Het Verval van Songhay: Vadermoord aan de Niger
Wat Askia in vijfendertig jaar had opgebouwd, begonnen zijn zonen in één generatie te slopen, en aan de kust verschenen intussen zeilen die niemand nog begreep.
Een afgezette oude man
In augustus 1528 vergaderden drie zonen van Askia Muhammad in het geheim aan de rand van Gao. Askia Musa, de oudste, was de drijvende kracht, en naast hem stonden Askia Benkan en Askia Ismail.
De vader was inmiddels bijna negentig jaar oud, blind en grotendeels teruggetrokken in zijn paleisvertrekken. De vraag tussen de broers was niet of de oude man zou worden afgezet, want die beslissing was al genomen; de vraag was wie van hen erna de troon zou krijgen.
Musa won dat politieke gesprek, omdat hij het leger meebracht. Toen Askia Muhammad die maand door zijn eigen zoon werd afgezet, verzette hij zich niet, of kon hij zich niet verzetten, want de bronnen zijn vaag. De Tarikh al-Sudan vertelt het moment met een soort poëtische verdriet: de oude koning vroeg om een plek om te bidden, kreeg die, en werd daarna verbannen naar een eiland in de Niger, Kangaba, waar hij de rest van zijn dagen zou slijten.
Negen jaar lang, van 1528 tot zijn dood in 1538, leefde Askia Muhammad op dat eiland, waar vrienden en familie hem konden bezoeken. De Tarikh al-Fattash bevat anekdotes waaruit blijkt dat hij bij heldere verstand bleef, mensen ontving en nog enige invloed behield. Maar politiek was hij dood, en zijn zonen regeerden.
Askia Musa: een kroon van drie jaar
De vadermoord op het bestuur was minder een glorieuze machtsovername dan een gevaarlijke gok. Musa zat nog niet op de troon of zijn broers begonnen onderling te twisten over de verdeling van provincies, belastingen en militaire bevelen: Ismail was ongelukkig, Benkan voelde zich gepasseerd, en de provinciale gouverneurs, de farma’s die Askia Muhammad zelf had aangesteld, kozen kanten naar gelang hun eigen belangen.
Askia Musa regeerde drie jaar. In 1531 werd hij vermoord, niet door een externe vijand maar door een neef, in andere bronnen een eigen broer, in een paleiscomplot. De Tarikh al-Sudan noemt de moordenaar Askia Muhammad Benkan, die vervolgens de troon voor zichzelf opeiste, en daarmee begon een patroon dat het paleis van Gao voor zes decennia zou kenmerken: geen opvolging zonder bloed.
Wat dit betekent voor een rijk is niet klein. De centrale staat van Songhay was, onder de oude Askia, een institutie geworden en niet alleen de persoon van een koning, maar een institutie overleeft alleen als de spelregels voorspelbaar zijn. Zodra de troon een roof-object wordt en elk opvolgingsmoment een riskant machtsmoment, verbrokkelt de legitimiteit van bovenaf, terwijl de qadi’s in de steden recht blijven spreken, de farma’s belasting blijven innen en de karavanen blijven rijden. Maar het bewind in Gao raakt kwijt wie het eigenlijk is.
Benkan regeerde van 1531 tot 1537, waarna hij werd afgezet door opnieuw een broer, Askia Ismail, die zelf in 1539 stierf. Daarna volgden Askia Ishaq I van 1539 tot 1549 en Askia Dawud van 1549 tot 1582, een betrekkelijk stabiele periode, en daarna in snelle opeenvolging Askia Muhammad IV, Askia Muhammad Bani, en uiteindelijk Askia Ishaq II, die in 1591 de genadeklap van Tondibi zou meemaken. Elf Askia’s in drieënzestig jaar, terwijl Askia Muhammad de Grote alleen al vijfendertig jaar regeerde.
Askia Muhammad Benkan en de eerste jaren
Askia Muhammad Benkan, die regeerde van 1531 tot 1537, wordt vaak afgedaan als “nog een ambitieuze broer”, maar zijn regering laat juist zien hoe de Songhay-instituties, gebouwd door zijn vader Muhammad, ondanks de opvolgingscrises bleven functioneren.
Benkan onderhield de Hajj-delegaties en ontving ambassadeurs uit Marokko, terwijl hij de qadi’s in hun posten bevestigde en de stipendia bleef betalen aan de geleerden van Timbuktu. De staatsadministratie draaide door, zoals een machine die zijn eigen momentum heeft opgebouwd.
Dit is een belangrijk punt voor het begrip van institutionele duurzaamheid, want een staat is niet alleen een koning; een staat is een set van afspraken, procedures, verwachtingen, carrièrepaden voor ambtenaren en reputatiemechanismen voor rechtbanken. Askia Muhammad had die ingeweven tot een weefsel dat sterker was dan één persoon, zodat zelfs terwijl de broers elkaar vermoordden, de belasting bleef binnenkomen, de karavanen bleven rijden en de qadi’s recht bleven spreken.
Maar een weefsel rafelt, want elke coup onderbrak een carrière of dwong een ambtenaar tot kant kiezen, en elke nieuwe Askia moest een deel van de hogere hiërarchie vervangen door zijn eigen loyalisten. De institutionele continuïteit werd, schaafwond na schaafwond, ondermijnd.
Askia Dawud: een tijdelijke opleving
Niet alle opvolgers waren catastrofes. Askia Dawud, die regeerde van 1549 tot 1582, gaf Songhay drieëndertig jaar relatieve stabiliteit: hij hervormde de landbouw, bevorderde opnieuw de geleerde instituten, onderhield de correspondentie met de Maghreb en haalde de diplomatieke relaties met de Saadi-dynastie in Marokko aan, op dat moment juist in opkomst. Onder Dawud bloeide Timbuktu opnieuw, al meer als intellectueel centrum dan als groeimachine.
Maar onder Dawud begon ook iets fundamenteels te verschuiven.
De Atlantische concurrent
In 1482, lang voordat Sunni Ali stierf, had Portugal een handelspost gebouwd aan de West-Afrikaanse kust: Elmina, aan wat wij vandaag de Ghanese Goudkust noemen. Vanaf daar begonnen de Portugezen rechtstreeks handel te drijven met de Akan-goudvelden, niet via de trans-Sahararoutes, niet via Timbuktu, niet via Songhay.
Dit was revolutionair, en zijn gevolgen werden langzaam maar onomkeerbaar. De Sahara-handel had West-Afrika ruim zeven eeuwen lang verbonden met de Middellandse Zee, want elke ounce goud die uit Bambuk of Bure of de Akan naar Fez of Caïro reisde, ging via karavaanroutes die door Songhay controleerbaar waren. Belasting, tolheffing en handelsposten vormden het fundament van het Songhay-inkomen, en zout uit Taghaza reisde dezelfde route; dit was het systeem dat al-Bakri ﵀ en Ibn Battuta ﵀ hadden beschreven.
Maar een Portugees schip in Elmina kon direct met een Akan-koopman onderhandelen, zodat de karavaan die ooit onvermijdelijk via Djenné of Gao reed, optionele alternatieven kreeg. In 1510 was dat nog een klein deel van het totaal, in 1530 nog steeds, in 1550 groeiend, en tegen 1580 een substantiële factor, terwijl de Portugese, vervolgens Nederlandse en Engelse expansie aan de kust de winstmarges van de Sahara-handel geleidelijk lager drukte.
Voor Songhay betekende dit dat het economische fundament dat Askia Muhammad had geërfd onder zijn opvolgers begon weg te spoelen, niet plots, maar onomkeerbaar. En dit is iets wat geen enkele Islamitische bron uit die tijd goed heeft kunnen analyseren, omdat de Songhay-elite de Portugese kust niet als concurrent zag maar alleen haar eigen markten voor ogen had. Dit was de blinde vlek die het rijk zou meenemen in zijn val.
De Sahel droogt op
Bij die economische druk kwam nog een andere pressie die wij te vaak vergeten: het klimaat. Een reeks dendrochronologische en paleoklimatologische studies heeft aangetoond dat de zestiende eeuw een periode van verhoogde droogte in de Sahel was, want tussen 1450 en 1600 schoof de zuidelijke grens van de Sahara langzaam zuidwaarts. Dorpen die onder Askia Muhammad leefbaar waren, werden onder Askia Dawud moeilijker, en karavaanroutes die onder Mansa Musa bekende waterstations hadden, verdroogden in de loop van decennia.
Geen complete verklaring, maar een factor: een rijk dat meerdere opeenvolgende droogtejaren ervaart, verliest graanreserves, verliest bevolking in randregio’s en verliest de economische basis voor zijn belastingstelsel. Songhay leed hieronder samen met zijn eigen politieke instabiliteit, twee werkingen in dezelfde richting, waarbij elke werking de andere versnelde.
De zout- en goudmonopolies brokkelen af
Een specifiek symptoom: de zoutmijn van Taghaza, hoog in de Sahara, had sinds de tijd van Mansa Musa in essentie het monopolie op Sahel-zout geleverd, en de Songhay-staat controleerde de Taghaza-route en incasseerde rechten op het zout.
In de tweede helft van de zestiende eeuw raakte Taghaza zelf in gevaar, want de bronnen verzoutten verder, en de Marokkaanse Saadi’s begonnen zich te bemoeien met wie er over Taghaza precies regeerde, zodat Askia Dawud militaire expedities moest sturen om de positie te handhaven.
In 1586 lanceerde Sultan Ahmad al-Mansur van Marokko een kleine expeditie om Taghaza rechtstreeks te bezetten, en hij werd teruggeslagen, maar voor de Songhay-heersers werd duidelijk dat de Marokkaanse interesse in de Sahara niet diplomatiek was. Al-Mansur, die in een volgend hoofdstuk uitvoerig terugkomt, had grotere ambities dan een zoutmijn.
Broers tegen broers
Terwijl deze externe druk toenam, ging het interne patroon van broer tegen broer door. Na Dawuds dood in 1582 volgde zijn zoon Askia Muhammad al-Hajj, die al in 1586 werd afgezet door zijn broer Askia Muhammad Bani, en toen Bani in 1588 onverwacht stierf, brak er een volle burgeroorlog uit tussen facties die verschillende Askia-kandidaten steunden.
Dit was een moment van echte fragmentatie, want de provinciale gouverneurs in de kustregio’s stopten met belasting afdragen, de Tuareg-stammen begonnen weer raids te rijden op de noordelijke nederzettingen, en Mossi-troepen kwamen uit het zuiden naar boven.
Uit de rommel kwam Askia Ishaq II als winnaar, maar zijn positie was verre van stevig: zijn eigen broers en neven bleven intrigeren, zijn farma’s waren ontevreden, en zijn leger had interne opvolgingsstrijd meegemaakt, zodat zelfs de soldaten in facties verdeeld waren. En in precies dat moment van maximale interne zwakte stuurde Ahmad al-Mansur vanuit Marrakesh een leger over de Sahara.
De geleerden leven door
Er is één aspect dat in elk onderzoek naar deze periode opvalt: hoe politiek Songhay ook uit elkaar viel, de geleerdentraditie in Timbuktu bleef bloeien. Ahmed Baba al-Timbukti ﵀ werd geboren in 1556, midden in deze roerige decennia, uit de Aqit-familie die onder Askia Muhammad in ere was hersteld. Hij studeerde bij zijn vader en bij Muhammad Baghayogho ﵀, zelf één van de grote geleerden van de Sankore-universiteit, en tegen 1580 was Ahmed Baba ﵀ zelf docent, auteur en voorname mufti, terwijl hij tegen 1590 al meerdere boeken had geschreven.
De institutie-infrastructuur van Islamitische kennis in Timbuktu leefde door, zelfs terwijl het politieke centrum wankelde, en dit is een herinnering aan iets wat in Islamitische beschavingen vaker te zien is: de Ulema-traditie is niet gebonden aan één specifieke heerser, maar aan een gemeenschap van lezers en overleveraars, zodat zolang er manuscripten zijn en zolang er studiekringen zijn, de traditie leeft.
Maar ook deze onafhankelijkheid had haar grens. Toen in 1591 Marokkaanse troepen Timbuktu innamen, zou de Ulema-gemeenschap iets ervaren wat zij nog nooit had ervaren, een totale fysieke disruptie: bibliotheken werden geplunderd, geleerden werden in ketenen naar Marrakesh gevoerd, en een hele generatie academische productie werd onderbroken.
Voor de Afro-Caribische diaspora is dit met huivering te lezen. De fysieke wegvoering van geleerden is dezelfde structurele daad als de latere fysieke wegvoering van onze voorouders in de Atlantische slavenhandel: een systeem van dwangdeportatie waarvan het doel niet uitroeiing is, maar onteigening, herbestemming, gedwongen arbeid of gedwongen dienst aan een vreemde elite. De context is anders. De orde van grootte onvergelijkelijk. En toch. De logica schuilt in dezelfde familie.
Hofintriges en de koningin-moeder
Eén aspect van het verval komt in de gangbare vertellingen zelden aan bod, maar staat in de bronnen zelf nadrukkelijk aanwezig: de rol van vrouwen aan het hof, en met name de positie van de koningin-moeder. In de Songhay-traditie had de magha-koi, de moeder van de regerende Askia, een formele functie aan het hof, met eigen inkomsten, eigen personeel en eigen politieke invloed. Tijdens opvolgingscrises waren het vaak de moeders van rivaliserende prinsen die achter de schermen allianties smeden, koppelgift verhandelden en legerofficieren omkochten, en de Tarikh al-Fattash bevat verschillende anekdotes over hofvrouwen die doorslaggevend waren in het bepalen welke prins de steun van welke factie kreeg.
Dit is geen “harem-intrige” in de oriëntalistische zin, maar reguliere hofpolitiek, zoals die in alle wereldrijken van de premoderne periode bestond, van de Ottomanen tot de Chinese keizerhoven tot Versailles. De afwezigheid van vrouwen uit onze gangbare Songhay-vertelling zegt meer over onze eigen vertelconventies dan over de historische werkelijkheid.
Voor een Afro-Caribisch publiek is dit relevant, want de matrilineair ingerichte structuur van veel Afro-Caribische gemeenschappen wordt soms gezien als een post-slavernij-fenomeen, een gevolg van familiedisruptie onder plantageomstandigheden. Maar in West-Afrika zelf hadden vrouwen al voor de slavenhandel machtsposities in hoven, in handel en in religieus leven, zodat de lijn geen breuk is maar een continuïteit onder verstoorde omstandigheden.
De rol van Ahmed Baba’s jeugd
Terwijl het hof in Gao zich door zijn broeder-tegen-broeder-oorlogen heen sleepte, werd in Timbuktu een kind opgevoed dat de gewichtigste geleerde van zijn generatie zou worden. Ahmed Baba al-Timbukti ﵀ werd geboren in 1556, en zijn vader Ahmad ibn Ahmad was al een bekende geleerde. De familie stond direct in de lijn van de Aqit, die onder Sunni Ali verdreven waren geweest, onder Askia Muhammad hersteld, en nu, onder de zwakkere Askia’s, een delicate balans moesten bewaren met een steeds onvoorspelbaarder hof.
Ahmed Baba ﵀ studeerde bij zijn vader, bij Muhammad Baghayogho ﵀, een Fulbe-geleerde, en bij verschillende andere meesters. Tegen zijn dertigste was hij docent, tegen zijn veertigste geautoriseerd om fatwa’s uit te spreken, en zijn boekenkast in Timbuktu groeide, volgens zijn eigen getuigenis, naar zestienhonderd volumes, voor die tijd een enorme privébibliotheek.
Wat dit zegt over het verval is dat Ahmed Baba ﵀ opgroeide in een stad die hem zei dat zijn werk er toe deed, want de Islamitische infrastructuur van Timbuktu was sterk genoeg om jonge geleerden te vormen, zelfs terwijl het politieke rijk waarin de stad lag uit elkaar viel. Op stadsniveau had de Islamitische beschaving in de regio een eigen veerkracht die los stond van de keizerskroon.
Maar in 1591 zou de fysieke infrastructuur zelf worden getroffen, en dan blijkt dat kennis zonder een staat die haar beschermt uiteindelijk ook kwetsbaar is.
Een rijk op de rand
In 1590 zat Askia Ishaq II op de troon in Gao, en hij regeerde een rijk dat op papier nog het grootste van West-Afrika was, dat op papier nog veertig- of vijftigduizend soldaten kon mobiliseren en op papier nog de Taghaza-zoutroute beheerste.
In de werkelijkheid was het een holle boom, waarvan de wortels waren gerot door opvolgingsoorlogen en de takken waren verdord door economische druk uit het zuiden, terwijl uit het noorden, uit Marrakesh, de bijl kwam. Een bijl van ongeveer vierduizend man, uitgerust met een wapen dat West-Afrika nog niet in grote aantallen had gezien, de arquebus, het vuurwapen, onder bevel van een eunuch-generaal van Andalusische afkomst, Judar Pasha.
Die bijl onderging op dat moment de zwaarste tocht die een leger ooit door de Sahara had ondernomen, duizenden kilometers woestijn vol honger, dorst en verliezen, en volgens sommige bronnen kwam niet meer dan een derde van de oorspronkelijke troepen levend aan in de Niger-bocht. Maar de derde die aankwam droeg nog zijn arquebussen, en dat was genoeg.
Vaderafzetting, broedermoord, verraad
Wat begon in 1528 met Askia Musa die zijn vader afzette, bracht ons in 1590 tot Askia Ishaq II die vanuit een verdeeld hof een Marokkaanse invasie tegemoet moest zien, en tussen die twee data ligt het volledige verhaal van een rijk dat zijn eigen toekomst opvrat.
Het is een Grieks drama, in Sahel-versie, waarin elke generatie beter wilde zijn dan de vorige en telkens sloopte wat de vorige had opgebouwd, zodat aan het einde niemand meer overbleef om de poorten van Gao te verdedigen tegen een vijand die op ongedachte wijze door de woestijn was gekomen.
Dat is geen verhaal van primitiviteit, maar een verhaal van volwassenheid. Grote rijken vallen altijd van binnenuit eerst; de externe klap is alleen de laatste druppel.
Bronnen
- ʿAbd ar-Rahman as-Saʿdi ﵀, Tarikh as-Sudan, hoofdstukken 13 tot 21 over de afzetting van Askia al-Hajj Muhammad, de regeringen van Musa, Muhammad Bonkana, Ismaʿil, Ishaq I, Dawud, al-Hajj, Muhammad Bani en Ishaq II en de komst van Pasha Jawdar, in de vertaling van Hunwick, pp. 116–119, 124, 126, 132, 135–137, 142, 151, 155, 166–169, 172, 175, 186, 188–189.
- Tarikh al-Fattash, de anekdote over de oude Askia die zich op het eiland bij zijn zoon Ismaʿil beklaagt over de muggen, en de kortere regeringsduur die de kroniek aan Musa toeschrijft, zoals aangehaald in Gomez, p. 321, en in de aantekeningen van Hunwick, p. 124.
- Ahmad Baba al-Timbukti ﵀, het eigen getuigenis dat bij zijn arrestatie in 1593 zijn bibliotheek van zestienhonderd delen werd geroofd, de kleinste van zijn verwanten, zoals aangehaald in Hunwick, p. lxi.
- Al-Bakri ﵀, Kitab al-masalik wa-l-mamalik, en Ibn Battuta ﵀, Rihla, als beschrijvers van het trans-Saharaanse handelsstelsel dat het artikel noemt; zonder paginaverwijzing.
- John O. Hunwick (vert.), Timbuktu and the Songhay Empire: al-Saʿdi’s Taʾrikh al-sudan down to 1613 and other contemporary documents, Brill, Leiden 2003 (2e druk; 1e druk 1999), pp. xxix, lx, lxi, lxiii, 116–119, 124, 126, 132, 135–137, 142, 151, 155, 166–169, 172, 175, 186, 188–189, 336–337, 372.
- pp. 116–119 (TS hfst. 13–14): de Askia die aan het eind van zijn regering blind werd; Musa’s breuk met zijn vader en ʿAli Fulan; de afzetting op de gebedsplaats op 10 Dhu al-Hijja 935, 15 augustus 1529, waarbij Musa zwoer dat niemand zou bidden voor hij de macht had en zijn vader in het paleis liet wonen; de regering van zesendertig jaar en zes maanden; Musa die zijn broers begon te doden en de qadi Mahmud ibn ʿUmar ﵀ die hem niet wilde aankijken.
- pp. 124, 126, 132 (TS hfst. 14–15): de moord op Musa door zijn broers op 12 april 1531, op initiatief van de Shaʿ-farma ʿAlu, na twee jaar, acht maanden en veertien dagen; de opvolging door zijn neef Muhammad Bonkana ibn ʿUmar Komadiakha, die de oude Askia naar het eiland Kangaga bij Gao verbande; Bonkana na zes jaar en twee maanden afgezet door de Dendi-fari Mar Tumzu.
- pp. 135–137 (TS hfst. 15–16): Ismaʿil die zijn vader in juni 1537 van het eiland terughaalde; de dood van Askia al-Hajj Muhammad in de nacht van 31 januari op 1 februari 1538; Ismaʿil gestorven eind 1539 na twee jaar en negen maanden; Ishaq I uitgeroepen op 27 december 1539.
- pp. 142, 151, 155 (TS hfst. 16–17): de Marokkaanse eis om Taghaza aan Ishaq I; de Taghaza-mondyo in 964/1556–1557 gedood met toestemming van de sultan van Marrakesh en de opening van Taghaza al-ghizlan; de dood van ʿAbd al-Malik in 1578 en de opvolging door Ahmad al-Dhahabi, aan wie Askia Dawud tienduizend mithqal goud schonk, waaruit vriendschap ontstond.
- pp. 166–169 (TS hfst. 18–19): de gezant die het land verkende; het leger van twintigduizend man naar Wadan dat door honger en dorst uiteenviel; de tweehonderd musketiers die Taghaza verlaten aantroffen en het verbod van september 1586 om er nog heen te gaan; Askia al-Hajj afgezet op 16 december 1586; de hongersnood onder Muhammad Bani en de opstand van de Balmaʿa al-Sadiq in maart 1588.
- pp. 172, 175 (TS hfst. 20): Ishaq II aan de macht op 10 april 1588 na een regering van Bani van een jaar, vier maanden en acht dagen; de Balmaʿa door het leger als askia gehuldigd, verslagen, gevlucht en te Kanatu gedood.
- pp. 186, 188–189 (TS hfst. 21): Jawdar als eunuch uit Cuevas del Almanzora in Almería; de drieduizend musketiers met tweemaal zoveel hulptroepen die in oktober of november 1590 vertrokken; de aankomst bij de Niger op 28 februari 1591; de Askia bij Tondibi, achtenveertig kilometer ten noorden van Gao, met twaalfduizend vijfhonderd ruiters en dertigduizend man voetvolk.
- pp. xxix, lx, lxi, lxiii, 336–337, 372: Muhammad Baghayogho ﵀, een Wangari uit Djenné, als de shaykh van Ahmad Baba ﵀, met wie hij de Mukhtasar van Khalil ﵀ acht keer las; de zestienhonderd delen; de terugkeer in 1608 en de dood in 1627; de regeringsdata van de Askia’s van 1493 tot 1592, met Dawud die op zijn landgoed te Tondibi stierf; Ahmad Baba ﵀ (1556–1627).
- Michael A. Gomez, African Dominion: A New History of Empire in Early and Medieval West Africa, Princeton University Press, Princeton 2018, pp. 218, 297, 309–310, 315, 321, 324, 332.
- pp. 309–310, 315, 321, 324: de oude en blinde Askia, wiens blindheid ʿAli Fulan verborg; de achtentachtigjarige die op 15 augustus 1529 toegaf; de twintig jaar van intriges en bloedvergieten en het ontbreken van opvolgingsregels dat het rijk fataal werd; de verbanning naar Kangaga; de opkomst van de hofeunuchen en de groeiende invloed van koninklijke vrouwen bij rivaliteiten.
- pp. 218, 297, 332: de Portugezen die tegen 1471 Elmina bereikten en tegen het midden van de zestiende eeuw zo’n tweehonderdvijftigduizend Afrikanen via de Atlantische Oceaan hadden uitgevoerd; de titel waiza voor dochters van de Askia’s, mogelijk een ambt.
