InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Zijn geboorte
OriëntalismeChristiaan Snouck Hurgronje

Zijn geboorte

Zijn geboorte

In Leiden waren de debatten van de Moderne Theologie al ruim een decennium gaande, en de stof die in het voorgaande artikel werd opgeroepen, de stof van Scholtens systematiek en Kuenens historisch-kritische methode, was inmiddels de lucht ingegaan van het Nederlandse hervormde leven. Niet als wolk boven Leiden, maar als geleidelijk veranderend klimaat. Toen op 8 februari 1857 in de Noord-Brabantse stad Oosterhout een kind werd geboren in de pastorie van een Nederlands Hervormd predikant, was de wereld die op de collegezalen werd gebouwd reeds zijn wereld voordat hij haar zou leren kennen. Het kind heette Christiaan Snouck Hurgronje. Hij zou de erfenis ontvangen, verdiepen en doorgeven, op manieren die niemand kon voorzien en die de erflaters wellicht niet zouden hebben goedgekeurd.

De vader en zijn wereld

De vader heette Jan Snouck Hurgronje en was predikant in de Nederlandse Hervormde Kerk, gevestigd in de gemeente van Oosterhout. Hij diende een bescheiden Noord-Brabantse gemeenschap, omringd door landerijen en bossen, ver van de universitaire wereld maar geenszins onberoerd door haar debatten. De Hervormde Kerk was in de jaren vijftig diep verdeeld. De Moderne Theologie had haar intrede gedaan in de kerkelijke discussie, en de predikantenstand stond voor een keuze die in de stilte van studeerkamers werd gewogen en op consistorievergaderingen werd uitgevochten. Meegaan met de vrijzinnige stroom die Scholten en zijn navolgers propageerden. Vasthouden aan de orthodox-calvinistische belijdenis van de vaderen. Een derde weg was er nauwelijks.

Jan Snouck Hurgronje behoorde tot het vrijzinnige deel van de kerk. Hij was geen radicale vrijdenker en geen polemist, maar een man van zijn tijd en zijn milieu. Protestant, geletterd, overtuigd van de waarde van beschaving en verlichting, bereid de methoden van de historische kritiek te beschouwen als nuttig instrument voor een eerlijker omgang met de Bijbel. In zijn huishouden heerste de sfeer van het verlichte protestantse burgerdom: boeken, discipline, ernst, de overtuiging dat kennis en deugd samengingen en dat een welbesteed leven het lezen en het denken vooropstelde. Het was een milieu waarin de bel voor het avondeten zelden klonk voordat een argument was afgemaakt.

Voor de kinderen in zo’n huishouden betekende dit dat geloof en intellect geen tegenstelling vormden maar een geheel. De vader die zijn gemeente begeleidde bij geboorte, doop, huwelijk en dood, was dezelfde man die zijn theologische tijdschriften bijhield, correspondeerde met collega-predikanten over de laatste publicaties van de Leidse School en zijn bibliotheek met zorg onderhield. Geloven was ook denken. Denken was een plicht tegenover God en tegenover de gemeenschap. De ernst was kenmerkend voor de generatie, maar de combinatie van ernst en mildheid was kenmerkend voor het huis.

De naam en haar gewicht

De naam Snouck Hurgronje was een dubbele familienaam, een gebruik bij de voorname Nederlandse burgerij die haar genealogische identiteit en sociale positie via de naam kenbaar maakte. De Snoucks waren een respectabel geslacht, en de toevoeging Hurgronje verbond de familie met verwantschappen in Leidse academische kringen. De combinatie schiep een naam die in de wereld van predikanten, juristen en koloniale ambtenaren onmiddellijk werd herkend als behorend tot de fatsoenlijke protestantse burgerij. Geen adel. De laag eronder, die zichzelf in de negentiende eeuw beschouwde als de eigenlijke drager van de Nederlandse beschaving, en die in haar zelfbeeld vaak nog meer aanspraak op rechtschapenheid maakte dan de adel zelf.

Die burgerij was het draagvlak van het negentiende-eeuwse Nederland in al zijn facetten. Zij stuurde haar zonen naar het gymnasium en de universiteit, haar dochters naar kostscholen of onderwijsinstituten, haar predikanten naar de gemeenten en haar juristen naar de rechterlijke macht en de koloniale dienst. Zij las De Gids, discussieerde over de Schoolstrijd, betaalde belasting voor het bestuur van Nederlandsch-Indië en zag de kolonie als een door God gegeven opdracht en als een bron van nationale welvaart tegelijk. Zij geloofde oprecht in beschaving en vooruitgang, in de roeping van Nederland om ook in de tropen orde en welzijn te brengen, en zij zag in de wetenschap het instrument van die beschaving. Het was een wereld die zichzelf voor universeel hield zonder ooit haar eigen grenzen te hebben gepeild.

De moeder en haar herkomst

De moeder van Christiaan Snouck Hurgronje droeg de naam Anna Maria de Visser. Haar positie in de familie was gecompliceerder dan die van haar man, althans naar de maatstaven van de samenleving waarin zij leefde. Jan Snouck Hurgronje was eerder gehuwd geweest, en het was na dit eerste huwelijk dat hij hertrouwde. De omstandigheden van dit tweede huwelijk waren, naar de strenge normen van het negentiende-eeuwse protestantse milieu, niet zonder schaduw, en die schaduw werkte door op de sociale positie van de moeder en daarmee op die van haar kinderen. Geruchten verspreidden zich in een dergelijke omgeving gemakkelijker dan vergiffenis.

Over de precieze details van die complicaties is de historische overlevering, en ook de biograaf Wim van den Doel, terughoudend. Wat vaststaat is dat zij een vrouw was van enige opleiding, dat zij haar kinderen met zorg opvoedde en dat haar invloed op Christiaan substantieel was. In een huishouden geleid door een predikant was de moeder de behoedster van het dagelijks geloof. Het morgengebed, de catechismus, de Bijbellezing aan tafel, de zondagse kerkgang als ankerpunt van de week. Het ritueel van de devotie liep door haar handen.

Voor Christiaan betekende dit dat hij opgroeide met twee gezichten van het protestantse christendom. Het intellectuele gezicht dat zijn vader vertegenwoordigde: vrijzinnig, wetenschappelijk georiënteerd, wars van bijgeloof en orthodoxe dwang. En het devotionele gezicht dat zijn moeder belichaamde: de persoonlijke vroomheid, het ritme van gebed en Bijbellezing, het geloof als dagelijkse praktijk die niet in de eerste plaats redenering vereiste maar overgave. Hij leerde, vermoedelijk zonder het te weten, dat religie zich op twee niveaus tegelijk laat bewonen: als systeem dat men begrijpt en als gewoonte die men ondergaat.

Dat dit spanningsveld ook zijn eigen houding tot religie zou kleuren, ligt voor de hand. Hoe het in zijn latere leven precies zou uitwerken, is een vraag die zijn biografen hebben gesteld maar niet afdoende hebben beantwoord. Wat zeker is, is dat Snouck Hurgronje een uitzonderlijk vermogen ontwikkelde om zowel de interne logica van een geloof te begrijpen als er van buitenaf naar te kijken. Of dat vermogen een gave was of een tekort, hing af van wie de vraag stelde. In Leiden zou het worden geprezen als talent. In Mekka zou het de voorwaarde worden voor een bedrog dat tot vandaag de toon zet voor wat Europa over de islam meent te weten.

Oosterhout en haar confessioneel landschap

Oosterhout was in 1857 een gemeente van bescheiden omvang in de provincie Noord-Brabant. Brabant was van oudsher katholiek gebied. De Reformatie had er in de zeventiende eeuw wel voet aan wal gezet, maar de katholieke gemeenschap vormde er in de negentiende eeuw nog steeds een meerderheid. De Nederlanden boven de grote rivieren waren overwegend protestants. Het zuiden, Brabant en Limburg, bleef overwegend rooms-katholiek. Voor wie een kaart van de zielen kon lezen, vertelde de grens van de Maas een verhaal dat eeuwen oud was en dat in 1857 nog volop geldig.

Voor een Nederlands Hervormd predikant als Jan Snouck Hurgronje betekende dit dat hij zijn gemeente diende in een omgeving die confessioneel vreemd was. Zijn gemeente was een minderheid in een overwegend katholieke stad. De kerktorens, de kloosters, de processies op katholieke feestdagen beheersten het openbare leven. De protestantse kerk was er, maar zij stond in de periferie, zowel geografisch als cultureel. Een predikantsgezin in zo’n omgeving leeft altijd ietwat naar binnen gericht. Het ontwikkelt een hechtheid die in een geheel protestants milieu minder noodzakelijk zou zijn geweest.

Dit had onvermijdelijk gevolgen voor de opvoeding van de kinderen. Christiaan groeide op met een scherp bewustzijn van confessioneel verschil. Hij wist dat zijn familie behoorde tot een minderheid, dat zijn geloof andere grondslagen had dan dat van zijn buren, dat de kerk waartoe hij behoorde intern verdeeld was over de grondslagen van het eigen geloof, en dat religie in het algemeen een complexe en veelzijdige werkelijkheid was die niet in één antwoord paste. Godsdienstige diversiteit was voor hem geen abstractie maar een dagelijks gegeven. Hij leerde van jongs af aan om religies te zien als perspectieven, naast elkaar, ieder met haar interne samenhang. Het was, achteraf bezien, de leerschool van een latere oriëntalist.

Het klimaat van de streek

Noord-Brabant had ook een ander gezicht. Het was een streek van handel, landbouw en een zekere rurale nuchterheid. De boeren op de Brabantse zandgronden hadden weinig op met theologisch debat. Het leven werd er bepaald door seizoenen, oogsten en kerkbezoek op zondag. De grote vragen die Scholten en Kuenen bezighielden, kwamen in de dorpen van Brabant niet ter sprake. Niet omdat de mensen er dom waren, maar omdat de praktische werkelijkheid van het boerenbestaan een andere horizon oplegde dan die van de Leidse collegezaal.

Voor een predikantszoon die opgroeide in dit milieu was de wereld tegelijk groter en kleiner dan de universiteitsstad. Groter, omdat de verscheidenheid van menselijk leven tastbaar was, omdat de buurman katholiek was en de huishoudster wellicht analfabeet en de marktkoopman in dialect sprak. Kleiner, omdat de universele debatten van de moderniteit hier ver weg leken. Maar het predikantshuis was een apart domein. Het was een intellectueel milieu dat bestond temidden van het rurale Brabant maar er niet volledig in opging. De boeken, de correspondentie, de tijdschriftabonnementen: zij schiepen een binnenkamer die de buitenwereld weerspiegelde en haar tegelijkertijd overschreed.

Het protestante intellectuele milieu als vorming

Het milieu waarin Christiaan Snouck Hurgronje opgroeide had drie kenmerken die van doorslaggevend belang waren voor zijn latere ontwikkeling. In de eerste plaats: een heilige ernst tegenover kennis. Lezen, schrijven, redeneren en debatteren waren voor de protestantse predikantenfamilie van de negentiende eeuw geen beroepsvaardigheden maar morele verplichtingen. De predikant die zijn gemeenteleden wilde bereiken moest zijn vak kennen, zijn teksten beheersen, zijn gedachten ordenen. Een ongeletterde predikant was een contradictie. Een halfgeletterde was een gevaar.

In de tweede plaats: een respect voor de wetenschap dat zich verdroeg met het geloof. De Moderne Theologie had in vrijzinnige predikantenkringen de overtuiging gevestigd dat geloof en wetenschap niet strijdig maar complementair waren, dat de historisch-kritische methode de Bijbel niet vernietigde maar zuiverde van onjuiste aanspraken. Dit gaf het geloof een intellectuele waardigheid die het, zo meende men, bestand maakte tegen de aanvallen van rationalisten en atheïsten. Christiaan groeide op met de overtuiging dat wetenschap en religie in hetzelfde huis konden wonen, mits men de juiste methode hanteerde. Dat de methode op den duur kon vragen wie van beiden er nog in mocht blijven, was een vraag die in de pastorie van Oosterhout nog niet werd gesteld.

In de derde plaats: een vanzelfsprekendheid over de Nederlandse koloniale onderneming. De VOC was weliswaar een eeuw eerder opgeheven, maar het koloniale bestuur over Nederlandsch-Indië was een onbetwiste realiteit. De belastingopbrengsten uit de koloniën droegen bij aan de welvaart van het moederland. De ambtenaren die naar Batavia gingen, waren in veel gevallen zonen van dezelfde burgerij als Jan Snouck Hurgronje. De kolonie was ver weg, maar zij was niet afwezig in het gesprek aan tafel. Zij was de horizon waarbinnen het Nederlandse zelfbeeld gestalte kreeg.

De Schoolstrijd als achtergrond

In de jaren dat Christiaan Snouck Hurgronje opgroeide, werd de Nederlandse samenleving geschud door de Schoolstrijd. De politieke strijd om het onderwijs. Wie mocht scholen oprichten, wie moest ze financieren, op welke grondslag moest het onderwijs worden gegeven. De liberalen, gesteund door de vrijzinnige protestanten en de progressieve vleugel van de Nederlandse Hervormde Kerk, streden voor een openbaar onderwijs dat religieus neutraal was en op de rede gegrondvest. De confessionelen, zowel de streng-calvinistische protestanten onder Kuyper als de rooms-katholieken onder leiding van hun bisschoppen, streden voor bijzonder onderwijs op religieuze grondslag, met overheidsfinanciering.

De Schoolstrijd was meer dan een onderwijsdebat. Het was een strijd over de vraag wie Nederland was en wat Nederland moest worden. De liberalen geloofden in de scheiding van kerk en staat, in het primaat van de rede over de openbaring, in een nationale identiteit die boven de confessionele tegenstellingen uitsteeg. De confessionelen geloofden dat God de grondslag was van alle gezag, dat onderwijs zonder religie het kind zijn wortels ontnam, en dat de staat geen recht had ouders te dwingen hun kinderen naar scholen te sturen die hun geloof ondermijnden. Beide partijen meenden voor de toekomst te strijden. Beide hadden gelijk in wat zij vreesden van de ander.

Jan Snouck Hurgronje stond in dit debat aan de kant van de liberalen. Zijn vrijzinnige sympathieën, zijn respect voor de Moderne Theologie, zijn overtuiging dat geloof en wetenschap verenigbaar waren mits de juiste methode werd gevolgd: dit alles positioneerde hem aan de zijde van degenen die een verlicht, rationeel Nederland nastreefden. Zijn zoon Christiaan groeide op met dit politieke bewustzijn als vanzelfsprekende achtergrond. De overtuiging dat de rede superieur was aan de traditie. Dat wetenschap hoger stond dan dogma. Dat de toekomst toebehoorde aan wie beide wist te verbinden.

Een kind in zijn tijd

Christiaan Snouck Hurgronje was zestien jaar oud toen in Gent, in september 1873, elf Europese juristen bijeenkwamen om de grondslagen van het internationale recht te codificeren. Hij was op dat moment gymnasiast, druk met zijn klassieke talen en zijn vaderlandse geschiedenis, onbekend met de vergaderingen van internationale juristen in Belgische steden. Maar de wereld die in Gent werd geconstrueerd en de wereld die door de Leidse School werd gedacht, waren de wereld van zijn vader en zijn leraren. Het was de wereld die hij zou erven, verdiepen en doorgeven, op manieren die geen van hen kon voorzien. Dat is het thema van het volgende artikel.

Of hij wist wat hem te wachten stond, is een vraag die geen historicus kan beantwoorden. Kinderen weten dat niet. Zij groeien op in hun milieu, nemen zijn waarden op, leren zijn taal en ademen zijn lucht. Pas later, wanneer zij die wereld verlaten of wanneer de wereld hen dwingt haar van buiten te bezien, begint het bewustzijn te vormen wat haar inhoud werkelijk was. De jongen in de pastorie van Oosterhout had geen reden te vermoeden dat de inhoud van zijn wereld op een dag in een tent voor de Ka’bah zou worden uitgepakt, en daar zou worden gebruikt voor doelen waarvan zijn vader nooit zou hebben gedroomd.

Voor Christiaan Snouck Hurgronje zou het moment van bewustwording komen in Leiden, waar hij in 1874 zijn studies zou beginnen. Daar wachtten hem leraren die de methoden van Kuenen hadden verfijnd en een oriëntalistiek die klaarstond om de historisch-kritische blik te richten op de teksten en de samenlevingen van de islamitische wereld. De wereld van Oosterhout, van zijn vader de predikant en zijn moeder de behoedster van het huisgeloof, zou hij meenemen naar Leiden. Wat hij ermee zou doen, zou Oosterhout voorgoed overtreffen.

Bronnen

  • Wim van den Doel, Snouck, Boom (2021)
  • P.S. van Koningsveld, Snouck Hurgronje en de islam, Biesheuvel (1987)
  • J.J. Witkam, Christiaan Snouck Hurgronje: een bibliografische inleiding, Leiden (2007)
  • H.W. van den Doel, Het rijk van Insulinde: opkomst en ondergang van een Nederlandse kolonie, Amsterdam (1996)
  • Jan de Bruijn, Het leven van Abraham Kuyper, Boom (2008)

Sources

Hoofdbron: Wim van den Doel, Snouck (Boom, 2021). Aanvullend: C. Snouck Hurgronje, Het Mekkaansche Feest (1880), Mekka I-II (1888-1889), De Atjehers (1893-1894), Nederland en de Islam (1911), Verspreide Geschriften (1923-1927); Edward Said, Orientalism (1978); secundaire Atjeh-historiografie (Anthony Reid, M.C. Ricklefs).