InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

De Mannen van 1873
OriëntalismeChristiaan Snouck Hurgronje

De Mannen van 1873

De Mannen van 1873

De jongen in Oosterhout, wiens geboorte en milieu in het voorgaande artikel werden beschreven, was in september 1873 zestien jaar oud. Hij zat op het gymnasium, worstelde met zijn Griekse grammatica en zijn Latijnse proza, en had geen weet van wat er op 8 september van dat jaar in de Belgische stad Gent plaatsvond. Maar de mannen die die dag bijeenkwamen, bouwden een bouwwerk dat zijn leven zou doorkruisen op een wijze die geen van hen kon voorzien. Zij legden de grondvesten van het moderne internationale recht. De juridische architectuur die de Europese beschavingspretentie haar respectabele façade zou geven en die de koloniale onderwerping van islamitische volken haar wettelijke rechtvaardiging zou verschaffen. Een architectuur, niet zomaar een verzameling regels. De spanten waren in Gent klaar voordat de muren ergens anders werden opgetrokken.

Gent, 8 september 1873

Gent had in de negentiende eeuw een reputatie als centrum van intellectueel en politiek leven. Een stad van universiteiten, fabrieken en Vlaamse culturele identiteit, gelegen aan de samenvloeiing van Leie en Schelde, met een middeleeuwse binnenstad die haar burgers herinnerde aan de gloriejaren van de Vlaamse stadsstaten. In september 1873 verzamelden zich daar elf juristen van Europese komaf voor een vergadering die zij zelf zouden omschrijven als de oprichting van een wetenschappelijk instituut voor het internationale recht.

Zij noemden hun instelling het Institut de Droit International, het Instituut voor Internationaal Recht. Het was geen gouvernementele organisatie en geen verdragsorgaan. Het claimde geen wettelijk gezag en had geen dwangmechanisme tot zijn beschikking. Het was een academisch genootschap van geleerde juristen die meenden dat het internationale recht wetenschappelijk moest worden gefundeerd, systematisch ontwikkeld, en door neutrale deskundigen bevorderd, los van de directe belangen van de staten die zij als juristen dienden. De claim van onafhankelijkheid was oprecht. Zij was niettemin onhoudbaar.

De oprichtingsvergadering werd voorgezeten door Gustave Rolin-Jaequemyns, een Belgisch jurist en staatsman die de intellectuele drijvende kracht achter de oprichting was. Naast hem zaten mannen als de Italiaan Pasquale Stanislao Mancini, de Nederlander Tobias Asser, de Zwitser Johann Caspar Bluntschli, de Engelsman John Westlake, de Fransman Charles Vergé en de Argentijn Carlos Calvo. Zij kwamen uit verschillende landen en uit uiteenlopende juridische tradities, maar zij deelden een overtuiging. Het internationale recht was een rationele wetenschap. Europa had de plicht haar te ontwikkelen. Europa had de plicht haar toe te passen. Dat Europa in dit frame zowel de wetgever was als de maatstaf waaraan de wet werd gemeten, was een cirkelredenering die destijds door weinigen werd opgemerkt, omdat zij voor degenen die binnen de cirkel stonden geen cirkel was maar een horizon.

Gustave Rolin-Jaequemyns

Van de elf oprichters was Rolin-Jaequemyns de meest bepalende. Geboren in 1835 in Gent, was hij jurist, politicus en publicist. In 1868 had hij de Revue de Droit International et de Législation Comparée opgericht, het eerste en toonaangevende tijdschrift voor internationaal recht in het Frans. Dat tijdschrift was de intellectuele voorbereiding voor wat in 1873 institutioneel zou worden verankerd. Het had een Europees publiek van juristen bijeengebracht, hun debat geleid, en een gemeenschappelijke taal gecreëerd voor de bespreking van internationaalrechtelijke vragen. Wie een tijdschrift opricht, schept een lezerschap. Wie een lezerschap schept, bezit het uitgangspunt voor een instituut.

Rolin-Jaequemyns was geen cynicus. Hij geloofde oprecht in de mogelijkheid van een internationale orde gebaseerd op recht en rede. Zijn werk aan de Revue was gedreven door de overtuiging dat een wetenschappelijk gefundeerd internationaal recht de willekeur van de machtspolitiek kon beteugelen, dat het sterke naties kon dwingen rekening te houden met de rechten van zwakkere, en dat het uiteindelijk zou bijdragen aan een vreedzame orde. Dit was een nobel ideaal, en het was oprecht gemeend.

Maar zijn conceptie van die orde was fundamenteel Europees. Het internationale recht was, in zijn visie, de codificatie van de beschaafde omgang tussen staten, en de maatstaf van beschaving was Europees. Niet-Europese volken en samenlevingen vielen buiten deze orde. Niet primair als kwestie van racistische uitsluiting, want zo dachten de meeste oprichters het niet, maar als kwestie van wat hij beschouwde als historische ontwikkeling. Zij hadden de beschaving nog niet bereikt die internationale rechtsgelijkheid vereiste. Dit onderscheid had verstrekkende praktische gevolgen die hij, evenals zijn collega’s, beschouwde als een vanzelfsprekendheid van de historische situatie. De vanzelfsprekendheid is, in retrospect, vaak het meest verraderlijke van een tijdsgewricht.

Het beschavingsbeginsel als juridische categorie

Het begrip “beschaving” was in het internationale recht van de negentiende eeuw geen retorische versiering maar een technische juridische categorie. Alleen beschaafde staten konden deel uitmaken van de internationale rechtsorde. Alleen beschaafde staten hadden rechten die door andere staten moesten worden gerespecteerd: het recht op territoriale integriteit, het recht op diplomatieke vertegenwoordiging, het recht op handhaving van verdragen. De vraag wie beschaafd was, werd beantwoord vanuit een Europees perspectief, en het antwoord was: Europa, en, met enige aarzeling, de door Europa beïnvloede Amerikaanse staten. Het was een vraag waarop alleen wie haar stelde, het antwoord wist.

Dit beschavingsbeginsel was niet slechts een politieke pretentie. Het was een juridische structuur, ingebouwd in de systematiek van het internationale recht zelf, die aan Europese staten het recht gaf om niet-Europese samenlevingen te besturen, te hervormen en te transformeren. De family of nations waarover de internationaalrechtgeleerden spraken, was per definitie een Europese familie. Niet-Europese volken waren kinderen die nog naar rijpheid moesten groeien, geen volwaardige leden van de internationale gemeenschap, en het was de plicht van de volwassen Europese staten hen op die weg te begeleiden. Dit was, in haar interne logica, een vaderlijke ideologie. En zoals bij elke vaderlijke ideologie was het kind het laatst geconsulteerd over wat het nodig had.

Een Europese staat die een kolonie bezette, handelde in de termen van dit internationale recht dus niet als agressor maar als beschavende macht. De koloniale onderwerping van volken die nog niet rijp waren voor zelfbestuur was geen schending van het internationale recht. Zij was de uitvoering van een beschavingsplicht. Het recht omarmde het kolonialisme niet ondanks zijn universele pretenties, maar in zekere zin dankzij ervan. Geen beschaving, geen rechten. Geen rechten, geen bescherming. Geen bescherming, geen grens aan wat met de niet-beschaafde mocht worden gedaan.

Pasquale Stanislao Mancini

De Italiaan Pasquale Stanislao Mancini was een van de meest invloedrijke internationaalrechtelijke denkers van zijn generatie. Hij had in 1851 zijn beroemde rede Della Nazionalità come Fondamento del Diritto delle Genti gehouden, een uitwerking van het nationaliteitsbeginsel als grondslag van het internationale recht. Volken met een gemeenschappelijke taal, cultuur en geschiedenis hadden het recht op een eigen staat. Dit beginsel was progressief in zijn Europese toepassing, want het ondersteunde de Italiaanse eenwording, de Griekse onafhankelijkheid, de Roemeense en Bulgaarse nationale bewegingen. Het hielp Europa zich te vormen naar het beeld dat het van zichzelf had: een mozaïek van zelfbewuste naties.

Maar Mancini’s nationaliteitsbeginsel bevatte geen mechanisme voor zijn toepassing buiten Europa. De moslimvolken van Sumatra. De Berberstammen van Noord-Afrika. De islamitische gemeenschappen van Centraal-Azië. Zij bezaten een religieuze en culturele identiteit, en in veel gevallen een nog veel oudere dan die welke in Europa de basis vormde van de nationale beweging, maar die identiteit werd door het Europese recht niet erkend als grondslag voor nationale zelfbeschikking. In de Europese rechtstheorie was de natie een politieke constructie, gebaseerd op taal, staatsinstellingen en grondwettelijke traditie. Een islamitische umma die haar identiteit ontleende aan de band met de Profeet ﷺ en zijn Metgezellen ﵃, aan de shari’a en aan dertien eeuwen geleerdentraditie, paste niet in dit kader. Niet omdat zij geen natie was naar elke maatstaf, maar omdat zij geen natie was naar de Europese maatstaf, en alleen de Europese maatstaf gold.

Het gevolg was een systematische blindheid. De rijke diversiteit van islamitische politieke tradities, de sultanaten, de emiraten, de stamfederaties, de geleerdenrepublieken: zij werden door de Europese internationaalrechtelijke theorie niet gezien als legitieme vormen van politieke organisatie maar als primitieve of barbaarse structuren die beschaving nodig hadden. De shari’a als rechtssysteem werd niet behandeld als een equivalent van het Europese recht maar als een religieuze praktijk die buiten de juridische sfeer viel. Dat de shari’a nauwelijks te onderscheiden viel van wat in Europa “recht” heette, behalve in haar grondslag, was een vergelijking die niemand maakte omdat de uitkomst van de vergelijking onaanvaardbaar zou zijn geweest.

Tobias Asser

De Nederlander Tobias Michael Carel Asser was de man die het internationale recht het dichtst bij huis bracht, in elk geval voor dit verhaal. Geboren in Amsterdam in 1838, hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam vanaf 1862, en later lid van de Raad van State, was Asser de meest vooraanstaande Nederlandse internationaalrechtelijke geleerde van zijn tijd. Hij zou in 1911 de Nobelprijs voor de Vrede ontvangen voor zijn bijdragen aan het internationale privaatrecht, in het bijzonder voor zijn werk aan de Haagse conferenties voor internationaal privaatrecht. Hij was een man wiens reputatie op een blad papier kon staan zonder een vlek.

Asser was een jurist van de Verlichting in de beste zin van het woord. Rationeel, systematisch, gedreven door het geloof dat het recht kon bijdragen aan een rechtvaardiger wereld. Hij was ook een man van het Nederlandse establishment: zijn contacten strekten zich uit van de universitaire wereld tot de diplomatie, van de juridische wetenschap tot de politiek. Zijn betrokkenheid bij het Institut de Droit International weerspiegelde het geloof dat wetenschappelijk gefundeerd internationaal recht de uitweg bood uit de anarchie van het internationale staatssysteem. Dat dezelfde wetenschappelijkheid een buitenkant kon zijn om iets anders binnen te laten, was een gedachte die in zijn kring niet werd gedacht.

Asser en de Atjeh-oorlog

Hier doet zich een spanning voor die de historicus niet kan vermijden. In hetzelfde jaar 1873, op 26 maart, hadden Nederlandse troepen voor de eerste keer voet gezet op Atjehse bodem, in een militaire campagne die zou uitlopen op de langste en bloedigste oorlog uit de Nederlandse koloniale geschiedenis. Atjeh, het islamitische sultanaat aan de noordpunt van Sumatra, had zijn onafhankelijkheid jarenlang weten te bewaren, ook nadat het overgrote deel van de Indische archipel al onder Nederlands gezag was gebracht. Het sultanaat was een levende islamitische staat met zijn eigen sultan, zijn eigen rechtssysteem, zijn eigen diplomatieke tradities. Het was, naar elke maatstaf die in de Koran of in de klassieke islamitische staatkundige werken was uitgewerkt, een legitieme politieke gemeenschap. Naar de maatstaf van Gent was het iets anders.

De Nederlandse aanval op Atjeh was ingegeven door strategische overwegingen. Men vreesde dat een andere Europese mogendheid, Groot-Brittannië of de Verenigde Staten, een verdrag met Atjeh zou sluiten dat de Nederlandse positie in de archipel zou ondergraven. Het sultanaat had juist een overeenkomst met het consulaat van de Verenigde Staten proberen te sluiten, iets wat Nederland als een directe bedreiging beschouwde. De oorlog die volgde, zou decennia duren en honderdduizenden levens kosten, zowel Nederlandse als Atjehse, en zou de uiteindelijke roeping worden van de zestienjarige uit Oosterhout. Maar dat ligt nog ver vooruit; nu spreken wij over zijn leraren.

Dat Tobias Asser in september 1873, slechts maanden na het begin van deze oorlog, mede-oprichter werd van een instituut dat de grondslagen van het internationale recht wilde codificeren, is een historisch gegeven dat tot nadenken stemt. De spanning tussen zijn universalistische rechtsidealen en de koloniale praktijk van de staat die hij mede vertegenwoordigde, was een spanning die hij, evenals zijn collega’s, niet als tegenstrijdig ervoer. Binnen het kader van het beschavingsbeginsel was de oorlog in Atjeh geen schending van internationale normen: zij was de uitoefening van een beschavingsverantwoordelijkheid. De internationale orde die in Gent werd gecodificeerd, rechtvaardigde in haar structuur de oorlog die op hetzelfde moment op Sumatra werd uitgevochten. De kaart die werd getekend en de geweren die werden geladen, hoorden bij dezelfde tafel.

Johann Caspar Bluntschli en het positivisme

Een van de meest invloedrijke denkers onder de oprichters, al minder bekend in het Nederlandse publieke geheugen dan Rolin-Jaequemyns of Mancini, was de Zwitser Johann Caspar Bluntschli. Hij was hoogleraar geweest in München en Heidelberg, en had zich gespecialiseerd in het staatsrecht en het internationale recht. Zijn Das moderne Völkerrecht der civilisirten Staten als Rechtsbuch dargestellt (1868) was een systematisch handboek van het internationale recht dat in meerdere talen werd vertaald en in juridische kringen breed gelezen. De titel zelf bevatte het programma: het moderne volkenrecht van de beschaafde staten, voorgesteld als rechtsboek. De grenzen van het project stonden op de titelpagina.

Bluntschlis bijdrage aan het internationale recht was het positivistische fundament. Het internationale recht was geen natuurrecht dat uit goddelijke of rationele principes kon worden afgeleid, maar een positief recht dat voortvloeide uit de gewoonten en overeenkomsten van beschaafde staten. Dit onderscheid had verstrekkende gevolgen. Als het internationale recht positief was en niet natuurlijk, dan bepaalden de staten die het beoefenden ook zijn inhoud. En de staten die het beoefenden, waren de Europese staten. Niet-Europese staten, die niet hadden deelgenomen aan de vorming van dit positieve recht, vielen er per definitie grotendeels buiten. Het systeem definieerde zijn deelnemers, en de deelnemers definieerden het systeem. Niemand kon van buiten naar binnen behalve op uitnodiging.

Bluntschli onderscheidde expliciet tussen beschaafde staten, die gebonden waren door het internationale recht, en onbeschaafde volken, die dat niet waren. Dit onderscheid was niet bij hem oorspronkelijk; het had wortels in de Europese rechtsdenking van de zestiende en zeventiende eeuw, bij juristen als Francisco de Vitoria en Hugo de Groot. Maar in de codificatie die het Institut de Droit International nastreefde, kreeg het een nieuwe precisie en een nieuwe institutionele verankering. Wat ooit een veronderstelling was geweest, werd nu een paragraaf.

De codificatie als machtsgreep

Er is iets paradoxaals aan het project van het Institut de Droit International dat destijds nauwelijks werd opgemerkt maar dat in retrospect onmiskenbaar is. De leden van het Instituut claimden dat zij bezig waren het bestaande internationale gewoonterecht te codificeren: te verzamelen, te ordenen, in systematische vorm te gieten wat er al was. Maar codificatie is nooit een neutrale activiteit. Wie codificeert, beslist wat erin gaat en wat erbuiten blijft. Wie de categorieën bepaalt, bepaalt de grenzen van het recht. De catalogus is, in dit opzicht, een wapen.

De Europese juristen van Gent codificeerden de Europese gewoonten en verdragen die de omgang tussen Europese staten hadden geregeld. Zij codificeerden niet de islamitische gewoonten en verdragen die de omgang tussen islamitische staten hadden geregeld, noch de Afrikaanse of Aziatische tradities van diplomatiek verkeer en oorlogvoering. Die gewoonten bestonden, waren in veel gevallen even oud als de Europese, en waren door de volken die ze beoefenden als even bindend beschouwd. Maar zij pasten niet in de categorieën die de codificatoren hadden gekozen, en zij verdwenen daarmee uit het zicht van het “universele” internationale recht. Wat niet in het register stond, bestond niet voor de jurist. Wat niet bestond voor de jurist, mocht overschreden worden door de soldaat.

Dit was geen bewust bedrog. De juristen van Gent waren ervan overtuigd dat zij het recht verzamelden dat er was, niet dat zij een recht schiepen dat er niet was. Maar hun definitie van “het recht dat er is” was bij voorbaat beperkt tot het Europese. Wat buiten Europa bestond, was voor hen gewoonterecht van lagere orde, religieus gebruik, stammenconventie. Misschien respectabel, niet juridisch gelijkwaardig. De claim van universaliteit was zo geconstrueerd dat alleen wat zij toeliet erin paste.

De islamitische wereld buiten de orde

Voor de islamitische wereld had de juridische architectuur die in Gent werd gebouwd verstrekkende gevolgen. Het Ottomaanse Rijk had weliswaar een zekere erkenning in het Europese statensysteem verworven, met name na het Verdrag van Parijs van 1856, waarbij de Europese mogendheden de integriteit van het Ottomaanse grondgebied garandeerden, maar die erkenning was broos en voorwaardelijk. Zij gold voor een staat die bereid was Europese juridische normen te accepteren en zijn eigen traditionele rechtssysteem aan Europese maatstaven aan te passen. Het Ottomaanse Rijk werd, met andere woorden, toegelaten op voorwaarde dat het zijn ottomaans-zijn afzwakte. Perzië, Afghanistan en de islamitische sultanaten van Zuidoost-Azië vielen grotendeels buiten de beschermende werking van het internationale recht. Zij stonden, in de taal van Gent, in de wachtkamer van de geschiedenis.

De islamitische rechtstraditie, de shari’a in haar veelheid van scholen en interpretaties, was voor Europese juristen geen equivalent van het internationale recht maar een religieus-juridisch systeem van een andere en, zo werd verondersteld, lagere categorie. Dat de shari’a een eeuwenlange traditie van internationaal gewoonterecht kende, regels van oorlog en vrede die teruggingen tot de vroegste tijden van de islamitische staat, rechten van vreemdelingen die gebaseerd waren op Koranische principes, principes van diplomatiek verkeer die door generaties van rechtsgeleerden waren uitgewerkt, geheel met traktaten, commentaren en fatwa-literatuur waarin zij waren verfijnd: dit alles was voor de oprichters van het Institut de Droit International geen relevante overweging. Kennis die niet door Europese wetenschappers was gesystematiseerd en gecatalogiseerd, telde niet mee in de definitie van wat recht was. Het oog van Gent zag scherp wat het zien wilde, en zag niet wat het niet had leren zien.

De parallellen met de Moderne Theologie

De gelijkenis met de Moderne Theologie, beschreven in het eerste artikel van deze reeks, is hier niet toevallig. Beide bewegingen deelden een epistemische structuur: de claim van de Europese rede tot universeel gezag over domeinen die zij van buitenaf beoordeelde. De Leidse School claimde het recht de islamitische religieuze teksten te beoordelen op hun historische betrouwbaarheid. Het Institut de Droit International claimde het recht islamitische politieke samenlevingen te beoordelen op hun beschavingsniveau. Geen beschaving, geen recht. Geen recht, geen internationale erkenning. Geen internationale erkenning, geen bescherming tegen koloniale interventie. De keten was niet bedoeld om te worden gesloten, maar zij sloot zichzelf.

De Moderne Theologie en het moderne internationale recht waren, zo bezien, twee armen van dezelfde intellectuele beweging. De uitbreiding van het Europese beschavingsproject naar alle domeinen van menselijk leven, religieus en politiek, met de claim van wetenschappelijke objectiviteit als rechtvaardiging. Samen creëerden zij een omgeving waarin kennis over de islamitische wereld en politieke controle over die wereld elkaar versterkten en onderbouwden. De arm van de geleerde en de arm van de jurist reikten elkaar de hand, en de hand reikte voorbij beide.

John Westlake en de grenzen van de orde

De Engelsman John Westlake, een van de elf oprichters, vertegenwoordigde de Angelsaksische traditie van internationaal recht die geworteld was in de praktijk van het Britse koloniale bestuur. Als lid van de balie en later als hoogleraar in Cambridge was Westlake een gezaghebbend commentator op de theoretische grondslagen van het internationale recht. Zijn werk Chapters on the Principles of International Law (1894) zou pas later verschijnen, maar zijn denken was al in de jaren zeventig invloedrijk.

Westlake was openhartig over de grenzen die hij trok. Internationale rechtsorde vereiste, zo stelde hij, een politieke organisatie die bekwaam was om verdragen te sluiten en te handhaven, een rechtssysteem dat contracten kon afdwingen, en een overheid die in staat was haar grondgebied te besturen en haar onderdanen te beschermen. Waar deze elementen ontbraken, ontbrak ook de grondslag voor volledige deelname aan de internationale rechtsorde.

Het argument was op zichzelf niet onredelijk. De toepassing was problematisch. Wie bepaalde of een politieke gemeenschap bekwaam was in de relevante zin? De Europese jurist. Op basis van welke criteria? Europese criteria. Met welk doel? Het reguleren van de relaties tussen Europese staten en niet-Europese volken op een wijze die de Europese belangen diende. De rechter was, in dit proces, partij. De partij was tegelijk wetgever.

De islamitische staatsgemeenschappen van de negentiende eeuw waren in Westlakes analyse problematisch omdat zij hun gezag primair ontleenden aan religieuze legitimatie. De sultan was khalief of zijn plaatsvervanger. De wet was de shari’a. De gemeenschap was de umma. Dit was voor Westlake geen politieke maar een religieuze orde, en een religieuze orde kon geen equivalent zijn van een seculiere staat in de Europese betekenis. Dat moslimgeleerden al eeuwen genuanceerde theorieën hadden ontwikkeld over de relatie tussen religieuze en politieke autoriteit, over de grenzen van de gehoorzaamheid aan een heerser, over de rechten van niet-moslims in een islamitische staat: het was voor Westlake en zijn collega’s geen rechtssysteem maar religieuze leer. De grens tussen het rechtssysteem dat erkend werd en de leer die werd genegeerd, liep precies daar waar de Europese ervaring eindigde.

De structuur die werd gebouwd

Wat in Gent werd opgericht was meer dan een academisch genootschap. Het was de institutionele bekroning van een intellectueel project dat al decennia in de maak was. De systematisering van het internationale recht als Europese wetenschap, met Europese normen, voor een Europees staatssysteem dat zichzelf als universeel beschouwde. Wat in 1873 op een vergadertafel in Gent werd ondertekend, was, in elementaire zin, de kaart van de wereld zoals Europa haar wilde hebben.

Die structuur had drie lagen die elkaar ondersteunden. De wetenschappelijke laag: het internationale recht moest worden bestudeerd, geclassificeerd en in systematische traktaten vastgelegd. De normatieve laag: het internationale recht moest normen stellen voor de omgang tussen staten, met inbegrip van normen voor de behandeling van niet-beschaafde volken. De politieke laag: het internationale recht moest de Europese koloniale expansie een juridisch kader geven dat haar van willekeur onderscheidde en haar van een beschavingsimperatief voorzag.

Elk van deze lagen had haar eigen specialisten. De wetenschappers schreven de traktaten. De juristen formuleerden de normen. De politici voerden de praktijk uit. Maar zij deelden een overtuiging die al deze lagen bij elkaar hield. Europa was de drager van de beschaving, en beschaving rechtvaardigde heerschappij. Niet permanent, zo voegden de meer gematigden eraan toe, want beschaving kon worden bijgebracht. Maar voorlopig: ja. Geen beschaving, geen gelijkheid. Geen gelijkheid, geen recht. En zonder recht: alleen genade, en genade was een gunst, geen aanspraak.

Een zestienjarige en zijn toekomst

In september 1873 wist de zestienjarige Christiaan Snouck Hurgronje in Oosterhout niet wat er in Gent plaatsvond. Maar de wereld die in Gent werd gebouwd was de wereld waarvoor hij, zonder het te weten, werd opgeleid. Zijn vaders vrijzinnige protestantisme, zijn gymnasiumopleiding in de klassieke talen, het intellectuele klimaat van de Leidse Moderne Theologie dat zijn milieu doordrenkte: al deze elementen bereidden hem voor op een positie die precies aan de snijpunten lag van de drie structuren die in Gent werden geconsolideerd. De wetenschapper. De normsteller. De koloniale adviseur. Hij zou ze alle drie belichamen, en hij zou ze belichamen met een bekwaamheid en een toewijding die zijn tijdgenoten dwongen hem serieus te nemen, ook al verschilden zij in oordeel over wat hij deed.

Het jaar daarop, in 1874, zou hij zijn gymnasium afronden en zich inschrijven voor de studie theologie aan de Leidse universiteit. Daar zou hij de leraren vinden die de schakel zouden vormen tussen de Moderne Theologie en de oriëntalistiek. Abraham Kuenen, die hem de historisch-kritische methode zou bijbrengen. Michael de Goeje, die hem het Arabisch zou leren en hem zou introduceren in de islamitische teksttraditie. Van theoloog zou hij oriëntalist worden. Van oriëntalist koloniaal adviseur. De weg van Gent naar Batavia liep door Leiden, en die weg is het onderwerp van het volgende artikel.

De elf mannen van Gent hadden het kader gebouwd. De jongen van Oosterhout zou het vullen.

Bronnen

  • Wim van den Doel, Snouck, Boom (2021)
  • Martti Koskenniemi, The Gentle Civilizer of Nations: The Rise and Fall of International Law 1870–1960, Cambridge University Press (2001)
  • Antony Anghie, Imperialism, Sovereignty and the Making of International Law, Cambridge University Press (2004)
  • Johann Caspar Bluntschli, Das moderne Völkerrecht der civilisirten Staten als Rechtsbuch dargestellt, Beck (1868)
  • Institut de Droit International, Tableau général de l’organisation et des travaux de l’Institut (1873–1967), Bâle (1967)
  • Tobias Asser, Schets van het internationaal privaatrecht, Amsterdam (1880)
  • Pasquale Stanislao Mancini, Della Nazionalità come Fondamento del Diritto delle Genti, Turijn (1851)
  • Edward Said, Orientalism, Pantheon Books (1978)
  • Ann Stoler, Race and the Education of Desire, Duke University Press (1995)

Sources

Hoofdbron: Wim van den Doel, Snouck (Boom, 2021). Aanvullend: C. Snouck Hurgronje, Het Mekkaansche Feest (1880), Mekka I-II (1888-1889), De Atjehers (1893-1894), Nederland en de Islam (1911), Verspreide Geschriften (1923-1927); Edward Said, Orientalism (1978); secundaire Atjeh-historiografie (Anthony Reid, M.C. Ricklefs).