah zelf lag buiten bereik, letterlijk en juridisch.
Jeddah was de enige stad in de Hidjaz waar niet-moslims mochten verblijven. Mekka was verboden terrein. De grens was oud, islamitisch recht, bevestigd door de Ottomaanse overheid die de Hidjaz beheerde in naam van de kalief, gerespecteerd door de Europese consuls die hun kantoren in Jeddah hielden en hun blikken richtten op de handel en de politiek van de regio maar niet op de heilige stad zelf. Snouck vestigde zich in Jeddah. Hij begon te studeren, te observeren, te corresponderen. En hij begon na te denken over de vraag hoe hij de tachtig kilometer kon overbruggen.
Het antwoord lag al in zijn proefschrift besloten, al had hij het toen nog niet volledig uitgedacht.
Het Ministerie en zijn geld
Snouck reisde niet op eigen kosten. Zijn reis naar de Hidjaz werd gefinancierd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken in Den Haag, een opmerkelijk feit dat nader onderzoek verdient. Waarom zou een ministerie dat zich bezighoudt met binnenlandse zaken een Leidse oriëntalist financieren voor een reis naar het Arabische schiereiland.
Het antwoord ligt in de eigenaardige positie van Nederland als koloniale mogendheid. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken beheerde in die periode ook aspecten van de koloniale portefeuille, en er bestond een nauw verband tussen de binnenlandse beleidsvraagstukken rondom de Indonesische gemeenschap in Nederland en de bredere koloniale problematiek. Maar er is een diepere reden dan de bureaucratische organisatie van departementen.
De Nederlandse staat zag in de Mekka-pelgrimage een politiek vraagstuk van de eerste orde. Jaarlijks vertrokken tienduizenden Indonesische moslims naar de Hidjaz. Zij keerden terug met ideeën, met verbindingen, met religieuze impulsen, en soms met politieke contacten die het koloniale bestuur als potentieel gevaarlijk beschouwde. De Atjeh-oorlog, die al meer dan tien jaar duurde en nog geen einde toonde, was een voortdurende herinnering aan de kracht van de islamitische mobilisatie als basis voor gewapend en langdurig verzet. De Acehese strijders die de Nederlandse troepen jaar na jaar tegenhielden, haalden hun morele en militaire volharding mede uit hun islamitische overtuiging en hun verbindingen met de bredere islamitische wereld, inclusief Mekka.
Een geleerde die Mekka kon bestuderen, die de pan-islamitische netwerken kon in kaart brengen, die inzicht kon geven in de religieuze en politieke dynamiek van de bedevaartsgemeenschap, die kon identificeren welke sjeikhs welke invloed uitoefenden op de terugkerende Indonesische pelgrims: zulke kennis had strategische waarde. Het Ministerie investeerde in Snouck als men investeert in inlichting. Niet in de productie van neutrale kennis. In de productie van bruikbare kennis voor een specifiek beleidsdoel.
Snouck accepteerde de financiering. Hij had ook geen keuze als hij naar de Hidjaz wilde. Zijn academisch salaris zou de reis niet dragen, en er waren in 1884 geen private fondsen voor dit soort ondernemingen. Maar de acceptatie betekende iets structureels. Het betekende dat hij voortaan niet alleen een geleerde was die de islam bestudeerde vanuit intellectuele nieuwsgierigheid, maar ook een agent van de Nederlandse staat die de Hidjaz bezocht met een oog op koloniale beleidsinformatie. De grenzen tussen wetenschap en inlichting, altijd al poreus in het oriëntalistische project, werden hier formeel overgestoken.
Plausibele ontkenbaarheid
Er is een element in de constructie van Snoucks Mekka-expeditie dat bijzondere aandacht verdient: de kwestie van de plausibele ontkenbaarheid voor de Nederlandse staat. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken financierde Snouck. Maar de officiële omschrijving van zijn opdracht was die van een wetenschappelijk onderzoek naar de islamitische samenleving van de Hidjaz. Nergens in de officiële correspondentie die bewaard is gebleven, wordt expliciet vermeld dat hij Mekka diende te betreden of dat hij een islamitische identiteit zou aannemen.
Dit is een diplomatieke constructie van enige fijnzinnigheid. De staat wilde de kennis die alleen verkregen kon worden door de grens te overschrijden, maar wilde niet formeel verantwoordelijk zijn voor de methode waarmee die kennis werd verkregen. Als Snouck Mekka binnenging en door de Ottomaanse autoriteiten ontdekt werd, was hij een individuele academicus die een persoonlijke, roekeloos genomen beslissing had genomen. Geen agent van de Nederlandse staat die een officiële opdracht uitvoerde. Den Haag kon hem dan verwerpen, distantie houden, diplomatieke schade beperken.
Snouck begreep deze constructie en accepteerde haar. Hij begaf zich, met staatsgeld, in een positie waarbij de staat zijn acties kon verwerpen als zij politiek inopportuun zouden worden. Dit is de structuur van geheime operaties in alle tijden: de aanstichter beschermt zichzelf, de uitvoerder neemt het risico. Snouck was slim genoeg om dit te doorzien en ambitieus genoeg om het te accepteren. De kennis die hij zou vergaren, zou zijn naam vestigen. Het risico dat hij liep, was persoonlijk.
Het is hier de moeite waard een sober gereconstrueerd moment te plaatsen. Het soort gesprek dat in de zomer van 1884 tussen Den Haag en een betrokken consulair functionaris denkbaar is, in de geest van Van den Doels reconstructie van de toenmalige diplomatieke cultuur.
Hoge ambtenaar (Den Haag): De geleerde uit Leiden vertrekt aankomende week. Officieel: wetenschappelijke missie naar de Hidjaz. Wat hij in Jeddah doet, valt onder zijn academische verantwoordelijkheid.
Consulair functionaris: En wat hij eventueel buiten Jeddah doet.
Hoge ambtenaar (Den Haag): Buiten Jeddah doet hij niets dat ons ministerie heeft opgedragen. Wat hij persoonlijk besluit te ondernemen, gebeurt op zijn eigen verantwoordelijkheid. Wij financieren een onderzoek, niet een methode.
Consulair functionaris: Begrepen.
De dialoog is een illustratie, geen citaat. Het patroon zelf, beschrijvende opdrachten met operationele onderbuik, is in de koloniale staatsdocumentatie van die jaren goed gedocumenteerd. De staat wist wat hij niet wilde weten.
De stad als observatorium
Jeddah was in 1884 een van de meest internationaal bevolkte steden van de Arabische wereld. Pelgrims uit alle windstreken van de islamitische wereld, van West-Afrika tot China, van Centraal-Azië tot het verre oosten van de Maleise archipel, passeerden de stad op weg naar en van Mekka. Handelaren, consuls, lokale sjeikhs, Ottomaanse ambtenaren, Indiase kooplieden, Hadrami diasporagemeenschappen die hun handelsnetwerken over de hele Indische Oceaan uitspanden: de stad was een microkosmos van de islamitische wereld in haar koloniale tijdperk.
De Europese consuls zaten in Jeddah omdat zij niet in Mekka mochten zitten. Zij beheerden de belangen van hun onderdanen in de regio, rapporteerden aan hun respectieve regeringen over de politieke situatie in de Hidjaz en de Arabische wereld, hielpen de kooplieden van hun land bij hun commerciële activiteiten. De consuls waren ook informanten: zij observeerden, rapporteerden, analyseerden. Jeddah was een stad van waarnemen en gerapporteerd worden.
De stedelijke fysionomie zelf is veelzeggend. De Nederlandse consul, de Britse consul, de Franse consul, de Russische consul: zij hadden hun kantoren op steenworp afstand van elkaar in de oude stad, in koraalstenen woningen met dichtgemetselde traliebalkons die de hitte van de Rode Zee buitenhielden. Beneden in de straat trokken de karavanen voorbij naar het binnenland: kameelstoeten met gehulde pelgrims uit Sumatra, gele Sokotrische Arabieren, Bukharezen in lange jassen, Afrikanen uit Bornu en Soedan. In de soeks van Jeddah hoorde men in één middag de talen van een halve oemma. En in al die talen klonk hetzelfde verlangen: de poort van Mekka, tachtig kilometer verder oostwaarts.
Snouck was er niet toevallig. Als Arabist sprak hij de taal, als islamoloog begreep hij de context, als financieel gesteunde wetenschapper van het Ministerie had hij de middelen en de tijd, en als intelligent waarnemer had hij het oog en het oor voor wat van belang was. Hij vestigde contacten, onderhield gesprekken, luisterde aandachtig. Hij bestudeerde de Indonesische pelgrims die Jeddah passeerden, sprak met hen in het Arabisch en via tolken, leerde van hen hoe de Indonesische islamitische gemeenschap de pelgrimage beleefde, welke netwerken er bestonden tussen Mekka en Java, welke sjeikhs invloedrijk waren in de Indonesische gemeenschap van de heilige stad.
De informatie die hij in Jeddah vergaarde, was al van directe beleidswaarde. Maar Jeddah was voor hem een tussenstation. De eigenlijke bestemming lag tachtig kilometer verderop.
De Djawa-stroom en wat zij meebracht
Bijzondere aandacht in Snoucks Jeddah-verblijf verdient zijn intensieve studie van de Indonesische pelgrimsgemeenschap die jaarlijks door de stad trok. De stroom Indonesische moslims naar Mekka was in de negentiende eeuw aanzienlijk. Tienduizenden mensen per jaar verlieten de archipel voor de lange en kostbare zeereis die hen via Aden en Jeddah naar de heilige plaatsen bracht. Zij kwamen van Java, Sumatra, Borneo, de Molukken, elk jaar opnieuw, in aantallen die het koloniale bestuur verontrustten naarmate de Atjeh-oorlog voortduurde.
Snouck observeerde deze pelgrims in Jeddah met de ogen van de wetenschapper en de oren van de inlichtingenanalist. Hij sprak met hen, leerde hun sociale achtergrond, hun economische positie, hun religieuze vorming en hun politieke oriëntaties kennen voor zover hij die in korte gesprekken kon aftasten. Hij identificeerde de sjeikhs bij wie zij in Mekka wilden studeren, de netwerken waarlangs zij gereisd waren, de contacten die zij wilden leggen.
Wat hij leerde was verontrustend voor iemand in dienst van de koloniale staat. De Hadj functioneerde als een krachtige cohesiemaker voor de islamitische gemeenschap van de archipel, als een plek waar Javanen, Atjehers, Maleisiërs en mensen uit de Buitengewesten zich als één oemma erkenden, als leden van hetzelfde geloof, gebonden door dezelfde praktijk. De pan-islamitische solidariteit die de koloniale overheid vreesde als politiek gevaar, was in Jeddah en Mekka zichtbaar als een levende sociale realiteit. Niet een theorie, niet een propagandaproduct van Istanbul. Een geleefde werkelijkheid.
Snouck noteerde dit alles. Hij analyseerde het. En hij begon de implicaties te begrijpen voor het koloniale beleid. De Hadj was niet alleen een religieuze plicht maar een politiek instituut dat de eenheid van de islamitische gemeenschap reproduceerde en versterkte, over de grenzen van taal en eiland heen. Wie de Hadj wilde begrijpen, begreep de islamitische wereld. Wie de islamitische wereld wilde beheersen, moest de Hadj begrijpen. En wie de islamitische wereld wilde beheersen in de archipel, moest de Hadj begrijpen in haar Mekkan kern.
De Ottomaanse context
De Hidjaz waarin Snouck aankwam in augustus 1884, was een provincie van het Ottomaanse Rijk die een bijzondere status had. Mekka en Medina waren de heiligste steden van de islam. De Ottomaanse sultan droeg de titel van “dienaar van de twee heilige steden” en ontleende aan de bescherming van de Hidjaz een groot deel van zijn religieuze legitimiteit in de islamitische wereld. De provincie werd bestuurd door een Ottomaanse gouverneur. Maar de lokale structuren van macht, handel en religie waren grotendeels Arabisch en hadden hun eigen interne logica die de Ottomaanse bureaucratie niet volledig had doordrongen.
Sultan Abdulhamid II, die in 1884 regeerde, had de pan-islamitische politiek tot hoeksteen van zijn buitenlandse beleid gemaakt. Hij probeerde de islamitische wereld, die van Marokko tot Indonesië door Europese koloniale machten werd bedreigd, te mobiliseren rond het Ottomaanse kalifaat als politiek en religieus centrum. De Hadj was in dit kader een politiek instrument van grote waarde. Elk jaar kwamen moslims uit de hele wereld naar Mekka, ontmoetten elkaar, onderhielden netwerken, vervoerden ideeën en sentimenten terug naar hun landen van herkomst.
De Europese koloniale machten, Nederland inbegrepen, waren zich scherp bewust van deze pan-islamitische dimensie. De vrees was niet ongegrond. De Atjeh-oorlog, die al meer dan tien jaar voortduurde, had een duidelijk islamitische mobilisatiedimensie. De Acehese strijders haalden morele steun en soms ook materiële steun uit hun verbindingen met de bredere islamitische wereld, inclusief de Ottomaanse context.
Snouck arriveerde in Jeddah op het moment dat de spanning tussen de Ottomaanse pan-islamitische aspiraties en de Europese koloniale belangen op haar hoogst was. Hij was een vertegenwoordiger van een koloniale macht die vreesde voor wat de Hadj politiek kon losmaken. Hij was tegelijk een wetenschapper die geloofde dat begrip de beste strategie was om die vrees te kanaliseren in effectief beleid. Beide rollen verdroegen zich in hem zonder spanning, want in zijn kader waren wetenschappelijke kennis en koloniale politiek geen tegengestelden maar complementaire instrumenten van hetzelfde project.
De Hadrami-netwerken en de schaduw van Atjeh
In de havenstad ontmoette Snouck de Hadrami-diaspora, de uit Hadramawt afkomstige handelaren en geleerden die over de hele Indische Oceaan hun netwerken hadden uitgespannen, van Aden tot Surabaya, van Mombasa tot Singapore. Het waren deze Hadrami’s die in de Indonesische archipel hadden bijgedragen aan de verdieping van de islamitische geleerdheid in de vorige eeuwen en die nog steeds, in 1884, een wezenlijke verbinding vormden tussen Mekka en Java. Zij waren reder, koopman, sjeikh, soms alles tegelijk.
Snouck leerde hun namen, hun families, hun handelsgebieden. Hij leerde welke Hadrami-families verbonden waren met welke regenten in de archipel, welke sjeikhs in Mekka hun trots als afstammelingen van de Profeet ﷺ omkleedden met een gezag dat een rol speelde in Java. Hij begreep dat de pan-islamitische verbinding niet alleen ideologisch was. Zij was familiaal, commercieel, juridisch, geletterd. Zij was, in één woord, sociaal verankerd. En sociale verankering laat zich niet wegwuiven met een militair offensief.
Hier ligt de stille koppeling tussen Snoucks Jeddah-werk en de Atjeh-oorlog die hij vijf jaar later zou helpen beslechten. De informatie die hij op de Jeddah-kade vergaarde over Hadrami-bemiddelaars en pelgrimnetwerken, zou de basis vormen van de adviezen waarmee hij in Batavia de structuur van de Acehese weerstand zou helpen ontleden. Het is een lijn die in 1884 nog niet is uitgesproken, maar die intern al loopt: van Jeddah naar Banda Atjeh, over Mekka en Leiden.
De grens en wat zij beschermde
De grens om Mekka, de zogenaamde Haram-grens, is geen willekeurige administratieve lijn. Zij is een theologische werkelijkheid, verankerd in de Koran en de Sunna, bewaakt door eeuwen van islamitisch recht. De verbodsbepaling voor niet-moslims is expliciet: wie de heilige stad betreedt zonder geloof, schendt de heiligheid van de ruimte die Allah ﷻ heeft aangewezen als het centrum van de aanbidding, de plek die Ibrahim ﵇ bouwde op goddelijk bevel.
De Ottomaanse overheid handhaafde de grens met wisselende intensiteit maar principiële consequentie. De Europese consuls respecteerden haar, niet uit religieuze overtuiging maar uit diplomatieke noodzaak: het Ottomaanse Rijk was hun gastheer in de regio, en een incident rondom de heilige steden zou onaanvaardbare diplomatieke consequenties hebben gehad. Bovendien was de handhaving van de grens praktisch eenvoudig: de toegangswegen waren beperkt, de lokale bevolking kende haar bezoekers, vreemdelingen vielen op.
De grens stond.
Maar Snouck was niet bereid die grens als definitief te accepteren. Hij redeneerde, zo blijkt uit zijn latere geschriften en zijn correspondentie met Goldziher, dat zijn academische missie het overschrijden van de grens vereiste. Om de Hadj werkelijk te begrijpen, moest hij hem van binnenuit observeren. Om de islamitische gemeenschap van Mekka te analyseren, moest hij zich erin bewegen. De these die hij in Leiden had geformuleerd en die hij op het congres had verdedigd, vereiste empirische verificatie in het veld.
Het was een redenering die hij niet hardop uitsprak in de aanwezigheid van de Ottomaanse autoriteiten, maar die hij wel degelijk intern voerde. En de consequentie van die redenering was één. Hij moest de grens overschrijden. En de enige manier om de grens legaal te overschrijden, was als moslim. De Sunna kent geen ondergrondse loyaliteitstest, omdat de shahada zelf de toets is. De toets bestaat. De grens bestaat.
Het oefenen van een rol
Er was maar één manier om Mekka legaal te betreden: als moslim. En er was maar één manier om als moslim erkend te worden: de shahada uitspreken, de geloofsbelijdenis, de kern van de islamitische identiteit, de articulatie van overgave aan Allah ﷻ en erkenning van de Profeet ﷺ als Zijn boodschapper. Voor een gelovige is de shahada de kern van het geloof, het fundament van de identiteit, de poort tot de oemma. Voor Snouck zou zij een toegangspas worden.
Wim van den Doel analyseert in zijn biografie de stappen waarmee Snouck zich in Jeddah voorbereidde op deze stap. Zij waren methodisch en zorgvuldig, zoals alles wat Snouck deed. Hij voerde gesprekken met islamitische geleerden in Jeddah. Hij verdiepte zijn kennis van de islamitische gebedsrituelen in hun praktische uitvoering. Hij leerde de bewegingen van het gebed die men van een gelovige moslim verwacht. Hij liet een baard staan. Hij nam de kleding van een moslim aan. Hij leerde de specifieke kennis die nodig was om geloofwaardig over te komen als iemand die al jaren moslim was en zijn geloof trouw beoefende.
Hij oefende niet de binnenkant van het geloof. Die had hij niet. Hij oefende de buitenkant. De lichaamstaal. De rituele bewegingen. De sociale omgangsvormen. De religieuze formules die een moslim gebruikt in dagelijkse interacties. Het was acteertraining, doorgedreven en consequent, uitgevoerd door iemand die wist dat zijn vrijheid en mogelijk zijn leven ervan afhingen als de act zou mislukken.
Het consulaat als instituut
De Europese consulaire post in Jeddah was in de negentiende eeuw een hybride instelling. Formeel beheerde de consul de handelsbelangen en de bescherming van de onderdanen van zijn land. In de praktijk was hij de oren en ogen van zijn regering in een regio die strategisch en religieus van groot belang was voor de hele islamitische wereld. De consuls in Jeddah rapporteerden niet alleen over scheepvaart en kooplieden, maar ook over de Hadj-bewegingen, over de Ottomaanse politiek in de Hidjaz, over de religieuze stromingen onder de pelgrims, over de stemmingen van de lokale ulama en sjarifen.
De Nederlandse consulaire vertegenwoordiging in Jeddah was relatief klein in vergelijking met die van de Britten of de Fransen, maar zij was strategisch geplaatst. De Nederlandse pelgrimstromen uit Nederlands-Indië waren een van de grootste afzonderlijke Hadj-stromen ter wereld. Wat in Jeddah gebeurde rondom Indonesische pelgrims, had directe consequenties voor het bestuur over miljoenen moslims op de archipel. Snouck arriveerde dus niet in een institutioneel vacuüm. Hij arriveerde in een infrastructuur van Europese consulaire observatie die al decennia functioneerde, en hij voegde aan die infrastructuur het diepe begrip toe dat een gewone consul niet kon leveren.
Het verschil tussen de consul en Snouck is van belang. De consul observeerde van buitenaf. Hij sprak met handelaren, met Ottomaanse ambtenaren, met de Europese kooplieden die in de stad woonden. Hij was zichtbaar als Europeaan, en zijn observaties bleven aan de buitenkant van de gemeenschap die hij analyseerde. Snouck zou, in zijn aanstaande Mekka-onderneming, deze buitenkant doorbreken. De consul kon niet meer dan rapporteren over de schaduwen op de stadsmuur. Snouck wilde in het huis zelf zijn.
Het stadsbeeld van Jeddah
De stad zelf was in 1884 een eigenaardige plek. De koraalstenen huizen met hun smalle, dichtgemetselde houten balkons, de zogenaamde mashrabiyya’s, vingen wat zeebries er was en hielden het felle zonlicht van de Rode Zee buiten. De smalle steegjes geurden naar wierook, naar de uitwerpselen van kamelen en muildieren, naar de specerijen van de pelgrimsmarkten. Het water was schaars, het was zilt, en de welgestelde families lieten karavanen organiseren om zoet water uit het binnenland te halen.
Mannen uit de hele oemma liepen in deze stegen. Een Bengaalse pelgrim met zijn ronde kalotje passeerde een Marokkaanse koopman in zijn djellaba. Een Sudanese sjeikh in donker gewaad stond stil voor een winkel van Hadrami-handelaren. Indonesische pelgrims in hun hadji-kledij, vaak voor het eerst in hun leven zo ver van huis, keken om zich heen met een mengeling van eerbied en uitputting. In de moskeeën weerklonk de adhan vijfmaal daags. In de havenkroegen, voor zover er waren, klonken talen die geen Leidse oriëntalist ooit allemaal kon thuisbrengen.
Snouck dronk dit alles in. Hij liep door de stad, sprak mensen aan, schreef alles op. Hij ontwikkelde een mentale kaart van wie wie was en wie met wie verbonden was. Hij merkte op welke families de pelgrimseconomie domineerden, welke karavaanleiders het vertrouwen genoten van de Indonesische groepen, welke sjeikhs in de stadsmoskee invloed uitoefenden over de aankomende en vertrekkende pelgrims. Geen detail leek hem te triviaal om te noteren, want de details vormden de structuur van een gemeenschap, en de structuur was wat hij wilde begrijpen.
In de wachtkamer
De maanden in Jeddah waren niet verloren tijd. Snouck produceerde er al materiaal dat later zijn weg zou vinden naar de twee banden van Mekka: observaties van de Jeddah-gemeenschap, interviews met pelgrims die de Hadj achter de rug hadden, aantekeningen over de sociale structuur van de Hidjaz-samenleving, beschrijvingen van de Hadrami-diaspora en haar rol in het commerciële leven van de havenstad. Zijn observatievermogen was buitengewoon scherp, zijn geheugen nauwkeurig, zijn notitiegewoonte systematisch.
Hij bouwde ook relaties op. Hij werd opgenomen in de kring van de Jeddah-gemeenschap, islamitische geleerden en kooplieden die hem kenden als een geleerde vreemdeling die de taal sprak en de gebruiken respecteerde. Via deze contacten leerde hij ook meer over de Mekkan samenleving: hoe de stad georganiseerd was, welke families invloedrijk waren, hoe het systeem van islamitisch onderwijs in de heilige stad werkte, welke sjeikhs studenten aantrokken van over de hele islamitische wereld.
Maar het materiaal dat hij in Jeddah kon verzamelen, was in zijn eigen ogen onvolledig. De kern van wat hij wilde begrijpen, het binnenste van de heilige gemeenschap, de rituelen die hij in zijn proefschrift had geanalyseerd vanuit Leidse bibliotheekomstandigheden, de sociale dynamiek van de Mekkan samenleving: dat alles vereiste aanwezigheid in de stad zelf.
Hij wachtte. Hij bereidde zich voor. En op 17 januari 1885 was hij klaar.
De grens overschreden
Het moment waarop Snouck de shahada uitsprak en de naam Abdul Ghaffar aannam, lag niet in Mekka maar in Jeddah. Hier, in de havenstad, voor moslimgetuigen die hem kenden als een geleerde met islamitische sympathieën, voltrok zich de formele overgang. Hij werd erkend als moslim. Hij boekte een plaats in de karavaan naar Mekka.
De tachtig kilometer die hem van de heilige stad scheidden, waren niet langer juridisch onoverbrugbaar. Hij had de status die de grens toegankelijk maakte. Of liever: hij had de schijn van die status aangenomen. De werkelijkheid van het geloof, de innerlijke overgave die de shahada veronderstelt en vereist, was er niet.
Dit is de kern van wat in Jeddah plaatsvond. Een man die intellectueel briljant was, institutioneel gesteund, methodologisch consequent, ethisch stuurloos, overschreed een grens die bedoeld was om een heilige gemeenschap te beschermen. Hij deed dit bewust, planmatig en met voorbedachten rade. En hij deed het met de steun, al was het impliciete steun, van de Nederlandse staat. De gemeenschap die hem zou ontvangen, wist nergens van. Zij zou de shahada horen, en zij zou het convenant erkennen dat zij in haar oren altijd had erkend.
De heilige stad lag open voor hem. Wat hij daar zou doen, en wat het de oemma zou kosten, is het volgende hoofdstuk.
Bronnen
- Wim van den Doel, Snouck, Boom (2021)
- C. Snouck Hurgronje, Mekka, 2 dln., Martinus Nijhoff (1888-1889)
- C. Snouck Hurgronje, Verspreide Geschriften, 6 dln., K.F. Koehler (1923-1927)
- Edward Said, Orientalism, Pantheon Books (1978)
