InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Zijn studie
OriëntalismeChristiaan Snouck Hurgronje

Zijn studie

Zijn studie

Terwijl de elf mannen van Gent, beschreven in het voorgaande artikel, hun instituut hadden gegrondvest en het internationale recht zijn juridische architectuur begon te krijgen, deed de jongen uit Oosterhout in 1874 zijn gymnasiumexamen en reisde hij naar Leiden. Hij schreef zich in voor de studie theologie, de logische keuze voor een predikantszoon die was opgegroeid in het vrijzinnige protestantse milieu van zijn vader. Leiden was de universiteit waar de Moderne Theologie haar thuisbasis had, waar Scholten en Kuenen doceerden, waar de historisch-kritische methode niet een randverschijnsel was maar het hart van de opleiding. Hij ging naar de plaats waar zijn milieu uitkwam, en hij zou er, naar de regel van zulke milieus, eerst leren te beheersen wat hij later overstijgen zou.

Leiden in 1874

De Leidse universiteit was in 1874 een indrukwekkend instituut, met een reputatie die ver over de Nederlandse grenzen reikte. Opgericht in 1575, had zij in drie eeuwen een traditie opgebouwd in theologie, rechten, medicijnen en de oosterse letteren die haar tot een van de toonaangevende universiteiten van Europa maakte. De bibliotheek bezat onschatbare handschriftencollecties in het Arabisch, Perzisch en Turks, verworven in de eeuwen van de VOC-handel en de diplomatieke contacten met het Ottomaanse Rijk. De oriëntalistische traditie in Leiden was oud. Al in de zeventiende eeuw had Jacob Golius er Arabisch gedoceerd en handschriften verzameld. Wat in Leiden werd bewaard, was niet alleen tekst maar geschiedenis: de geschiedenis van wat Europa van de islamitische wereld had meegenomen, gekocht, geleend of gestolen, en met grote zorg had opgeborgen.

De theologische faculteit stond in 1874 sterk onder invloed van de Moderne Theologie. Scholtens positie was op haar hoogtepunt geweest in de jaren zestig; in 1874 was hij nog steeds hoogleraar en zijn invloed was onaangetast binnen de vrijzinnige kring. Abraham Kuenen doceerde er Oude Testament, en zijn historisch-kritische methode was inmiddels de norm geworden waaraan studenten werden gevormd en getoetst. Een student die in 1874 theologie ging studeren in Leiden, koos niet voor de orthodoxie. Hij koos voor de wetenschap van de religie. Empirisch, kritisch, bereid elke aanspraak op absolute waarheid te onderwerpen aan de historische analyse. De keuze was, voor wie uit een vrijzinnige pastorie kwam, geen keuze meer. Zij was de natuurlijke verlenging van het ouderlijk huis.

De stad en de student

Voor een jongen uit Oosterhout was Leiden een revelatie. De stad was compact, oud en doordrongen van academische cultuur op een wijze die de Brabantse provincie niet kende. De middeleeuwse Burcht op haar heuvel, de zeventiende-eeuwse gevels aan het Rapenburg, de grachten waarop studenten roeiden, de bibliotheekzalen waar de handschriften lagen te wachten: dit was een wereld die fundamenteel verschilde van het rustige predikantsmilieu van zijn jeugd. De afstand tussen Oosterhout en Leiden was niet primair geografisch maar cultureel. In Oosterhout las zijn vader theologische tijdschriften. In Leiden schreven de mannen die hij las.

Snouck Hurgronje was een ijverige student. De biografische gegevens die Wim van den Doel heeft bijeengebracht in zijn biografie Snouck (2021), schilderen een beeld van een jongeman die serieus was, intellectueel gedreven, en bereid zijn energie te investeren in de studie die voor hem was opengelegd. Theologie was zijn startpunt, maar het zou niet zijn eindstation blijken. De intellectuele dynamiek van Leiden trok hem in een richting die zijn vader wellicht had voorvoeld maar niet had kunnen voorzien. De rijtuigen van de moderniteit lopen zelden op het spoor dat hun passagiers hebben gekocht.

Abraham Kuenen

De belangrijkste leraar van Snoucks studiejaren was Abraham Kuenen. In 1874 was Kuenen drieënvijftig jaar oud en op het hoogtepunt van zijn wetenschappelijke reputatie. Zijn De Profeten en de Profetie onder Israël zou in 1875 in twee delen het licht zien. Zijn internationale faam was reeds gevestigd door correspondentie en publicaties die hem verbonden met de beste Bijbelgeleerden van zijn generatie. Julius Wellhausen in Greifswald, William Robertson Smith in Aberdeen, de Berlijnse rabbijn Abraham Geiger. Hij was geen lokale figuur maar een geleerde van Europees formaat, en zijn colleges trokken studenten die wisten dat zij bij hem hoorden te zitten als zij ergens wilden komen.

Kuenens methode was rigoureus en inspirerend voor studenten die er ontvankelijk voor waren. Hij leerde hun hoe een tekst te demonteren. Welke lagen erin te onderscheiden vielen. Welke stijlkenmerken op welke periode wezen. Welk politiek belang welke redacteur ertoe had gedreven de tekst in een bepaalde richting te sturen. Hij leerde hun dat eerlijkheid ten opzichte van de tekst prioriteit had boven piëteit, en dat de historische waarheid, hoe ongemakkelijk soms, geen bedreiging was voor een dieper en zuiverder geloof. Dat het tegelijk een nieuwe vorm van piëteit creëerde, namelijk piëteit jegens de methode zelf, was een ironie die zijn studenten zelden opmerkten.

Voor een student als Snouck Hurgronje bood dit onderwijs een methode die universeel toepasbaar leek, want zij was niet inhoudelijk maar formeel van karakter. Als de historisch-kritische benadering de Bijbel kon doorgronden, waarom dan niet ook andere heilige teksten? Als de Thora kon worden ontleed in haar samenstellende documenten, kon de Koran dan niet evenzeer worden geanalyseerd op zijn historische gelaagdheid, zijn bronnen, zijn redactionele structuur? De methode die Kuenen hem bijbracht was in principe niet gebonden aan jodendom of christendom. Zij was een algemene wetenschap van religieuze teksten, toegepast op de teksten die toevallig het meest voor handen lagen. Zij was, in haar zelfverstaan, een sleutel die op elk slot paste, omdat zij over alle sloten oordeelde.

Maar elke methode draagt haar lezer mee. Wie de Schrift behandelt als sediment van haar tijd, leert zichzelf de openbaring als sediment te zien. Een methode die haar eigen blik niet onder de microscoop kan leggen, kent zichzelf niet. Het inzicht dat de methode zelf historisch was, dat zij producten van het Europese protestantisme was en dat zij die afkomst meedroeg waar zij ook werd toegepast, was een inzicht dat in Leidse collegezalen niet werd onderwezen. Hier raakt deze geschiedenis aan iets dat de islamitische traditie altijd heeft begrepen en dat de moderne methode juist heeft willen vergeten. Wie leest, wordt gelezen. Wie oordeelt, wordt geoordeeld door wat hij oordeelt. Voor de moslim die de Koran reciteert, is de tekst niet enkel object maar getuige; de gelovige wordt gewikt op het uur waarop hij weegt. De Leidse methode, daarentegen, plaatste haar lezer onbereikbaar boven zijn voorwerp, en wat zij daarmee aan haar lezer ontnam, was niet de tekst maar de mogelijkheid door de tekst geraakt te worden.

De overgang naar het Arabisch

Het is in dit licht dat Snoucks overgang van theologie naar oriëntalistiek begrepen moet worden. Het was geen abrupte wending maar een geleidelijke verschuiving. De logische uitbreiding van een methode naar een nieuw object. De historisch-kritische Bijbelwetenschap en de oriëntalistische islamwetenschap deelden dezelfde epistemische veronderstelling: religieuze teksten konden van buitenaf, met de instrumenten van de filologie en de historische kritiek, volledig worden begrepen en beoordeeld. Wie de methode aanvaardde, aanvaardde daarmee ook haar toepasselijkheid op de Koran.

Kuenens colleges in het Oude Testament leidden Snouck ook naar het Hebreeuws en naar de Semitische taalfamilie. Het Hebreeuws van de Bijbel en het Arabisch van de Koran zijn verwante talen. Wie één kende, had een voordeel bij het leren van de ander. De oriëntalistische faculteit en de theologische faculteit in Leiden waren niet strikt gescheiden; studenten bewogen zich tussen beide en volgden colleges in de Semitische filologie als aanvulling op hun theologische vorming. Voor Snouck was de stap van het Hebreeuws naar het Arabisch dan ook een kleine stap in termen van discipline, ook al opende hij een onmetelijk groter veld in termen van inhoud. Een nieuw alfabet, een nieuwe metriek, een nieuwe en niet-Europese geschiedenis van geleerd debat die zich op deze tongval had vastgelegd.

Michael de Goeje

De tweede cruciale leraar was Michael Jan de Goeje. Geboren in Dronrijp in 1836, had De Goeje zijn Arabische studies in Leiden gevolgd bij de grote Nederlandse arabist Reinhart Dozy, en hij was na zijn promotie als docent aan de universiteit verbonden gebleven. In 1866 was hij benoemd tot hoogleraar oosterse talen, en hij zou die positie innemen tot zijn emeritaat in 1906. Hij was een filoloog van de eerste rang. Zijn meest ambitieuze project, de editie van de Tarikh al-Rusul wa’l-Muluk van de vroege islamitische historicus Muhammad ibn Jarir al-Tabari ﵀, een monumentaal werk van vijftien delen dat tussen 1879 en 1901 in Leiden bij Brill verscheen onder zijn redactie en met de medewerking van een internationaal consortium van geleerden, geldt tot op de dag van vandaag als een topprestatie van de westerse arabistiek. Hij verzamelde de handschriften uit Berlijn, Caïro en Constantinopel, vergeleek hun varianten, ordende hun lezingen, en gaf de moslimwereld een editie van een van haar belangrijkste historische werken die voor de Europese geleerde toegankelijker was dan voor de gemiddelde Arabische student.

De Goeje bracht zijn studenten het klassieke Arabisch bij in de volle diepte van de traditie. Niet het moderne gesproken dialect, maar het Koranisch fusha, de taal van de hadith-literatuur, van de grote islamitische historici en theologen, van de poëzie van de Abbasidenperiode. Hij leerde hun de grammatica van Sibawayhi ﵀, de grondlegger van de Arabische taalkunde wiens Kitab in de tweede hijri-eeuw werd opgesteld. De lexicografie van Ibn Manzur ﵀ in zijn monumentale Lisan al-'Arab. De geschiedschrijving van Ibn Khaldun ﵀ in zijn visionaire Muqaddima. De islamitische intellectuele traditie was in Leiden vertegenwoordigd door haar teksten, en De Goeje nam die teksten serieus op de wijze die zijn discipline serieus nemen noemt: hij las ze, vergeleek ze, ordende ze, gaf ze uit.

Hij nam ze echter serieus als filoloog, niet als gelovige. Zijn positie ten opzichte van de islamitische teksten was die van de editeur: hij wilde ze zo nauwkeurig mogelijk reconstrueren, begrijpen en toegankelijk maken voor de westerse wetenschap. De religieuze aanspraken die in die teksten werden gemaakt, de kwalificatie van de Koran als het Woord van Allah ﷻ, de gezaghebbende status van de Profeet ﷺ als de laatste en meest volmaakte onder de boodschappers, de geestelijke ernst die de hadith-traditie ontleende aan haar pretentie de stem van de Profeet ﷺ vast te leggen: het waren voor hem historische gegevens. Beschrijfbare feiten over wat mensen geloofden. Geen claims waarover zijn methode een oordeel hoefde, of mocht, vellen.

Voor de Leidse arabistiek was dit een werkbare positie. Voor de islamitische teksttraditie was zij iets anders. De isnad van een hadith was, in de overlevering, geen literaire conventie maar een keten van menselijke vertrouwen die teruggaat tot de Profeet ﷺ. De tafsir van een Koranvers was, in de overlevering, geen literaire reflectie maar een poging recht te doen aan een tekst die de gelovige zijn leven mag herordenen. De filologische editie kan deze teksten ontsluiten, maar zij kan niet aangeven wat in hen reeds aanwezig is om de lezer te ontsluiten. Wie een berg in kaart brengt, beklimt hem niet, en wie hem niet beklimt, weet niet wat hem boven zien.

De oriëntalistiek als discipline

De oriëntalistiek die De Goeje vertegenwoordigde, was in 1874 een discipline in volle bloei. Zij had haar tijdschriften: de Zeitschrift der Deutschen Morgenländischen Gesellschaft publiceerde filologische bijdragen over Arabisch, Perzisch en Turks. Zij had haar genootschappen: het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde in Leiden organiseerde de studie van de Indische archipel. Zij had haar internationale congressen, waar geleerden van Leiden, Berlijn, Parijs en Londen hun bevindingen uitwisselden en methodologische discussies voerden. En zij had, cruciaal, haar institutionele verbindingen met de koloniale macht.

De Nederlandse oriëntalistiek was niet los te denken van het koloniale bestuur over de Indische archipel. De leerstoelen in het Maleis, het Javaans en het Arabisch bestonden mede omdat de Nederlandse koloniale staat behoefte had aan ambtenaren die de talen en culturen van de archipel kenden. De Indische Instelling in Delft, die ambtenaren opleidde voor het Indisch Burgerlijk Bestuur, maakte gebruik van de expertise van Leidse geleerden. Sommige Leidse oriëntalisten gingen zelf naar de koloniën; anderen bleven in Leiden en leverden de kennis die de bestuurders in Batavia nodig hadden. Het was geen samenzwering, geen verzwegen netwerk, geen geheim genootschap. Het was een institutionele structuur, even zichtbaar als de gevels langs het Rapenburg, en even vanzelfsprekend.

Snouck Hurgronje trad deze wereld binnen als een theologiestudent die zijn methode had meegenomen. Hij bezat Kuenens historisch-kritische blik en De Goejes filologische nauwkeurigheid. Hij bezat ook, al was hij zich daar nog niet volledig van bewust, de positie van iemand die studeerde aan een instelling die directe banden onderhield met de koloniale staat. De weg van de collegezaal naar het bestuursapparaat was in Leiden korter dan elders. Wie haar wilde gaan, hoefde slechts de straat over te steken naar de juiste deur.

De methode en haar object

In zijn Leidse studiejaren verdiepte Snouck Hurgronje zich voor het eerst werkelijk in de islamitische teksttraditie. Hij las de Koran in het Arabisch. Hij bestudeerde de hadith-literatuur in haar omvang en diversiteit. Hij werkte zich door de klassieke juridische teksten van de vier madhab-scholen van het islamitisch recht: Hanafi, Maliki, Shafi’i en Hanbali. Hij deed dit als oriëntalist, met de blik van de geleerde van buiten, gewapend met de methode van Kuenen en met de filologische discipline van De Goeje.

Wat hij las, dwong bewondering af. De islamitische intellectuele traditie was in alle opzichten gelijkwaardig aan de Europese. Haar theologen waren even scherpzinnig als de scholastici van de Latijnse middeleeuwen. Haar juristen even systematisch als de Romeinsrechtelijke glossatoren. Haar historici even zorgvuldig, en ook even partijdig, als de Griekse oudheid op haar best. De taal was complex, de terminologie precies, de interne discussie genuanceerd en veelzijdig. Wie verwacht had de islamitische wereld als een intellectueel primitieve omgeving aan te treffen, stond voor een verrassing. Wat hij hier ontmoette, was een beschaving die met haar eigen werktuigen al eeuwenlang had gedaan wat Europa pas onlangs voor zichzelf had ontdekt: de tekst van haar tradities zorgvuldig en kritisch had gewogen.

Maar Snouck Hurgronje las dit alles door de bril van zijn methode. De islamitische teksten waren historische documenten. Niet geopenbaard maar gemaakt. Niet door goddelijke ingeving maar door menselijke geest in een historische context. De hadith-tradities waren overgeleverd door mensen die belangen hadden, politieke, theologische, dynastieke. De juridische scholen waren politieke instituties evenzeer als religieuze: hun controverses weerspiegelden de machtsstrijd in de vroege islamitische geschiedenis. De Koran zelf was een tekst van de zevende eeuw, gevormd door de Arabische samenleving van dat moment, door de politieke en culturele context van de Profeet ﷺ en zijn omgeving. Geen Woord uit den hoge, maar woord uit de Hijaz.

Dit was geen mening maar een methode, en de methode was, binnen haar eigen referentiekader, consequent. Maar zij had een blinde vlek die zij zelf niet kon zien. Zij kon begrijpen hoe mensen in een historische context kwamen tot bepaalde geloofsovertuigingen. Zij kon de sociale functies van die overtuigingen analyseren. Zij kon de teksten dateren, de auteurs identificeren, de bronnen traceren. Maar zij kon niet bereiken wat de islamitische traditie beschouwde als de kern van het geloof: de directe relatie van de gelovige tot Allah ﷻ, de innerlijke werkelijkheid van het iman, het geloof als persoonlijke overgave aan de Ene. Niet omdat de methode deze werkelijkheid weerlegde, maar omdat haar instrumenten haar niet konden meten. Wat een microscoop niet ziet, bestaat voor de microscoop niet, en de methode hield haar microscoop voor de werkelijkheid zelf.

Een methode die de openbaring leest als sediment van haar tijd, leest de gelovige als sediment van zijn omgeving. De moslim die de Koran als Woord van Allah ﷻ hoort, wordt door deze methode niet weerlegd maar gepasseerd. Zijn getuigenis wordt vermeld als historisch verschijnsel, zoals een seismoloog een aardbeving vermeldt zonder ooit te overwegen wat zij in het gemoed van wie haar overleefde, heeft veroorzaakt. De Koran zwijgt niet voor wie hem zo benadert. Hij wordt slechts onhoorbaar. Dit is geen polemisch verwijt aan de Leidse arabistiek; het is een diagnose van wat zij methodisch buitensluit. Wie aan dit alles bouwt, bouwt een fort waarvan de muren naar binnen zijn gericht. Wie er buiten staat, wordt niet aangevallen. Hij wordt onverstaan gelaten.

Een student op weg

In de jaren dat Snouck Hurgronje in Leiden studeerde, verschoven zijn interesses geleidelijk maar merkbaar van de theologie naar de oriëntalistiek. Het Arabisch nam meer van zijn tijd in beslag dan het Hebreeuws. De islamitische juridische teksten trokken meer van zijn aandacht dan de Bijbelse. De studie van de islam als historisch en sociologisch fenomeen begon de studie van het christendom te overvleugelen, niet door een expliciete keuze maar door de logica van zijn intellectuele nieuwsgierigheid. Hij volgde, in deze fase, geen plan; hij volgde, eerder, een helling.

Wat Snouck Hurgronje onderscheidde van de meeste van zijn medestudenten, was de intensiteit van zijn engagement en de scherpte van zijn analytisch vermogen. Hij was begaafd, dat was al vroeg duidelijk. De leraren die hem onderwezen, Kuenen en De Goeje voorop, herkenden in hem een student die verder kon gaan dan de gemiddelde afgestudeerde. Iemand die de discipline meester kon worden op een niveau dat hem in staat zou stellen eigen bijdragen te leveren. Hun aanmoediging was niet zonder bijbedoelingen. De oriëntalistiek had behoefte aan nieuwe generaties die het werk konden voortzetten. Leiden had er belang bij haar positie in de internationale wetenschappelijke wereld te handhaven. En de Nederlandse koloniale staat had, in de jaren dat de Atjeh-oorlog vastliep, in toenemende mate behoefte aan een oriëntalist die niet alleen de teksten beheerste maar de levende islam van Sumatra kon doorgronden.

Het proefschrift dat Snouck Hurgronje in 1880 zou verdedigen, Het Mekkaansche Feest, zou het begin zijn van zijn wetenschappelijke carrière en hem onmiddellijk positioneren aan het snijpunt van islamwetenschap en koloniale politiek. Het zou hem ook de vraag opwerpen die zijn hele leven zou beheersen. In hoeverre kan een geleerde die de islam van buitenaf bestudeert, ooit werkelijk begrijpen wat de islam van binnenuit is? Op die vraag zou hij een antwoord vinden dat hem het volgende decennium tot in Mekka voeren zou, en dat is het onderwerp van het volgende artikel.

Die vraag lag in 1874 nog ver in de toekomst. Voorlopig was hij een eerstejaars student in Leiden, lerend lezen in het Arabisch, met in zijn hoofd de methode van Kuenen en voor zijn ogen de teksten van een beschaving waarvan hij nog maar nauwelijks het alfabet kende. De structuren waren er al. De Moderne Theologie, de mannen van Gent, de koloniale staat in Batavia. De jonge Snouck zou er zijn intrek in nemen, niet als iemand die een plan uitvoert maar als iemand die groeit in de richting die zijn milieu hem wijst. Zo werkt vorming. Niet door samenzwering. Door convergentie.

Bronnen

  • Wim van den Doel, Snouck, Boom (2021)
  • Abraham Kuenen, De Profeten en de Profetie onder Israël, 2 delen, Sijthoff (1875)
  • Michael de Goeje e.a. (red.), Tarikh al-Rusul wa’l-Muluk (Annales) auctore Abu Djafar Mohammed ibn Djarir at-Tabari, 15 delen, Brill (1879–1901)
  • P.S. van Koningsveld, Snouck Hurgronje en de islam, Biesheuvel (1987)
  • Jan Just Witkam, De Leidse arabistiek in de 19e eeuw, Leiden (1980)
  • R. Paret, The Study of Arabic and Islam at German Universities, Steiner (1968)
  • Edward Said, Orientalism, Pantheon Books (1978)

Sources

Hoofdbron: Wim van den Doel, Snouck (Boom, 2021). Aanvullend: C. Snouck Hurgronje, Het Mekkaansche Feest (1880), Mekka I-II (1888-1889), De Atjehers (1893-1894), Nederland en de Islam (1911), Verspreide Geschriften (1923-1927); Edward Said, Orientalism (1978); secundaire Atjeh-historiografie (Anthony Reid, M.C. Ricklefs).